Families in beweging,
Een gezinsbeleid op maat?

BULCKENS RIET - MORTELMANS DIMITRI - CASMAN MARIE-THÉRÈSE - SIMAŸS CAROLINE

 

 

 

 

 

Dankwoord

Dit boek is opgevat als een fotoalbum van Belgische gezinnen. Een fotoalbum waarin vele facetten van gezinnen en gezinsbeleid getoond worden. Bij de aanvang van dit boek willen de auteurs dan ook iedereen bedanken die betrokken is geweest bij de totstandkoming van dit boek. Want hoewel slechts enkelen ‘door de lens keken’ hebben velen bijgedragen aan de hier samengebrachte scènes.

 

In de eerste plaats willen wij alle deelnemers van de verschillende werkgroepen van de Staten-generaal van het Gezin bedanken. Hun medewerking heeft ervoor gezorgd dat de debatten over gezinsaangelegenheden, die tijdens de vele bijeenkomsten gevoerd werden, de brede achtergrond, het landschap als het ware, vorm hebben gegeven.

 

Ook de experten, die voor dit boek hun mening, raad en inzichten over gezinsbeleid en over de band tussen gezinnen en verschillende levenssferen hebben gegeven, willen wij van harte bedanken. Deze bijdrages vindt u verspreid over heel het boek terug.

 

Ook alle personen die van dichtbij of veraf hebben meegewerkt aan het nalezen van de teksten, het feedback geven of het met ons in discussie treden over gezinsthema’s, zijn wij onze dankbaarheid verschuldigd. Heel in het bijzonder denken we daarbij aan alle onderzoeksgroepsleden van het Centrum voor Longitudinaal en Levensloop Onderzoek (CELLO, Universiteit Antwerpen) en het Panel Démographie Familiale (Universiteit van Luik). Voor de beide fantastische ploegen: een welgemeend ‘dank u wel’.


 

Voorwoord

Het gezin is steeds een ijkpunt geweest voor de evolutie van de maatschappij. Sinds enkele jaren is het gezin ook opgenomen binnen het ‘millenniumproject’ van de Verenigde Naties (VN).

Dit feit heeft toegestaan dat er echte voor­uitgang geboekt werd in de aanschouwing van het gezin. Ik denk meer bepaald aan de verzoening tussen het beroepsleven en het familiale leven.

Er zijn echter nog problemen. Niettegenstaande meerdere maatregelen voor een oplossing van sommige knelpunten, voelen de gezinnen nog steeds belangrijke ongelijkheden tussen de verschillende gezinsvormen onderling.

Het gebrek aan informatie, de evolutie van de economische conjunctuur en het gebrek aan coördinerende actoren voor wat betreft de bestaande maatregelen, sporen ons soms aan om opgelegde keuzes te maken, die geleid worden door verplichtingen en begrotingsdwang, zonder steeds rekening te kunnen houden met alle eisen verbonden aan de verschillende gezinsvormen. Deze keuze duwt ons in een richting om maatregelen te kiezen die garant staan voor de opbloei van zo veel mogelijk gezinnen.

België kent een bevolkingsevolutie en een wijziging van zijn gezinsorganisatie, die zich voordoet in het beeld van het merendeel van de Westeuropese landen.

Die evolutie vertaalt zich in een lichte bevolkingsgroei en in verschillende socio- demografische wijzigingen, zoals nieuwe gezinsvormen en nieuwe culturen. Parallel hiermee maken we kennis met een verhoogd aantal echtscheidingen en meer geboortes buiten het huwelijk om. Daarbij leidt een verlenging van de gemiddelde leeftijd naar een hoger aantal personen die de bijstand van een zieke of afhankelijke op zich nemen.

Bewust van deze sociologische evolutie heeft de Belgische overheid geopteerd voor een begeleidingspolitiek van deze nieuwe gezinsvormen en is zij vatbaar voor tegelijkertijd de juridische erkenning ervan en de verzekering dat binnen deze nieuwe context individuen hun rechten en plichten bewaren.

Het verloop van de Staten-generaal van het Gezin, waarbij burgers, gezinsorganisaties, onderzoekers en medewerkers op het terrein nauw samengewerkt hebben met de vertegenwoordigers van de overheid, met het oog op het formuleren van aanbevelingen waarop latere beslissingen in het voordeel van de gezinnen genomen worden, is ook een procédé geweest van opbouw voor de politieke overheid, ter bijdrage van coherente programma’s en intenties die op verschillende Belgische beslissingsni-veaus ontwikkeld zijn.

De programma’s die bijdragen tot de ondersteuning van ouders in hun taak als opvoeders, als draagkrachten van veranderingen en als hoofd van het ‘gezinsondernemen’ mogen hier geciteerd worden.

De ouders zijn ook de hoofdspelers voor de duurzame ontwikkeling van de gezinnen en moeten daardoor bepaalde voorwaarden toegekend krijgen. De noden van de gezinnen dienen beantwoord te worden en ouders moeten kunnen genieten van een sociale, professionele en juridische stabiliteit, vergezeld van een kwaliteitsservice, aangepaste vergoedingen voor de opvoeding van het kind… De gezinsonderneming moet ook bloeien in een respect van gelijkheid van geslachten.

De overheid dient ook rekening te houden met het ontstaan van een zeer zwakke nieuwe bevolkingsgroep, namelijk de éénoudergezinnen.

De Staten-generaal van het Gezin heeft in belangrijke mate het regeringswerk tijdens de volledige regeringslegislatuur ondersteund. Meerdere belangrijke maatregelen zijn direct geïnspireerd op de Staten-generaal en hebben het gezin de kans gegeven zich middenin de politieke besluitvorming een plaats te verwerven.

Ik denk meer bepaald aan de verbetering van de verlofregeling om gezinsredenen, de evolutie van het gezinsrecht en een betere kijk op de gelijkheid van de ouders en het belang van het kind bij scheidingen. Ik denk ook aan een verbetering van de gezinsvergoedingen, via de schoolpremie en een verhoging van het kindergeld voor het eerste kind bij zelfstandigen…

De aanbevelingen vanuit de Staten-generaal van het Gezin leiden als een rode draad doorheen de overheidsbeslissingen.

Door op een klare wijze de universitaire wereld met dit werk te associëren, heb ik de mogelijkheid gecreëerd voor een kritischer en objectiever beeld van het overleg en de kans gegeven om een baken voor de toekomst uit te zetten.

De publicatie die u voor ogen heeft, is het resultaat van 2 universitaire ploegen uit Luik en ­Antwerpen, die de werkzaamheden van de Staten-generaal bijstonden en die op mijn vraag een uitgebreid beeld geven van het Belgische gezin. Dit werk is dus geen samenvatting van de werkzaamheden van de Staten-generaal van het Gezin, maar eerder een verduidelijking ervan. Ik heb de wens uitgedrukt dat dit boek toegankelijk zou zijn voor een zo breed mogelijk publiek en dat het aan iedereen, professioneel of privé, vertegenwoordiger van het middenveld of de overheid, de mogelijk geeft om zich een denkbeeld te vormen over de toekomst van de gezinnen.

Ik ben ervan overtuigd dat wij voor een formidabel project staan waarin voor iedereen op zijn/haar maat een plaats bestaat en waarbij ieder een doeltreffend deel moet bijdragen.

Een verandering kan niet opgelegd worden, maar kan wel verdiend worden.

Zij is vooral het resultaat van een onvermoeibare samenwerking tussen de verschillende maatschappelijke actoren binnen een democratisch bestel dat gestimuleerd wordt door de overheden.

 

De Staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap


 

Een foto-album van Belgische gezinnen

Is ‘het’ gezin nog in beeld te brengen?

Wanneer we televisie kijken, lijkt het vaak dat deze wereld samengesteld is uit heel sterk op elkaar gelijkende mensen: groot, slank en steeds goedgemutst en blij. Een stereotiep beeld dat nog wordt versterkt in de reclame waarbij het televisie-imago nog verder verwijderd is van de dagelijkse realiteit waarin wij leven. Als we gezinnen in de reclame opgevoerd krijgen dan primeert hier nog steeds het aloude beeld van een vader, een moeder en (één of) twee kinderen. Het cliché eist dan dat er één jongen (de oudste) en één meisje (vaak op kleuterleeftijd) leeft in dat voorbeeldgezinnetje. Eén oerbeeld lijkt alvast wél naar de annalen van de televisiegeschiedenis verplaatst te zijn: vader werkt en moeder zorgt voor de kinderen. In het standaard televisiegezin, welke samenstelling het ook heeft, gaan zowel vader als moeder uit werken. Hoe zij daarbij zorgen voor de opvang van hun kleuter of hoe de oudste naar de voetbaltraining raakt, wordt meestal niet in beeld gebracht.

 

In dit boek vertrekken we niet van dit televisie-cliché. We kijken niet naar de wereld die voor dertig televisieseconden het gezin noodzakelijkerwijs reduceert tot een kenmerkend beeld dat misschien niet eens meer de grootste gemene deler in België is. We willen een beeld geven van de dagelijkse leefwereld van de Belgische gezinnen en de veelkleurigheid aan leefvormen die we momenteel hierin kunnen aantreffen. Dat beeld vullen we aan met een overzicht van hoe de overheid omgaat met deze diversiteit, hoe een beleid gericht op gezinnen al dan niet tegemoet komt aan de veelheid van gezinstypen en de complexiteit die hier vaak mee gepaard gaat. Vanuit het standpunt van de overheid schakelen we over naar dat van de gezinnen. We bekijken immers ook de manier waarop dat gezinbeleid invloed heeft op het dagelijkse leven en de levensloop van gezinnen en de individuen die er in leven. We bekijken hoe generaties elkaar steun geven: kinderen aan hun ouders, grootouders aan hun kleinkinderen, gezonde aan zieke familieleden. Tot slot willen we ook kijken naar de historische ontwikkelingen die gezinnen doorgemaakt hebben. De gezinnen van vandaag hebbenimmers hun roots in de gezinnen van hun voorouders en in het beleid dat toen ten aanzien van gezinnen werd gevoerd.

 

Die historische evolutie van het gezin is groter dan doorgaans aangenomen wordt. Het beeld van wat nu het ‘traditionele’ gezin wordt genoemd waarbij vader uit werken gaat en moeder zich bekommert om de zorg voor de kinderen en het huishouden, kortweg het kostwinnersmodel, is een gezinsmodel dat, zoals we zullen zien, slechts een korte periode dominant geweest is in ons land. In de 19de eeuw werkten mannen, vrouwen én kinderen om te kunnen overleven. De vrouwelijke arbeidsparticipatie werd geleidelijk aan minder gewaardeerd en zij kregen een zorgtaak toevertrouwd. Vanaf de jaren 1960 werd opnieuw een nieuwe richting aangenomen en betraden vrouwen in grote getale de werkvloer. Vandaag de dag bepalen tweeverdieners het welvaartsniveau en komen éénverdienergezinnen in een vaak benijdenswaardige positie terecht. De toenemende verstedelijking in de 19de eeuw, de opkomende arbeidersklasse en de verlengde levensduur hadden een grote invloed op de toenmalige gezinssituatie: woonplaats en werkplek werden van elkaar losgekoppeld, kinderen bleven langer thuis wonen, door de stijgende levensverwachting en het dalende geboortecijfer woonden drie generaties vaak in hetzelfde huishouden. De fundamenten van het gezin bleven echter dezelfde: er was een blijvende en noodzakelijke familiale solidariteit en financiële loyaliteit tussen de gezinsleden. Deze ondersteuning gebeurde niet altijd plichtsbewust waardoor de overheid zich genoodzaakt zag om mensen te verplichten, in de mate van het mogelijke, hun ouders (geldelijke) steun te verlenen.

 

Een twintigtal jaar na de Tweede Wereldoorlog zien we opnieuw een belangrijke evolutie. Een langzame waardenverschuiving ten aanzien van gezin en samenleving maakt dat het huwelijk aan populariteit inboet, het aantal echtscheidingen sterk stijgt, gezinnen minder kinderen krijgen en nieuwe gezinsvormen ontstaan zoals het ongehuwd samenwonen, éénoudergezinnen, nieuwsamengestelde gezinnen en personen die alleen wonen (Lesthaege & Verleye, 1992). In toenemende mate krijgt het ‘gezin’ als maatschappelijke instelling geen overlevingsfunctie meer toebedeeld maar verwerft het een emotionele invulling waarvan de invloed vooral te merken is bij de partnerkeuze, het al dan niet huwen en de houding ten opzichte van kinderen. Waar men er vroeger vanuit ging dat je een partner moest hebben om je toekomst te verzekeren, wordt het aangaan van een verbintenis nu eerder een stap in het proces naar persoonlijke voldoening. Een partner wordt niet meer uit rationele overwegingen gekozen, maar eerder uit liefde. Kinderen worden niet meer gezien als economische wezens die geld kosten of opbrengen, maar krijgen tijd en ruimte om ‘kind’ te zijn (Depaepe, 1998; Hareven, 1995). Ondanks alle veranderingen en de nieuwe vormen die gezinnen aannemen, blijven zij één van de belangrijkste factoren van sociale integratie in onze samenleving.

De toenemende diversiteit aan gezinssamenstellingen en de veranderingen in het denkbeeld over het gezin en de levensloop, hebben een vernieuwde politieke belangstelling gecreëerd. Steeds meer wordt het duidelijk dat deze maatschappelijke veranderingen nieuwe uitdagingen stellen aan het beleid. Het mannelijk kostwinnersmodel stond immers model bij de uitbouw van de welvaartsstaat na de Tweede Wereldoorlog. Vandaag de dag wordt duidelijk dat de ondersteuning van gezinnen op wetgevend vlak niet langer overeen komt met de hedendaagse levensloop en de diversiteit aan gezinsvormen. Ook is het duidelijk dat ‘gezinsbeleid’ niet langer eenduidig door één minister, laat staan op één afgebakend beleidsdomein, te voeren is. Gezinsbeleid is zo mogelijk even divers als het gezin zelf. Maatregelen in verschillende beleidsdomeinen en bestuursniveaus hebben immers een impact op het gezin.

Het gezin, enkel in de privé-sfeer? Niet echt.

Het gezin staat niet los van de overheid met haar regels. Ze is verbonden met het beeld en het idee over ‘het gezin’ in de samenleving. De federale staat, gewesten en gemeenschappen, kortom de publieke instellingen, bieden, op een directe of indirecte manier, hulp aan de gezinnen door diensten aan te bieden in de samenleving. In 2003 verscheen voor het eerst sinds de overheveling van ‘persoonsgebonden’ aspecten naar de gemeenschappen het gezinsbeleid terug op het federale toneel. Vanuit een nood aan evaluatie van het (federale) gezinsbeleid werd een Staatssecretariaat voor Gezinnen en Personen met een Handicap opgericht. Deze ging het debat aan met de belangenverenigingen in dit domein, politiek verantwoordelijken, academici en het brede publiek. De debatten werden samengebracht in twee cycli van de Staten-generaal van het Gezin. Op het einde van elke Staten-generaal werd een pakket concrete voorstellen overgemaakt aan de Staatssecretaris om het politieke debat over de nieuwe uitdagingen voor het gezinsbeleid aan te sterken en om concrete voorstellen aan te reiken om dringende problemen aan te pakken in allerlei levenssferen.

Ontstaan van dit boek

Dit boek is gegroeid in de marge van de cycli van de Staten-generaal van het Gezin. Het wil in de eerste plaats een aanvulling vormen op het werk dat in de Staten-generaal verricht werd door het huidige beleid te verduidelijken. Deze achtergrond wordt daarbij in de eerste plaats gezien als informatie over het bestaande wettelijk kader waarin gezinnen en het gezinsbeleid zich vandaag bevinden. We maken als het ware een panoramische foto. Daarnaast staat het boek ook stil bij het huidige gezinsbeleid en hoe dat vorm kan krijgen.. Smeulende kwesties en verschillende zienswijzen worden daarbij uitgediept. Enerzijds zijn deze debatten naar voor gekomen in de werkgroepen van de Staten-generaal, anderzijds zijn ze gehaald uit standpunten en discussies die elders worden gevoerd. We proberen deze tegenstellingen in de verf te zetten, beseffend dat de soep vaak niet zo heet gegeten wordt als we ze opdienen. Als auteurs kozen we ervoor om ons zwart-wit op te stellen om een en ander scherper te positioneren.

 

Naast de achtergrondinformatie over het wettelijke kader en de discussies ten aanzien van het bestaande kader en de uitdagingen in het gezinsbeleid, geven we in dit boek ook ruimte aan andere stemmen. Meer dan twintig middenveldorganisaties, academici, ambtenaren en politici werden aangezocht om hun visie te geven op een aspect uit het gezinsbeleid dat hen het meest aanbelangt of het sterkst intrigeert. Hun bijdragen vormen een reeks close-ups die de veelkleurigheid van gezinsvormen, stellingen en standpunten aanvullen met een waaier van visies uit de praktijk. Het is uitdrukkelijk niét de bedoeling om met dit boek een academisch werkstuk af te leveren. We kiezen er voor om geen grote sociologische of psychologische theorieën te brengen over gezinnen, noch om gedetailleerde juridische informatie over reglementen en wetten voor te schotelen. Het primaire doel van dit boek is om informatie en visies over gezinnen en gezinsbeleid in een leesbaar formaat te verpakken en zo de geïnteresseerde lezer mee te nemen in deze boeiende thematiek die elk van ons in het dagelijkse leven niet onberoerd laat.

 

Als uitgangspunt voor de opbouw van het boek hebben we de indeling genomen van de werkgroepen van de tweede Staten-generaal van het Gezin. Er waren drie thematische groepen actief: arbeid, overheid en samenleving. In het boek houden we deze indeling aan. Eerst bieden we in vogelperspectief het brede kader van het thema en de achtergronden waarna we enkele deskundigen uit het veld laten ingaan op specifieke deelthema’s.

 

In een eerste deel starten we, door de gegevens van de Panelstudie Belgische Huishoudens (PSBH)[1] te gebruiken, met een algemene rondleiding over de plaats van het gezin in onze hedendaagse samenleving. We gaan dieper in op de demografische tendensen in België en kijken hoe deze een impact hebben op de leefwereld van gezinnen en gezinsleden. In het tweede deel staat het arbeidsleven centraal. We staan hierbij stil bij de combinatie van persoonlijk en professioneel leven, ‘oudere’ werknemers en de transitie naar het pensioen. Er wordt ook aandacht besteed aan een aantal specifieke situaties zoals gezinnen die een persoon met een handicap opvangen, werkzoekenden en zelfstandigen. Het derde deel behandelt de sociale zekerheid, fiscale en juridische maatregelen met betrekking tot het gezin. Hierin worden de debatten over de kinderbijslag, het huwelijksquotiënt en het ouderschap in geval van echtscheiding behandeld. In het vierde deel plaatsen we het gezin in de samenleving centraal. Thema’s zoals intergenerationele solidariteit binnen en buiten het kerngezin en de rol van formele en informele zorg, geweld in de maatschappij, de gelijkheid tussen mannen en vrouwen komen aan bod. Ook het armoedevraagstuk wordt bekeken vanuit een gezinscontext. Geen van deze vier hoofddelen wordt afgesloten met een besluit. De terugkoppeling naar al deze delen, gebeurt in een vijfde afsluitend deel. In dit deel worden de aanbevelingen van de Staten-generaal van het Gezin samengevat en ronden we af met een slotbeschouwing over de verschillende thema’s in het boek en de mogelijke richtingen waarin het gezinsbeleid kan evolueren.


 

Een panoramische blik op demografische ontwikkelingen

Gezinsfoto’s doorheen de tijd

Gezinnen zijn doorheen de geschiedenis steeds in evolutie geweest. Zo zien we na de Tweede Wereldoorlog een enorme toename van geboorten, de gekende naoorlogse ‘babyboom’. Vandaag de dag is het aantal geboortes echter gekelderd. In combinatie met de stijgende levensverwachting kunnen we nu veel langer genieten van onze ouders, grootouders en overgrootouders. Deze evoluties zorgen in de 21ste eeuw voor een veroudering van de bevolking, waarover later meer. Ook het huwelijksgedrag is drastisch gewijzigd. Waar het huwelijk vroeger dé instelling was om kinderen te krijgen, worden de fundamenten hiervan steeds onvaster. Het aantal huwelijken blijft dalen terwijl het aantal echtscheidingen lange tijd gestegen is en momenteel op een hoog niveau stabiliseert. “Sinds de ommekeer in de jaren 1970 in alle West-Europese landen, is het gedrag van gezinnen veranderd: er zijn meer koppels die feitelijk samenwonen en kinderen die niet binnen het huwelijk worden geboren - wat in heel wat landen als normaal wordt beschouwd - het aantal echtscheidingen blijft toenemen en het vruchtbaarheidscijfer daalt. Een ‘koppel’ zijn, is minder en minder een verbintenis ‘voor het leven’ en de link tussen huwelijk en ouderschap verzwakt(Monnier, 2006, p.8). Naast het verstand en de bloedlijn speelt voortaan ook liefde een rol bij het samenleven. De band tussen twee personen, die huwen of samenwonen, houdt alleen stand als er ook sprake is van liefde. Heel wat mensen gaan uit elkaar, het aantal nieuwsamengestelde gezinnen neemt toe, maar ook het aantal mensen dat zich eenzaam voelt, stijgt. De ouderlijke band daarentegen overleeft het huwelijk wel. Het huwelijk is in de hoofden van de hedendaagse koppels immers geen noodzaak meer om kinderen te krijgen. Het concubinaat – een verouderde en gestigmatiseerde term – heeft plaats geruimd voor een meer gangbaar fenomeen: het ongehuwd samenwonen. Uit deze relatie tussen ongehuwde personen worden kinderen geboren, ontstaan duurzame relaties, maar deze relaties monden, zelfs vaker dan bij het huwelijk, ook in een aantal gevallen uit in een relatiebreuk.

 

Een scheiding betekent echter niet het einde van het gezin (Dortier, 2002). Hoewel het gezin van de jaren 1960 strikt genomen niet meer de norm is, luidt een scheiding niet langer het einde van het gezin in, maar eerder de vorming van gezinnen. De gezinsband heeft immers een duurzaam karakter. We leven misschien niet heel ons leven meer in hetzelfde gezin, maar vormen een ander gezin met nieuwe gezinsleden en behouden de band met de vorige gezinsleden. We leven in het tijdperk van vervlochten verwantschappen[2]. De belangstelling voor het gezin verwatert niet, wel het duurzame karakter van het gezin.

 

Echtscheidingen en nieuwe levenswijzen hebben geleid tot verschillende soorten gezinnen die gevormd worden naargelang de personen en levensfasen waarin ze zich bevinden. Door de nieuwe gezinssamenstellingen neemt het aantal schoonmoeders, -vaders, -dochters en -zonen toe en ontmoeten kinderen uit nieuwsamengestelde gezinnen elkaar, met de rugzak, in verschillende woningen. Ook het aantal éénoudergezinnen neemt toe. Vaak gaat het daarbij om alleenstaande moeders die financieel zwak staan. Dit fenomeen gaat hand in hand met de toename van het aantal alleenstaande personen. Alleen zijn staat echter niet meer gelijk aan eenzaamheid. Het vrijgezellenleven wordt niet meer vereenzelvigd met het ouderwetse beeld van de ongehuwde ‘oude vrijsters’. Alleen door het leven gaan, is geen afwijkend levenspad meer. Een periode als ‘single’ wisselt zich immers vaak af met een periode van samenwonen, een huwelijk of een relatie waarbij ieder zijn eigen stek heeft,… Naar analogie met de arbeidsmarkt kennen ook koppels vandaag de dag contracten van bepaalde duur, periodes van ‘werkloosheid’ en gevoelsmatige overplaatsingen.

 

De verklaring voor deze omwentelingen binnen het gezin wordt gezocht bij de emancipatie van de vrouw, het betreden van de arbeidsmarkt door de vrouw, de verspreiding van de anticonceptie, de veranderingen op de arbeidsmarkt, het einde van de financiële afhankelijkheid van de vrouw ten opzichte van haar echtgenoot, een andere invulling van vrije tijd, de algemene evolutie naar flexibiliteit, het toenemende belang van zelfstandigheid, individualisme,… De combinatie van deze redenen leidde tot een reeks historische veranderingen die we samenvatten als de Tweede Demografische Transitie (zie kader).

 

Demografische transities in België

 

De Eerste Demografische Transitie heeft betrekking op de historische veranderingen die plaatsvonden in de periode van 1860 tot 1960. Het gaat om de volgende veranderingen:

·         de daling van het sterftecijfer, eerst bij de volwassenen en vervolgens bij de kinderen en baby’s,

·         de daling van het vruchtbaarheidscijfer, in België ongeveer omstreeks 1870, eerst in Wallonië en vervolgens in Vlaanderen,

·         een verschuiving van huwen op latere leeftijd (veel definitieve vrijgezellen) naar trouwen op steeds jongere leeftijd (weinig definitieve vrijgezellen)

 

De Tweede Demografische Transitie omvat de veranderingen die in België zichtbaar werden vanaf 1960. In chronologische volgorde:

·         de ‘babyboom’ die zijn hoogtepunt bereikte in 1964 en de ‘babybust’ (kelderen van het geboortecijfer), het vruchtbaarheidscijfer blijft tot vandaag laag,

·         de ‘seksuele revolutie’ en de ‘anticonceptierevolutie’ van de jaren 1960,

·         de aanhoudende trend van uitstel van huwelijk en ouderschap,

·         de afname van het aantal huwelijken na de dood van de partner of een echtscheiding,

·         de toename van het aantal echtscheidingen en huwelijken van steeds kortere duur,

·         de ontwikkeling vanaf de jaren 1970 van het (ongehuwd) samenwonen zowel in de periode voor het huwelijk als in de periode na de dood van de partner of na een echtscheiding (voor- en nahuwelijks samenwonen),

·         stijging van het aantal buitenechtelijke kinderen bij samenwonende koppels sinds 1985.

 

Bron: (Boulanger e.a., 1997).

De vergrijzing van de bevolking

Hoewel het bevolkingsaantal in België nog steeds blijft stijgen, is dit eerder te danken aan de vergrijzing en het toenemend aantal migranten, dan aan het aantal geboortes. Het aantal kinderen nam in België immers zowel in absolute als in relatieve cijfers af, terwijl het aantal ouderen, zoals in alle geïndustrialiseerde landen, toenam. Deze vergrijzing van de bevolking, als gevolg van de toegenomen levensverwachting en de daling van het geboortecijfer, zien we duidelijk in de leeftijdspiramide[3]: de vorm die in 1881 opgetekend werd, lijkt niet meer op de huidige vorm. Sinds ongeveer honderd jaar vernauwt de basis ten voordele van de top.

 

Bron: (FOD Economie, 2006a)

 

Bron: (FOD Economie, 2006a)

 

Na twee eeuwen ononderbroken groei, springt de demografische achteruitgang nog meer in het oog (Docquier, 1995). De rem op de immigratie zorgt niet langer voor een groter aantal inwoners die het dalende vruchtbaarheidscijfer kunnen compenseren. Samen met de daling van het sterftecijfer leidt dit tot een toenemende veroudering van de bevolking, de zogenaamde vergrijzing.

De daling van het vruchtbaarheidscijfer

In cijfers…

Het aantal geboortes wordt enerzijds bepaald door het vruchtbaarheidscijfer en anderzijds door het aantal vrouwen op vruchtbare leeftijd (Docquier, 1995). Er is een vruchtbaarheidscijfer van 2,1 kinderen per vrouw nodig om de vervanging van het bevolkingsaantal te waarborgen. In 1973 zakte het vruchtbaarheidscijfer onder deze drempel en in 2005 lag dit in België op 1,72 kinderen per vrouw (Eurostat, 2006a). De vele kinderen die in België werden geboren tijdens de babyboom (1945-1970) zijn intussen zelf ouders geworden en compenseren momenteel, dankzij hun talrijke aantal, het zwakke voortplantingsgedrag.

 

Hoewel het geboortecijfer sinds 1975 toeneemt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, tekenen de twee overige gewesten nog altijd een voortdurende daling op. Het aantal geboortes per 1000 inwoners bedroeg in 1975 respectievelijk 12,2; 12,4 en 11,5 voor Vlaanderen, Wallonië en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, terwijl deze cijfers in 2005 respectievelijk 10,6; 11,4 en 15,4 waren. Vlaanderen kent de sterkste daling van het geboortecijfer (FOD Economie, 2006a).

 

Kortom, het aantal personen jonger dan 19 verliest terrein ten opzichte van de totale Belgische bevolking. In 1990 vertegenwoordigde deze groep 24,8% van de totale Belgische bevolking, terwijl dit percentage in 2006 daalde tot 23,1% (FOD Economie, 2006a).

… en gedachten

Zowel de evolutie als de waarden van de arbeidsmarkt hebben een invloed gehad op de daling van het vruchtbaarheidscijfer. In de arme bevolkingsgroepen en gezinnen hebben zowel mannen als vrouwen altijd al de krachten gebundeld en zijn ze gaan werken om het (over)leven van zichzelf en hun naaste familieleden te verzekeren. Ook kinderen werden al snel aan het werk gezet. Niet-werken was een voorrecht voor mannen en vrouwen uit de rijkere klasse. In de tijd van de industriële revolutie werkten zowel mannen, vrouwen als kinderen in de fabrieken en koolmijnen. De professionele taakverdeling was toen (en nu nog) gendergebonden en de lonen waren ongelijk[4]. De naoorlogse periode en de daaropvolgende 30 jaar brengen misschien geen andere realiteit, maar wel een andere mentaliteit. Hoewel de vrouw in sommige lagen van de arbeidersklasse in de fabriek blijft werken, blijft de man de kostwinner van het gezin, terwijl de figuur van moeder aan de haard het stereotype wordt van de vrouw die echtgenote en kinderverzorgster is. Werkende vrouwen werden bijgevolg minder gewaardeerd. Tijdens de hele 19de eeuw had de overgrote meerderheid van de mannen, zowel uit de bourgeoisie als uit de arbeidersklasse, een sterke seksistische visie, die getekend werd door religie: vrouwen zijn ondergeschikt aan mannen, zijn van nature zwakker en hun plaats is aan de haard om het huishouden te doen en te zorgen voor de kinderen. Aan dit idee werd gedurende verschillende decennia vastgehouden. Sinds de jaren 1970 en 1980 is de vrouw materieel onafhankelijker geworden van haar echtgenoot waardoor de taakverdeling binnen het huishouden in beperkte mate veranderde. Het tweeverdienermodel is momenteel de norm in het streven naar gendergelijkheid, maar ook om tegemoet te komen aan de behoeften en verlangens op het gebied van consumptie.

 

Het tijdperk van de nieuwe man? Maar wat dan met de verdeling van de huishoudelijke taken? 

 

De Panel Studie van Belgische Huishouden licht een tipje van de verdelingssluier van Belgische gezinnen op. Aan de PSBH-koppels werd gevraagd wie welke taak binnen het huishouden op zich neemt en dat op basis van een lijst van negen huishoudelijke taken: de woning schoonmaken, boodschappen doen, koken, de was doen, tuinieren en klussen, de administratie regelen, het dagelijkse geldbeheer, de bankverrichtingen regelen en het spaargeld beheren. Deze vragen werden jaarlijks gedurende de 11 onderzoeksjaren (1991-2002) gesteld. Het is boeiend om een vergelijking te maken tussen het eerste en het laatste enquêtejaar om na te gaan of er een evolutie is tussen het begin en het einde van deze onderzoeksperiode. Niet helemaal tot onze verbazing stellen we vast dat de evolutie tijdens de afgelopen tien jaar helemaal niet de tendens volgt van het ‘nieuwe man’-verhaal. In 2002 nam de overgrote meerderheid van de vrouwen immers nog steeds de dagelijkse huishoudelijke taken op zich. We stellen vast dat ‘de was doen’ een taak is die mannen het minst uitoefenen (slechts 7% van de mannelijke ondervraagden). De woning schoonmaken en het dagelijkse budget beheren lijkt evenmin hun favoriete activiteit, hoewel er toch al iets meer mannen deze taken op zich nemen (respectievelijk 26,1% en 26,6% in vergelijking met 89,9% en 89,1% voor de vrouwen). De meerderheid van de mannen verklaarde dat ze wel eens boodschappen doen en de administratieve zaken beheren. Het zijn echter eens te meer hoofdzakelijk vrouwen die deze taken voor hun rekening nemen. Enkel wat het tuinonderhoud en de klusjes betreft spannen mannen de kroon: 79,5% mannen tegenover 41,1% vrouwen. Sparen is de enige taak die meer op koppelniveau gebeurt en waarbij we weinig verschil tussen de geslachten kunnen vaststellen.

 

Bronnen: (Mortelmans e.a., 2003; PSBH, 1992-2002).

 

De kinderwens van vrouwen hangt echter af van verschillende fenomenen die bewust of onbewust hun invloed uitoefenen. Wanneer je financieel krap bij kas zit, wordt de combinatie van werken en het gezin een obstakel voor het moederschap. Kinderen krijgen en blijven werken blijft voor hedendaagse koppels een dagelijkse uitdaging. Vragen die hier naar boven komen, gaan over de kwestie of ouderschapssteun[5] de kinderkeuze van deze koppels beïnvloeden? Hoe kunnen mensen hun kinderwens waarmaken als beide ouders moeten blijven werken om hun levenskwaliteit en die van hun kinderen te behouden?

 

Het nieuwe waardenklimaat maakt dat koppels veel later trouwen of samenwonen en het ouderschap uitstellen. Dit alles leidt tot een daling van de gemiddelde omvang van het huishouden[6]: in 1970 telde een huishouden nog 2,95 leden in vergelijking met 2,4 in 2000 en 2,3 in 2005. Zogenaamde ‘kroostrijke’ gezinnen komen nog nauwelijks voor. Deze beweging begon al tijdens de 19de eeuw waarin er steeds minder vrouwen waren die meer dan acht, vervolgens zeven, vervolgens zes,… kinderen kregen (Monnier, 2006).

 

Het voorbeeld van België is frappant: gezinnen met 3 kinderen of meer komen steeds minder vaak voor. In 1970 maakten dit gezinstype nog 16,2% van alle gezinnen uit, terwijl dit aantal in 2005 is teruggezakt tot 8%. Het aantal kinderloze koppels blijft dan weer stabiel. Vooral de evolutie van het aantal alleenstaande moeders is verontrustend: hun aandeel is verdrievoudigd tussen 1970 en 2005 (zij vertegenwoordigen vandaag 16% van de gezinnen met kinderen). Ook het aantal alleenstaande vaders stijgt: een verdrievoudiging in dezelfde periode, al maken ze in 2005 slechts 6,2% van alle gezinskernen uit[7].

 

Stijging van de levensverwachting

Dat Europa vergrijst, staat vast. In heel Europa is het aandeel 65-plussers tussen 1950 en 2000 gestegen van 8 naar 15%. In 1950 bedroeg de leeftijd waarboven een kwart van de Europese bevolking zich bevond 48 jaar. Bij de eeuwwisseling was dit 56 jaar (de Groote & Truwant, 2003; Monnier, 2006). Door de daling van het geboortecijfer verkleint de basis van de leeftijdspiramide. De ouderen aan de top worden steeds talrijker. Vandaag de dag is 100 jaar worden geen voorpaginanieuws.

 

In België vond de eerste vergrijzingsfase plaats rond 1880, wat vooral na de Eerste Wereldoorlog merkbaar was. In 1900 vertegenwoordigen de 65-plussers slechts 6,2% van de totale bevolking. In 1935 bedroeg dit percentage 8,3% en in 1950 11% (Boulanger e.a., 1997). In tegenstelling tot wat men zou kunnen denken, moet de oorzaak van deze vergrijzing eerder bij het vruchtbaarheidscijfer gezocht worden dan bij de daling van het sterftecijfer. De stijgende levensverwachting gold immers niet alleen voor volwassenen. De kindersterfte werd drastisch teruggedreven. Op deze manier wordt ook bijgedragen aan de verjonging van de samenleving. Pas op het einde van de 20ste eeuw zorgde een vermindering van het aantal vrouwen op vruchtbare leeftijd voor een daling van het vruchtbaarheidscijfer en voor de vergrijzing van de bevolking. Het resultaat is dat er steeds minder kinderen geboren worden wat bijgevolg zorgt voor een inkrimping van de basis van de bevolkingspiramide.

 

Vandaag vertegenwoordigen 65-plussers ongeveer 17% van de bevolking, waarvan het merendeel vrouw is (FOD Economie, 2006c). De veroudering van de babyboom-generatie roept heel wat vragen op. Aan de ene kant financiële vragen: er is een grote bezorgdheid over de financiering van het huidige sociale zekerheidssysteem door beroepsinkomsten van de huidige generatie werkenden. Anderzijds roept de vergrijzing ook sociale vragen op omtrent het welzijn van senioren en de intergenerationele solidariteit. “De overheid staat voor een nieuw demografisch gegeven dat het Europa van de 21ste eeuw typeert: de vergrijzing van de bevolking en het probleem van de pensioenen. De staat moet dit gegeven aanpakken met een Europese bevolking van wie de voortplanting niet gegarandeerd is. Het probleem betreft op macro-sociologisch vlak weliswaar de economen en politici, maar heeft ook een enorme impact op de intergenerationele familiale betrekkingen(Segalen, 2002, p.65). Omdat de sociale evolutie in de loop van de 20ste eeuw zorgde voor een duidelijker onderscheid tussen het pensioen (het einde van het arbeidsactieve leven) en het totale verlies van zelfredzaamheid (Casman, 2002), leven we nu in een meer intergenerationele maatschappij waarin grootouders en overgrootouders meer functies vervullen.

Huwelijken en echtscheidingen

Huwelijken

Het uitstellen van de huwelijksleeftijd heeft zich reeds halverwege de 19de eeuw ingezet. Ongeveer 20% van de mannen en vrouwen bleven in die tijd hun hele leven vrijgezel. Vanaf 1950 veranderde deze trend: het aantal ‘levenslange vrijgezellen’[8] nam af en de mensen trouwden op vroegere leeftijd. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen deze trends in een stroomversnelling die tot in de jaren 1960 aanhield: het aantal vrijgezellen bereikte een minimum en het aantal gehuwden in de leeftijdscategorie van 20 tot 24 jaar nam fors toe. Vóór 1960 bleef het aantal echtscheidingen erg gering. Anders gezegd: zodra een koppel huwde, bleven de echtgenoten samen tot de dood hen scheidde. Het huwelijk en het gezin waren onaantastbare instellingen. Hierin is de laatste decennia radicaal verandering in gekomen.

 

Hoewel in België de traditionele huwelijksverbintenis de voornaamste manier blijft om een huishouden te vormen (ondanks de sterke toename van andere samenlevingsvormen), beslissen partners op steeds latere leeftijd te trouwen. Terwijl de gemiddelde leeftijd voor een eerste huwelijk in 1993 26 jaar en 8 maanden bedroeg voor mannen en 24 jaar en 8 maanden voor vrouwen, bedraagt deze leeftijd in 2002 respectievelijk 28 jaar en 10 maanden en 26 jaar en 5 maanden (FOD Economie, 2006a). Het huwelijk blijft weliswaar een belangrijke instelling, maar ten opzichte van de huwelijksgolf die aanhield tot begin 1970 verliest het huwelijksbootje terrein. Steeds meer koppels kiezen ervoor samen te leven zonder hun verbintenis op één of andere manier te bezegelen voor de staat of de kerk. Een rechtstreeks gevolg hiervan is dat het aantal kinderen[9] dat in samenwoonrelaties wordt geboren toeneemt. Hun aantal bedroeg 21% van de totale geboortes in 1997 en  31% in 2003. In 2000 voerde België de ‘samenwoningsverklaring’ in waarbij twee personen die samenwonen zich kunnen laten registeren en inschrijven als ‘wettelijk samenwonenden’. Deze verklaring biedt wettelijk samenwonende koppels verschillende beschermingsmaatregelen naar het voorbeeld van het huwelijk (Mortelmans e.a., 2007).

Echtscheidingen

Zoals in vele domeinen bekleedt België een gemiddelde positie in het Europese landschap: naar het beeld van zijn geografische situering, zijn ook de demografische evoluties later begonnen dan in de noordelijke landen van Europa, maar vroeger in vergelijking met het zuiden van Europa. Anno 2007 is België echter wel koploper van het aantal echtscheidingen: 60% van de huwelijken die in 1995 werden afgesloten, mondden uit in een echtscheiding (Van Hove & Matthijs, 2002). In de laatste dertig jaar is het aantal echtscheidingen verviervoudigd en dit aantal lijkt zich slechts langzaam te stabiliseren (Mortelmans e.a., 2007). Hoewel scheidingen vroeger alleen in de middenklasse voorkwamen, scheiden de mensen nu in alle sociale lagen. Scheidingen zijn het populairst bij de gegoede burgers. Een scheiding heeft immers steeds sociale en wettelijke gevolgen: verdeling van de goederen, al dan niet co-ouderschap, berekening van eventueel onderhoudsgeld voor de ex-partner en bepaling van de bijdrage voor de kinderen,… De relatie tussen de ouders, maar ook de relatie tussen de ouders en de kinderen verandert vaak door een echtscheiding.

 

De negatieve economische gevolgen van een echtscheiding treft vooral de vrouw. Het patriarchale model dat lang de norm was, heeft immers nog altijd een invloed op de gevolgen van de echtscheiding. De sociale zekerheidsuitkeringen, die in veel gevallen gebaseerd zijn op het arbeidsinkomen, plaatst de partner met het laagste inkomen of de werkloze partner in een kwetsbare positie bij een echtscheiding. In de meeste gevallen gaat het om de vrouw[10]. De financiële kwetsbaarheid van éénoudergezinnen getuigt hiervan: “de forse toename van het aantal echtscheidingen sinds een tiental jaar heeft gezorgd voor een ‘nieuwe onzekerheid’, als gevolg van het uiteenvallen van de gezinskern(Belle & Maubert, 2006, p.6). Een echtscheiding zorgt overigens altijd voor een verarming van de ex-partners door de opsplitsing van de inkomens en de dubbele materiële behoeften (nieuwe woning, aankoop van essentiële zaken,…) (Belle & Maubert, 2006).

Nieuwe vormen van ‘gezinsleven’

Door de stijgende huwelijksleeftijd en de verzwakte positie van het huwelijk ontstaan andere gezinsvormen naast het nog steeds overheersende gehuwde koppel met kinderen (26,5% van alle privé-huishoudens in België). De statistieken zijn verrassend: als we voor 2005 de alleenstaande mannen (15,3%), de alleenstaande vrouwen (17,7%) en de éénoudergezinnen met een man aan het hoofd (3,6%) of een vrouw (9,5%) samentellen, bedraagt het aandeel personen dat géén deel uitmaakt van een koppel bijna de helft van alle Belgische huishoudens (46,1%)[11]. De nationale statistieken houden wel (nog) geen rekening met het aantal wettelijke en feitelijke samenwonenden. Koppels die niet huwen, kunnen niet uit deze gegevens geïsoleerd worden.

 

Hoewel België niet beschikt over statistieken over ongehuwd samenwonen, lijkt de daling van het aantal huwelijken samen te gaan met de toename van het aantal samenwonenden en het aantal buitenechtelijke kinderen. Uit een studie over het ongehuwd samenwonen op basis van het Rijksregister (Corijn, 2004) blijkt dat aantal samenwonenden is toegenomen van 4,7% van alle huishoudens in 1991 tot 7,6% in 2004. In 2005 is ongeveer de helft van deze koppels nooit gehuwd geweest, 20% bestaat uit partners die beiden een echtscheiding achter de rug hebben en in 18% van de gevallen heeft minstens één partner een scheiding gekend.

Scheiden en hertrouwen?

Het éénouderschap of vrijgezellenbestaan is meestal een overgangsperiode. Er zijn veel nieuwsamengestelde gezinnen en ze zijn flexibel. Heel wat gescheiden personen gaan immers een nieuwe relatie aan waarbij ze hetzij hertrouwen, hetzij samenwonen.

 

Tabel 1 Statuut van de partners voor het huwelijk in 1993 en 2002 in België, procentueel.

 

1993

2002

Beiden partners vrijgezel

73,0

65,4

Mannelijke vrijgezel en weduwe

0,4

0,4

Mannelijke vrijgezel en gescheiden vrouw

6,7

8,8

Weduwenaar en vrouwelijke vrijgezel

0,4

0,4

Weduwenaar en weduwe

0,3

0,3

Weduwenaar en gescheiden vrouw

1,1

1,1

Gescheiden man en vrouwelijke vrijgezel

7,4

9,5

Gescheiden man en weduwe

0,4

0,5

Beide parnters gescheiden

10,3

13,7

N

54 112

40 434

Bron: (FOD Economie, 2006a)

 

In 1993 was nog 73 % vrijgezel voor het huwelijk, terwijl dit aandeel in 2002 daalde tot 65,4%. Het aantal tweede huwelijken voor minstens één van beide partners neemt dan weer toe. Tellen we de huwelijken op waarbij een gescheiden persoon betrokken is, dan gaat het om één derde van de huwelijken (33,6%). Deze nieuwe verbintenissen vertegenwoordigden in 1993 slechts 18,6%. Ook dat geeft een ander zicht op de huwelijkscijfers: voor een aanzienlijk aandeel gaat het om gescheiden mensen die een tweede of derde maal in het huwelijksbootje stappen!

Wie zijn de éénoudergezinnen?

Gezinnen herdefiniëren zich en het aantal gezinsvormen vermenigvuldigt zich in een  snel tempo. Toch leeft de grote meerderheid van de Belgische kinderen nog altijd in een huishouden met hun biologische vader en moeder. De evolutie van de gezinsvormen tussen 1992 en 2002 (zie Tabel 2) illustreert dit, maar geeft tevens de groei aan van alternatieve gezinsvormen.

 

Tabel 2 Kinderen naargelang het soort gezin in 1992 en 2002 in België, procentueel.

 

Vader en moeder

Moeder

Moeder nieuw-samengesteld

Vader nieuw-samengesteld

Vader

Geen ouders

1992

86,4

8,8

2,9

0,8

0,7

0,4

2002

82,4

11,1

3,8

1,0

1,1

0,7

Bron: (Bonsang e.a., 2004).

 

Terwijl kinderloze vrijgezellen vooral mannen zijn, staan hoofdzakelijk vrouwen aan het hoofd van éénoudergezinnen. Als we alleen kijken naar de kinderen die leven in een éénoudergezin, dan stellen we vast dat 85% van deze kinderen met hun moeder leeft.

 

Meer éénoudegezinnen met een vader aan het hoofd?

Hoewel er meer éénoudergezinnen met een vrouw als gezinshoofd zijn, eisen steeds meer gescheiden mannen de zorg over de kinderen op. De hulpverenigingen voor mannen vermenigvuldigen zich. In België neemt het aandeel vrijgezellen enerzijds en het aantal éénoudergezinnen anderzijds voortdurend toe. Uit de statistieken blijkt echter dat deze toename het grootst is bij de mannen. In 15 jaar tijd is het percentage alleenstaande vaders met inwonende kinderen verdubbeld (FOD Economie, 2006c). Huishoudens die enkel bestaan uit alleenstaande moeders met inwonende kinderen komen weliswaar vaker voor, maar hun aantal is minder spectaculair gestegen[12]. Alleenstaande vaders staan, net als alleenstaande moeders, voor de uitdaging om verschillende rollen te verzoenen en te harmoniseren. Meer nog dan alleenstaande moeders moeten deze vaders bij hun werkgever hun afwezigheid rechtvaardigen als die veroorzaakt wordt door een ziek kind of een andere familiale reden: in arbeidskringen wordt dit soort verantwoordelijkheid immers nog vaak naar de moeder toegeschoven.

Eénpersoonshuishoudens en sociale vereenzaming

Ook de omvang van de huishoudens is veranderd. Zoals eerder aangegeven, stellen we een opvallende toename van het aantal huishoudens vast die enkel uit alleenstaanden bestaan. Ook al bevatten de cijfers nog samenwonenden, de stijging van het aantal alleenstaanden roept verschillende vragen op. Momenteel leeft ongeveer 14% van de Belgische bevolking alleen, wat gelijk is aan 30% van de huishoudens. Sinds 1970 onderscheidt Brussel zich duidelijk ten opzichte van Vlaanderen en Wallonië. In 1991 zijn de alleenstaanden, zoals in alle grootsteden, het talrijkst aanwezig. Ze maken bijna 50% van de huishoudens uit. Deze trend is gekoppeld aan het type woningen dat aanwezig is en de economische en woonomstandigheden die ermee gepaard gaan. De woningen zijn immers vaak klein waardoor grotere gezinnen eerder in de rand gaan wonen. In Vlaanderen en Wallonië werden respectievelijk 24% en 29% van de huishoudens gevormd door alleenstaanden in datzelfde jaar.

 

Alleenstaanden hebben, in vergelijking met huishoudens die uit twee volwassenen bestaan, vaker financiële problemen. Het risico op armoede bij deze groep is groter, maar nog net kleiner dan het risico dat éénoudergezinnen lopen. Uit onderzoek (Elchardus & Smits, 2005; PSBH, 1992-2002) blijkt dat personen die alleen wonen in het algemeen minder tevreden zijn met het leven dat ze leiden in vergelijking met personen die deel uitmaken van een gehuwd koppel[13]. De vraag is dan of gelukkig zijn ook vandaag nog traditioneel gekoppeld wordt aan een leven als koppel. Een nauwkeurigere analyse toont aan dat alleenwonen voorkomt in alle fasen van de levensloop: alleenstaande jonge volwassenen, gescheiden personen, weduwnaren,… Alleenstaanden vormen een onduidelijke groep met heel wat bijzondere gevallen. Sommigen hebben een relationeel evenwicht gevonden terwijl anderen stilzwijgend lijden onder hun situatie (Casman, 2006).

 

Volgens de indeling naar burgerlijke stand zijn alleenstaanden: vrijgezel (37%), weduwes of weduwnaren (41%) of gescheiden personen (21%) (FOD Economie, 2006a). De helft is ouder dan 65 jaar (52%) en 19% bevindt zich in de leeftijdsgroep 50-64 jaar. 63,7% van alle alleenstaanden zijn vrouwen (PSBH, 1992-2002), deze meerderheid neemt overweldigende vormen aan als we alleen kijken naar de alleenstaande gepensioneerden, die voor drie vierde uit vrouwen bestaat. Een verklaring voor deze trend kan de daling van het sterftecijfer op hoge leeftijd zijn. Vrouwen leven namelijk langer dan mannen. Bovendien gaan ouderen op steeds latere leeftijd naar een rusthuis en blijven ze langer thuis wonen. Deze feiten zorgen voor een toename van het aantal alleenstaande ouderen. De stijging van het aantal éénpersoonshuishoudens heeft dus onder andere te maken met de stijging van de levensverwachting, maar dit is niet de enige oorzaak. Jongeren hechten meer belang aan persoonlijke ontplooiing en door de langere studieperiode en onzekere arbeidsmarkt wagen ze zich pas later aan een stabiele partnerrelatie. Een deel van de jonge vrijgezellen verlaat de gezinswoning om alleen te gaan leven, voort te studeren, een gezinsconflict te ontvluchten of om op eigen benen te staan (Guillaume, 2004). Tot slot vervoegen ook gescheiden personen, de ‘nieuwkomers in de westerse geschiedenis van het koppel’ (Casman, 2006, p.5) de rangen van de alleenstaanden, (voorlopig) in afwachting van een nieuwe samenwoonrelatie of een tweede huwelijk.

 

Alleenstaand zijn wordt niet noodzakelijk meer als een fase in afwachting van een partnerrelatie of huwelijk ervaren. Het kan ook een bewuste keuze zijn. Sommigen zien hun alleen zijn als een vrijheid, anderen lijden onder de eenzaamheid en de bestaansonzekerheid en voelen zich verlaten. De visie op alleenstaand zijn, wordt beïnvloed door het denkbeeld dat men hierover heeft en van de manier waarop sociale contacten worden aangeknoopt. “Hoewel de objectieve toestand van het vrijgezellenbestaan geen synoniem is voor eenzaamheid, ondanks de gewoonte om beide begrippen door elkaar te gebruiken(Ylieff, 2006), bestaat het gevoel van ‘eenzaamheid’ wel degelijk in de verschillende leeftijdscategorieën, zowel bij jongvolwassenen als bij mensen op pensioenleeftijd en ouder (Heylen & Mortelmans, 2007).

Verschillende generaties in éénzelfde familie

Door de stijgende levensverwachting zien oudere personen hun kinderen, kleinkinderen en soms ook hun achterkleinkinderen vaker opgroeien. Ze kunnen deze generaties zien evolueren doorheen de kindertijd, de adolescentie, de volwassenheid en soms zelfs tot de derde leeftijd. In onze veranderende maatschappij, waar werken de centrale waarde is, kruisen generaties elkaar, volgen ze elkaar op en leven ze samen. Uit de PSHB-gegevens (Bulckens e.a., 2005) blijkt dat huishoudens die uit één generatie bestaan, het meest vertegenwoordigd zijn (56,6%): het kan gaan om kinderloze gezinnen, broers en zussen die samenwonen of alleenstaanden. Vervolgens zijn er huishoudens die door twee generaties gevormd worden (42,9%): gezinnen met kinderen, gezinnen bestaande uit kinderen die een hulpbehoevende ouder in huis nemen. De meest voorkomende vorm van samenwonende generaties is uiteraard die tussen ouders en hun opgroeiende kinderen. Er zijn daartegenover erg weinig huishoudens waarbij meer dan twee generaties onder hetzelfde dak leven. Slechts 0,5% van de huishoudens telt 3 generaties en 0,02% telt 4 generaties.

 

Het komt steeds minder vaak voor dat gezinnen een (schoon)ouder in huis nemen. Het aantal verwante personen dat bij een referentiepersoon inwoont, neemt af: in 1991 was dit aandeel met één derde gedaald in verhouding tot 1970. We stellen met andere woorden een voortdurende gezinsverdunning rond de gezinskern vast. Voorouders, nakomelingen en zijdelingse verwanten van de referentiepersoon, net zoals eventuele echtgenoot en kinderen worden steeds minder vaak in het huishouden opgenomen (Boulanger e.a., 1997). Deze evolutie staat in schril contrast met de trend om niet-verwante personen, personen waarmee men geen verwantschapsband heeft, op te nemen in het huishouden. Dit aandeel neemt fors toe, waardoor men ervan kan uitgaan dat we hier het fenomeen van het samenwonen in de cijfers zien doorkomen.

 

Hoewel ouders en kinderen niet in hetzelfde gezin wonen, merken we wel dat ze doorgaans vrij dicht bij elkaar wonen. Zo verklaart 40% van de PSBH-ondervraagden dat zij op ongeveer 10 km van hun ouders wonen, terwijl 45% verklaart op maximaal 50 km van hun ouders te wonen.

 

Vandaag kunnen verschillende generaties gedurende een bepaalde levensperiode naast elkaar bestaan, maar daarom vinden de intergenerationele relaties niet per se onder hetzelfde dak plaats. Verschillende generaties delen steeds minder dezelfde woonplaats. De vraag is of de kosten voor de opvang in een instelling en voor de verzorging van de ouder wordende persoon deze trend in de toekomst zouden kunnen doen keren.

De erkenning van het holebigezin

Terwijl het huwelijk bij heteroseksuele koppels aan succes inboet, eisten de holebi’s met succes toegang tot het burgerlijk huwelijk. Tijdens de periode 2003-2004 werden in België 3915 burgerlijke huwelijken gesloten tussen personen van hetzelfde geslacht, waarbij de meeste huwelijken in Vlaanderen plaatsvonden (58,4% huwelijksverbintenissen tussen twee mannen en 41,6% tussen twee vrouwen). Bovendien geeft de wet van 18 mei 2006 partners van hetzelfde geslacht de mogelijkheid om kinderen te adopteren: twee mannen of twee vrouwen kunnen dus voortaan een kind adopteren.

Gezinnen met een gezinslid dat met een handicap leeft

In België dateren de recentste cijfers over het percentage personen met een handicap van de totale bevolking uit 1996. Het Nationaal Instituut voor de Statistiek telde toen 12,9% personen met een zware of gematigde handicap. 4,6% leeft met een zware[14] handicap en 8,3% heeft een gematigde[15] handicap. Als het gaat om de professionele integratie van personen met een handicap loopt België aanzienlijk achter. Volgens een persconferentie van 9 december 2005 van het Staatssecretariaat van het Gezin en Personen met een Handicap is in België slechts 42% van de personen met een handicap professioneel actief terwijl het Europese gemiddelde 49% bedraagt.


 

Inzoomen op demografische thema’s

Na dit brede, cijfermatige overzicht van de Belgische demografische situatie gaan we in dit deel dieper in op een aantal specifieke thema’s. Hierbij laten we deskundigen aan het woord. Dit zijn academici, ambtenaren, politici  en organisaties. Ze kregen allen carte blanche in hun schrijven. Het gaat hier dan ook om de persoonlijke mening, standpunt of visie over een bepaalde thematiek.

 

Een overzicht:

 

Prof. em. Loriaux bijt de spits af met een bijdrage over de angst voor het dalende vruchtbaarheidscijfer. Bijna alle Europese nationale regeringen voeren een beleid om dit cijfer op te krikken zodat de socialezekerheidsystemen niet in gevaar komen. Hij stelt de vraag of er eerder een demografisch, dan een gezinsbeleid gevoerd moet worden om deze tendens te doen keren.

 

Prof. Marquet behandelt de ontwikkeling van echtscheidingen sinds de jaren 1960. Hij gaat dieper in op het hoe en waarom van sommige piekmomenten, jaren waarin er een plotse stijging is van het aantal koppels dat besluit om uit elkaar te gaan ten opzichte van het jaar ervoor. Gescheiden mensen gaan nieuwe relaties aan en vormen dan een nieuwsamengesteld gezin. De uitdagingen van dit gezinstype wordt besproken.

 

Paul Borghs is werkzaam bij de Holebifederatie en bespreekt de evolutie van holebigezinnen in België. Hij schetst het nieuwe wettelijk kader en toont met cijfermateriaal aan dat holebi’s net zoals u en ik zijn. Ondanks de gelijkberechtiging van holebi’s kan het beleid nog altijd beter, besluit hij.

 

Prof. Matthijs nuanceert al het cijfergeweld over gezinnen. Hij ontkracht de mythe dat vroeger iedereen trouwde en dit reeds op jonge leeftijd gebeurde. Toch kan het gezin niet enkel in cijfers gevat worden, hoe meet je immers de affectieve banden tussen gezinsleden?


 

Het complexe, veranderende en onzekere verband tussen gezin en demografie

LORIAUX, Claude-Michel

Demografisch instituut, Université catholique de Louvain (UCL)

 

Vormt het lage vruchtbaarheidscijfer een bedreiging voor de maatschappelijke groei?

Wanneer demografen bevolkingsfenomenen bestuderen, hebben ze vaak de neiging de verklaringsgrond van deze evolutie in een vrij beperkt en gesloten demografisch systeem te zoeken dat slechts drie tot vier klassieke fenomenen bevat (aantal huwelijken, vruchtbaarheidscijfer, sterftecijfer, migraties,…): de reden dat in de zuidelijke landen het bevolkingsaantal blijft stijgen, is te wijten aan een vertraging in de overgang van het vruchtbaarheidscijfer. Dat migranten aan de poorten van de Europese Unie (EU) staan, is om tegemoet te komen aan een te laag vruchtbaarheidscijfer van de autochtone bevolking. Ook al verdienen deze wat ondoordachte verklaringen het om gehoord te worden, toch zijn ze ontegensprekelijk erg onvolledig.

 

Dit gezegd zijnde, begaan demografen twee fouten: enerzijds verliezen ze te gemakkelijk uit het oog dat bevolkingsfeiten in de eerste plaats maatschappelijke feiten zijn. Het houdt geen steek ze te willen begrijpen zonder ze in de complexe context van het globale maatschappelijke systeem te plaatsen die de feiten heeft voortgebracht. Anderzijds houden ze vaak geen rekening met het feit dat deze gebeurtenissen die zij observeren (huwelijken, geboortes, migraties, overlijdens) altijd het resultaat zijn van individuele gedragingen waartoe beslist werd (of die ontstonden) binnen een koppel, huishouden of familie. Ook al vloeien ze voort uit individuele beslissingen, toch zijn deze gedragingen niet louter subjectief of toevallig. Ze worden gestuurd door culturele modellen, normen en collectieve waarden die niet terug te brengen zijn tot de eenvoudige aaneenschakeling van individuele gedragingen[16]. Het geboortecijfer is natuurlijk niets meer dan de optelsom van geboortes in een gegeven jaar in verhouding tot de totale gemiddelde bevolking, maar de schommelingen ervan, die soms onregelmatig kunnen lijken, zijn niet terug te brengen tot louter toevallige kleine verschillen.

 

Demograaf Hervé Le Bras, bekend als ontkrachter van wetenschappelijke mythes, heeft lang gestreden tegen een idee dat in de wetenschappelijke en politieke kringen circuleerde. Achter dit idee zat een meer complexe en minder evidente realiteit verscholen. De oorspronkelijke vaststelling was nochtans eenvoudig: na een toename van het vruchtbaarheidscijfer vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog, die de naam ‘babyboom’ kreeg en die in de meeste geïndustrialiseerde Europese landen plaatsvond, maakte dat de geboortecurve rond 1965 een bruuske neerwaartse beweging kende. Tot vandaag ging het vruchtbaarheidscijfer[17] gedurende verschillende decennia snel naar beneden. Het gemiddeld aantal kinderen per vrouw daalde drastisch tot niveaus die een stuk lager lagen dan het niveau dat nodig is om een generatie te vernieuwen[18]. De mening van analisten is zo goed als unaniem: het Europese vruchtbaarheidscijfer evolueerde naar een vrij uniform model met een zeer lage vruchtbaarheidsgraad dat op lange termijn ongetwijfeld een enorm probleem zou vormen voor de maatschappelijke voortplanting. Als de generaties zich niet vernieuwen, zou de goede werking van de samenleving immers in het gedrang komen. De verdelingsmechanismen dreigen dan vast te lopen (vooral de sociale zekerheid) en de economische groei zou op de helling komen te staan.

Bestaan er ‘zwarte gaten’ in de demografie?

Alle nationale regeringen zijn bekommerd om deze vruchtbaarheids‘crisis’ en voeren een beleid ter ondersteuning van de gezinnen om het aantal geboortes op te drijven of gaan een ‘Generatiepact’ aan om de systemen van sociale bescherming te vrijwaren. Ook de allerhoogste Europese en internationale instanties[19] zijn gefascineerd door de ontvolking, de daling van het geboortecijfer en de vergrijzing, ook al lijkt de situatie zich sinds een aantal jaren te stabiliseren.

 

Natuurlijk hebben heel wat experts getracht te achterhalen waarom het vruchtbaarheidscijfer na de oorlog deze twee contrasterende evoluties kende: eerst een stijging gedurende twintig jaar en daarna een daling gedurende de vier volgende decennia. Gérard Calot, voormalig hoofd van het INED[20], haalde het egoïsme van koppels aan en deed een beroep op hun burgerzin en zelfs op hun patriottisme om weer kinderen op de wereld te zetten. Dit leidde overigens tot een enorme controverse tussen Le Bras en zijn directeur. Andere voorzichtigere waarnemers hielden het bij ‘het zwarte gat’ van de demografie[21], een denkbeeldige uitdrukking die niet veelzeggend was en alleen wees op de onwetendheid en het onbegrip ten aanzien van deze gebeurtenissen. Maar zijn er echt zwarte gaten? Is dit geen te nauwe visie waardoor we de verklaring van deze evoluties niet vinden?

 

De meeste (klassieke) onderzoekers zijn immers verward als ze geen duidelijk en rechtstreeks verband vinden tussen de variabele die ze bestuderen en andere, meestal kwantitatieve variabelen bij demografisch onderzoek, die er doorgaans mee geassocieerd worden. “Toen het vruchtbaarheidscijfer in 1965 begon te dalen en alle klassieke indicatoren, zowel de conjuncturele als de structurele, gelijk bleven of hun gewone verloop bleven volgen, begonnen de demografen te panikeren, net zoals de valutahandelaars wanneer de Dow Jones keldert. Wat konden ze anders doen? Misschien gewoon eenvoudige vaststellingen maken op basis van statistische covariaties, ongeacht de verfijndheid van de statistische technieken die daarvoor werden gebruikt. De fout die in de meeste gevallen wordt gemaakt is niet het gebruik van slechte technieken, maar wel het feit dat men zich niet op de juiste context baseert[22]” en volgens mij ook het feit dat men geen rekening houdt met precieze gebeurtenissen of conjuncturele omstandigheden die vaak onopgemerkt voorbijgaan of niet gemakkelijk in kwantitatieve gegevens kunnen worden omgezet. Naast de omkering van de vruchtbaarheidscurve, die heel wat waarnemers in de war bracht, was het feit dat geen enkele klassieke chronologische reeks, of het nu gaat om de prijzenindex, het werkloosheidscijfer, de handelsbalans of de stookolieprijs, verband hield met het vruchtbaarheidscijfer.

 

Ik herinner mij dat ik enkele jaren later in een interview sprak over deze vruchtbaarheids‘crisis’. De journalist aanhoorde eerst beleefd mijn verklaringen over het zogezegde zwarte gat om vervolgens zijn eigen analyse te geven door me te vragen of ik de vrouwenbladen uit die periode had nagelezen. Toen ik daarop ontkennend antwoordde, legde hij me uit dat deze bladen al jaren bol stonden van artikels over de vrouwelijke emancipatie, het recht van vrouwen om over hun eigen lichaam te beschikken, de vrijheid die gepaard ging met nieuwe contraceptiemiddelen, het belang om financieel onafhankelijk te zijn via werk,… Door naar deze journalist te luisteren, ontdekte ik dat het inzicht in een fenomeen kon worden vergemakkelijkt door rekening te houden met feiten die ogenschijnlijk afwijkend of anekdotisch zijn ten opzichte van de klassieke wetenschappelijke analyses. Met andere woorden, via deze meer antropologische benadering begrijpen we beter dat, wat tot dan toe slechts ideeën en intellectuele eisen tot gendergelijkheid waren, zich enkele jaren later zou vertalen naar gedragswijzigingen die op hun beurt rond 1965 zouden leiden tot een daling van het vruchtbaarheidscijfer.

Was de babyboom dan louter een illusie?

Wellicht droegen de waarden en het overdreven vertrouwen die werden toegekend aan het vruchtbaarheidscijfer bij tot de illusie van een zwart gat, maar ook tot de illusie dat alle westerse landen afstevenden op een te laag vruchtbaarheidscijfer om de generaties te vernieuwen en tot slot tot de illusie van de babyboom zelf die eigenlijk niet zoveel voorstelde. Weer was het Hervé Le Bras[23] die deze paradoxen aan het licht bracht en tegelijkertijd het heersende doemdenken naar aanleiding van deze gedaalde waarden hekelde. De auteur toonde immers aan dat als het vruchtbaarheidscijfer gecorrigeerd wordt om het effect van de huwelijksleeftijd te elimineren (waarvan de schommelingen sinds 1945 versnelden), het beeld van de evolutie van het vruchtbaarheidscijfer dat we krijgen totaal anders is en de babyboom drastisch beperkt of zelfs onbestaand is.

 

Dit is duidelijk het geval voor Zweden waar, ondanks vrij grote schommelingen van het vruchtbaarheidscijfer tijdens de laatste vijftig jaar, de vernieuwing van de generaties vrijwel heel die periode gewaarborgd bleef.  Dit geldt in mindere mate ook voor de noordelijke landen zoals Noorwegen en Denemarken en centraal gelegen landen zoals Duitsland, Zwitserland en Groot-Brittannië waar we geen ‘val’ van het vruchtbaarheidscijfer vaststellen, maar slechts een kleine schommeling naar boven toe tussen 1960 en 1965 en naar beneden toe tussen 1972 en 1980. Maar in de zuidelijke landen (Italië en Spanje en in mindere mate Frankrijk) is de situatie anders: er is een meer uitgesproken en bijna voortdurende neerwaartse trend, met uitzondering van een kleine opleving in de jaren 1960. Dit verschil in ontwikkeling vanaf de jaren 1970 tussen Noord en Zuid, dat nochtans samengaat met een lange neerwaartse beweging van het Europese vruchtbaarheidscijfer dat in de 19de eeuw begon en die zich in alle landen voordeed, roept vragen op. Zonder die versnelde neerwaartse beweging in sommige landen zou de evolutie van het vruchtbaarheidscijfer eenvoudig zijn en kunnen worden samengevat als een seculaire neerwaartse trend die grosso modo leidt tot twee kinderen per gezin en slechts enkele conjuncturele schommelingen of storingen kende wegens oorlogen (recuperatie) of grote economische crisissen (vertraging). De verklaring voor de voorbijgaande bewegingen van de vruchtbaarheid zoals de babyboom of de forse daling van het (niet gecorrigeerde) vruchtbaarheidscijfer ligt dus eigenlijk bij die bewegingen zelf.

 

Echter het feit dat er aanzienlijke verschillen blijven bestaan, zelfs na correctie van het vruchtbaarheidscijfer, doet denken dat de verklaring ergens anders moet worden gezocht. De leeftijd waarop gehuwd wordt en de leeftijd waarop vrouwen hun eerste kind krijgen, kenden beide grote schommelingen. Zelf mogen ze echter niet worden geïnterpreteerd als ‘doeloorzaak’ want ze vertegenwoordigen slechts een deel van de diepgaande wijzigingen die onze sociale systemen in de tweede helft van de 20ste eeuw hebben beïnvloed. De verandering van de relatie tussen man en vrouw was zeker een doorslaggevend element dat ertoe bijgedragen heeft een nieuw statuut van de vrouw te creëren. Dit statuut is evenwaardiger, onafhankelijker en vrijer: vrij om hogere studies te volgen dankzij de verspreiding van culturele modellen die aanzetten tot de erkenning van de gelijkheid van jongens en meisjes, vrij om zich kandidaat te stellen op de arbeidsmarkt en om te concurreren met mannen om economische onafhankelijkheid te verwerven, vrij om te beslissen een koppel te vormen via de klassieke instelling van het huwelijk of de voorkeur te geven aan minder gereglementeerde vormen zoals het samenwonen, vrij om, dankzij de betere toegang tot moderne contraceptiva, te beslissen al dan niet kinderen te krijgen. Het is net de manier waarop deze vrijheid werd verkregen die ons kan helpen om deze soms zo verschillende demografische evoluties beter te begrijpen.

 

Hervé Le Bras onderscheidt drie vrouwelijke activiteitsmodellen: het eerste historisch en universeel verspreide model waarbij de vrouw enkel werkt in de periode voor het huwelijk of het moederschap, waardoor de beroepsactiviteit alleen hoog is tussen 15 en 19 jaar (of 24 jaar), het tweede model waarbij de vrouw na haar studies een beroep uitoefent, haar loopbaan onderbreekt bij de geboorte van haar eerste kind en opnieuw professioneel aan de slag gaat vanaf de leeftijd van 35 wanneer de kinderen groot zijn (werkcurve met twee uitstulpingen) en tot slot het derde model waarbij de beroepsactiviteit los staat van het huwelijk en het hebben van kinderen en waarbij de beroepscurve van de vrouwen zo goed als samenvalt met die van de mannen. In West-Europa vinden we deze drie modellen terug. De West-Europese landen evolueerden ook snel van het ene naar het andere model. In 1960 had het eerste model bijna overal de overhand, de activiteitsgraad was wel hoger in de noordelijke landen dan in de zuidelijke landen. Tegen 1970 evolueerden bijna alle landen naar het tweede model, maar van de Europese lidstaten viel alleen Denemarken, waar vrouwen bijna even actief waren als mannen, onder het derde model. Alles wijst er dus op dat de verschillende situatie van vrouwen binnen hun gezin, hun familie en hun naaste omgeving het verschil in deze activiteitsgraden verklaart en daarmee ook het verschil in vruchtbaarheidscijfer[24].

 

In dit analysestadium zouden we best tevreden kunnen zijn en kunnen beslissen het onderzoek naar de oorzaken stop te zetten. We kunnen echter ook beslissen verder te kijken, zoals Hervé Le Bras, door ons vragen te stellen bij de redenen die vrouwen voor het ene of andere activiteitsmodel deden opteren. Daartoe bekeek hij andere variabelen, zoals de graad van afhankelijkheid ten opzichte van de familie. Hoe groter deze afhankelijkheid, zoals in de zuidelijke Europese landen waar personen sterk afhankelijk zijn van het familiaal netwerk, hoe sterker het vruchtbaarheidscijfer gaat dalen. Het vruchtbaarheidscijfer heeft daarentegen de neiging te stijgen waar jongeren opgenomen worden in een ruimer en minder bindend verenigingsleven.

 

Wat we moeten onthouden uit de voorgaande uiteenzetting is dat verbanden tussen fenomenen zelden eenvoudig en rechtstreeks te interpreteren zijn. We moeten kijken naar tussenliggende en voorafgaande variabelen om de betekenis ervan te vatten. We moeten ook onthouden dat een verband altijd in contexten met meerdere dimensies ontstaat die talrijke fenomenen van wederzijdse interactie en onderlinge afhankelijkheid vertegenwoordigen tussen alle aanwezige systeemelementen. In de zuidelijke landen bijvoorbeeld, kan het streven naar gelijkheid via de uitoefening van een beroep verlopen. Deze beroepsactiviteit kan in conflict treden met het moederschap als dit moederschap de vrouw naar een ondergeschikte rol verwijst, wat het lage vruchtbaarheidscijfer verklaart. In de noordelijke landen, waar gelijkheid op arbeidsniveau bijna overal een feit is, vormt het hebben van kinderen echter geen obstakel meer voor de uitoefening van een beroep. Het moederschap onderstreept zelfs de vrouwelijke eigenheid en de distantiëring van de man. Zo drukt het gezin in een deel van Europa paradoxaal genoeg het vruchtbaarheidscijfer de kop in, terwijl in een ander deel de nadruk op de moeder-kindrelatie en de ondersteuning door instellingen gunstig zijn voor het vruchtbaarheidscijfer[25].

Terug naar een geboortebeleid?

Vertrekkende van een ogenschijnlijk louter technische kwestie over de manier om het vruchtbaarheidscijfer te berekenen, ontdekten we dat de zaken niet altijd zo eenvoudig zijn als we a priori denken en vooral dat interpretaties sterk uiteen kunnen lopen afhankelijk van de onderliggende ideologieën naargelang ze al dan niet geïnspireerd zijn op kinderwensen. Daardoor kan het demografische beleid en zelfs het gezinsbeleid verschillend georiënteerd zijn. In vele landen heeft men het gevoerde beleid in de strijd tegen het dalende geboortecijfer, de ontvolking of de vergrijzing niet als demografisch willen omschrijven. Dergelijk beleid viel eerder onder de noemer gezinsbeleid om niet de indruk te wekken van inmenging in het privé-leven van koppels. Dit beleid bleek echter zelden doeltreffend aangezien het vaak gericht was op doelstellingen die ingingen tegen grote maatschappelijke tendensen of betrekking hadden op een factor die sterk systematisch gekant was tegen veranderingen.

 

In theorie staat niets het succes van een dergelijk beleid in de weg, maar het referentiekader is vaak te simplistisch en de aangenomen maatregelen hebben doorgaans te weinig impact om de gewenste gedragsveranderingen te verkrijgen (bijvoorbeeld geboortepremies of belastingverminderingen).

 

Om die reden zagen staten er lange tijd van af om iets te ondernemen met betrekking tot het bevolkingssysteem op zich en spitsten ze hun acties liever toe op gezinssectoren zoals tegemoetkomingen voor kinderopvang of namen ze maatregelen om ouderen zolang mogelijk thuis te laten verblijven. Nochtans merken we, vreemd genoeg, sinds enkele jaren een sterke toename van aanhangers van geboortestimulerende acties die menen dat het aanhoudende lage vruchtbaarheidscijfer en de continue uitbreiding van de vergrijzing de Europese landen economisch en sociaal uit evenwicht zullen brengen.

 

De Europese Commissie formuleerde zelf onlangs in haar Groenboek over de intergenerationale dimensie[26] een erg betwistbare universele wet die louter gestoeld is op enkele historische gelijklopendheden. Volgens deze wet kan er geen economische groei zijn zonder een demografische groei. Deze wet houdt echter geen rekening met tegenbewijzen zoals het onvermogen van vele zuidelijke landen om hun economie aan te wakkeren ondanks hun sterke demografische groei. Meer algemeen heeft deze wet ook het nadeel een zo complexe kwestie te reduceren tot een eenvoudige concurrentie tussen twee groeipercentages (de economische en de demografische groei), wat zelfs een zogenaamd geboortebevorderend auteur als Jean-Claude Chesnais[27] betreurt.

 

Als we tot slot een praktische les kunnen trekken uit deze overwegingen, dan is het wellicht dat we niet tegen grote ‘natuurlijke’ trends mogen ingaan. Dit verhindert niet dat heel het maatschappelijke systeem in vraag kan worden gesteld (wat weinig waarschijnlijk is). Indien we wel tegen de natuurlijke gang van zaken ingaan, dreigen de verwachte resultaten gewoonweg uit te blijven of kortstondig te zijn en kunnen er storingen en ongewenste effecten optreden in de uitgelokte evoluties. Deze zijn moeilijker te beheren dan wanneer er niet werd opgetreden. Eén van de sterkste voorbeelden die we kunnen aanhalen heeft betrekking op de babyboom en het geboortebeleid dat na de Tweede Wereldoorlog in Frankrijk werd gevoerd op initiatief van Alfred Sauvy, die zich ontzettend tegen de vergrijzing kantte.

 

De babyboom vloeide in dit land waarschijnlijk slechts gedeeltelijk voort uit het toenmalige demografische beleid, maar toch wordt deze periode door de meeste experts en politici beschouwd als gunstig voor de economische groei dankzij de toename van de geboortes en de daaruit voortvloeiende stijging van de consumptie door de huishoudens. De bewonderaars van de babyboom hadden nochtans niet gedacht dat een halve eeuw later de numerieke schommelingen in de opeenvolging van de generaties één van de meest ingrijpende veranderingen zou meebrengen waarmee de westerse samenleving werd geconfronteerd: de numeriek sterke babyboomgeneratie, die vanaf de jaren 2000 met pensioen is beginnen gaan, weegt financieel steeds zwaarder op de numeriek zwakke generaties na 1965. Hierdoor komt de duurzaamheid van de stelsels van de sociale bescherming in het gedrang. Die stelses zijn gebaseerd  op het principe van verdeling en vergen dus een relatieve constante  in de afhankelijkheidsverhouding tussen de actieve en niet-actieve bevolking,. Dus, tenzij er op middellange termijn plots een forse productiviteitsstijging komt, dreigt de hele sociale zekerheid volgens haar huidige organisatie failliet te gaan als de financieringsmechanismen niet volledig herdacht worden of als de geplande vergoedingen niet drastisch naar beneden gaan. Tegelijkertijd dreigt de solidariteit tussen de kwetsbare groepen, zoals zieken, personen met een handicap, wezen, weduwes, werklozen, ouderen,… te verminderen als de staat deze risico’s niet meer kan dragen en de lasten laat terechtkomen op de schouders van de individuen en de gezinnen, ook al zijn deze laatsten niet altijd bereid deze nieuwe verantwoordelijkheden op zich te nemen terwijl ze die vroeger met plezier uit handen hebben gegeven.

 

Individuen zijn in die mate overtuigd dat zij hun vrijheid en onafhankelijkheid van denken en handelen verworven hebben door zich af te zetten tegen alle vroegere vormen van controle (van familie, staat, kerk,…) dat zij het nut van de collectieve instrumenten van sociale bescherming niet meer inzien. De verwoede zoektocht naar geluk en hedonistisch genot heeft plaats geruimd voor maatschappelijke duurzaamheid. Deze nieuwe doelen werden alleen mogelijk gemaakt doordat de grote bestaansrisico’s geen dagelijkse zorg meer zijn dankzij de invoering van een sociaal vangnet. Deze sociale bescherming, die zich zo goed van haar taak kwijt, ligt uiteindelijk aan de basis van haar eigen vernietiging.

 

Voor de toekomst blijft de onzekerheid over de verdeling van de rechten, plichten en machten tussen man en vrouw, gezinnen en gezinsleden, individuen en instellingen er groot. Het vruchtbaarheidscijfer zal, zoals vele andere fenomenen, natuurlijk afhangen van een overheersend gezinsmodel, tenzij verschillende modellen naast elkaar blijven bestaan. Louis Roussel, een welbekende sociaal-gezinsdemograaf, heeft het in dit opzicht over de mogelijkheid van een ‘zachte’ normalisering waarbij de maatschappij de risico’s corrigeert die zij veelvuldig vindt in de familiale gedragingen[28]. Ze zal dit echter eerder doen via overreding en overtuigingskracht dan via dwang en verplichting. We zullen onvermijdelijk aangespoord worden om meer kinderen te krijgen, om de rolverdeling te veranderen, om nieuwe maatschappelijke modellen aan te nemen. Dit is eigenlijk wat nu al gebeurt via reclame, een moderne vorm van propaganda, om consumenten aan te zetten om, op bijna alle vlakken van ons persoonlijk, familiaal, openbaar of verenigingsleven, nieuwe gedragingen aan te nemen. De propaganda zal ons voorstellen nog een kind te krijgen, wat ons geluk ten goede zal komen, zoals ze ons nu al aanspoort om van wagen te veranderen, een zwembad in de tuin te plaatsen of  met de lotto mee te spelen om ‘schandalig rijk’ te worden.

 

Sommigen zullen dit vooruitzicht zonder twijfel weinig aantrekkelijk vinden of zullen deze hypothese betwisten. Geldt dit scenario niet al op alle institutionele niveaus? Of het nu gaat om de Europese Commissie, de nationale of regionale regeringen en zelfs ngo’s en andere grote privé-organisaties die, in plaats van onze autonomie van zijn en denken te laten toenemen, de neiging hebben onze gedragingen, zonder ons medeweten, op te sluiten in de beperkingen van de sociale vrijheid die steeds geringer en gerichter worden.


 

Contractualisering van de huwelijksbanden: Van huwen uit liefde tot scheiden uit verloren liefde

MARQUET, Jacques

Instituut voor Studies rond Gezin en Seksualiteit, Université catholique de Louvain (UCL)

 

In deze tekst behandelen we de echtscheiding en het nieuwsamengestelde gezin vanuit een drieledig standpunt: omvang van het fenomeen, betekenis van de opgetekende evolutie en belichting van enkele uitdagingen voor nieuwsamengestelde gezinnen.

Echtscheiding in cijfers

De evolutie van de echtscheiding loopt terug tot de jaren 1960 . Enkele cijfers zijn dus voldoende om een beeld te geven van wat de meesten onder ons al min of meer weten. Tabel 1, die het aantal echtscheidingen weergeeft die werden opgetekend bij de burgerlijke stand tijdens een aantal jaren, is veelzeggend: sinds 1960 is het aantal jaarlijkse echtscheidingen verzesvoudigd. Als we de verhouding nemen van het aantal echtscheidingen en het aantal huwelijken in hetzelfde jaar, is de evolutie nog onthutsender: van 7% in 1960 naar meer dan 70% vandaag.

 

Tabel 1: Huwelijken en echtscheidingen van 1960 tot nu[29].

Jaar

Aantal huwelijken in absolute cijfers

Huwelijken per 1000 inwoners

Aantal echtscheidingen in absolute cijfers

Echtscheidingen per 1000 inwoners

Percentage echtscheidingen in verhouding tot de huwelijken

1960

65 220

7,11

4 589

0,50

7,04

1965

66 535

7,00

5 520

0,58

8,30

1970

73 261

7,59

6 403

0,66

8,74

1975

71 736

7,31

10 977

1,12

15,30

1980

66 369

6,74

14 457

1,48

21,78

1985

57 559

5,85

18 440

1,88

32,04

1990

64 658

6,50

20 311

2,04

31,41

1995

51 402

5,07

34 983

3,45

68,06

2000

45 123

4,40

27 002

2,64

59,04

2004

43 326

4,17

31 418

3,02

72,52

Bron: Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie – Dienst Demografie (http://www.statbel.fgov.be).

 

Het is gemakkelijk om deze evolutie vast te stellen, maar het is heel wat moeilijker om er een interpretatie aan te geven. Daarvoor moeten we ons afvragen welke transformaties onze maatschappij de afgelopen vijftig jaar heeft gekend. Voor de kwestie die ons aanbelangt, zijn de wijzigingen van het juridische kader, dat de binding en ontbinding van het huwelijk regelt, bijzonder belangrijk. Tijdens de beschouwde periode is de wetgeving rond de echtscheiding meermaals grondig gewijzigd. Sinds 1974 kent het Belgische recht drie soorten echtscheidingen: de echtscheiding op grond van bepaalde feiten, die gebaseerd is op het schuldprincipe op grond van een objectieve fout (overspel, geweldpleging, mishandeling, grove beledigingen) ingeroepen door één van de echtgenoten ; de echtscheiding wegens een feitelijke scheiding van meer dan twee jaar, deze echtscheiding gaat uit van een duurzame ontwrichting van het huwelijk en kan worden aangevraagd en verkregen zonder dat een fout moet worden aangetoond; en ten slotte de echtscheiding door onderlinge toestemming, een soort ‘contractscheiding’ die uitgaat van beide echtgenoten en waarbij een volledig of gedeeltelijk akkoord bestaat over de voorwaarden van de breuk. Naast andere belangrijke wijzigingen bracht de wet van 1974 de periode voor een feitelijke scheiding terug van tien naar twee jaar. Sindsdien werden nog andere belangrijke legislatieve wijzigingen aangebracht. De in sommige opzichten belangrijkste wijziging komt duidelijk tot uiting in tabel 1. Op 1 oktober 1994 trad de wet van 30 juni 1994 in werking. Deze nieuwe wetgeving met betrekking tot de echtscheiding maakte het makkelijker om te scheiden en zorgde voor een snellere procedure van ongeveer zes maanden bij de echtscheidingen door onderlinge toestemming. Het buitengewoon hoge aantal echtscheidingen in 1995 illustreert duidelijk dat heel wat mensen gewacht hebben op de inwerkingtreding van deze nieuwe wetgeving. Ook het aantal echtscheidingen in de daarop volgende jaren werd erdoor beïnvloed.

Zin geven aan scheiding

Het fenomeen in 1995 toont duidelijk aan welk  impact  de wetten die de echtscheiding regelen, hebben op de echtscheidingsstatistieken. We mogen dit verband echter niet verkeerd interpreteren: de wet die één of andere procedure invoert, is een noodzakelijke factor voor de uitvoering van wat een juridische daad blijft (echtscheiden), maar de wet is geen toereikende factor omdat ze geen verklaring geeft voor de aanvraag van de echtscheiding. Alvorens we de analyse uitbreiden om het strikte wettelijke standpunt te overstijgen, kunnen we uit een laatste ‘juridische statistiek’ opmaken dat naast een toename van het aantal echtscheidingen, de betekenis van deze daad is veranderd. Zoals duidelijk blijkt uit tabel 2 is het aantal echtscheidingsaanvragen op verzoek van beide echtgenoten in de afgelopen veertig jaar voortdurend toegenomen. Dit soort aanvragen maakt momenteel drie vierden van alle aanvragen uit. Met andere woorden, de meest voorkomende echtscheiding is de ‘contractscheiding’. We mogen er wellicht niet van uitgaan dat vereenvoudigde procedures ervoor zorgen dat partners een breuk makkelijker kunnen verwerken. Scheiden blijft voor de meeste personen moeilijk. Niettemin zien we een evolutie: het legitieme model bij uitstek is niet langer de echtscheiding op grond van fout.

 

Tabel 2: Echtscheidingsaanvragen van 1960 tot nu.

Jaar

Totaal aantal echtscheidingsaanvragen bij de rechtbanken van eerste aanleg

Aantal aanvragen voor echtscheidingen door onderlinge toestemming

Percentage aanvragen voor echtscheidingen door onderlinge toestemming in verhouding tot het totaal aantal echtscheidingsaanvragen

1960

4 671

865

18,52

1965

5 890

1 413

23,99

1970

6 935

1 470

21,20

1975

12 330

4 049

32,84

1980

15 365

5 767

37,53

1985

18 933

8 345

44,08

1990

20 444

9 796

47,92

1995

28 074

17 905

63,78

2000*

27 186

20 190

75,39

* Voor 2000 zijn de gegevens onvolledig

 

Bronnen: Demografische statistieken, ministerie van Economische Zaken, NIS, nr. 4, 1978 en nr. 2, 1994, Bevolking en huishoudens. Huwelijken en echtscheidingen in 2002, ministerie van Economische Zaken, NIS, 2003 (geraadpleegd op http://www.statbel.fgov.be).

 

Zonder deze evolutie te willen verklaren, wat te omslachtig zou zijn in het kader van dit artikel, kunnen we er toch even bij stilstaan. Hier is de term ‘onthuwelijking’, in ere hersteld door de Franse sociologe Irène Théry, erg toepasselijk[30]. Met deze term duidt I. Théry in de eerste plaats  niet de echtscheiding aan, die slechts één van de mogelijke juridische vormen is (naast andere vormen van feitelijke of lichamelijke scheiding). Zij interpreteert dit ruimer als de verschuiving waarbij onze maatschappij huwelijk en echtscheiding gaat beschouwen als louter persoonlijke gewetenskwesties. Vroeger was het huwelijk de hoofdvoorwaarde voor het leven als koppel, liefde vormde een niet te verwaarlozen meerwaarde, maar als de liefde uitbleef, dan had je gewoon pech. Het huwelijk belichaamde het symbolische fundament van het ‘samenleven’. Vandaag is het enige echte fundament van het koppel de liefde, een gedeeld gevoel. Voor de meeste medeburgers is het huwelijk iets erg subjectiefs geworden, een volkomen facultatieve daad. Als liefde de hoofdvoorwaarde voor het koppel is, betekent verloren liefde, het einde van dit gevoel, het einde van het koppel. Een koppel vormen of ontbinden gaat gepaard met individuele keuzes.  Kortom betekent dit dat onze maatschappij zich heeft onthuwelijkt aangezien ze zich een concept van ‘samenleven’ eigen heeft gemaakt waarbij het huwelijk slechts één van de vormen is om een koppel te zijn en wel een sterk geprivatiseerde vorm waarbij echtelijk los staat van maatschappelijk, privé los van openbaar.

Van scheiding naar nieuwe gezinssamenstelling

 

Tabel 3: Huwelijken en burgerlijke stand van echtgenoten van 1960 tot nu

Jaar

Aantal huwelijken

Percentage huwelijken tussen twee vrijgezellen in verhouding tot het totaal aantal huwelijken

1960

65 220

87,05

1965

66 535

87,06

1970

73 261

88,93

1975

71 736

86,74

1980

66 369

84,96

1985

57 559

81,19

1990

64 658

75,51

1995

51 402

68,98

2000

45 123

66,09

2002

43 326

65,39

Bronnen: Demografische statistieken, ministerie van Economische Zaken, NIS, nr. 4, 1974, nr. 4, 1978 en nr. 2, 1994, Bevolking en huishoudens. Huwelijken en echtscheidingen in 2002, ministerie van Economische Zaken, NIS, 2003 (geraadpleegd op http://www.statbel.fgov.be).

 

Hoewel de huwelijksband, en zelfs ruimer de echtelijke band, ontegensprekelijk kwetsbaar is geworden, kunnen we wellicht niet spreken van een teloorgang van  het gezin als instelling . Dit om twee redenen: enerzijds mogen we de de-institutionalisering van het gezin niet verwarren met het einde van het gezin en anderzijds werd een eerste trend van de-institutionalisering van de echtelijke band gevolgd door een tweede trend van de-institutionalisering van de ouderlijke band.

 

Wat het eerste punt betreft, bewijzen het samenwonen buiten het huwelijk enerzijds en de nieuwe gezinssamenstellingen anderzijds, twee fenomenen die steeds vaker voorkomen, dat de vorming van een gezin belangrijk blijft en dat het echtelijke levensmodel standhoudt. De nieuwe gezinssamenstellingen, die makkelijker terug te vinden zijn in de officiële statistieken, nemen voortdurend toe sinds de jaren 1980. In 1960 waren echtgenoten in negen op tien huwelijken voordien vrijgezel. Vandaag is dit slechts in twee derden van de huwelijken het geval aangezien het bij één derde van de huwelijken gaat om een tweede huwelijk voor ten minste één partner. Hoewel deze gegevens alleen informatie geven over koppels die kiezen voor het huwelijk, zijn ze toch interessant omdat ze de mate van nieuwe gezinssamenstelling en de verscheidenheid van eigentijdse gezinnen weergeven.

De uitdagingen van nieuwsamengestelde gezinnen

In vergelijking tot de standaard nieuwe gezinssamenstelling in de 19de eeuw, kenmerkt de eigentijdse nieuwe samenstelling zich door het feit dat beide ouders doorgaans nog in leven zijn op het moment van de samenstelling. Dit is van groot belang voor de gezinswerking van de nieuwe structuur die gecreëerd wordt, want kinderen kunnen dan onder het, al dan niet wettelijk erkende, gezag vallen van meer dan twee volwassenen en volwassenen die op verschillende plaatsen leven. De kwestie van de rechten en plichten van de volwassenen ten opzichte van de kinderen die van hen zijn of waarmee ze samenleven, is momenteel één van de delicaatste kwesties die onze maatschappij moet behandelen. Het is rond deze kwestie dat we sinds enkele jaren een trend merken van de-institutionalisering van de ouderlijke band.

 

In België heeft de wetgever via de wet van 13 april 1995, die een pedagogische en symbolische wet wil zijn, de voortzetting bevorderd van de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag voor en na de echtscheidingsprocedure en in alle gevallen van scheiding van gehuwde of ongehuwde koppels. Daarmee concretiseerde de Belgische wetgever het principe waarop het ouderlijk koppel het echtelijk koppel overleeft. In overeenstemming met deze ideologie lijkt de wetgever een kader te hebben willen scheppen waarin het mogelijk werd om te scheiden op een relatief vreedzame manier. Hierbij heeft het voormalige koppel nog altijd alle kansen om als een ouderlijk koppel te blijven functioneren. Bij wijze van voorbeeld lijkt het principe van de verplichting van iedere oudere om verantwoordelijkheid te blijven dragen voor het kind en elkaars verantwoordelijkheid te eerbiedigen en aan te moedigen sinds meer dan tien jaar duidelijk naar voor te komen. De staat wil de dubbele afstammingsrol veilig stellen doorheen de tijd en ongeacht de wisselvalligheid van het koppel door het principe van de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag in te voeren.

 

De organisatie van dit co-ouderschap blijft, net als de respectievelijke plaats van de verschillende volwassenen, echter moeilijk te bepalen. Op basis van de resultaten van een recent onderzoek[31], willen we enkele bijzonder betekenisvolle moeilijkheden naar voor schuiven waarmee gezinnen die een scheiding of een nieuwe samenstelling doormaken, te kampen krijgen. Aangezien we het kort moeten houden, halen we heel kort acht moeilijkheden aan die ons essentieel lijken. De vijf eerste hebben betrekking op de effectieve toepasbaarheid van de norm volgens dewelke het ouderlijke koppel het echtelijke koppel moet overleven:

 

1. Sommige mensen hebben niet dezelfde moderne opvatting en verwachten niet van de wet dat zij een rol speelt bij het co-ouderschap na de echtscheiding, maar eerder dat zij de voortzetting van de echtelijkheid bevordert, indien nodig door de echtscheiding moeilijker te maken.

 

2. De organisatiemogelijkheden voor de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijke gezag, en meer bepaald de kwestie van de verblijfsregeling, zijn niet wettelijk gepreciseerd en lijken spanningen teweeg te brengen bij de ex-echtgenoten. Uit dit standpunt blijkt erg duidelijk dat de recente wet van 18 juli 2006 tot het bevoorrechten van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake huisvesting van het kind die een gelijkmatig verdeelde huisvesting wil bevorderen geen einde zal maken aan de echtelijke geschillen over de organisatie van de huisvesting gezien de doorslaggevende rol van de rechtbank op dit vlak.

 

3. Het gebrek aan formele regels op het gebied van organisatie van het co-ouderschap zou te maken hebben met conflicten na de scheiding (geen vertegenwoordiging van het kind, geen betaling van het onderhoudsgeld) in die mate dat heel wat ‘secundaire ouders’ het gevoel hebben de ‘afdankers’ te zijn van een onrechtvaardig systeem en dat zij zich dus marginaliseren ten opzichte van de oorspronkelijk vastgelegde logica van het co-ouderschap.

 

4. De juridische erkenning van het principe van de gezamenlijke uitoefening van het co-ouderschap is belangrijk, maar onvoldoende. Ook andere instellingen die optreden voor de kinderen (school, ziekenfonds, ziekenhuis,…) moeten dit principe erkennen en de ex-echtgenoot moet dit principe daadwerkelijk aanvaarden.

 

5. Niet zelden botst de samenwerking na een echtscheiding op de moeilijke ontkoppeling van het ouderschap en de relatie tussen man en vrouw. Dit probleem kan erg gevarieerde vormen aannemen gaande van de moeilijkheid om het ouderschap (co-ouderschap) los te koppelen van de echtelijke aspecten wanneer de relatie neigt naar de heropbouw van de echtelijke band, tot de onmogelijkheid om een serene co-ouderlijke relatie op te bouwen zolang de echtelijke conflicten niet afgezwakt zijn. In heel wat gevallen botst het juridisch denken, waarbij het overleven van het ouderlijke koppel als vanzelfsprekend wordt beschouwd, met de echte beleving van de scheiding. De bezoedeling van de overeenkomsten met betrekking tot de kinderen door echtelijke geschillen is een reëel risico.

 

De drie volgende moeilijkheden hebben betrekking op de respectievelijke plaats van de verschillende volwassenen, met andere woorden op de organisatie van het meerouderschap.

 

6. De reflectie over de lopende juridische debatten moet een onderscheid maken tussen de problemen verbonden aan de vermenigvuldiging van de juridische verwantschapsbanden enerzijds en de problemen verbonden aan de vermenigvuldiging van het aantal personen die een functie van ouder vervullen anderzijds. Door hiertussen geen onderscheid te maken, hebben sommigen gedacht dat het zorgouderschap alleen betrekking zou hebben op koppels bestaande uit personen van hetzelfde geslacht!

 

7. Ook al eisen stiefouders niets in termen van ouderschap en erkennen zij de unieke plaats van ouders in de afstammingsband die hen een voorrangsrecht verleent met betrekking tot de grote beslissingen. Toch blijkt de kwestie van het dagelijkse ouderschap een vaak voorkomende aanleiding tot spanningen. De grens tussen de toepassing van de regels van de woonplaats en de herinnering aan de fundamentele opvoedingsprincipes blijft vaag. De plaats van de vader (moeder) wordt beïnvloed door de vorming van de rol van de stiefvader (stiefmoeder).

 

8. Het belang van de afstamming als leiddraad om een plaats in de geschiedenis te verwerven via het familiegeslacht lijkt het voorwerp  te zijn van een nieuwe maatschappelijke consensus. De continuïteit wordt als structurerend aanzien. Tegenover de vermenigvuldiging van de echtelijke scheidingen, is de instemming met dit principe een uitnodiging om over de nieuwe uitdagingen van het meerouderschap na te denken uitgaande van een aanvullende logica, waarbij de stukken ouderschap elkaar kunnen aanvullen eerder dan een vervangende logica, waarbij de ene ouders de anderen uitsluiten.


 

Holebigezinnen in de kijker

BORGHS, Paul

Medewerker van de cel politiek van de Holebifederatie

Redactielid van het tijdschrift ZiZo

 

Inleiding

In België zijn burgerlijke huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht geen ‘big deal’ meer. Dergelijke huwelijken halen enkel nog de pers wanneer er écht iets speciaals te melden valt, bijvoorbeeld omdat beide huwelijkskandidaten politiecommissaris zijn. Voor het overige zijn burgerlijke huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht net zo gewoon – net zo boeiend of net zo saai – als alle andere huwelijken. Schepenen van de burgerlijke stand die toespraken houden voor huwende vrouwen, ooms die huwende mannen kussen, geen kat kijkt er nog naar om.

 

Hoewel, geen ‘big deal’ meer? Een Antwerpse notaris weigerde toch nog een huwelijkscontract op te stellen voor twee mannen. Sommige steden en gemeenten gaven holebikoppels (tot aan de openstelling van de adoptie) een apart trouwboekje. Hetero’s kregen er één met gezinsbladzijden, holebi’s één zonder. Welk trouwboekje zouden die steden en gemeenten overigens geven aan een oudere man en vrouw die huwen? Eén met of één zonder gezinsbladzijden?

 

© Pierre Kroll, 2004

Korte historiek[32]

Een wettelijke omkadering voor het samenleven van twee mannen of twee vrouwen was tot in de jaren negentig geen evidentie in België. Pas in 1993 werd in de Kamer van Volksvertegenwoordigers een eerste wetsvoorstel ingediend dat samenwonenden meer rechten moest geven (het betrof de zogenaamde ‘instapregeling’ voor samenwonenden). Een tweede wetsvoorstel, dat in 1994 werd ingediend in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, handelde over het samenlevingscontract. Deze voorstellen waren revolutionair, maar meteen ook onbespreekbaar. De CVP stond na het ‘abortustrauma’ erg weigerachtig tegenover ethische thema’s. Toch was er nood aan een de(r)gelijke regeling. De aidsepidemie had niet alleen duidelijk gemaakt dat partners van hetzelfde geslacht stabiele en duurzame relaties hadden, maar ook dat ze in een juridisch vacuüm (samen)leefden. Bij de dood van één van de partners waren de successierechten zo hoog, dat er sprake was van een regelrechte confiscatie van goederen. Contractueel kon wat geregeld worden, maar zaken zoals het erfrecht, de fiscale en sociaalrechtelijke gevolgen van het samenwonen en de verhouding tot de (eventuele) kinderen vielen daar volledig buiten.

 

In België kwam er een eerste kentering in 1995, toen bekend werd dat de stad Antwerpen een register voor samenwonenden wilde instellen. Samenwonenden konden - louter symbolisch – een notarieel samenlevingscontract laten registreren bij de burgerlijke stand. Deze registratie zorgde ervoor dat er op grote schaal gediscussieerd werd over de noodzaak en het nut van de erkenning van holebirelaties. Daarnaast was dit een belangrijk signaal voor de federale overheid om werk te maken van een wettelijke regeling voor holebipartners. Opmerkelijk was dat er destijds al vrij algemeen gesproken werd van een huwelijk, ook al ging het enkel om een symbolische registratie.

 

In de tweede helft van de jaren negentig werden alvast enkele schrijnende toestanden aangepakt. In 1997 kregen holebi’s, op grond van een omzendbrief, de mogelijkheid om in België samen te wonen met hun buitenlandse partner. In het Vlaamse Gewest werden, vanaf 1998, de successietarieven verlaagd voor samenwonenden. Een globale wettelijke regeling, op federaal vlak, kwam er niet. Er was geen politieke consensus. De wet op de wettelijke samenwoning van 23 november 1998, die pas in 2000 in werking trad, stelde een minimale vermogensrechtelijke regeling in voor samenwonenden. Dit was echter geen oplossing voor de problemen waarmee holebikoppels te maken kregen.

 

Door de wet van 13 februari 2003 werd het burgerlijk huwelijk opengesteld voor partners van hetzelfde geslacht. Officieel kon huwen vanaf 16 juni 2003. België kreeg ook een algemene antidiscriminatiewet door de wet van 25 februari 2003. In het Vlaamse Gewest werden de successietarieven volledig gelijkgeschakeld tussen de samenwonenden en de gehuwden door het decreet van 1 december 2000. In de andere gewesten werd later ook werk gemaakt van een gelijkschakeling, maar dan enkel voor de wettelijk samenwonenden. Het nieuwe Wetboek van Internationaal Privaatrecht, dat op 1 oktober 2004 in werking trad, zorgde ervoor dat het burgerlijk huwelijk in België volledig toegankelijk werd voor holebi’s met een buitenlandse partner. De wet van 18 mei 2006 stelde de adoptie open voor partners van hetzelfde geslacht. Daardoor kunnen twee mannen of twee vrouwen samen een kind adopteren. Ook de co-ouderadoptie van het kind van de echtgenoot of partner werd mogelijk. Tot aan de openstelling van de adoptie was in België enkel de éénouderadoptie mogelijk door een – alleenstaande, samenwonende of gehuwde – homoseksuele man of lesbische vrouw.

Enkele cijfers

In de periode 2000-2003 werden in België 3 298 verklaringen van wettelijke samenwoning afgelegd tussen personen van hetzelfde geslacht. In dezelfde periode werden 748 wettelijke samenwoningen tussen personen van hetzelfde geslacht weer ontbonden. Er dient wel enig voorbehoud gemaakt te worden bij het begrip ‘personen van hetzelfde geslacht’, want ook verwanten (bijvoorbeeld twee broers) kunnen een verklaring van wettelijke samenwoning afleggen. Ter vergelijking: in dezelfde periode werden 43 277 verklaringen van wettelijke samenwoning afgelegd tussen personen van verschillend geslacht, waarvan er 9 107 werden ontbonden[33]. Uit de cijfers blijkt dat, in tegenstelling tot wat soms beweerd wordt, er verhoudingsgewijs ongeveer evenveel ontbindingen zijn van wettelijke samenwoningen tussen personen van hetzelfde geslacht als tussen personen van verschillend geslacht.

 

In de periode 2003-2004 werden in België 3 915 burgerlijke huwelijken gesloten tussen personen van hetzelfde geslacht[34]. Hiervan waren er 58,4% tussen mannen en 41,6% tussen vrouwen. Het geringer aantal huwelijken tussen vrouwen kan verklaard worden doordat het ouderschap niet geregeld werd bij de openstelling van het burgerlijk huwelijk, waardoor heel wat lesbische vrouwen met kinderen besloten om (nog) niet te huwen. Er werden meer gelijkgeslachtige huwelijken afgesloten in het Vlaamse Gewest dan in het Waalse of Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, respectievelijk 70,6%, 15,1% en 11,1% (3,2% van de holebihuwelijken werd afgesloten tussen personen woonachtig in het buitenland). Het overwicht van het Vlaamse Gewest is opvallend, maar niet geheel onverwacht. In Vlaanderen, dat traditioneel sterker aanleunt bij Nederland, is de aanvaarding en de emancipatie van holebi’s en de openheid rond holebiseksualiteit steeds groter geweest dan in Brussel en Wallonië. Vlaanderen heeft bijvoorbeeld al geruime tijd een sterk uitgebouwde holebibeweging en de Vlaamse overheid voert al jarenlang een actief holebibeleid.

 

Uit de (Vlaamse) ZZZip-enquête bleek dat 9% van de holebi’s kinderen had uit een vorige relatie met iemand van verschillend geslacht. 3% van de holebi’s uit de steekproef had kinderen uit een relatie met iemand van hetzelfde geslacht. 42% van de ondervraagde holebi’s had een kinderwens. Deze was meer uitgesproken bij vrouwen (54,5%) dan bij mannen (35,7%). Bij de respondenten jonger dan 26 jaar bleek dat 70% van de vrouwen en 46% van de mannen later kinderen zou willen[35].

Holebi’s en de publieke opinie

In de tweede helft van de jaren negentig woedde het maatschappelijk debat over een wettelijke regeling voor het samenwonen van holebi’s in volle hevigheid. In juni 1997 werd gepeild naar de houding van 1 000 Vlamingen ten aanzien van holebi’s. 50% van de ondervraagde Vlamingen ging ermee akkoord dat holebi’s die twee jaar samenwoonden, dezelfde rechten mochten hebben als gehuwden, maar dan zonder kinder- of adoptierecht, 39% was tegen. Voor het kinder- of adoptierecht waren de verhoudingen omgekeerd: 35% was voor en 50% was tegen. Van de jongeren jonger dan 25 jaar was 44% voor gelijke rechten met inbegrip van kinder- of adoptierecht. Bij de groep 25-65 jaar daalde dit tot 29%. Wat vooral opviel, was dat Vlamingen die holebi’s kenden in de familie- of kennissenkring, opvallend positiever stonden tegenover gelijke rechten voor holebi’s. Deze breuklijn tussen ouderen en jongeren kwam ook duidelijk tot uiting in de Panel Studie van Belgische Huishoudens uit 2002. In de leeftijdscategorie van 16-34 was 69% van de ondervraagden voor de openstelling van het burgerlijk huwelijk, 64% voor de co-ouderadoptie door holebi’s en 56% voor de gezamenlijke adoptie door holebi’s. In de leeftijdscategorie 55-74 waren de cijfers respectievelijk 27%, 45% en 29%[36]. Uit een CBGS-enquête uit 2003 bleek dat het holebithema de Vlamingen in drie groepen verdeelde: een groep ‘voor’, een groep ‘tegen’ en een groep die het principe ‘leven en laten leven’ huldigde.

 

Zeer algemeen komt in deze – en andere – peilingen tot uiting dat communicatie en contact met holebi’s belangrijke ‘goodwill-creëerders’ zijn[37]. Jongeren hebben minder moeite met de openstelling van het burgerlijk huwelijk en de adoptie dan ouderen. Dit zou kunnen inhouden dat, met het voortschrijden van de tijd, het aandeel van de voorstanders van gelijke rechten voor holebi’s zal toenemen[38]. Vrouwen staan ook positiever tegenover deze maatregelen dan mannen[39]. Vlamingen staan van alle Belgen het meest open voor gelijke rechten voor holebi’s[40].

 

Opmerkelijk: bij Vlamingen gaat de voorkeur voor keuze van buren (eerste keuze) uit naar een jonggehuwd (46,8%) of een bejaard (25,6%) echtpaar. Slechts 11,5% wil een gezin met veel kinderen naast de deur, 4,6% een alleenstaande vrouw met kinderen en 4,3% een holebikoppel. Enkel een Marokkaans of Turks gezin (2,4%), een mentaal gehandicapt paar (1,5%) en een gezin met OCMW-steun (0,7%) zijn nog minder geliefd als buur[41].

België en Europa

Zijn de Belgen toleranter tegenover de openstelling van het burgerlijk huwelijk en de adoptie dan de andere Europeanen? In januari 2003 ondervroeg EOS Gallup Europe 15 074 inwoners uit 30 Europese landen. De Belgen bevinden zich zowel voor de openstelling van het burgerlijk huwelijk voor partners van hetzelfde geslacht (67% voor), als voor de adoptie door holebikoppels (47% voor) in de top zes. In de 25 lidstaten die momenteel tot de EU behoren, was respectievelijk 53% en 38% voorstander. Jongeren en vrouwen stonden positiever tegenover de openstelling van het huwelijk en de adoptie door holebi’s, dan ouderen en mannen. Bovendien hadden vooral hoger opgeleiden en ongelovigen minder moeite met gelijke rechten voor holebi’s.

Holebithema’s en kiesgedrag

Naar aanleiding van de (regionale en Europese) verkiezingen van 13 juni 2004, peilde de krant De Standaard naar de thema’s die van belang waren geweest bij het stemgedrag. De ethische thema’s kwamen helemaal achteraan te staan, nog net voor ruimtelijke ordening én cultuur, media en wetenschapsbeleid. Vooraan stonden zaken zoals sociale zekerheid, gezondheidszorg, criminaliteit, werkgelegenheid, belastingen, verkeersveiligheid en leefmilieu[42].

 

Opmerkelijk: uit een peiling gehouden in april 2003 door het VRT-programma ‘Doe de stemtest’, bleek dat slechts 20,8% van het Vlaams Blok-electoraat vond dat holebikoppels niet mochten trouwen. Deze kiezers verschilden niet significant van het totale kiezerskorps op dit vlak[43]. Uit andere peilingen bleek dat de voorstanders van gelijke rechten voor holebi’s eerder bij partijen zoals Groen!, SP.a en VLD aanleunen en de tegenstanders eerder bij partijen zoals CD&V en Vlaams Belang[44]. Uit de ZZZip-enquête bleek trouwens dat holebi’s voornamelijk stemmen voor (ethisch) linksere partijen.

Het burgerlijk huwelijk (her)bekeken

Tijdens het maatschappelijk debat rond de openstelling van het burgerlijk huwelijk werd aangevoerd dat het huwelijk verband hield met de voortplanting, met het voortbestaan van de groep (en bijgevolg voorbehouden diende te worden aan personen van verschillend geslacht)[45]. Als dusdanig is dit een merkwaardige stelling. Historisch gezien is het huwelijk immers een creatie van relatief recente datum. Tijdens de vele eeuwen zonder enige vorm van huwelijk was er ook voortplanting en er zal nog altijd voortplanting zijn mocht men het huwelijk afschaffen. Juridisch kan de koppeling tussen het burgerlijk huwelijk en de voortplanting ook niet meer gevolgd worden. Het Belgische huwelijksrecht kent geen wettelijke verplichting tot voortplanting. Personen die zich niet kunnen voortplanten – wegens infertiliteit of hoge leeftijd – kunnen huwen. De wet legt echtgenoten geen procreatieplicht op. Ook huwelijken van – al dan niet gewild – kinderloze paren zijn échte huwelijken. Buiten het huwelijk is er evengoed voortplanting mogelijk en voortplanting kan zelfs zonder geslachtsgemeenschap. In het Belgisch Burgerlijk Wetboek wordt het huwelijk in eerste instantie opgevat als een levensgemeenschap, artikel 146 bis stelt uitdrukkelijk de intentie van een duurzame levensgemeenschap voorop. Dit is door het Arbitragehof bevestigd in het arrest van 20 oktober 2004. Ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft de koppeling tussen het huwelijk en de voortplanting losgelaten.

 

In de westerse rechtscultuur is het burgerlijk huwelijk in wezen een juridisch en maatschappelijk erkende en georganiseerde duurzame samenlevingsvorm die in de eerste plaats gebaseerd is op de wederzijdse en exclusieve affectie en seksualiteit (affectief-emotionele functie), evenals op de materiële en morele steun van de echtgenoten ten opzichte van elkaar (sociaal-economische functie)[46]. Doordat het burgerlijk huwelijk geen procreatief-familiale functie heeft, is er geen enkele fundamentele reden meer om institutioneel een onderscheid te maken tussen het samenwonen van een man en een vrouw, van twee mannen of van twee vrouwen[47]. Het is dan ook positief dat de Belgische wetgever niet gekozen heeft voor een geregistreerd partnerschap voor partners van hetzelfde geslacht. Een dergelijke bijna-gelijk-maar-wel-apart-regeling zou enkel maar een overbodig tweelokettensysteem in stand houden, waarbij partners van verschillend geslacht kunnen huwen en partners van gelijk geslacht hun relatie (enkel) kunnen laten registreren. Dit zou vergelijkbaar zijn met de Amerikaanse ‘separate but equal’-doctrine. Deze doctrine werd inmiddels weer verlaten, want “separate facilities are inherently unequal”. Men kan alleen maar vaststellen dat het huwelijk als cultuuroverstijgend universeel sociaal instituut niet bestaat, maar zeer flexibel en variabel is en verschillende ladingen kan dekken. Het ‘huwelijk’ is uiteindelijk die relatie die men huwelijk noemt (of wil noemen)[48].

De afstamming (her)bekeken

Tijdens het maatschappelijk debat rond de openstelling van de adoptie werd de juridische afstamming vaak verward met de biologische afstamming. Het gaat echter om twee aparte zaken. Biologisch heeft een kind bijvoorbeeld steeds een vader en een moeder, maar juridisch hoeft dat niet het geval te zijn. De biologische afstamming is onveranderlijk, wat niet het geval hoeft te zijn voor de juridische afstamming. De juridische afstamming zal vaak gebaseerd worden op de biologische afstamming, maar dit hoeft niet noodzakelijk het geval te zijn. Dit is bij adoptie het duidelijkst. Adoptie is een geschikt middel om het ouderschap van twee personen van hetzelfde geslacht juridisch inhoud te geven. Juridisch kan een kind perfect afstammen van twee mannen of twee vrouwen.

 

De juridische afstamming heeft tot doel vast te leggen wie verantwoordelijk is voor de zorg en de begeleiding die een kind nodig heeft tijdens zijn volwassenwording. Door de juridische afstamming wordt bepaald op welke persoon (of personen) een kind aangewezen is voor zijn huisvesting, levensonderhoud, opvoeding en passende opleiding. Dat kunnen twee personen van hetzelfde geslacht zijn[49]. Vanuit het oogpunt van het belang van het kind zou het onverantwoord zijn om het juridisch ouderschap te weigeren indien twee personen van hetzelfde geslacht zich aandienen om spontaan deze socialiseringstaak op zich te nemen.

Besluit

Vanuit juridisch oogpunt zijn er geen valabele argumenten om het burgerlijk huwelijk (“het best uitgewerkte en meest gepromote gezinsinstituut in ons recht”) en de adoptie (“de meest volwaardige band tussen (een) volwassene(n) en (een) kind(eren)”) gesloten te houden voor partners van hetzelfde geslacht[50]. Tegenstanders grepen vaak terug naar (onder meer) achterhaalde historische concepten, religieuze opvattingen, vermeende problemen die zouden opduiken in het buitenland en – op het gebied van adoptie – psychologische argumenten. Wat dat laatste betreft kan alleen maar objectief vastgesteld worden dat er heel wat (doctoraats)onderzoek bestaat dat aantoont dat kinderen in holebigezinnen zich niet anders (of slechter) ontwikkelen dan kinderen in andere gezinnen. Er is echter geen omstandig en verscheiden onderzoek dat het tegendeel aantoont[51].

 

In de afgelopen jaren werden er in België belangrijke stappen gezet op het gebied van de (juridische) gelijkberechtiging van holebi’s. In tegenstelling tot wat soms voorspeld werd, is België daardoor niet afgegleden naar een soort Sodom en Gomorra. Het holebihuwelijk werd geaccepteerd door grote delen van de bevolking en, naarmate er meer vertrouwdheid mee komt, zal ook het holebi-ouderschap een erg gewone zaak worden. Overigens zetten steeds meer landen, in Europa en daarbuiten, de stap naar het holebihuwelijk (of een vergelijkbare regeling) en de openstelling van de adoptie.

 

In België is er voornamelijk nog wetgevend werk nodig op het gebied van de hersamengestelde (hetero- of holebi)gezinnen, zodat meerdere personen kunnen delen in het ouderlijk gezag. Daarnaast kan gedacht worden aan een eenvoudigere adoptieprocedure (of erkenningsprocedure) voor meemoeders waarvan de echtgenote of partner een kind kreeg na kunstmatige inseminatie met een anonieme donor. De grootste taak zal in de nabije toekomst echter weggelegd zijn voor het beleidsmatig werk, dat moet leiden tot een nog grotere emancipatie en aanvaarding van holebi’s en holebigezinnen, maar ook van vaak nog vergeten ‘minderheidsgroepen’ binnen de holebipopulatie (zoals oudere holebi’s, allochtone holebi’s en holebi’s met een handicap).


 

De verrassende actualiteit van het klassieke gezin

MATTHIJS, Koen

Centrum voor Bevolkings- en Gezinsonderzoek, Katholieke Universiteit Leuven (K.U.Leuven)

 

Alleen, allemaal samen (?)

Je hoort het velen denken: er wordt vandaag te weinig en te laat getrouwd (wat er op wijst dat vrouwen – want zij zijn natuurlijk de oorzaak – eerst kiezen voor hun carrière), te veel vrouwen krijgen te laat kinderen (wat op termijn slecht is voor de moeder-kindrelatie), veel koppels kiezen zomaar bewust en gewild voor geen kinderen (die koppels zijn egoïstisch en egocentrisch), te veel vrouwen werken buitenshuis (dat ondermijnt hun ouderlijke controle), er zijn te veel éénkindgezinnen (die kinderen worden asociale wezens), er wordt te veel en te snel gescheiden (wat leidt tot te veel éénoudergezinnen en tot relatie-onbekwame kinderen) en er wordt te vlug en te gemakkelijk gemigreerd tussen gezinnen (wat onzekerheid in de tussenmenselijke relaties versterkt en wat bovendien duur is). Dat deprimerende lijstje over (de gevolgen van) recente gezinsontwikkelingen kan in alle richtingen worden uitgebreid. De eindconclusie is hard: er zijn geen (h)echte gezinnen (meer) en men moet dus niet verwonderd zijn dat de samenleving er vandaag uitziet als een verzameling verzuurde, depressieve en agressieve individuutjes. Linea recta ligt hier ‘dus’ de verklaring voor postmoderne gezinskwalen die ‘onrustwekkend toenemen’: kindermishandeling, oudergeweld, seksuele problemen, zwaarlijvigheid, overspannen moeders, magerzucht, criminele jongeren, afwezige vaders, vergeten ouderen.

 

‘Vroeger’ zou dat allemaal anders zijn geweest. Toen was ‘het gezin’ een hechte groep: een beminnelijke buitenshuiswerkende man met aanvaard gezag, een zorgzame thuiswerkende moeder wier gedachten stopten aan de gezinsgrenzen en een paar volgzame kinderen, die van jongs af aan gezinnetje speelden. Gezinnen zouden toen warmer, knusser en gezelliger zijn geweest: samen eten, samen op vakantie gaan, samen kerstdag vieren, samen uitkijken naar de volgende kaars op de volgende verjaardagstaart. Geen puberende adolescenten, geen jeugdcriminaliteit, geen afwezige moeders, geen vreemdgaande vaders, geen generatieconflicten. De voorbije decennia zou dat allemaal van binnenuit ondermijnd zijn en dat zou de oorzaak, de afspiegeling of de versterking zijn van een algemene sociale malaise, culturele armoede en maatschappelijke chaos[52]. Volgens anderen is dat allemaal fors overdreven: de negatieve diagnose is bijziend en éénogig; ze steunt niet alleen op een gekleurde voorstelling van zaken van vroegere gezinsontwikkelingen, maar ook op een verkeerde evaluatie van de huidige stand en gang van zaken. Volgens die meer positieve visie zijn de actuele gezinskenmerken het resultaat van een flexibele zoektocht naar nieuwe antwoorden op postmoderne vragen[53]. De geschiedenis leert dat men best rustig blijft bij al die dubbelzinnigheid. In 1859 schreef een journalist[54] in de Boston Quarterly Review: “The family, in the old sense, is disappearing from our land, and not only our free institutions are threatened but the very existence of our society is endangered”.

 

Of iets is veranderd of niet ten opzichte van vroeger, hangt af van wat men verstaat onder ‘vroeger’ en onder ‘verandering’. Veel van de hedendaagse gezinskenmerken (qua huwelijk, hertrouw, leefsituaties, generationele verhoudingen) ontstonden ergens in het midden van de 19de eeuw (soms nog vroeger) en met een brede blik beschouwd is er daar sindsdien erg weinig aan veranderd. De kenmerken van het hedendaagse gezin zijn bijlange niet zo ‘nieuw’ als de hedendaagse publieke opinie, in een vlaag van misplaatste nostalgie, denkt, vreest of hoopt. Ten opzichte van de vroegmoderne tijd (ruwweg 1500-1800) is er daarentegen wel een en ander veranderd. Maar wat betreft de aard van die veranderingen is historisch onderzoek erg ontnuchterend: het vroegmoderne gezin was zeker niet zo’n gezellig clubje en niet zo’n knusse bedoening als men vaak laat uitschijnen! Dat wordt straks toegelicht.

 

Door het gebrek aan historische diepte (mensen kijken hooguit twee generaties terug, namelijk de ouders en de grootouders) hebben velen de naoorlogse periode (1945-1970) voor ogen als ‘vroeger’ ter sprake komt. Over het huwelijks- en gezinsleven in die periode bestaan er allerlei opvattingen en die fungeren als norm waartegen hedendaagse ontwikkelingen (1970-nu) worden afgezet. Maar juist die vergelijking is verteken(en)d, want uitgerekend het huwelijks- en gezinsgedrag van de naoorlogse decennia was historisch totaal atypisch. Los daarvan moet men ook de hedendaagse situatie voldoende breed bekijken. Naast de evidente dynamiek en verandering, is er ook veel stabiliteit en continuïteit qua huwelijkssluiting, gezinsvorming en leefpatronen. Veel mensen huwen in 2006 wél, zij wonen niet ongehuwd samen, zij scheiden niet, zij hebben geen buitenechtelijke kinderen, zij wonen duurzaam in een ‘klassiek’ twee-oudergezin en zij zeggen daar allemaal gelukkig mee te zijn. Er is dus iets dubbels aan de hand en dat vraagt om een serieuze empirische analyse. Laing[55] verwoordde die voorzichtige boodschap al kernachtig in het begin van de jaren 1970: “we praten over het gezin alsof we weten wat een gezin is”.

Het som-gezin

Het som-gezin heeft betrekking op gezinskenmerken tout court en toont zich onder de vorm van cijfers, ratio’s, percentages en quotiënten: het totaal vruchtbaarheidscijfer, de eerstehuwelijksleeftijd, de hertrouwintensiteit, het longitudinaal echtscheidingscijfer, het consumptieprofiel, het aantal ongehuwd samenwonenden, de scheidingskans van homohuwelijken, de evolutie van het aandeel éénpersoonsgezinnen. De recente geschiedenis van enkele kenmerken van het som-gezin ziet er als volgt uit. In de naoorlogse decennia en tot ongeveer 1970 huwde bijna iedereen jong, de meeste koppels kregen spoedig drie tot vier kinderen en de overgrote meerderheid van de bevolking volgde een vrij uniform gezinsparcours, met een vaste, gender-specifieke taakverdeling: de vrouw zorgde voor de expressieve functies (zorg voor de echtgenoot en de kinderen, home making, emotionele steun), de man voor de instrumentele functies (werk, inkomen, status). Het huwelijk was een gewaarborgde en hooggewaardeerde instelling; er waren nauwelijks zijpistes of tussenstations zoals ongehuwd samenwonen, lat-relaties, huwelijken op loopafstand, spitsuurgezinnen, voordeurdelers, stiefgezinnen, nieuwe vaders en co-co’s. Of homohuwelijken! Echtscheiding was een zwaar privé-ongeval dat met alle middelen moest bemoeilijkt en liefst voorkómen worden. Je hoorde zeker niet te scheiden omdat je niet met je partner kon communiceren.

 

Dat alles veranderde in de loop van de jaren zeventig en tachtig van de 20ste eeuw. Het begon rond 1965 met een daling van de vruchtbaarheid. Al vanaf 1970-1975 lag het vruchtbaarheidscijfer in verschillende West-Europese landen onder het vervangingsniveau (ongeveer 2,1 kinderen per vrouw) en het ligt nu in veel landen rond de 1,5 à 1,7 kinderen per vrouw, wat maar 10% is van wat biologisch mogelijk is en wat één derde te weinig is om in de vervanging van de generaties te voorzien. Vreemd dus, dat soms geregeld opduikend hosanna als er ‘plots’ enkele geboortes meer per jaar zijn.

 

Kort na de daling van het geboortecijfer, verminderde ook de huwelijksintensiteit; die daalde in België de voorbije dertig jaar met bijna de helft. Ondanks de veralgemening van het tweeverdienerschap, ondanks de uitbouw van een efficiënt socialezekerheidssysteem, ondanks de vele economische en sociale ondersteuningswerken voor gezinnen, ondanks het feit dat de meesten in principe de materiële mogelijkheid hebben om te huwen, gebeurde dat toch niet. Of moet ‘ondanks’ geïnterpreteerd worden als ‘juist daarom’? Er werd overigens niet alleen minder, maar ook later getrouwd: de voorbije dertig jaar steeg de eerstehuwelijksleeftijd in bijna alle West-Europese landen van 24 à 26 naar 27 à 29 jaar voor mannen en van 22 à 24 naar 25 à 27 jaar voor vrouwen. Mede als gevolg daarvan worden vrouwen tegenwoordig later moeder dan één generatie geleden, wat niet zonder gynaecologische risico’s zou zijn. Of dat proces zich verder in die richting zal ontwikkelen, is moeilijk te zeggen: de langetermijngezinsgeschiedenis leert dat huwelijks- en gezinstrends niet lineair geëxtrapoleerd mogen worden. Voorbij een bepaald punt, keren (sommige) trends (soms). Het is mogelijk dat naarmate het huwelijk kwantitatief zeldzamer wordt, het kwalitatief hoger wordt gewaardeerd – dat is vaak het lot van schaarse producten.

 

‘Weinig’ en ‘laat’ huwen is historisch niet nieuw, het is integendeel een situatie die in de hele vroegmoderne tijd en in de eerste helft van de 19de eeuw, overal in West-Europa voorkwam. Dat model staat historisch te boek als het West-Europese (of malthusiaanse) huwelijkspatroon. Dat veranderde vanaf het midden van de 19de eeuw: vanaf dan werd er ‘meer’ en ‘vroeger’ getrouwd. Na wat schommelingen bereikte dat model zijn hoogtepunt in de periode 1945-1970, toen bijna iedereen jong huwde. Vandaag kennen we weer de klassieke situatie van ‘weinig’ en ‘laat’ huwen, maar die kwantitatief-demografische gelijkenis mag niet verdoezelen dat er grote kwalitatief-sociologische verschillen zijn. In de vroegmoderne tijd was laat en weinig trouwen een antwoord op de economische eisen van de agrarisch-ambachtelijke samenleving (‘weinig’ huwen voorkwam grondversnippering) en tegelijk was het een middel om de bevolkingsgroei onder controle te houden (kinderen werden meestal binnen het huwelijk geboren en door de toegang tot het huwelijk te bemoeilijken, kon men het kinderaantal beperken). Het huwelijk fungeerde als een sluis die zich opende of sloot naargelang de economische noden of mogelijkheden. Die functie is vandaag verdwenen: de postindustriële samenleving stelt geen vergelijkbare economische eisen aan het gezin en de bevolkingsgroei wordt nu onder controle gehouden door het gebruik van anticonceptie binnen het huwelijk, niet door externe controle op de toegang tot het huwelijk.

 

Vanaf het begin van de jaren 1970 steeg ook de echtscheidingsintensiteit. Dat is historisch wél uniek. Rond 1970 bedroeg de totale echtscheidingsratio 10%, nu is dat ongeveer 40%, wat betekent dat vier op de tien van de nu gesloten huwelijken in echtscheiding zullen eindigen (gesteld dat het toekomstig echtscheidingsgedrag niet wezenlijk verschilt van het vroegere en het huidige). Erg betekenisvol is dat er sinds enige tijd meer huwelijken worden ontbonden (door echtscheiding en verweduwing samen) dan gesloten[56]. Hier beweegt er dus wel een en ander. De toename van het aantal echtscheidingen resulteerde op korte tijd in een hele resem gevolgen, onder meer op het gebied van de ouder-kindverhouding, de relatie tussen de ex-partners en de spanning tussen biologisch en sociologisch ouderschap. Voor kinderen komt dat vaak neer op een wisselende leef- en leeromgeving. Zij spelen nu geen gezinnetje, maar echtscheidingetje.

 

Een echtscheiding is geen terminale gebeurtenis: de meerderheid van de gescheidenen hertrouwt spoedig of woont samen met een nieuwe partner. Tussen 1950 en 1975 hertrouwde 60% tot 70% van de gescheidenen binnen de vijf jaar na hun echtscheiding, vandaag is dat ongeveer 40%. Het verschil (van ongeveer 25%) wordt opgevuld doordat gescheidenen meer opteren voor ongehuwd samenwonen. Sociologisch relevant is de vaststelling dat de hertrouwkans in de jaren 1980 op elke leeftijd groter was dan de huwelijkskans van nooit eerder gehuwden[57]. De gescheidenen hielden bij wijze van spreken het aantal huwelijkssluitingen op peil. Overigens stabiliseert de gezinsgeschiedenis niet na een echtscheiding: in hertrouwhuwelijken is de echtscheidingskans groter dan in eerste huwelijken[58].

 

Na de nodige maatschappelijke commotie, voerde België in 1998 de wettelijke samenwoning in. Er zijn verschillende vormen van ongehuwd samenwonen (voor een goed overzicht, zie Forder & Verbeke[59]). Binnen hetzelfde klimaat werd in België in 2003 het huwelijk van partners van hetzelfde geslacht mogelijk. Net zoals bij echtscheiding, gaat het ook hier om echte veranderingen. Recente data leren dat ongehuwd samenwonen in België volop in beweging is, maar een ‘populair instituut’ is het (nog) niet: het huwelijk wordt uitgesteld, maar dat wordt niet helemaal gecompenseerd door een toename van het ongehuwd samenwonen, weinigen blijven op oudere leeftijd ongehuwd samenwonen en slechts een deel van de gescheidenen (en verweduwden) gaat ongehuwd samenwonen[60]. De toename van het ongehuwd samenwonen is verklaarbaar door huwelijksuitstel van jonge mensen en door een toename van het aantal gescheidenen die na de scheiding ongehuwd gaan samenwonen.

Het samen-gezin

Leg aan jongeren of ouderen, mannen of vrouwen, hooggeschoolden of laaggeschoolden de stelling voor “het huwelijk is een verouderde instelling” en er volgt een massale ontkenning. Wordt aan mensen gevraagd wat het belangrijkste is in hun leven, dan staat het gezin met stip bovenaan. Je zou ­dus verwachten dat hun gedrag op het gebied van huwelijk, echtscheiding en wat daar rond cirkelt, aansluit bij die opvatting, maar de gepresenteerde data over het som-gezin leren dat dat maar gedeeltelijk zo is. De snelle conclusie is dan dat mensen zomaar wat kletsen, maar dat is een verkeerde diagnose. Schijn bedriegt: mensen zeggen niet zomaar iets. De vermelde dubbelzinnigheid is een paradox en die is terug te voeren tot het onderscheid tussen het som-gezin en het samen-gezin.

 

Mensen leven in gezinnen waar van alles gebeurt dat netjes in de statistieken van het som-gezin is te gieten. Enkele daarvan passeerden de revue. Maar mensen doen ook allerlei zaken die niet in cijfers, grafieken en tabellen zijn te vatten. Ze zijn voortdurend bezig met het uitdenken en oplossen van partner-problemen, met elkaar aftasten (figuurlijk maar ook letterlijk), met het opvoeden van kinderen (die kinderen doen bijna alles wat hun ouders vragen), met het zorgen voor oudere ouders, met het opvangen van kleinkinderen, met het klaarmaken van eten. Niets daarvan is evident, zo leert de gezinsgeschiedenis. Het samen-gezin toont zich dagelijks op duizenden manieren, maar die zijn niet gemakkelijk in enige statistiek te vatten. Mede daarom valt het samen-gezin buiten de beleidsogen. Schoonheid, gezelligheid, zorgzaamheid, knusheid en smaak laten zich niet gemakkelijk verstatistieken. Doordat we verblind en selectief naar cijfers kijken, ontsnapt het alledaagse aan doorsnee sociologische ogen.

 

Jaar in, jaar uit zorgen mensen voor elkaar in gezinsverband: ze staan ’s morgens ongeveer gelijktijdig op, ze werken overdag voor elkaar, ze eten meestal samen en ze gaan doorgaans samen slapen. En als dat niet gebeurt, vinden ze dat dat zou moeten gebeuren. Elk jaar samen op reis gaan, is de zomerse hoogmis van gezinswarmte. Op zondagmorgen staat half België (vaak de mannen!) bij de bakker om voor het gezinsontbijt te zorgen en op zondagnamiddag verplaatsen hele gezinnetjes zich met de gezinswagen naar de (groot)ouders, de (klein)kinderen en de broers en zussen. Op kerstavond zit heel België aan de familiale feesttafel, een tafel die bulkt van de gezinsrituelen – het kerstfeest is overigens niet uitgevonden door de Kerk, maar door de mid-19de-eeuwse middenklasse. Dat is trouwens een leerrijk voorbeeld. Want mag het ritueel-gehalte van kerstdag en Nieuwjaar voor velen hoog zijn, voor anderen is dat het dieptepunt van winterse eenzaamheid. Juist dan kan de kloof tussen feit en fictie erg groot zijn. Dat dubbel kerstgevoel wordt, niet toevallig, vooral vertolkt door verweduwden, gescheidenen en alleenstaanden. Juist zij missen het samen-gezin, een gemis dat er niet zou zijn als het samen-gezin niet de maatschappelijke norm was! Het voorbeeld geeft goed aan hoezeer het som- en het samen-gezin siamees op elkaar inhaken, soms constructief, soms destructief.

 

Met haast schaamteloze gedrevenheid zoeken duizenden genealogen hun gezinsverleden op in verborgen archieven en registreren ze fier hun bevindingen voor het nageslacht. In alle gezinnen hangen foto’s van het gezinsleven en van de gezinsleden en dat als permanente herdenking van het (gezins)verleden. Sommige gezinnen zijn musea van gezinsportretten en familiealbums, tijdloze plaatsen waar het verleden gedurig werd gememoreerd. Daar hangen ook de doden: wie ooit gezinslid was, blijft dat (op de vraag “kan iemand die overleden is nog altijd als een gezinslid worden beschouwd?” antwoordde 65% van eerstejaarsstudenten van de K.U.Leuven bevestigend in 2002[61]). Foto’s van familieleden worden meegenomen naar de werkvloer; het gezin zit in de gereedschapskist en tussen dossiers. En in toenemende mate figureren pasgeborenen als screensaver. Dat alles wijst erop hoezeer de gezinsruimte en de gezinstijd – meer en meer aangeduid met de term kwaliteitstijd – worden gekoesterd en beveiligd. Hieraan ontlenen veel mensen (niet alleen vrouwen!) een deel (soms een groot deel) van hun erkenning en waardering. Het samen-gezin zorgt voor speciale aandacht, aparte bewondering, geïndividualiseerd respect. Hier klopt het ­hart van het samen-gezin.

 

Nu en dan worden enkele aspecten van het samen-gezin in de mate van het mogelijke toch verstatistiekt en de resultaten daarvan zijn sociologisch leerrijk en politiek relevant. Een recent onderzoek in de vsa leert dat drie op vier mannelijke respondenten liever een saaie job heeft die toelaat om voor de kinderen te zorgen dan een job vol promotiekansen, maar zonder voldoende tijd om voor de kinderen te zorgen[62]. Een andere studie wijst uit dat één op twee vaders vrijwillig de werkweek inkort om meer opvoedingstijd te hebben en één op vijf zou om die reden een promotie weigeren[63]. Het is duidelijk: het verstatistiekte som-gezin onthult maar een deel van de gezinsrealiteit en het samen-gezin is geen bijkomstig symbool van emotionele, nostalgische warhoofden.

Historische situering

In de vroegmoderne tijd waren er geen gezinsbeelden, geen gezinsscènes, geen gezinssymbolen, geen aparte familie- of gezinstijd[64]. De private gezinswereld viel samen met de publieke gemeenschapswereld. Het gezin was open (letterlijk en figuurlijk) en functioneerde in een gesloten samenleving; bij wijze van spreken zou men kunnen zeggen dat het hedendaagse gezin gesloten is, maar functioneert in een open samenleving. Sprekend in dat verband is dat het begrip ‘gezin’ in de vroegmoderne tijd betrekking had op alle huishoudleden, zowel verwanten als niet-verwanten (het Middelnederlandse ghesinde betekende reisgezelschap, hofhouding, gevolg; Huisghesinde duidde op alle bedienden die met iemand samenwoonden). Het is pas vanaf het midden van de 19de eeuw dat die notie werd verengd tot het kerngezin, in een latere fase zelfs tot de ouder-kindrelatie (een sprekend voorbeeld: op de vraag “Greta en Patrick zijn dertigers die reeds drie jaar ongehuwd samenwonen. Ze hebben geen kinderen. Vormen zij een gezin?” antwoordde maar 66% van eerstejaarsstudenten van de K.U.Leuven bevestigend in 2002[65]).

 

In de vroegmoderne tijd was huwelijkssluiting en gezinsvorming niet affectief, maar economisch gemotiveerd: men kon (tenminste indien men de oudste was) huwen als (en van zodra) het hoofd van het (landbouw)bedrijf ziek was, of gepensioneerd werd, of overleed. Zoals hoger aangegeven leidde dat tot een hoge eerstehuwelijksleeftijd. Een hoge eerstehuwelijksleeftijd betekent dat jong­volwassenen een aantal jaren zorgeloos kunnen sparen, zeker als ze gratis inwonen bij hun ouders. Omdat men in de toenmalige landbouwsamenleving werd betaald voor geleverde arbeidspresta­ties was de inzet van jonge spierkracht erg rendabel. Het zo gespaarde geld stimuleerde de vraag naar duurzame consumptiegoederen en leverde meer zuurstof aan de economie dan het geval zou zijn geweest als velen jong en zonder financiële middelen, zouden huwen. Dat had een niet meteen voor de hand liggend neveneffect: laat huwen bevorderde de groei van het kapitalisme en van de industrialisatie!

 

Zelfs op het moment van het huwelijk waren er weinig affectieve bindingen, maar affectie kon eventueel later wel ontstaan of groeien, als een gezellige bijkomstigheid. Dat romantische liefde geleidelijk een voorwaarde werd om te huwen is echt een ‘modern’ fenomeen, maar dat fenomeen houdt het wel al 150 jaar uit. Natuurlijk is romantiek niet nieuw, maar wel nieuw of ‘modern’ is de inperking ervan tot ‘liefde’ tussen twee mensen[66]. Anno 2006 is romantische liefde nog steeds dé hooggewaardeerde standaard waartegen andere relaties, zowel huwelijkse als niet-huwelijkse, zowel hetero- als homoseksuele, worden afgewogen. Die vorm van romanticisme is een recente culturele imperatief, die pas in het midden van de 19de eeuw werd ‘uitgevonden’, niet door de Kerk, niet door de vrouwen, niet door de jeugd, wel door de nieuwe middenklasse.

 

In de vroegmoderne tijd waren ouders op hun hoede voor te veel affectie, zeker voor affectie ten aanzien van hun kinderen. Dat had te maken met de hoge sterfte: tot ruwweg 1850 bereikte één op twee borelingen niet de leeftijd van 20 jaar. Sterfte stond midden in het dagelijkse leven en daarom cultiveerde men best geen affectie voor de kinderen. Emotioneel afstand houden was een strategie om emotioneel te overleven. Elke mooie, gezonde baby kon de volgende week overlijden. Je had, bij wijze van spreken, pas een kind nadat het de mazelen had overleefd en dat gold niet alleen voor arme boeren, maar ook voor rijke grootgrondbezitters. De overlevende kinderen werden in de vroegmoderne tijd al op jonge leeftijd uitgestuurd als dienster of als knecht en ook dat is indicatief voor de afstandelijke ouder-kindrelatie. Die kinderen (correcter: jonge volwassenen) werden dus niet in knus gezinsverband verzorgd en opgevoed, ze werden integendeel vlug ingeschakeld als leveranciers van jonge spieren en goedkope arbeid voor de landbouweconomieën uit de buurt[67].

 

Dopen, huwelijken en begrafenissen, waarvan velen denken dat het ‘vroeger’ belangrijke gezinsgebeurtenissen waren, waren dat in de vroegmoderne tijd niet. Vaak waren de directe verwanten zelfs niet aanwezig bij die gebeurtenissen[68]. Dopen werden snel na de geboorte (het kind kon ’s anderendaags overlijden) afgehandeld tijdens de ochtendmis. Het huwelijk was een publieke aangelegenheid waar vooral dorpsgenoten, eerder dan de ouders en dichte verwanten, bij betrokken waren. Voor begrafenissen gold hetzelfde: doden werden snel onder de grond gestopt, graven werden niet bezocht, laat staan onderhouden. Noch een geboorte, noch een huwelijk, noch een begrafenis waren in de vroegmoderne tijd een geritualiseerd gezinsgebeuren. Om kort te gaan, men past maar beter op als men het heeft over ‘vroeger’ en men nostalgisch uitkijkt naar het knusse kerngezin van weleer.

De wortels van het samen-gezin

Vanaf ongeveer het midden van de 19de eeuw veranderde het geschetste gezinsplaatje van de vroegmoderne tijd. Eén van de ­stuurmotoren daarvan was de economische groei, de industrialisatie, de verstedelijking en de toegenomen geografische mobiliteit. Maar even doorslaggevend was de gewijzigde culturele context: de massale diffusie van emotionalisering, romantisering, verhuiselijking en familiarisering onder alle bevolkingslagen[69]. Dat het midden van de 19de eeuw een scharnierperiode was, heeft onder meer te maken met het feit dat productie en consumptie rond die tijd van elkaar werden losgeweekt en aan aparte instituten toegewezen. De economische productie gebeurde voortaan buiten het gezin, de consumptie erbinnen. Het gezin specialiseerde zich in de emotionele mandekking, de wederzijdse zorg en de cultivering van expressieve waarden[70]. Binnen het gezin werd de taakverdeling nog geslachtsspecifieker dan ze voordien al min of meer was[71]. De notie buitenshuis werd symbolisch gekoppeld aan man, werk, geld, prestige, publiek. En toekomst. De notie binnenshuis aan vrouw, vrije tijd, privaat, kinderen, emotie, warmte en verleden. Er was voortaan dus niet alleen een economie van de ruimte, maar ook een economie van de tijd. Men mocht dus geen tijd verliezen om gelukkig te zijn, wat betekende zo vlug mogelijk huwen. Niet alleen de oudste of de erfgenaam, maar iedereen. Vanaf het midden van de 19de eeuw ontstond er in België – zoals elders in West-Europa – een gedreven, haast mimetische huwelijksbegeerte: de huwelijksintensiteit nam fors toe en de eerstehuwelijksleeftijd daalde snel. Op minder dan een generatie tijd implodeerde het ‘oude’ malthusiaanse huwelijkspatroon van ‘weinig’ en ‘laat’ huwen. Meer mannen en vrouwen, van alle sociale groepen, huwden voortaan alsmaar jonger en meer en meer rond dezelfde leeftijd[72].

 

De genderspecifieke taakverdeling leverde voor de mannen een merkwaardige paradox op: meer dan de vrouwen leefden zij in twee werelden, één binnenshuis en één buitenshuis. (Dat is vandaag goed herkenbaar, want dat is juist het type tegenstelling waar hedendaagse vrouwen mee geconfronteerd worden). De nieuwe laat-19de-eeuwse burger werd geconfronteerd met een pakkende contradictie: enerzijds had hij allerhande publieke rollen en verantwoordelijkheden, anderzijds voelde hij zich intens aangetrokken tot de nieuwe huiselijkheid. Door de nieuwe taakverdeling kon hij echter niet tussenkomen in de gezinsinterne zaken. Het huishouden in orde houden en kinderen op de wereld zetten en opvoeden was hét vrouwelijke domein. Binnen het gezin was de man hoogstens onrechtstreeks belangrijk – als leverancier van geld en status. Wat dat betekende, kan niet beter verwoord worden dan met de gevleugelde uitspraak van Father (Pater of Dominee afhankelijk van de betekenis in het Engels) Theodore Hesburgh[73]: “The most important thing a father can do for his children is to love their mother”.

 

Voor vrouwen had de scherpe gender-taakverdeling andere gevolgen: ze werden meer en meer weggedrukt uit de publieke sector, hun leefwereld werd verengd tot de private sector. Een groot deel van de vrouwen functioneerde daar van harte en zonder morren. Voor veel moeders was het prettig zich erkend te weten als dé icoon van het gezin[74]. Een goed huwelijk, een proper huishouden en een knus gezin betekende dat de vrouw haar best deed. De nieuwe huiselijkheid vertaalde zich in een haast blinde betrokkenheid van de moeder met haar kinderen (dus geen minnen meer) en dan vooral op haar dochters[75]. Volgens Roberts[76] ontstond er in de tweede helft van de 19de eeuw in alle bevolkingsgroepen een mum-cultuur, een intense betrokkenheid van moeders en dochters op elkaar. Na hun huwelijk vestigden veel dochters zich in de onmiddellijke omgeving van het ouderlijk huis. Dat huis was voor hen hét centrum en hét netwerk van wederzijdse hulp, van ruil van voedsel, van intieme sociale omgang, van informatie over vrouwenkwalen, van permanente emotionele flankdekking.

 

Omdat ze uit de publieke sector werden gehouden, moesten vrouwen hun waardering en erkenning wel gaan zoeken waar dat kon en waar ze goed in waren. Zij ontwikkelden een eigen, ‘vrouwelijke’ statusschaal die cirkelde rond het goede huwelijk, de propere woning, het afgestofte huis, het warme gezin. Was dat een strategie die vrouwen echt wilden of was het een middel om zich eervol staande te houden, bij gebrek aan mogelijkheden om te infiltreren in de publieke sector? Voor veel vrouwen zal de private waardering voldoende zijn geweest om zich goed te voelen, maar anderen werden wellicht pijnlijk geconfronteerd met het feit dat de publieke sector gereserveerd was voor de mannen. Of is dat een anachronistische interpretatie? In ieder geval zou een eeuw later blijken dat de reductie van de vrouw tot zus, dochter, echtgenote en moeder voor velen een te smalle basis was om zin te geven aan hun leven. Die basis werd trouwens met verloop van tijd alsmaar smaller en beklemmender, figuurlijk, maar ook letterlijk: het korset moest het vrouwenlichaam insnoeren. Aan de onzichtbare en onbetaalde gezinsarbeid van ‘huisvrouwen’ werd alsmaar stringentere eisen gesteld. Het resultaat was dat huishoudelijke arbeid rond 1900 een voltijdse job werd, niet alleen tijdens de week, maar ook op zondag. De zondag was trouwens voor vrouwen geen rustdag, maar een dag van ‘liefdesarbeid’[77]. Haar dagtaak werd langer en veeleisender, juist op het moment dat publiek werd gediscussieerd over inkorting van de arbeidsduur van mannen. Voor een deel van de vrouwen zal dat zeker de nodige munitie hebben geleverd om de genderspecifieke taakverdeling ter discussie te stellen én er tegen op te treden. De hedendaagse uitlopers daarvan tonen zich in de heikele discussie over de integratie van gezin en arbeid.

Coda

Het Belgisch (en per uitbreiding ook het Europese) gezinsbeleid is een som-gezinsbeleid. Dat beleid cirkelt rond financiële tegemoetkomingen, fiscale correcties, sociale voordelen, ondersteunende maatregelen. Allemaal zaken die, haast per definitie, te maken hebben met (of beperkt zijn tot) het som-gezin, maar die via een omweg wel afkleuren op het functioneren van de samen-gezinnen. Louter financieel bekeken, stelt dat beleid trouwens niets voor. Binnen de eu[78] zijn de rechtstreekse overheidsuitgaven voor gezinnen beperkt: in 2001 was het aandeel gezinsuitgaven op alle uitgaven 0,5% (het minimum) in Spanje en 3,8% (het maximum) in Denemarken. Maar los van het expliciete gezinsbeleid zijn er uiteraard allerlei overheidsmaatregelen die onrechtstreeks gevolgen hebben voor het gezin, zoals de regels rond de wettelijke samenwoning, het erfrecht, het echtscheidingsrecht en de wetgeving op de integratie van arbeid en gezin. Die spanning tussen rechtstreeks en onrechtstreekse, tussen gewilde en ongewilde effecten is het voorwerp van een groot maatschappelijk dispuut. Een voorbeeld: maatregelen om de integratie van gezin en arbeid te vergemakkelijken kunnen de integratie van vrouwen op de arbeidsmarkt vergemakkelijken (wat de bedoeling is en wat bijvoorbeeld een positief effect kan hebben op het kinderaantal), maar ze hebben ook ongewilde neveneffecten, bijvoorbeeld op de echtscheidingskans en op de omgang tussen ouders en kinderen. Hier komen we op een erg glibberig terrein. Het is zeker dat soort overwegingen die Giddens[79] tot de volgende gevleugelde conclusie bracht: “The study of the family used to seem to many one of the dullest endeavors. Now it appears as one of the most provocative and involving”.

 

Het beleid houdt zich om allerlei redenen ver weg van een expliciet beleid ten voordele van het samen-gezin en dat terwijl het volgens sommigen juist daarover zou moeten gaan – wat vanop de zijlijn gemakkelijk is gezegd. Anderen gaan nog een stap verder en beweren in volle ernst dat het hedendaagse som-gezinsbeleid het goede functioneren van het samen-gezin subtiel ondermijnt. Een vaak gehoord voorbeeld: elke versoepeling van het echtscheidingsrecht ‘veroorzaakt’ ongewild een extra toename van het aantal echtscheidingen. Dat is duur en emotioneel belastend en wat dat op termijn voor de kinderen betekent, weet geen mens. Men is daar dus best niet te lichtzinnig mee. De ondeugende vervolg-conclusie is dat de middelen die nu worden geïnvesteerd om echtscheidingen gemakkelijker te maken, beter zouden worden gebruikt om bestaande huwelijken te versterken. Het politieke debat daarover gaat iedereen wijselijk (?) uit de weg.

 

Hoger werd aangetoond dat er nogal wat verkeerde beeldvorming bestaat rond ‘het klassieke’ kerngezin. In een fascinerende (maar ook wel kritisch becommentarieerde) studie toonde Thornton[80] aan dat opvattingen over het vroegere huwelijk en gezin een ingrijpend effect hebben, niet alleen op de wetenschappelijke duiding van gezinsontwikkelingen (wat evident is), maar ook op politieke keuzes en beleidsstrategieën (wat verontrustend kan zijn). Zo wordt de opvatting dat “het vroeger altijd zo is geweest” gemakkelijk gebruikt (of misbruikt) als legitimatie om een welbepaald gezinsbeleid te promoten, te verdedigen of op te leggen. In het hedendaagse gezinsbeleid is dat impliciet herkenbaar: in de eu cirkelen veel gezinsmaatregelen rond het familialisme van het traditionele gezinsmodel, wat neerkomt op een pro-som-gezinsbeleid. Het is vandaag sociologisch bon ton om te beweren dat dat familialisme achterhaald is omdat in de  postindustriële samenleving vrouwen massaal buitenshuis gaan werken, omdat gezinnen zeer onstabiel zijn en omdat atypische huishoudvormen stilaan de norm worden. De geschiedenis leert dat de empirische basis voor die, door veel sociologen onderschreven stelling, erg smalletjes is.


 

Een panoramische blik op gezinnen en arbeid

Arbeid is een diamant met vele zijden en keerzijden. Het is voor sommigen een noodzakelijk kwaad, want een bron van inkomsten. Het is voor anderen de basis van de eigenwaarde en het zingevingssysteem. Voor nog anderen betekent het vervreemding en afstomping. Voor sommigen is arbeid vast en levenslang. Voor anderen is het eerder kort en onzeker. Arbeid in dit hoofdstuk wordt bekeken als levenssfeer. In die optiek staat arbeid naast andere levenssferen als het gezin. De tijd dat men aan het werk is, kan met niet meer gebruiken om zich te ontspannen of om praktische, huishoudelijke dingen te doen. Levenssferen combineren is een gevecht om tijd: welke sfeer krijgt meer tijd? Welke sfeer eist meer tijd? Het koorddansen tussen arbeid, gezin, vrije tijd wordt des te complexer als er naast het individu niet alleen een partner komt, maar ook kinderen of zorgbehoevende gezins- of familieleden. Hoe kan de zorgtijd in dat geval leefbaar geïntegreerd worden in de beschikbare tijd? In sommige gezinnen besluit één van de partners om (tijdelijk) minder te gaan werken. In andere gezinnen wordt de hulp van de grootouders ingeroepen of worden de kinderen naar de kinderopvang gebracht. Het democratische van het probleem is dat alle gezinsvormen moeten omgaan met het combineren van levenssferen. Alleen is duidelijk dat de uitdaging voor sommige gezinsvormen groter is dan voor andere.

 

Getuigenissen, FamiBoom, 21-22 Oktober 2006:

 

“Mensen hebben niet zo zeer nood aan loonsverhoging, maar wel nood aan kwalitatieve tijdsverhoging. De echte luxe van het leven is ‘tijd’.”

 

“Ik ben sinds vier jaar een alleenstaande moeder. Ik ervaar dat dit zeer moeilijk is. Vandaag is het leven een gestresseerde routine en meestal overvol, zowel thuis als op het werk. Ik heb daarenboven geen schoonouders waardoor ik altijd moet betalen voor opvang voor mijn dochter.”

 

In de jaren 1950 en 1960 leek het verhaal van de levenssferen veel eenvoudiger: eens de schoolbanken verlaten, zocht men een geschikte partner en trouwde men. Geen huwelijk betekende officieel geen kinderen. Er werd amper gescheiden. Vader ging buitenshuis werken en moeder bleef hoofdzakelijk thuis om voor de kinderen te zorgen en het huishouden op orde te houden. Dit mannelijk kostwinnersmodel, zo genoemd omdat de man de enige kostwinner in het gezin is, heeft historisch slechts korte tijd standgehouden en moet eerder als een uitzondering in de westerse geschiedenis worden beschouwd. Economische, demografische en culturele factoren hebben voor een omwenteling gezorgd in deze klassieke taakverdeling. Vrouwen hebben sinds de jaren 1970 in steeds grotere getale de arbeidsmarkt betreden. Tweeverdienergezinnen, waar zowel man als vrouw een eigen inkomen hebben, gingen het welvaartsniveau bepalen. Ook kinderen krijgen was niet meer vanzelfsprekend. Zoals eerder al aangetoond, wil dit niet zeggen dat de taken in het huishoudpakket evenredig verdeeld zijn nu vrouwen buitenshuis gingen werken (Ceulemans e.a., 2001; Mortelmans e.a., 2003). Een vergelijkend onderzoek naar de tijdsbesteding tussen mannen en vrouwen in 1999 en in 2004 leert ons dat mannen en vrouwen steeds meer naar elkaar toe groeien. Mannen zijn in de laatste vijf jaar minder uren gaan werken en meer tijd gaan besteden aan huishoudelijk werk en opvoeding en kinderverzorging. Vrouwen leggen de omgekeerde weg af: meer tijd voor werk en minder tijd voor huishoudelijke taken. De tijd die vrouwen besteden aan verzorging en opvoeding van kinderen is hetzelfde gebleven. Toch bedraagt het aantal uren totale werklast (loonarbeid, huishoudelijk werk en kinderzorg) van voltijds werkende mannen 3u23 per week minder dan voor voltijds werkende vrouwen (Glorieux e.a., 2005). Mannen zijn eerder geneigd om bij te springen in de kinderzorg dan in de huishoudelijke taken (Frinking & Willemsen, 2002).

 

Getuigenis, Dag van het Gezin, 19 juni 2005:

 

“Mijn man heeft steeds ouderschapverlof opgenomen om bij de kinderen te blijven. Hij heeft het ‘kleinste’ uurrooster in ons gezin. Hij gaat de kinderen van school halen om 15u30 en is bezig met ze tot ik terug kom rond 18u. Ik stel het op prijs en mijn kinderen hebben het begrepen dat zowel mama als papa zich met hen bezig houden, koken, boodschappen en het huishouden doen.”

 

Het verschil tussen man en vrouw zien we ook terugkomen in het vraagstuk van de combinatie van werk en de zorg voor kinderen. De tewerkstelling van de vrouw hangt in grote mate af van de gezinssituatie. Als er een man of een kind in haar leven is, zal zij minder vaak voltijds betaalde arbeid verrichten. Dit effect wordt versterkt als er zowel een man als meerdere kinderen in het huishouden aanwezig zijn. Dat vooral vrouwen ervoor kiezen om de arbeidsmarkt te verlaten bij de geboorte van een kind, is te wijten aan de heersende mentaliteit, tradities en economische redenen (Ceulemans e.a., 2001; Frinking & Willemsen, 2002; Speltincx & Jacobs, 1996).

 

Een meer evenwichtige taakverdeling in het huishouden kan bereikt worden door te sleutelen aan het werkgelegenheidsbeleid en de kinderopvangvoorzieningen. De vraag is hoe de overheid mannen kan stimuleren om meer tijd aan kinderzorg te besteden, zonder te raken aan de vrije keuze. Een dergelijk thema is echter behoorlijk complex, aangezien het verschillende bevoegdheidniveaus doorkruist. De gemeenschappen staan onder andere in voor kinderen, opvoeding en gezondheid. Gewesten hebben onder meer de touwtjes in handen op het gebied van werkgelegenheid en infrastructuur. De federale overheid is bevoegd voor de organisatie van arbeid, sociale zekerheid, fiscaliteit en non-discriminatie. En ook de EU, die aanbevelingen doet, sociale fondsen ter beschikking stelt en steun verleent aan de ontwikkelde beleidslijnen in de lidstaten, speelt haar eigen rol in het hele verhaal.

 

Dit hoofdstuk wil een duidelijk beeld schetsen van de Belgische realiteit op het gebied van de combinatie arbeid en gezin door een zicht te bieden op de verschillende facetten van het vraagstuk. We vangen het deel aan met een korte schets van de werkende bevolking in België. Daarna worden de verschillende verlofregelingen behandeld. Twee groepen worden daarbij onderscheiden. De eerste groep betreft de regelingen die gekoppeld zijn aan het ouderschap. De tweede groep is meer omvattend omdat iedereen deze verlofregelingen kan opnemen ongeacht of men kinderen heeft of niet. Zowel de omvang, als het gebruik van de verschillende kinderopvangmogelijkheden komen aan bod. Beide groepen maatregelen vormen belangrijke hulpmiddelen om gezin en arbeid beter te kunnen combineren. We zullen in derde instantie ook aandacht besteden aan de uittrede van de arbeidsmarkt. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een overzicht van enkele heel specifieke situaties, met name deze van personen met een handicap, werkloze personen en zelfstandigen.

De situatie op de arbeidsmarkt

Om een beter zicht te krijgen op de problematiek van de afstemming van beroeps- en gezinsleven, geven we eerst een kort overzicht van de arbeidsmarkt in België. De totale bevolking in België telde in 2005 40,4% werkenden en 3,7% werklozen. In die laatste groep zitten personen die 15 jaar of ouder zijn, geen werk hebben, meteen beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt en werk zoeken. De overige 55,8% van de bevolking zijn kinderen (17,1%) en niet-actieve 65-plussers (16,9%) of behoren wel tot de beroepsbevolking, maar zijn niet-actief (21,8%) (FOD Economie, 2006d; Steunpunt WAV, 2006). Als we enkel rekening houden met de actieve beroepsbevolking, dit zijn alle personen tussen 15 en 65 jaar, zien we dat de algemene werkzaamheidsgraad in België 61,1% was in 2005. Mannen werken vaker dan vrouwen, met een respectievelijke werkzaamheidsgraad van 68,3% en 53,8%. In Vlaanderen (64,9%) ligt deze werkzaamheidsgraad hoger dan in Wallonië (56,1%) en Brussel (54,8%) (FOD Economie, 2006d; Steunpunt WAV, 2006).

 

Van alle werkenden kiest 23,4% ervoor om deeltijds te werken. Het zijn vooral vrouwen (42,6% van het totale aantal werkende vrouwen) die ervoor opteren om deeltijds aan de slag te gaan, in vergelijking met 7,8% van het totaal aantal werkende mannen (FOD Economie, 2006d; Steunpunt WAV, 2006). Op basis van de PSBH-cijfers in 2002 zien we dat het aantal personen dat voltijds werkt, daalt naarmate de leeftijd stijgt. Waar 85,5% van de jongeren (jonger dan 30 jaar) nog voltijds werkt, daalt dit lichtjes tot 84,4% bij de 30 tot 49-jarigen en tot 83,2% bij de 50 tot 65-jarigen. Slechts 31% van de nog steeds actieve 65-plussers werkt voltijds. We zien ook dat hoe hoger het behaalde diploma, hoe vaker men voltijds werkt (Bulckens e.a., 2005). Personen die deeltijds werken, doen dit voornamelijk om familiale redenen (33,0%), maar ook omdat ze geen voltijds werk vinden (15,9%) (FOD Economie, 2006d; Steunpunt WAV, 2006).

Verlofregelingen

 

Getuigenis, Dag van het Gezin, 19 juni 2005:

 

“Flexibele uurroosters, loopbaanonderbreking, tijdskrediet zijn nodig om gezin en arbeid beter op elkaar af te stemmen en om aan de persoonlijke ontwikkeling van de ouders tegemoet te komen. Ouders zijn vandaag de dag vrije, autonome mensen en maken eigen keuzes.”

 

Door het aanbieden van verschillende verlofregelingen wil de overheid het personen gemakkelijker maken om de zorg voor iemand te combineren met betaalde arbeid. Tegenwoordig kan men ervoor kiezen om tijdelijk minder te gaan werken of zelfs even te stoppen, maar met de garantie om terug te keren naar de vertrouwde werkplek eens deze zorg niet meer nodig is. Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen verloven die specifiek verbonden zijn aan het ouderschap en deze die elke persoon kan opnemen ook al heeft hij/zij geen kinderen. In het overzicht vangen we aan met de aan ouderschap gekoppelde verloven.

Verloven verbonden aan het ouderschap

 

Getuigenis, Dag van het Gezin, 19 juni 2005:

 

“Ik merk dat mijn collega’s met kleine kinderen extreem uitgeput zijn. Ik heb medelijden met hen. Als ik terug denk aan enkele jaren geleden… Het is moeilijk om een moeder te zijn en om voltijds te werken, maar het is ook moeilijk om de eindjes aan elkaar te knopen zonder die voltijdse baan.”

 

Vrouwen zijn sinds het midden van de vorige eeuw steeds vaker actief op de arbeidsmarkt. Het moederschap vormt vandaag de dag geen reden meer voor de vrouw om te stoppen met werken voor onbepaalde tijd. Naargelang de reële behoeftes van het gezin beslissen de vrouwen om tijdelijk minder te gaan werken. Mannen daarentegen blijven doorgaans (voltijds) werken ongeacht het aantal kinderen (Dykstra & Fokkema, 2000). Dit verschil tussen man en vrouw op het gebied van loopbanen vinden we ook terug bij het opnemen van verloven.

 

De verschillende verloven die de overheid aanbiedt, maken het mogelijk de loopbaan tijdelijk te onderbreken met de garantie van herintrede. Op deze manier kunnen ouders in alle vrijheid kiezen voor hun gezin of voor hun werk. Toch moet men rekening houden met een financiële terugslag en kunnen enkel werknemers en ambtenaren gebruik maken van de meeste regelingen. De eeuwige discussie draait rond de vraag of de verloven verlengd of beter vergoed moeten worden. Een betere financiële compensatie zou ervoor kunnen zorgen dat meer personen de verloven kunnen opnemen. Veel éénoudergezinnen nemen bijvoorbeeld het ouderschapsverlof niet op omdat de vergoeding te laag ligt. Zelfstandigen kunnen niet genieten van deze verlofregelingen, ook al voorziet de overheid een aantal compensatiemaatregelen. Werklozen kunnen er geen gebruik van maken omdat de verlofregelingen verbonden zijn met het arbeidsstatuut.

 

Getuigenis, Dag van het Gezin, 19 juni 2005:

 

“De ‘mannenberoepen’ laten weinig ruimte voor een zekere mate van flexibiliteit. Het is zeldzaam dat een vader die in zo’n beroepscategorie werkt verlof neemt omdat één van de kinderen ziek is of om op woensdagnamiddag bij de kinderen te zijn of er aan denkt zijn tijd anders in te delen. Deze ideeën maken het leven zeer moeilijk.”

 

Moederschapsverlof

Sinds 1954 kunnen moeders genieten van moederschapsverlof. De totale duur van dit verlof bedraagt 15 weken (19 weken bij een meerling). Dit wordt opgesplitst in een zwangerschaps- of prenataal verlof en bevallingsrust of postnataal verlof. Het prenatale verlof duurt minimum 1 week en maximum 6 weken (8 weken bij een meerling) en moet voor de bevalling opgenomen worden. De duur van het postnatale verlof is afhankelijk van het aantal weken dat al voor de bevalling is opgenomen. Dit verlof start op de dag van de bevalling. Onder bepaalde voorwaarden kan dit verlof verlengd of omgezet worden in vaderschapsverlof. De uitkering die tijdens het moederschapsverlof ontvangen wordt, is vastgesteld op een percentage van het salaris. Zelfstandigen hebben recht op 6 weken moederschapsverlof en mogen dit zelf organiseren in functie van hun werkzaamheden. Overigens is het moederschapsverlof verplicht voor alle moeders (FOD Werkgelegenheid Arbeid en Sociaal Overleg, 2006).

 

© Pierre Kroll, 2004

 

Vaderschapsverlof

Opdat vaders vanaf de geboorte van hun kind hun taak als opvoeder zouden kunnen uitoefenen, werd het vaderschapsverlof op 1 juli 2002 verlengd van 3 tot 10 dagen. Deze dagen mogen vrij opgenomen worden binnen 30 dagen vanaf de dag van de bevalling. De eerste 3 kalenderdagen wordt het loon betaald door de werkgever. De laatste 7 dagen wordt een percentage van het loon door het RIZIV uitgekeerd (FOD Werkgelegenheid Arbeid en Sociaal Overleg, 2006).

 

We zien een stijgende trend in het aantal mannen dat gebruik maakt van dit verlof. Omdat de overheid enkel over de gegevens van de uitkeringsverzekering beschikt, gelden de cijfers voor mannen die minimaal 4 dagen van dit verlof opnemen. Waar in 2002 15,3% van de vaders dit verlof opnam, steeg dit tot 45,9% in 2004. Niet alle vaders namen de volledige 10 dagen op. Gemiddeld worden er 6,7 dagen van de 7 dagen uitbetaald door de uitkeringsinstellingen (X, 2006). Het is onduidelijk waarom niet iedereen deze 10 dagen opneemt. Misschien denkt men dat het opnemen van dit verlof schadelijk is voor de carrière of schat men de eigen werklast dermate hoog in dat men die periode niet wil wegblijven van het werk. Zolang carrièregebonden ideeën blijven bestaan, kan de overheid veel ondernemen, maar zullen de resultaten uitblijven. Men kan vaders immers niet verplichten om dit verlof op te nemen, enkel aanmoedigen. Daarnaast spelen ook financiële overwegingen mee. Vanaf de vierde dag wordt slechts een percentage uitgekeerd van het loon wat voor veel gezinnen niet evident is, gezien de kosten die een geboorte met zich meebrengt (Staten-generaal van het Gezin cyclus I, 2004).

 

Adoptieverlof

Werknemers kunnen adoptieverlof opnemen binnen de 2 maanden nadat het kind als gezinslid is ingeschreven in het bevolkings- of vreemdelingenregister. De duur van dit verlof hangt af van de leeftijd van het geadopteerde kind: 6 weken indien de geadopteerde jonger is dan 3 jaar, 4 weken als het kind ouder is. Geadopteerde kinderen ouder dan 8 jaar geven geen recht op adoptieverlof. De duur van dit verlof wordt verdubbeld indien het kind minstens voor 66% gehandicapt is of aan een aandoening lijdt. Het loon blijft behouden gedurende de eerste drie dagen, daarna valt men terug op een uitkering van het ziekenfonds (FOD Werkgelegenheid Arbeid en Sociaal Overleg, 2006).

 

Ouderschapsverlof

Sinds 1998 kan elke ouder een beroep doen op ouderschapsverlof. Daarvoor werd de regeling voor loopbaanonderbreking (zie verder) vaak gebruikt om te kunnen zorgen voor de kinderen. Het ouderschapsverlof is, net zoals palliatief- en zorgverlof, een thematisch verlof. Vanaf de bevalling tot het kind 6 jaar is (8 jaar voor een kind met een functiebeperking), kan dit verlof opgenomen worden. Er zijn 3 verschillende manieren om dit verlof op te nemen: 12 maanden voltijds, 6 maanden deeltijds aan 50% of 15 maanden deeltijds aan 20%. Men kan altijd overstappen van de ene naar de andere regeling. De persoon die dit verlof aanvraagt, ontvangt een onderbrekingsuitkering, geniet ontslagbescherming en behoudt bepaalde socialezekerheidsrechten (FOD Werkgelegenheid Arbeid en Sociaal Overleg, 2006).

 

Ouders vragen dit verlof voornamelijk aan om zich met de opvoeding van de kinderen bezig te houden, om een ziek kind te verzorgen, omdat er meerdere kinderen in het huishouden zijn of omdat ze het moederschapsverlof te kort vinden. Een kritische noot hierbij is dat zo’n verlof ook handig zou zijn voor de opvoeding van tieners, maar dat dit niet kan omwille van de leeftijdsbeperking.

 

Getuigenis, Dag van het Gezin, 19 juni 2005:

 

“De periode waarin nu het ouderschapsverlof kan opgenomen worden (leeftijd kind jonger dan 6 jaar), is te kort. Men gaat er blijkbaar vanuit dat een kind vooral de eerste jaren van zijn leven extra aandacht en opvang van mama en/of papa nodig heeft. De eerste jaren kunnen een goede crèche of opvangouder ook prima zijn. De ‘moeilijkheden’ beginnen vooral bij de eerste schooldag en het zoeken van een goede opvang tijdens de vele schoolvakantie. Met 20 verlofdagen per jaar en oma’s en opa’s die toch niet voor al hun kleinkinderen tegelijk kunnen zorgen, wordt dit een hele klus.”

 

© Pierre Kroll, 2004

 

Financiële overwegingen worden het meest genoemd om geen gebruik te maken van deze regeling, gevolgd door ‘geen nood’ aan dit verlof en werkgerelateerde redenen. Mannen vinden vaker dan vrouwen dat het opnemen van ouderschapsverlof een risico inhoudt voor de eigen carrière en denken dat ze in een slecht daglicht bij de werkgever komen te staan door dit verlof aan te vragen (Assurance Advisory Services Luxembourg, 2002; Deven & Nuelant, 1999). Dit verklaart deels waarom 80% van de aanvragers van dit verlof een vrouw blijkt te zijn, hoewel er in de wetgeving geen onderscheid wordt gemaakt tussen mannen en vrouwen (RVA, 2006). In de Scandinavische landen worden mannen verplicht om ouderschapsverlof op te nemen. Dit om de band tussen ouder en kind te versterken, maar ook om de ‘inwisselbaarheid van rollen’ te garanderen (RKW, 2006a). Coppens en Koelet (2002) beweren dat een gelijke taakverdeling pas bereikt kan worden als er meer vrouwen participeren op de arbeidsmarkt. Van Aerschot (2004) zegt dat het loonverschil tussen mannen en vrouwen als oorzaak moet worden aangeduid, samen met de symbolische waardering van ‘vrouwenarbeid’. Veelverdieners zijn niet geneigd om ouderschapsverlof op te nemen omdat dit tot een te groot inkomensverlies leidt. De beperkte vergoeding zorgt ervoor dat éénoudergezinnen weinig tot geen gebruik maken van dit verlof.

 

Deze problematiek mag niet enkel vanuit de werknemerskant bekeken worden. De werkgevers worden met organisatorische moeilijkheden geconfronteerd als werknemers dit verlof opvragen. De vervanging van een werknemer is soms moeilijk omdat het werk niet altijd herverdeeld kan worden. Dit probleem stelt zich vooral in kleinere bedrijven. Het is daarenboven niet eenvoudig om iemand met dezelfde kwaliteiten te vinden en niet in alle beroepen kan iemand zomaar vervangen worden. Bij hervatting van het werk, vraagt één derde van de personen die ouderschapsverlof opnemen, om minder te gaan werken (Assurance Advisory Services Luxembourg, 2002).

Andere verlofregelingen met betrekking tot het gezin

Niet alleen gezinnen met kinderen hebben nood aan verloven om hun gezins- en arbeidsleven op elkaar af te stemmen. Personen die de zorg over een zwaar zieke persoon op zich nemen of zij die behoefte hebben om er eens tussen uit te zijn, hebben ook een aantal mogelijkheden om zich tijdelijk terug te trekken uit de arbeidsmarkt. Ook hier moet men rekening houden met de financiële gevolgen en kunnen enkel werknemers en ambtenaren gebruik maken van deze regelingen.

 

Getuigenis, Dag van het Gezin, 19 juni 2005:

 

“Wanneer mijn moeder zich niet meer goed kon behelpen, heb ik ervoor gekozen om een volledige loopbaanonderbreking te nemen. Een deeltijdse job gaf me niet genoeg vrijheid. Zo hebben we twee jaar harmonieus geleefd. Ik heb de laatste twee maanden van haar leven over haar kunnen waken. Ze is thuis vredig gestorven, bij mij, zonder sondevoeding, zonder infusen, zonder doorligwonden,… Ik ben dus heel tevreden over het systeem van loopbaanonderbreking, zelfs indien dit de spaarcentjes doet wegsmelten. En niet iedereen heeft de mogelijkheid gehad om te sparen.”

 

Verlof voor bijstand of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid

Elke werknemer kan omwille van de verzorging van een persoon die inwoont of een bloed- of aanverwant in de tweede graad, maximaal 12 maanden stoppen met werken (24 als dit verlof deeltijds wordt opgenomen). Er is een onderbrekingsuitkering en een ontslagbescherming voorzien (FOD Werkgelegenheid Arbeid en Sociaal Overleg, 2006).

 

Bij dit soort verloven is er een vraag naar de uitbouw van een toereikend dienstenaanbod zodat gezinnen over een reeks opvangmogelijkheden kunnen beschikken als het verlof niet lang genoeg duurt (Staten-generaal van het Gezin cyclus II, 2006).

 

Palliatief verlof

Werknemers die medische, sociale, administratieve of psychologische bijstand verlenen en verzorging geven aan personen die in een terminale fase zitten van een ongeneeslijke ziekte, hebben recht op 1 maand (deeltijds) palliatief verlof. Dit kan maximaal 1 maand verlengd worden. Er is een ontslagbescherming en er wordt een onderbrekingsuitkering voorzien (FOD Werkgelegenheid Arbeid en Sociaal Overleg, 2006).

 

Tijdskrediet, loopbaanonderbreking, loopbaanvermindering en vermindering van de prestaties tot een deeltijdse betrekking

Via deze weg kan meer tijd vrijgemaakt worden voor persoonlijke ontwikkeling of voor het helpen van andere personen. Dit systeem bestaat al sinds het midden van de jaren 1980. De aanvrager is beschermd tegen ontslag, behoudt nog een aantal socialezekerheidsrechten en ontvangt een onderbrekingsuitkering.

 

In de privé-sector spreekt men van tijdskrediet, in de overheidssector van loopbaanonderbreking. Het werkregime kan voltijds of deeltijds (50% of 20%) betaald onderbroken worden voor een periode van één jaar over heel de loopbaan. Deze onderbreking is echter gebonden aan een aantal voorwaarden (anciënniteit, tewerkstelling in een bepaald arbeidsregime, leeftijd) (FOD Werkgelegenheid Arbeid en Sociaal Overleg, 2006).

 

Verlof zonder Wedde

Het opnemen van Verlof zonder Wedde is een specifieke manier van loopbaanonderbreking. Het is niet gebonden aan bepaalde regels. De werkgever bepaalt zelf of hij dit verlof wil toekennen. De voorwaarden zijn bespreekbaar en in sommige sectoren/ondernemingen vastgelegd in CAO’s. Er wordt geen loon of uitkering betaald wat maakt dat dit type verlof gevolgen heeft voor de werkloosheidsverzekering en ziekte- en invaliditeitsverzekering (FOD Werkgelegenheid Arbeid en Sociaal Overleg, 2006).

 

Enkele cijfers

 

Getuigenis, Dag van het Gezin, 19 juni 2005:

 

“Ik ben al zeven jaar een huismoeder (met vier kinderen). Zelfs indien dit voordelen heeft voor heel het gezin, vind ik deze oplossing niet volledig bevredigend. Ons ideaalbeeld van het leven toen we trouwden was een kroostrijk gezin en voor elk van ons een deeltijdse ( halftijds of  drie vierden) job. Helaas, de loopbaanonderbreking of de loopbaanvermindering voor mannen die een job hebben met veel verantwoordelijkheid (mijn man is techno-commercieel ingenieur in de electronica-sector), blijkt ondenkbaar te zijn volgens de huidige mentaliteit. Ik ben gestopt met werken na de geboorte van ons derde kind. De zorg valt nu steeds vaker op mij: mijn man werkt meer, om financieel niet in de problemen te komen waardoor ik het gevoel krijg dat ik de volledige zorg over de kinderen, het huishouden en het huis moet dragen. Hij steunt op mij en steekt geld in mij. Het zal moeilijk zijn om dit om te keren.”

 

In 2005 namen 194848 personen tijdskrediet, loopbaanonderbreking of een thematisch verlof (ouderschaps-, palliatief of zorgverlof) op. Van deze verloven werd respectievelijk 62% (van 89016 personen die tijdskrediet aangevraagd hebben), 77% (van 74310 die loopbaanonderbreking namen), 82% (van 31522 die een thematisch verlof opnamen) door een vrouw aangevraagd. Mannelijke 50-plussers zijn gretige afnemers van het tijdskrediet. Deeltijds (door 43158 personen aangevraagd) en voltijds (door 3071 personen aangevraagd) tijdskrediet wordt in 57% en in 60% van de gevallen door een man opgenomen. Thematische verloven worden dan weer het meest opgenomen door vrouwen (RVA, 2006).

Kinderopvang

De geboorte van een kind heeft invloed op de tijd die wordt besteed aan werken en heeft gevolgen op lange termijn (terugkeer naar de werkvloer, pensioenbedrag,…). Het investeren in de eigen carrière door de ouders gaat onvermijdelijk gepaard met het vinden van een opvangplaats voor de kinderen gedurende de werkuren. Deze zoektocht is van groter belang voor jonge kinderen die nog niet naar school gaan. Het spreekt vanzelf dat de kinderen die naar school gaan ook specifieke aandacht nodig hebben buiten de schooluren.

 

Er kan in de Belgische kinderopvang een onderscheid gemaakt worden tussen informele en formele opvang. Met dit eerste bedoelen we dat ouders een beroep doen op vrienden, familie en grootouders om hun kinderen op te vangen. Deze vorm van opvang wordt niet gecontroleerd door de overheid. Daarnaast bieden instellingen formele kinderopvang aan. Door dit aanbod kan de combinatie tussen arbeid en gezin eenvoudiger worden. Idealiter zijn de opvangmogelijkheden groot en gevarieerd, flexibel ten aanzien van de atypische werkuren van de ouders, kwalitatief hoogstaand, maar toch met een lage kostprijs (Hank & Kreyenfeld, 2003; Rindfuss & Brewster, 1996).

 

De besproken evoluties op arbeidsvlak hebben hun invloed op de kinderopvang. Er bestaat een rechtstreeks verband tussen de beschikbaarheid van kinderopvang en de participatie van de vrouw op de arbeidsmarkt. De vraag naar formele kinderopvang stijgt doordat er steeds minder een beroep kan worden gedaan op familie en vrienden om te voorzien in opvang, vrouwen steeds massaler de arbeidsmarkt betreden en er vaker voor kiezen om hun arbeidsloopbaan niet volledig te onderbreken bij de geboorte van een kind. Daarnaast worden de arbeidsuren steeds flexibeler, bestaat niet elk gezin meer uit vader én moeder en treedt er een mentaliteitswijziging op: werken mag geen negatieve gevolgen hebben voor de kwaliteit van het gezinsleven.

 

We geven in onderstaande tabel een overzicht van de formele en informele kinderopvang in België.

 

Tabel 3 Opvang van kinderen (0-16 jaar) voor meer dan 4u per week door een andere persoon dan de ouders voor alle gezinnen in functie van de leeftijd in België in 1992 en 2002, procentueel.

 

0-2 jaar

3-6 jaar

7-12 jaar

13-16 jaar

1992

54

39

24

9

2002

71

44

23

11

Bron: PSBH 1992-2002. Huishoudens in België (Bonsang e.a., 2004).

 

We zien dat er zich op 10 jaar tijd een evolutie heeft voorgedaan op het gebied van kinderopvang van de jongste kinderen. In 1992 werden 54% van de 0 tot 2-jarigen opgevangen. Dit percentage steeg tot 71% in 2002. Hoe ouder het kind, hoe minder het opgevangen wordt door een andere persoon, ongeacht het jaar waarvan sprake. Bonsang, e.a. (2004) onderscheiden een aantal elementen die een invloed uitoefenen op het al dan niet laten opvangen van kinderen door een externe persoon of dienst. De beroepssituatie van de moeders blijkt daarin zeer belangrijk te zijn: indien de moeder werkt, verhoogt de kans dat een kind niet door de ouders opgevangen wordt met 24,2%. Ook het opleidingsniveau van de moeder, de regio en het jaartal oefenen een positief effect uit. Hoe hoger het gezinsinkomen, hoe vaker een kind opgevangen wordt. De professionele situatie van de vader speelt geen rol. Er zijn ook een aantal factoren die ervoor zorgen dat kinderen minder snel worden opgevangen zoals de grootte van het huishouden (hoe groter, hoe minder kans op opvang) en de leeftijd van het kind (hoe ouder, hoe minder kans op opvang).

 

In volgende tabel zien we voor welk type opvang ouders kiezen:

 

Tabel 4 Opvang van kinderen (0-16jaar), al dan niet betaald, in functie van de leeftijd in België in 1995 en 2002, procentueel.

 

0-2 jaar

3-6 jaar

 

Geen opvang

Niet betaalde opvang

Betaalde opvang

Geen opvang

Niet betaalde opvang

Betaalde opvang

1995

37

19

44

54

23

23

2002

29

25

46

57

24

19

 

7-12 jaar

13-16 jaar

1995

74

16

10

90

6

4

2002

77

18

5

89

10

1

Bron: PSBH 1995-2002. Huishoudens in België (Bonsang e.a., 2004).

 

Het gebruik van betaalde opvang daalt naarmate de kinderen ouder worden. Tussen 1995 en 2002 merken we een daling op van het gebruik van betaalde opvang voor kinderen vanaf 3 jaar. De auteurs suggereren dat de algemene daling van het gebruik naarmate de leeftijd stijgt, te wijten is aan een relatieve verhoging van vertrouwen in de kinderen waardoor ouders sneller geneigd zijn om hun kinderen een tijdje alleen thuis te laten (Bonsang e.a., 2004).

 

In de hiernavolgende paragrafen geven we een overzicht van de verschillende opvangmogelijkheden. We beginnen met de informele opvang. Daarna volgt een uiteenzetting over hoe de formele kinderopvang in België georganiseerd wordt en worden ter verduidelijking enkele cijfergegevens gepresenteerd. Tot slot wordt een kort overzicht gegeven van de fiscale maatregelen met betrekking tot kinderopvang.

De informele kinderopvang

 

Getuigenis, Dag van het Gezin, 19 juni 2005:

 

“Ik ben een grootmoeder met zeven kleinkinderen en ouder van drie kinderen. Mijn oudste dochter is verpleegster en haar man ook. Zij hebben 3 kleine kinderen. Ze hebben alle mogelijke verlofregelingen opgenomen om een zo hoog mogelijke levenskwaliteit te hebben. De vader is zes maanden thuis gebleven na het moederschapsverlof. Financieel hebben we moeten bijspringen. Zonder die hulp was deze situatie onmogelijk. Ze hebben, ondanks alles, een klein huisje in Brussel, ze beschikken over een auto, maar doen alles met de fiets. Op dit moment leef ik in functie van hun professioneel leven. Naargelang hun uurrooster ben ik bij hen. Sommige dagen vanaf 6u30, andere dagen verlaat ik hun huis pas rond 21u30. Ik heb ook nog mijn ouders en een schoonmoeder met wie ik een goede relatie wil onderhouden en aan wie ik affectieve hulp wil aanbieden. Mijn twee andere kinderen hebben ook een partner en kinderen. Zij hebben uurroosters die verenigbaar zijn met de school, maar in het weekend en op dagen dat de kinderen ziek zijn, vrij hebben op school,… roepen ze mijn hulp in. Ik bied die hulp graag aan, mijn familie is belangrijk voor mij.”

 

Uit de PSBH-cijfers blijkt dat vooral de grootouders instaan voor de informele opvang van kinderen in het bijzonder wanneer deze naar school gaan (Bulckens e.a., 2005). Volgens een studie uitgevoerd door het HIVA (Hedebouw & Sannen, 2002) hebben ouders enerzijds schrik dat de kinderen te veel verwend worden bij de grootouders. Anderzijds zijn ze blij met de flexibiliteit en het financiële voordeel van deze opvangvorm. De grootouders zelf zijn ook vragende partij om hun kleinkinderen op te vangen, maar er zijn grenzen. Ze willen in alle vrijheid zelf bepalen hoeveel uren en dagen ze instaan voor de opvang en het aantal kinderen dat ze opvangen.

 

Getuigenis, Famiboom, 21-22 Oktober 2006:

 

“Het is moeilijk om uw rol van moeder op te nemen tegenover je eigen moeder als zij op de kinderen let. Men moet een evenwicht vinden tussen de relaties, maar dat is niet makkelijk.”

 

Gemiddeld vangen de grootouders die vaak voor hun kleinkinderen zorgen deze gedurende 25,9u per week op. In 10% van de gevallen wordt voor weekend- op nachtopvang gezorgd. Grootouders die regelmatig voor hun kleinkinderen zorgen, zijn vaak niet meer beroepsactief en tussen 55 en 69 jaar. Ze verkeren in relatief goede gezondheid en wonen dicht bij hun kleinkinderen. Ze zullen sneller instaan voor de opvang als ze lagergeschoold zijn en zelf weinig kinderen hebben. Grootouders zijn niet de enige personen waar een beroep op wordt gedaan. Ook familieleden, vrienden of kennissen zorgen voor de kinderen. Deze opvang gebeurt meer op toevallige basis in vergelijking met de opvang door de grootouders.

 

Organisatie van de formele kinderopvang

Het opvanglandschap in België is gevarieerd en afhankelijk van de regio waar men woont. De opvang voor kinderen tussen 0 en 3 jaar wordt voorschoolse of dagopvang genoemd. Kinderen vanaf 3 jaar kunnen in een buitenschoolse opvang terecht. Dit onderscheid is gebaseerd op de leeftijd waarop kinderen voor het eerst naar school kunnen gaan. Het toezicht op de kinder- en gezinszorg gebeurt door een instelling die opgericht is door de gemeenschappen. In de Vlaamse Gemeenschap gebeurt dit door ‘Kind en Gezin’ (K&G) en in de Waalse en Duitstalige Gemeenschap door het ‘Office de la Naissance et de l’Enfance’ (ONE). K&G en ONE houden er elk hun eigen kwaliteitseisen op na.

 

Zowel in Vlaanderen als in Wallonië werd er vanaf het einde van de jaren 1980 geïnvesteerd in de uitbreiding van kinderopvangvoorzieningen. Deze evolutie hangt samen met de overstap van het kostwinnersmodel naar het combinatiemodel. In dit laatste model is er sprake van een meer gelijke verdeling in beroepsarbeid tussen beide partners. Dit wil zeggen dat er een oplossing moet worden gevonden voor de opvang van de kinderen tijdens de werkuren omdat steeds meer vrouwen aan het werk zijn (Van Dongen e.a., 2001).

 

K&G maakt een onderscheid tussen kinderdagverblijven, diensten voor opvanggezinnen en initiatieven voor buitenschoolse opvang die erkend en gesubsidieerd worden en tussen mini-crèches, zelfstandige kinderdagverblijven en zelfstandige onthaalouders die onder toezicht staan. Daarnaast subsidieert K&G een aantal buurt- en nabijheidsdiensten. Dit zijn kleinschalige, buurtgerichte diensten van kinderopvang die kinderen opvangen die niet in andere opvang terecht kunnen. Kinderen worden zowel in groeps- als in gezinsverband opgevangen. Als een kind in een kinderdagverblijf of in een dienst voor opvanggezinnen verblijft, betalen de ouders een inkomensafhankelijke bijdrage. De kostprijs van een dag in een initiatief voor buitenschoolse opvang is wettelijk vastgelegd en wordt gesubsidieerd. Sinds 1997 zijn de Vlaamse gemeenten verplicht een ‘Lokaal Overleg Kinderopvang’ op te richten. Daarin worden alle actoren die bezig zijn met kinderopvang samengebracht. Deze verplichting betekende voor veel gemeenten een aanzet om hun buitenschoolse kinderopvangvoorzieningen te evalueren en te verbeteren (Kind en Gezin, 2006; RKW, 2006a).

 

Bij ONE wordt voornamelijk de leeftijd gebruikt om een onderscheid te maken tussen de verschillende opvangmogelijkheden. De crèches vangen kinderen op tussen 0 en 3 jaar. In de peutertuinen (prégardiennats) kunnen kinderen tussen 1,5 en 3 jaar terecht. In de gemeentelijke huizen voor kinderopvang (maison communales d’acceuil de l’enfance) worden kinderen tot 7 jaar opgevangen. Ook kinderen die lichtjes ziek zijn of een lichte handicap hebben, kunnen in deze centra rekenen op opvang. In deze drie opvangdiensten wordt het te betalen bedrag gebaseerd op het inkomen van de ouders. Dit is niet het geval in een Huis van het Kind (maisons d’enfants) die opvang bieden voor kinderen tot 7 jaar. Daarnaast bestaan er ook opvanggezinnen verbonden aan een dienst (accueillantes conventionnées avec un service), zelfstandige onthaalouders (accueillantes d’enfants autonomes) en opvang voor sporadisch gebruik (haltes-garderies). Kinderen tot 6 jaar kunnen in deze laatste opvanginstelling voor enkele uren opgevangen worden. Door de grote vraag naar opvangplaatsen, krijgen kinderen tussen 0 en 3 jaar voorrang (Office de la Naissance et de l’Enfance, 2006).

 

Kinderopvang heeft niet enkel een opvoedende en verzorgende functie, maar ook een sociale en economische. Sociaal doordat kinderopvang, in theorie, gelijk toegankelijk en van gelijke kwaliteit is voor iedereen. Kinderopvang moet de levenskwaliteit ondersteunen door in te spelen op de noden en behoeftes van de ouders en kinderen. De economische functie wordt duidelijk in de bijdrage die kinderopvang onder andere levert voor de gelijke kansen tussen mannen en vrouwen (Vandenbroeck, 2004). De overheid verschijnt vooral in dit laatste aspect ten tonele. De lidstaten kwamen tijdens de Europese raad van Barcelona in 2002 overeen dat er voor minstens 33% van de kinderen onder de drie jaar en minstens voor 90% van de kinderen tussen 3 en 6 jaar opvang moet zijn in 2010. Op Europees vlak behoort België, samen met Denemarken tot de beste van de klas wat opvangstructuren voor kinderen van 3 tot 6 jaar betreft. De basis- en kleuterscholen zijn hier een heel grote hulp (RKW, 2006a). Ondanks deze goede cijfers op Europees  vlak, is er nog steeds een tekort aan opvangplaatsen.

 

In 2005 waren er in de Vlaamse Gemeenschap 2146 opvangvoorzieningen die ofwel erkend en gesubsidieerd werden door K&G, ofwel een attest van toezicht bezaten. Dit resulteert in 95529 opvangplaatsen. 27% van deze opvangdiensten zijn gesubsidieerd en bieden bijna drie vierden van het aantal beschikbare plaatsen aan. 135649 kinderen maakten gebruik van de opvang tijdens de telweek[81]. 55% van de kinderen gingen naar een voorschoolse opvang en 78% werd opgevangen in een voorziening erkend door K&G. Vlaanderen biedt aan 34,4% van de kinderen onder de 3 jaar opvang en haalt dus de norm van Barcelona[82] (Kind en Gezin, 2006). In de Waalse Gemeenschap waren er in totaal 1475 opvangvoorzieningen die plaats boden aan 29805 kinderen. 34% van de Waalse kinderopvanginstellingen krijgen een subsidie van de ONE en vingen samen 73,6% van de kinderen op die opgevangen werden. 40826 verschillende kinderen waren minimaal 1 dag aanwezig in de Waalse kinderopvang in 2005 (Office de la Naissance et de l’Enfance, 2006). De opvangplaats varieert naargelang de leeftijd. De start van de schoolcarrière speelt hier een zekere rol in. Zo worden kinderen jonger dan 3 jaar in 32,2% van de gevallen toevertrouwd aan een onthaalmoeder of -gezin, 21,1% gaat naar een crèche en 2,5% naar een privé-persoon. De 4 tot 10-jarigen (25,1%) maken vaker gebruik van de voor- en nabewaking op school dan de 11 tot 16-jarigen (9,3%) (Bulckens e.a., 2005).

 

Het gebruik van opvangdiensten door gezinnen waar een kind met een handicap tussen 3 maanden en 2,5 jaar leeft, is vergelijkbaar met die in andere gezinnen. Het verschil is dat deze groep minder intensief gebruik maakt van de aangeboden opvangdiensten. De oorzaak hiervan is dat moeders van kinderen met een functiebeperking er vaker bewust voor kiezen om minder te gaan werken na de geboorte. Ouders hebben de meeste schrik dat de zorg en aandacht die hun kind nodig heeft, niet kan worden geboden in de opvang. Net zoals in andere gezinnen hekelen ze de lange wachtlijsten en het beperkte aanbod van kinderopvang in de buurt (Vanpée e.a., 2000).

 

Getuigenis, Dag van het Gezin, 19 juni 2005:

 

“Ik ben huisvrouw geworden omdat er onder andere geen avond- of weekendopvang is. Babysitters zijn niet te betalen als je er vaak een beroep op moet doen.”

 

De kritiek op de kinderopvang is dat deze voornamelijk gezinnen in hogere inkomensklassen met één tot twee gezonde kinderen ten goede komt. Voor kinderen met een handicap is er te weinig opvang omdat hun behoeftes en noden anders zijn. Voor grote gezinnen is de kost voor kinderopvang aanzienlijk, in die mate dat het soms voordeliger is dat één van de partners stopt met werken. Ook voor éénoudergezinnen, die slechts over één inkomen beschikken, is kinderopvang duur. Ondanks het uitgebreide aanbod aan voorzieningen, voldoet het aanbod niet en zijn ze niet aangepast aan de behoeftes van de ouders. Problemen hebben voornamelijk te maken met opvang voor ouders met flexibele arbeidstijden, buitenschoolse opvang, opvang voor zieke kinderen, opvang tijdens de vakantie,… Er is ook een ondervertegenwoordiging van kinderen uit lagere sociale klassen en van allochtone ouders in de kinderopvang. Dit is toe te schrijven aan de ongelijke arbeidsmarktsituatie (Philips & Moss, 1989; Storms, 1995).

 

De overheid kan hiervoor een oplossing bieden door toegankelijke en geografisch goed verspreide collectieve diensten van kinderopvang aan te bieden. Gesubsidieerde opvang geniet de voorkeur boven het stimuleren van private opvang omdat iedereen hiervan kan genieten en het te betalen bedrag afhankelijk is van het gezinsinkomen. Indien enkel het privé-initiatief wordt aangemoedigd, verliezen de armere gezinnen omdat in deze opvangvoorziening gewerkt wordt met een vast bedrag per dag ongeacht het inkomen. Om het aantal opvangplaatsen te verhogen, kunnen bedrijven ingeschakeld worden. In de Waalse Gemeenschap wordt er geëxperimenteerd met S.E.M.A.-crèches. Dit zijn opvangplaatsen die door de werkgever zijn gereserveerd in de nabijheid van de werkplaats waar de werknemers gebruik van kunnen maken. Opvang voorzien op de werkplaats zelf is ook een optie. Hierbij moet gelet worden dat een dergelijke opvang niet in het nadeel mag zijn (van de verwachte flexibiliteit) van de werknemer. De kost voor de werkgever mag ook niet te groot zijn (Staten-generaal van het Gezin cyclus II, 2006).

 

Naast de uitbouw van het aantal diensten, kunnen de bestaande structuren ook onder de loep worden genomen. Wat met de flexibiliteit van de opvangdiensten zelf? Bedrijven lopen immers het risico dat ouders minder lang werken doordat ze op tijd aan de opvang moeten staan om hun kind af te halen of moeten instaan voor de opvang van hun kind. Er wordt immers steeds meer op atypische uren zoals in het weekend, ’s nachts,… gewerkt. De openingsuren van de kinderopvangdiensten zijn hier niet op voorzien. De Vlaamse regering ziet in het gebruik van dienstencheques een mogelijkheid om meer flexibiliteit te creëren. In het voorstel van het decreet  inzake het gebruik van dienstencheques voor kinderopvang zijn een aantal beperkingen opgelegd. Enkel een alleenstaande, werkende ouder met kinderen onder de 3 jaar kan voor 39u per jaar zijn of haar kinderen laten opvangen met dienstencheques (Van Holen, 2006). Het vraagstuk over wie deze dienstencheques mag aanvaarden, is nog niet opgeklaard (Vlaams Parlement, 2006).

 

Niet alleen ouders die werken hebben nood aan kinderopvang. Ook in andere alledaagse situaties willen (werkzoekende) ouders een beroep doen op de kinderopvang: “Gezinnen hebben nood aan kinderopvang als ze naar diensten moeten gaan, of naar het ziekenhuis moeten. Ze zouden opvang kunnen gebruiken als ze moeten verhuizen, of als ze dringend opgeroepen worden om naar de rechtbank te gaan. Maar kinderopvang is ook nuttig als je vrijwilligerswerk wil doen, dat is belangrijk om andere mensen te leren kennen en om vaardigheden te leren; kinderopvang is tenslotte ook nodig als je dringend opgeroepen wordt voor interim-arbeid” (Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting, 2001).

Fiscale aftrekbaarheid en fiscale maatregelen

Ouders kunnen er voor kiezen om hun kinderen zelf of informeel op te vangen of om hun kinderen naar een erkende opvangdienst te sturen. Ongeacht de gemaakte keuze, hebben ouders recht op fiscale compensatie. Per kind jonger dan drie jaar moet er gekozen worden voor één compensatiemaatregel.

 

In het eerste geval wordt er een toeslag op de belastingsvrije som per kind ten laste jonger dan drie jaar toegekend. Kinderen met een handicap tellen voor twee. In de andere optie mag een deel van de uitgaven voor kinderopvang fiscaal afgetrokken worden. In tegenstelling tot de toeslag, mogen deze kosten ingebracht worden tot het kind 12 jaar is. Er moet wel voldaan worden aan een aantal voorwaarden. Uiteraard moet het kind fiscaal ten laste zijn van de belastingplichtige en moet één van de ouders in het huishouden een inkomen uit arbeid hebben. Kinderen jonger dan drie jaar moeten overdag opgevangen worden en kinderen tot 12 jaar buiten de normale lesuren. Enkel de uitgaven betaald aan bepaalde instellingen komen in aanmerking. De gemaakte kosten moeten bewezen worden aan de hand van een attest. Er mag een maximumbedrag per dag afgetrokken worden dat het kind opgevangen werd. In de Vlaamse Gemeenschap komt ook vakantieopvang onder bepaalde voorwaarden in aanmerking voor belastingsaftrek. Er gaan stemmen op om fiscale maatregelen te vermijden omdat dit vooral de hogere inkomencategorieën ten goede komt[83] (FOD Werkgelegenheid Arbeid en Sociaal Overleg, 2006).

Het einde van de arbeidsloopbaan

In theorie

In heel het eindeloopbaandebat is de pensioenleeftijd een veel besproken onderwerp. “Moeten we de pensioenleeftijd verlagen, optrekken, flexibel maken of behouden” (Berghmans, 2006, p.310)? De publieke opinie lijkt duidelijk: de wettelijke pensioenleeftijd mag niet naar omhoog. Nochtans worden op andere fora heel andere pistes bestudeerd en aangereikt. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) bijvoorbeeld, pleit voor een verlenging van de loopbaan van de Belgische werknemers, en als het niet wettelijk kan, dan toch in de praktijk. De huidige debatten over het loopbaaneinde houden in dat er ook moet worden gepraat over de financiering van de toekomstige wettelijke en privé-pensioenen. Onder nationale en Europese druk en langs verschillende wegen evolueren we alleszins naar een hogere pensioenleeftijd en naar een beperking van het aantal werknemers die de arbeidsmarkt vroegtijdig verlaten.

 

Het Nationaal Actieplan Werkgelegenheid heeft de ambitie om de werkgelegenheidsgraad van de 55- tot 65-jarigen met ongeveer 2% per jaar op te trekken gedurende de periode 2006-2010, om tegen 2010 de doelstelling van de Lissabon-strategie te halen: een werkgelegenheidsgraad van 50% bij de 55- tot 64-jarigen.

 

De Lissabon-strategie

 

In maart 2002 stelde de buitengewone Europese raad van Lissabon in het kader van de economische, sociale en ecologische pijlers van de EU  een nieuwe doelstelling voorop: tegen 2010 moet de EU de meest competitieve en dynamische kenniseconomie van de wereld zijn, die in staat is tot duurzame economische groei met meer en betere banen en een grotere sociale cohesie. Met betrekking tot de werkgelegenheid werd benadrukt dat het werkgelegenheidsbeleid moest worden versterkt om tot volledige werkgelegenheid te komen: tegen 2010 zou een werkgelegenheidsgraad van 70% moeten worden behaald en zou meer dan 60% van de vrouwen actief moeten zijn op de arbeidsmarkt. In de conclusies van Lissabon werd ook aandacht besteed aan de kwalitatieve verbetering van de beschikbare arbeidskrachten. In dit kader werd de invoering gepland van een beleid ter verlenging van het beroepsleven door onder meer een gemakkelijkere toegang tot opleidingen, de versoepeling van de arbeidsformules,… Vijf jaar na het vooropstellen van de Lissabon-criteria is de Europese werkgelegenheidsstrategie echter overgeschakeld op een beperkter aantal richtlijnen. Met betrekking tot het optrekken van het aantal oudere werkkrachten wordt alleen nog maar gesproken van de uitbreiding van het werkaanbod. Het komt er dus op neer het werkaanbod te vergroten, zonder daarbij te spreken van versoepeling of het soort contract,…

 

Het Nationaal Actieplan Werkgelegenheid (NAP)

 

Het NAP Werkgelegenheid is een document dat jaarlijks aan de Europese Commissie wordt voorgelegd en waarin iedere lidstaat de maatregelen bespreekt die werden genomen om de doelstellingen te halen die werden vastgelegd in de Europese richtlijnen voor de werkgelegenheid. In het Belgische NAP 2003 voor de optrekking van het aantal oudere werknemers heeft België vier actielijnen uitgewerkt:

·         de herinschrijving van oudere werklozen als werkzoekers

·         het behoud van oudere werknemers via mogelijke aanpassingen van hun arbeidsomstandigheden en de bevordering van hun inzetbaarheid om hun eindeloopbaanperspectieven te diversifiëren

·         de terugkeer of het behoud van oudere werknemers op de arbeidsmarkt bevorderen dankzij een systeem van premies voor de werkgever en de werknemer

·         de mentaliteit veranderen via een grootschalige bewustmakingscampagne om af te stappen van de cultuur van vroegtijdig pensioen.

 

Bron: (FOD Werkgelegenheid Arbeid en Sociaal Overleg, 2006; Moulaert, 2005).

 

In België blijft de werkgelegenheidsgraad[84] van de 55 tot 64-jarigen voor alle opleidingsniveaus stijgen: van 26,6% in 2002 tot 28,1% in 2003 en 30% in 2004 (Eurostat, 2006a). Ondanks deze stijging, die vooral te danken is aan de activiteit van de vrouwen, blijft de werkgelegenheidsgraad van deze leeftijdsgroep in ons land relatief laag in vergelijking met de rest van Europa. Dit percentage ligt nog ver onder de vooropgestelde 50%. Er is echter verbetering in zicht. In de jaren 1970 voerde België maatregelen in om de jeugdwerkloosheid te verminderen door het vervroegd pensioen van oudere werknemers te bevorderen. Hierdoor krijgen we nu een nieuwe beweging. Alles wijst erop dat we over enkele jaren een sterke stijging zullen krijgen van het aantal oudere werknemers op de arbeidsmarkt en bijgevolg ook een teruggang van de wettelijke pensioenleeftijd. Dit werd onlangs in België, in de lijn van de sociale arbeidsstaat, bekrachtigd met het Generatiepact.

In de praktijk

Wat de verlenging van de loopbaan betreft, zal de pensioenleeftijd vanaf januari 2009 zowel voor vrouwen als voor mannen op 65 jaar worden vastgelegd. Mannen en vrouwen kunnen vervroegd op pensioen gaan, dat wil zeggen voor zij die de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt, vanaf de 1e maand die volgt op hun 60e verjaardag. De oudere werknemers moeten wel een bepaald aantal werkjaren kunnen voorleggen: in 2003 lag dit aantal op 32 jaar, dit werd opgetrokken naar 34 jaar in 2004 en 35 jaar in 2005 (Coen, 2004).

 

Heel wat oudere werknemers kenden een overgangsstatuut voor ze recht hadden op hun pensioen op 65-jarige leeftijd. Naast de 30% ouderen tussen 50 en 65 die nog professioneel actief zijn, konden andere werknemers met vervroegd pensioen gaan (15% van de leeftijdsgroep tussen 50 en 64 jaar). 6,7% van de 50- tot 64-jarigen ontving als werknemer of zelfstandige een invaliditeitsuitkering en 8% van deze leeftijdsgroep had het statuut van oudere werkloze zonder verplichting om zich als werkzoekende in te schrijven (de begunstigden van het brugpensioensysteem ‘Canada Dry’[85]), kwamen eveneens in aanmerking voor dit statuut. Het momenteel omstreden stelsel van het conventioneel voltijds brugpensioen geldt voor 5,9% van de 50- tot 64-jarigen[86].

 

Met de bedoeling de werkgelegenheidsgraad van de ouderen op te trekken, werden de meeste van deze overgangsstatuten de laatste jaren bijgeschaafd. Het statuut van ‘oudere werkloze’ is beperkter geworden in die zin dat werklozen jonger dan 58 jaar (2004) nog altijd als werkzoekende moeten zijn ingeschreven, terwijl voordien werklozen vanaf 50 jaar niet aan deze verplichting waren onderworpen. Vanaf 1992 werd de toegang tot het conventionele brugpensioen beperkt en deze restrictie wordt nu nog altijd voortgezet.

 

Het brugpensioen

 

Sinds het begin van de jaren 1980 kampt de staat met een verhoging van de begrotingsuitgaven door de populariteit van het brugpensioen. Het succes van dit stelsel is deels te verklaren door het voordeel dat beide partijen eruit halen. Voor de werknemer is het brugpensioen een financieel interessant stelsel dat voordelig is bij de berekening van het pensioen (gelijkschakeling van de jaren brugpensioen bij de berekening van het pensioen in geval van conventioneel brugpensioen). Voor de werkgever kan het brugpensioen voor overtollig personeel minder duur zijn dan ontslagen met ontslagvergoedingen die kunnen oplopen tot verschillende jaren van loon voor ontslagen werknemers met veel anciënniteit en een hoog salaris. Brugpensioen betekent het einde van de professionele loopbaan. Er moet naar een ander ‘sociaal nut’ worden gezocht. Sommige werknemers hebben niet gevraagd om dit brugpensioen, soms is het een gedwongen maatregel, bij een herstructurering bijvoorbeeld. Het brugpensioen dekt verschillende ladingen: gewenst brugpensioen als ‘beloning’ na een rijkgevulde loopbaan, gedwongen brugpensioen door de werkgever vaak om economische redenen en soms middenin de loopbaan.

 

Bronnen: (Jamoulle e.a., 1997; Lambrecht & Debuisson, 2005; Moulaert, 2005).

 

Anderzijds wordt de oorlog verklaard aan de werkloosheid onder de ouderen. Dit gebeurt door financiële ondersteuning te bieden aan zowel werklozen[87] als werknemers[88] en via een reeks zogenaamd preventieve maatregelen in het noorden en het zuiden van het land, voornamelijk in de vorm van jobcoaching[89]. Het huidige debat over het loopbaaneinde in België past eigenlijk in het kader van de actieve welvaartstaat, in een activeringslogica, en brengt de gedachte over dat we steeds langer zullen moeten werken.

 

De actieve welvaartstaat…

 

De beslissingen die vandaag worden genomen in het Europese beleid en dus indirect ook in het kader van het Belgische beleid zijn gericht op de uitbouw van de actieve welvaartstaat. Deze evolutie, die al in Groot-Brittannië werd ingevoerd door Tony Blair, lijkt het Belgische sociale model te worden. Het passieve beleid komt tegenover een actief beleid te staan. De passieve beleidslijnen hebben voornamelijk betrekking op de vergoeding van werkzoekenden en de bepaling van de leeftijd om de arbeidsmarkt te betreden en te verlaten (pensioen en brugpensioen). Activering heeft betrekking op de overgang van passieve uitgaven naar actieve uitgaven (gekoppeld aan een reeks voorwaarden) en op het verantwoordelijkheidsgevoel van de steuntrekkers. Tot nu toe had deze activering betrekking op jonge werkzoekenden (cf. activeringsplan van de werkloosheidsuitkeringen). De huidige acties zijn eerder gericht op het schrappen of beperken van de instrumenten voor het vervroegd verlaten van de arbeidsmarkt. Deze maatregelen zijn gericht op de oudere werknemers.

 

Bron: (Moulaert, 2005).

 

Niet enkel de oudere werknemers moeten geactiveerd worden, maar ook de werkgevers. Nochtans blijven deze huiverig staan tegenover hun betrokkenheid. Men schuift de verantwoordelijkheid van het arbeidsrisico liever door naar de oudere werknemer. Hoewel de werkgevers en de regering enerzijds de verlenging van de loopbaan verdedigen, krijgt anderzijds het bedrijf Arcelor bijvoorbeeld in juni 2005 de toestemming van de federale overheid om een brugpensioenstelsel in te voeren dat het vertrek mogelijk maakt vanaf 54 jaar voor 2005-2006 en vervolgens tussen 50 en 54 jaar voor 2008-2010 in het kader van de sluiting van de hoogovens van het bedrijf. De afwijking wordt gemotiveerd vanuit de invoering van een vernieuwend, intern managementbeleid (Moulaert, 2005, p.49).

Zoeken naar een zinvolle tijdsbesteding nà het arbeidsleven

Met pensioen gaan betekent in de eerste plaats afscheid nemen van zijn of haar baan (…). Het betekent ook een nieuwe verhouding opbouwen met betrekking tot tijd alsook tot de huishoudelijke en externe ruimte. Het betekent zoeken naar een nieuwe invulling van de eigen vrije tijd en de tijd die worden gedeeld met de partner en/of andere naaste familieleden (Guichard-Claudic e.a., 2001, p.81-82). De overgang van werk naar pensioen is vaak bruusk, plotseling en onherroepelijk. Mensen die met pensioen gaan, moeten hun plaats vinden buiten de werksfeer in een maatschappij die arbeidsnut hoog in het vaandel draagt.

 

Oudere vrouwen vinden vaak een nieuwe functie in de vorm van de opvang van de kleinkinderen. De capaciteit van de kinderopvangplaatsen wordt vandaag ruimschoots aangevuld met de opvang van de kleinkinderen door de grootouders (zie hoger), doorgaans langs moederszijde. In de toekomst zal deze opvang moeten concurreren met de nieuwe eisen in verband met de hogere werkgelegenheidsgraad van de oudere werknemers, maar ook met de persoonlijke eisen van een ouder wordende, maar nog steeds actieve bevolking. Persoonlijke ontwikkeling van de oudere generatie wordt een nieuw leitmotief.

Veranderende opvattingen

Aan het begin van de 19de eeuw zorgde de invoering van het pensioenstelsel voor een belangrijke verandering op het gebied van de levensomstandigheden. In de eeuwen ervoor werkten mensen zo lang mogelijk. Er bestond geen pensioen en de ouderen waren economisch afhankelijk van hun kinderen. Deze hulpbehoevendheid van de ouderen maakte het samenwonen van verschillende generaties vaak onvermijdelijk, waarbij ouderen een handje toestaken in het huishouden. Als samenwonen niet mogelijk was, omdat er geen nakomelingen waren of omdat de nakomelingen de oudere persoon weigerden te helpen, werd de oudere ‘geplaatst’ in een zogenaamd ‘gesticht’, een plek voorbehouden voor de ‘arme oudjes’ (Casman & Jamin, 2006, p.37-38). Dankzij de invoering van het pensioenstelsel verwierven de ouderen na hun loopbaan een zekere financiële onafhankelijkheid. De ouderen werden kapitaalkrachtig, niet noodzakelijk in de realiteit, maar wel in het collectief denkbeeld[90].

 

Vandaag is de blik van de maatschappij op de pensioenoverstap eens te meer veranderd. De wettelijke pensioenleeftijd luidt dan wel de overgang naar een nieuwe levensfase in, maar we krijgen te maken met een overgangsleeftijd tussen de pensioenleeftijd – jonge actieve gepensioneerden in goede gezondheid – en ouderdom – die eerder synoniem staat voor hulpbehoevendheid en verlies van zelfredzaamheid. Er wordt gesproken van een derde en een vierde leeftijd. Ook bij ouderen duikt de activeringslogica op. Om niet meer te worden beschouwd als potverteerders van collectieve middelen, wordt door sommigen ook naar deze groep gekeken in termen van maatschappelijke inzetbaarheid (Cattagni, 2006, p.402-403). In het debat over de financiering van de pensioenen en in het licht van de stijging van de levensverwachting verandert de erkenning van de oude werknemer als iemand die zijn recht op pensioen laat gelden in een persioentrekker die zijn nut voor de samenleving kan/moet doen gelden in de vorm van vrijwilligerswerk, inzet in de gemeente of een bijdrage tot de familiale verantwoordelijkheden ten opzichte van nakomelingen en voorouders (Réguer, 2001, p.193). Door maatschappelijke vereisten en wensen en de realiteit van de gepensioneerden heeft de derde (actieve) leeftijd voor sommigen een ander imago gekregen. Het wordt in die visie eerder beschouwd als een periode waarin we onze tijd nuttig kunnen (moeten) besteden dan als een periode van welverdiende rust, van terugtrekking uit de maatschappij. De jong-gepensioneerden vertegenwoordigen in dat opzicht een nieuwe, actieve generatie (Haicault, 1998).

 

De 50-plussers in Franstalig België zijn het grotendeels eens met het feit dat de derde leeftijd een tijd is voor persoonlijke ontplooiing en sociale beschikbaarheid, zeker wanneer men een hoog opleidingsniveau heeft (Cattagni, 2006, p.351). De activiteiten van de senioren in hun ‘tweede actieve leven’ zijn uiteenlopend en vallen in verschillende domeinen zoals economie, handel, actievoering, verenigingsleven, cultuur,… maar de activiteiten die verband houden met cultuur en verenigingsleven hebben het meeste succes, samen met liefdadigheid en sociale activiteiten. Deze verschillende voorkeursdomeinen dekken 60% van de seniorenactiviteiten vanaf 50 jaar, al dan niet als vrijwilliger[91]. 66% van de actieve senioren werkt als vrijwilliger. De overige 34 % wordt dus op één of andere manier vergoed. Deze (financieel) vergoede activiteiten worden omschreven als de ‘tweede carrière’ (Rizzi, 2006). Hoewel veel ouderen in het onderzoek te kennen geven dat ze het belangrijk vinden om aan vrijwilligerswerk te doen of wat geld bij te verdienen, heeft slechts een derde van de 50-plussers daadwerkelijk dit soort werk verricht (al dan niet tijdelijk). Huishoudelijke lasten of gezondheids- en mobiliteitsproblemen vormen de voornaamste obstakels voor de participatie aan deze activiteiten, maar een ander bijna even belangrijk obstakel is informatie. De 50-plussers betreuren immers het gebrek aan informatie of gewoon een idee van de mogelijkheden die hen worden aangeboden of activiteiten die voor hen toegankelijk zijn. Deze informatie hangt in de eerste plaats af van het sociaal netwerk van het individu. Daarenboven verloopt de verspreiding van de informatie die voor hen is bestemd moeizaam.

 

De ontwikkeling van dit profiel van actieve oudere sluit zoals gezegd aan bij de hedendaagse trend naar activering van personen die tegemoetkomingen en uitkeringen ontvangen. De centrale vraag in dat debat is dus of het pensioen moet worden gekoppeld aan toekenningsvoorwaarden. Het zal duidelijk zijn dat de meningen hier zwaar verdeeld zijn.

Wanneer de situatie delicater wordt

De overgang naar het pensioen betekent een terugtrekking uit het actieve leven. Doorgaans leidt deze overstap naar het statuut van actieve of inactieve (brug)gepensioneerde tot een inkomensverlies in vergelijking met het salaris dat men ontving tijdens de actieve loopbaan. Het is zo dat de huidige ouderen tijdens hun professionele loopbaan gunstige voorwaarden konden genieten, zowel inzake werkgelegenheid als op het gebied van loon en spaarmogelijkheden. Velen onder hen konden dan ook een aanzienlijk patrimonium uitbouwen, te beginnen bij de aankoop van hun eigen woning. Dit kunnen we wellicht niet zeggen van de aankomende generaties op pensioenleeftijd die geconfronteerd werden met lange werkloosheidsperiodes, onzekere loopbanen en de stagnatie (of zelfs vermindering) van de lonen (…). Anders gesteld: een beleid dat privé-verzekeringen en pensioenformules die onder de tweede pijler vallen, aanmoedigt – ten nadele van het wettelijke pensioen – zou op termijn (als het werkelijk wordt doorgevoerd) de gepensioneerden kwetsbaarder kunnen maken en opnieuw armoede kunnen scheppen die ruimschoots was weggewerkt dankzij de invoering van relatief ‘vrijgevige’ sociale beschermingsstelsels (Loriaux & Remy, 2006). De situatie van de huidige generatie ouderen wordt kwetsbaarder in vergelijking met een decennium geleden.

Buitengewone evenwichtsacrobaten: een handicap, zelfstandige arbeid of werkloosheid

Een harmonieuze combinatie van arbeid en gezin – waarbij we vrije tijd even buiten beschouwing laten – zou kunnen zorgen voor een gelijke verhouding tussen arbeid en gezin zonder dat een van beide moet inboeten. Nochtans wordt dit evenwicht niet altijd zonder strubbelingen bereikt door de hedendaagse gezinsacrobaten. De evenwichtsoefening is des te moeilijker wanneer het gezin in kwestie niet aan de doorsnee familiale norm voldoet. We denken daarbij aan gezinnen met een kind met een handicap of aan zelfstandigen en werkzoekenden. Deze ‘buitengewone’ situaties brengen bijkomende hindernissen mee en vragen soms veel van de gezinsleden. In deze laatste paragraaf gaan we dieper in op de bijzondere leefsituatie van deze gezinnen.

Hoe functioneert een gezin met een persoon met een handicap in hun midden?

Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) leeft 10% van de Europese bevolking met een handicap. In de loop van de jaren 1990 telde België ongeveer 700000 personen met een handicap, rekening houdende met alle leeftijden en soorten handicap. Dit is ongeveer gelijk aan één vijftiende van de Belgische bevolking[92] (Thibaut & Rondal, 1996, p.247). Deze personen met een handicap hebben het vaak moeilijk om een plaats in onze maatschappij te verwerven.

 

Een onontwarbaar bevoegdheidskluwen…

 

Het beleid inzake personen met een handicap valt onder de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap (Vlaams agentschap voor Personen met een Handicap), het Waals Gewest (Agence wallonne pour l’intégration des personnes handicapées), de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (Service bruxellois francophone des personnes handicapées) en de Duitstalige Gemeenschap (Dienst van de Duitstalige gemeenschap voor personen met een handicap): de tewerkstelling van personen met een handicap, hun beroepsopleiding, onthaal en opvang, de toekenning van tegemoetkomingen voor technische hulpmiddelen,… behoren tot de bevoegdheid van deze vier beleidsniveaus.  Een aantal aspecten die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op personen met een handicap vallen onder de bevoegdheid van andere instellingen. Zo is de federale staat bevoegd voor de toekenning van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap. De tegemoetkomingsaanvragen worden onderzocht door de Directie-Generaal personen met een handicap, die ook de medische onderzoeken uitvoert in het kader van de fiscale en sociale voordelen voor personen met een handicap en in het kader van de verhoogde kinderbijslag voor kinderen die lijden aan een aandoening. De sociale zekerheid (meer bepaald de revalidatie en de wetgeving inzake invaliditeitsuitkeringen) en de juridische bescherming van personen met een handicap (statuut van verlengde minderjarigheid, bescherming van de goederen van personen die niet in staat zijn ze te beheren,…) behoren eveneens tot de bevoegdheid van de federale staat. De gewesten zijn dan weer bevoegd voor stedenbouw en dus de toegankelijkheid van de gebouwen. Het buitengewoon (er is in het Vlaams onderwijs sprake van ofwel geïntegreerd onderwijs, ofwel van buitengewoon onderwijs naast elkaar, wat wordt hier bedoeld?) onderwijs valt onder de bevoegdheid van de gemeenschappen. Tot slot kan iedere federale, gewestelijke of gemeenschapsinstantie voordelen toekennen aan de personen met een handicap binnen het eigen bevoegdheidsdomein. De federale staat kent bijvoorbeeld belastingverminderingen toe aan de personen met een handicap, de gewesten kennen een aantal voordelen toe op het gebied van sociale huisvesting,…

 

Bron: (FOD Sociale Zekerheid - Directie-Generaal Personen met een handicap, 2006).

 

Ondersteuning van een complex ouderschap

De ontdekking dat je kind niet helemaal ‘zoals de anderen’ is, haalt het gezinsleven ontegensprekelijk overhoop. Men moet de handicap begrijpen, aanvaarden en zich aanpassen. De verwachtingen die ouders koesterden, worden plots de kop ingedrukt. Ze zullen moeten afzien van het kind dat ze zich hadden voorgesteld. Het besef dat hun kind gehandicapt is, schudt de verwachtingen die zij voor hun kinderen hadden dooreen. Alle handicapsituaties zijn dan wel verschillend, maar ze maken het gezinsleven en de gezinsorganisatie stuk voor stuk ingewikkelder. Terwijl kinderen doorgaans zelfstandig worden naarmate ze opgroeien, zullen sommige ziektebeelden de evolutie en zelfredzaamheid van kinderen met een handicap afremmen of blokkeren. De afstemming van gezins- en beroepsleven wordt een voortdurende bekommernis.

 

Welkom in Nederland (Carol TURKINGTON)

 

Een kind verwachten is net als een vakantie in Italië plannen. U bent in de wolken. U koopt een heleboel toeristische gidsen, leert een aantal zinnen in het Italiaans om u verstaanbaar te maken, en wanneer het zover is, pakt u uw koffers en vertrekt u naar de luchthaven – richting Italië. Bij de landing, hoort u de stewardess omroepen: “Welkom in Nederland”. U kijkt elkaar aan, vol ongeloof en in schok en zegt: “In Nederland? Hoezo? Ik heb gereserveerd voor Italië!”. Men legt u uit dat de zaken veranderd zijn en dat u in Nederland bent geland, dat u er moet blijven. “Maar ik ken niets van Nederland! Ik wil hier niet blijven,” antwoordt u. Maar u blijft. U koopt een aantal nieuwe gidsen, leert nieuwe zinnen en ontmoet mensen van wie u niet eens wist dat ze bestonden. Het belangrijkste is dat u niet in een vuile wijk bent beland, waar pest en hongersnood heersen. U bevindt zich gewoon op een andere plaats dan de plaats die u zich had voorgesteld. Het is er minder luidruchtig en druk dan in Italië, maar na een tijdje, wanneer u op adem bent kunnen komen, merkt u dat er in Nederland windmolens zijn, dat Nederland tulpen heeft en zelfs schilderijen van Rembrandt. Maar iedereen die u kent gaat naar Italië en komt terug. Ze scheppen allemaal op over het mooie weer dat ze daar hadden en voor de rest van uw leven, zegt u bij uzelf: “Ja, daar zou ik ook naartoe gegaan zijn. Dat was mijn plan.” Het verdriet dat u daardoor voelt, zal nooit vervagen. U moet dit verdriet toelaten, want het verlies van deze droom, het verlies van dit plan is heel belangrijk. Als u echter de rest van uw leven blijft treuren omdat u niet naar Italië bent geweest, dan zal u nooit kunnen genieten van de erg bijzondere en erg mooie dingen die men in Nederland vindt”.

 

Bron: (Office de la Naissance et de l'Enfance, 2006).

 

Er bestaan organisaties die gezinnen met een kind met een handicap ondersteunen om zo goed mogelijk met deze handicap te leren omgaan, maar de gezinsorganisatie blijft wankel en ouders zijn vaker afwezig op het werk. Hoewel ouders er toch vooral naar streven een zo normaal mogelijk leven te kunnen leiden, hun kind in een instelling te kunnen onderbrengen die afgestemd is op de behoeften, de mogelijkheid hebben een job uit te oefenen, erkend te worden door de maatschappij en tijd voor zichzelf te kunnen maken,  blijkt het enorm moeilijk om een evenwicht te vinden tussen privé- en beroepsleven. Onderzoek uitgevoerd op verzoek van minister Detienne (Van Bael & Vankriekinge, 2004) illustreert deze ontreddering. De aanzienlijke tijd die gaat naar de handicap maakt dat ouders, en vooral moeders, vaak afzien van een volwaardige beroepsactiviteit. Voor zij die werken zorgt deze betaalde arbeid voor bijkomende stress aangezien de vereisten die gepaard gaan met de handicap gecombineerd moeten worden met de professionele verantwoordelijkheid. Zij die thuis blijven om zich volledig aan de handicap te wijden, zien hun gezinsinkomen afnemen en hebben het financieel moeilijk, ook door de hoge kosten die gepaard gaan met de verzorging van personen met een handicap. In de meeste gevallen komt de handicap volledig terecht op de schouders van de gezinsleden. De ouders raken vaak geïsoleerd, soms zonder vrienden, familie en aangepaste hulpdiensten. Wanneer ouders zich volledig willen ontfermen over hun zwaar hulpbehoevend kind met een handicap, is daar vaak een vorm van allesomvattend altruïsme voor nodig. Vooral moeders lijken hun persoonlijke behoeften te negeren. Gezinnen met een kind met een handicap blijven ook niet gespaard van (echt)scheidingen. Het komt dus ook voor dat een alleenstaande ouder van een gehandicapt kind zijn gezinsleven en beroepsleven moet zien te combineren.

 

Getuigenis, Dag van het Gezin, 19 juni 2005:

 

“Elke dag opnieuw krijgen we het gevoel verstoten te worden door de samenleving, onze naasten en familie. Wij zijn ouders van een kleine jongen met meerdere beperkingen. Bij zijn geboorte zijn we dicht bij de opvang gaan wonen: er zijn in België weinig plaatsen beschikbaar voor kinderen met een handicap. Met de verhuis hebben we ons werk moeten opgeven omdat dit te ver was van onze huidige woonplaats. We kennen nu financiële problemen, we hebben moeilijkheden met de toegang tot werk omdat we nood hebben aan flexibele uurroosters. We zijn ons ervan bewust dat, door onze nieuwe moeilijkheden, weinig werkgevers bereid zijn om een flexibel uurrooster toe te kennen om, bijvoorbeeld, als ouder je kind naar het ziekenhuis te vergezellen, zelfs wanneer deze noodzaak aan flexibiliteit al duidelijk is bij de aanwerving. Door de noodzaak van twee inkomens wordt de moeder gedwongen om ‘s avonds deeltijds te werken in een rusthuis. Op die manier kunnen we elkaar aflossen bij de zorg over onze zoon. Aan de andere kant krijgen we maar weinig hulp van onze familie. Ook onze vrienden, zelfs zij die voorgesteld hebben om te helpen, krabbelden allemaal terug toen we om hulp vroegen: geweigerd of zich teruggetrokken uit gebrek aan ervaring. Zich ontfermen over een kind met een poly-handicap laat geen adempauze toe, niet overdag en niet ’s nachts. (Getuigenis van een koppel met een kind van 14 jaar dat meerdere beperkingen heeft.)”

 

Om drama’s te voorkomen en het verdriet te verzachten, kan een beroep worden gedaan op diensten die ondersteuning en opvang bieden. Hoewel deze niet dag en nacht toegankelijk zijn, geen goede geografische verspreiding kennen of voldoende zijn afgestemd op de ziektebeelden, is de nood aan dergelijke dienstverlening zeer groot, zoals blijkt uit de onderstaande samenvattende tabel. Deze behoefte aan dienstverlening wordt alleen maar groter met de tijd en houdt heel het leven van de persoon met een handicap aan, soms zelfs tot na de dood van de ouders.

 

Bron (bewerkt): (Van Bael & Vankriekinge, 2004).

 

Zoals eerder aangehaald zijn ouderschapsverlof, tijdskrediet en deeltijds werken vaak gebruikte instrumenten om gezin en arbeid te kunnen combineren. De vraag is of deze instrumenten beantwoorden aan de behoeften van gezinnen met een kind met een handicap? Bieden zij ouders de mogelijkheid om hun gezinsleven en loopbaan op elkaar af te stemmen? De praktijk wijst uit dat de meeste van deze maatregelen geen rekening houden met langdurige periodes van hulpbehoevendheid. De maximaal toegestane uren die kunnen worden besteed aan bijstand en thuisverzorging blijken in heel wat gevallen ontoereikend te zijn. Ook de miskenning van wettelijke bepalingen inzake werkgelegenheid en het gebrek aan informatie over bestaande diensten vormen een aanzienlijk probleem. De ouders raken vaak niet wijs uit de ingewikkelde administratieve stappen en versnipperde bevoegdheden.

 

In België is leven in een instelling doorgaans de regel voor personen met een handicap. Sinds een twintigtal jaar werkt ons land evenwel aan alternatieven. Zo werden de ADL-diensten (activiteiten van het dagelijks leven) opgericht in de loop van de jaren 1980. De filosofie van deze ADL-diensten gaat voornamelijk uit van zelfredzaamheid en integratie. Het gaat om sociale woningen die aangepast zijn voor personen in een rolstoel: zonder architecturale hindernissen en met een specifieke uitrusting (deurklinken, domotica,…). Deze woningen bevinden zich in wijken die bewoond worden door valide personen. Het zijn flats of ééngezinswoningen waarin de persoon met een handicap alleen of in gezinsverband kan leven. Dankzij deze formule kunnen personen met een zware fysieke handicap een privé-woning betrekking en hulp krijgen die dag en nacht onmisbaar is om de ADL te kunnen uitvoeren. Door dergelijke woningen onder te brengen in een gewone wijk wordt het risico van vereenzaming en gettovorming vermeden. Deze formule biedt personen met een handicap uitzicht op een gezinsleven, een beroepsleven, een sociaal-cultureel leven.

 

Daarnaast wordt in Vlaanderen gewerkt met het Persoonlijk Assistentiebudget (PAB)[93], een vernieuwend concept om de zelfredzaamheid en de integratie van personen met een handicap te bevorderen (Breda e.a., 2004). De persoon met een handicap krijgt een budget waarmee hij zijn hulpverlening individueel kan beheren. De hulp kan thuis worden verstrekt of op een andere door de persoon met een handicap gekozen plaats (werkplek, ontspanningsruimtes,…). De persoon met een handicap beheert de indienstneming van zijn begeleiders, het uurrooster, de betaling en de organisatie van alle geboden hulp. De persoon met een handicap, die de budgethouder wordt genoemd, beschikt over een budget waarmee hij zijn begeleidingsbehoeften naar wens kan invullen, via de indienstneming van een begeleider, die persoonlijke assistent wordt genoemd. Dit soort assistentie blijkt al verschillende jaren succesvol in Zweden, Noorwegen, Groot-Brittannië en Nederland. Het biedt het voordeel de potentiële mogelijkheden van de persoon met een handicap meer tot zijn recht te laten komen dan bijvoorbeeld in een dagcentrum of verblijfsinstelling.

De integratie van personen met een handicap op de arbeidsmarkt

Wanneer het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) het in zijn publicaties heeft over handicap, gaat het vooral om de Belgische ‘loonkostenhandicap’ en zelden om de situatie van personen met een handicap op de arbeidsmarkt. Nochtans is die situatie zorgwekkend. Uit alle bestaande analyses op Europees niveau blijkt immers dat België de laagste werkzaamheidsgraad heeft van personen met een handicap. Volgens een enquête van Eurostat in 1996 (Eurostat, 2006a) bedraagt de gemiddelde werkgelegenheidsgraad van personen met een handicap in België 20% (Het Europees gemiddelde bedraagt 23%): 80% van de personen met een handicap is werkloos. Personen met een handicap die in een instelling verblijven, hebben bijvoorbeeld erg weinig kans om een baan te vinden. Er kunnen hen wel beroepsactiviteiten worden voorgesteld. De cijfers zijn onder voorbehoud aangezien alle beschikbare gegevens rechtstreeks verband houden met sociale voordelen of door de maatschappij toegekende tegemoetkomingen. We kunnen ons dus onmogelijk een nauwkeurig beeld vormen van het aantal en het profiel van werknemers met een handicap of werkzoekenden rekening houdende met de verschillende wetgevingen (die er stuk voor stuk een verschillende definitie van invaliditeit op nahouden). Een andere factor waarmee we rekening moeten houden is dat een deel van de werknemers met een handicap die werkzaam zijn in het gewone arbeidscircuit niet als persoon met een handicap geregistreerd willen staan (een absolute voorwaarde om een tegemoetkoming te kunnen genieten) (Persoonlijke briefwisseling cel personen met een handicap, Staatssecretariaat van het Gezin en Personen met een Handicap).

 

In een poging een verklaring te vinden voor deze beperkte aanwezigheid van personen met een handicap op de arbeidsmarkt wordt gewezen op de werkloosheidsval. Hoewel een beroepsactiviteit een hoger inkomen meebrengt, het recht op sociale zekerheidsuitkeringen opent (invaliditeitsuitkering, werkloosheidsuitkering, gezondheidszorg, kinderbijslag, pensioen…) met behoud van afgeleide rechten (voordelig tarief op het gebied van gezondheidszorg, sociaal gas- en elektriciteitstarief,…) lijkt de professionele integratie van personen met een handicap toch geremd of geblokkeerd door de toekenning van de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT)[94].

 

IVT en beroepsinkomsten…

 

Als een persoon met een handicap wordt tewerkgesteld voor een periode van drie maanden of minder per kalenderjaar (een doorlopende job of de optelsom van uitzendwerk) dan geeft dit geen aanleiding tot een herziening. De persoon met een handicap kan zijn beroepsinkomen volledig cumuleren met de tegemoetkoming voor personen met een handicap. Het recht op tegemoetkoming wordt wel herzien wanneer de IVT van de persoon met een handicap gedurende minstens drie maanden wordt gecumuleerd met een beroepsinkomen (op voorwaarde dat deze wijziging aanleiding geeft tot een verhoging of een vermindering van het inkomen met minstens 20% ten opzichte van het voorgaande kalenderjaar. Als dit niet het geval is, verandert er niets). Wanneer de persoon zijn baan verliest en de arbeidsperiode geen recht geeft op een werkloosheidsuitkering of een uitkering van het ziekenfonds, kan de persoon met een handicap opnieuw aanspraak maken op een volledige IVT. De persoon moet dan een procedure doorlopen om opnieuw recht te hebben op de IVT. Ook al geeft de administratie voorrang aan de verwerking van deze dossiers, toch kan deze procedure enkele maanden in beslag nemen.

 

Bron: (Office de la Naissance et de l'Enfance, 2006).

 

Het is dus niet zozeer de job die de persoon met een handicap lijkt af te schrikken. Als de persoon met een handicap een baan aanneemt, loopt hij het risico om het financieel nog veel moeilijker te krijgen wanneer de beroepsactiviteit na drie maanden wordt beëindigd. De moeilijkheid om over te stappen van het tegemoetkomingstelsel naar het beroepsstelsel ligt dus vooral in de tegenovergestelde richting, van jobverlies naar tegemoetkoming. Deze mogelijke financiële onzekerheid maakt de persoon met een handicap ook psychisch onzeker: welk nut heeft het om professioneel aan de slag te gaan als het beroepsstatuut aanleiding kan geven tot financiële onzekerheid en het risico inhoudt om in de toekomst zonder inkomen te zitten? Uiteindelijk zullen alleen de personen met een handicap die een goedbetaalde, voltijdse en vaste job kunnen vinden het risico nemen om uit het tegemoetkomingsstelsel te stappen. Bovendien is de informatie die de persoon met een handicap krijgt of vraagt vaak moeilijk te begrijpen, vaag of zelfs tegenstrijdig.

 

Sinds 1 juli 2006 werden maatregelen genomen om de werkgelegenheid voor personen met een handicap te bevorderen, meer bepaald door het vrijstellingspercentage van de beroepsinkomsten op te trekken, waardoor de IVT’er een groter deel van zijn tegemoetkoming kan cumuleren met zijn beroepsinkomen.

 

In het kader van de actieve welvaartstaat gaat het eigenlijk om een activering van de inkomensvervangende tegemoetkoming. Voordien bedroeg het vrijstellingspercentage 10%. Dit percentage werd opgetrokken tot 50%[95] en 25% voor de hoogste inkomensschijf[96] [97].

 

Tijdens diezelfde hervorming keurde de regering het principe van de ‘slapende tegemoetkoming’ goed. De IVT’er die na een arbeidsperiode geen aanspraak maakt op een werkloosheids- of ziekte-uitkering kan op die manier sneller terugvallen op zijn IVT, zonder de hele procedure te moeten doorlopen die van toepassing is op de nieuwe aanvragen. Dankzij de elektronische gegevensuitwisseling tussen de FOD Financiën en de Directie-generaal Personen met een handicap kan de administratieve kant van de aanvragen die bij deze overheidsdienst worden ingediend snel en doeltreffend worden afgehandeld. Voordien nam een herziening acht maanden in beslag. Na de hervorming in juli 2006 bedraagt die termijn nog één à drie maanden wanneer het dossier bij voorrang wordt verwerkt, wat niet wegneemt dat de persoon met een handicap zich in afwachting van zijn IVT in een erg onzekere financiële situatie bevindt. Hij kan zich in dat geval wenden tot het OCMW van zijn gemeente om een voorschot op zijn tegemoetkoming te krijgen dat veel minder bedraagt dan het inkomen dat hij voordien kreeg voor zijn beroepsactiviteit.

 

Tot slot benadrukt de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap het psychologische belang van werkgelegenheid. Het is moeilijk om maatregelen te nemen die de integratie van personen met een handicap op de arbeidsmarkt vergemakkelijkt omwille van de arbeidsmarktsituatie en de aanwezigheid van verschillende kwetsbare doelgroepen (landurig werklozen, oudere werknemer, allochtonen,…). Het principe van ‘redelijke aanpassingen’, een begrip vastgelegd door de Gemeenschappen, Gewesten en Federale overheid, moet onder andere de integratie van personen met een handicap op de arbeidsmarkt bevorderen. Er gelden  wel quota’s. Overheidsdiensten zijn verplicht een aantal personen met een handicap in dienst te hebben. FOD’s die deze quota niet halen, worden ter verantwoording geroepen en kunnen enkel personen met een handicap aannemen tot ze hun quota bereikt hebben. Deze verplichting geldt niet voor de privé-sector. Er worden verschillende voordelen (premies, materiële aanpassingen,…) toegekend aan werkgevers die personen met een handicap aannemen.

Werkloosheid in België

Doorgaans krijgen tweeverdieners en de combinatie van hun privé- en beroepsleven alle aandacht. Er bestaat echter nog een andere categorie waar niet altijd rekening mee werd gehouden: de werkzoekenden. In 2005 bedroeg de werkloosheidgraad 8,5% in België, zonder steuntrekkers mee te rekenen die niet onder deze noemer vallen, maar die nochtans ook uit de arbeidsboot vallen. Ook hier stelt de combinatie arbeid-gezin zich in verschillende gedaanten. Op deze, meer verborgen problematiek, wil deze paragraaf dieper ingaan.

De onopgeloste vergelijking voor kinderen met werkloze ouders

 

Getuigenis, Dag van het Gezin, 19 juni 2005:

 

“Als werkloze kan ik geen plaats krijgen in de kinderopvang: er wordt voorrang gegeven aan de personen die werk hebben. Samenvattend kunnen we zeggen: geen werk, geen opvang, geen toegang tot opvang, geen werk! In’t kort voel ik me gevangen in een vicieuze cirkel en moet ik tevreden zijn met een halfslachtige oplossing. Mijn kinderen zijn echter even veel waard als de kinderen van anderen en zijn ook de aandacht waard.”

 

Ouders die voltijds werken moeten op zoek naar dagopvang voor de allerkleinsten en buitenschoolse opvang van schoolgaande kinderen. Dergelijke kinderopvang vergt voldoende inkomen en een regelmatige aanwezigheid van de kinderen op de opvangplaats. Een werkzoekende ouder heeft daarentegen eerder nood aan kinderopvang op bepaalde tijdstippen, om naar werk te kunnen zoeken. Deze mogelijkheid bestaat echter niet, tenzij de ‘halte-garderies’ (kortstondige en flexibele noodopvang), maar deze formule is zelden toegankelijk.

 

Een voorbeeld: F., alleenstaande, 2 kinderen ten laste, uitgesloten van werkloosheidsuitkering

 

Mevrouw F., 22 jaar, alleenstaande moeder van twee kinderen (2 en 4 jaar) is niet geslaagd voor het examen ‘arbeidsbereidheid’. Deze werkloze moeder volgde een alternerende opleiding hotel, die ze stopzette om te bevallen van haar oudste kind. Tijdens haar eerste oproeping bij de RVA, moest ze een sollicitatiebrief en CV schrijven. Een CV? Waarom? Zonder diploma, zonder opleiding? Als straf werd haar wachtuitkering bij haar tweede bezoek aan de RVA opgeschort. Ze heeft geen bron van inkomsten, maar wordt toch gevraagd haar inspanningen om werk te zoeken op te drijven, zoniet zal haar uitkering bij haar volgende oproeping, over vier maanden, definitief worden geschrapt. Ze moet zich dus verplaatsen, telefoneren, schrijven, opvang zoeken voor haar kinderen. Met welk geld? Mevrouw F. roept de hulp in van het OCMW en krijgt een tegemoetkoming die ze moet terugbetalen. Zodra ze haar werkloosheidsuitkering ontvangt, zal ze maandelijks 100€ moeten afbetalen. Maar wat als ze definitief wordt geschrapt bij de RVA? Een raadsel. Dit is één van de vele gevallen die van deze controle van de arbeidsbereidheid van de werklozen een tocht doorheen ‘Absurdië’ maken (…). De getuigenissen werpen een grauw licht op sommige praktijken van de RVA. Alleenstaande vrouwen met kinderen moeten halsoverkop opvangoplossingen zien te vinden. Jacques Debatty (ACV) is verontwaardigd: “Dit is gewoon onmogelijk! Geen enkel Brussels kinderdagverblijf neemt kinderen van werklozen aan”.

 

Bron: (Vaes, 2005).

 

Vrouwen die opnieuw hun intrede doen op de arbeidsmarkt

Zoals reeds aangegeven, moeten meestal vrouwen een keuze maken tussen arbeid of gezin. De voornaamste reden waarom vrouwen hun loopbaan onderbreken, is de geboorte van de kinderen (56%), gevolgd door het huwelijk (24%). Ziekte of een ongeval volgt op de derde plaats met 16% (bij mannen bedraagt het percentage 87%). Iedere langdurige loopbaanonderbreking brengt verlies van beroepsbekwaamheid en onzekerheid mee. Zo vinden geschoolde kantoorbedienden en arbeiders na enige tijd doorgaans geen job die overeenstemt met hun vaardigheden. Hoewel een geboorte de oorzaak is van de meeste loopbaanonderbrekingen, zijn er aanzienlijke verschillen naargelang het opleidingsniveau: 80% van de hooggeschoolde vrouwen met 3 kinderen blijft voortwerken, terwijl dat bij arbeidsters slechts in 49% het geval is (Andrian, 1994).

 

Getuigenis, Dag van het Gezin, 19 juni 2005:

 

“Ik ben gestopt met werken gedurende acht jaar om mij bezig te houden met de kinderen, dit uit bezorgdheid over hun affectieve, educatieve en opvoedingsondersteuning zodat ze geen onmogelijke kinderen zouden worden. Maar ik heb het ook gedaan omdat ik het laagste salaris had. Ik vind het onrechtvaardig dat ik mijn pensioenrechten voor de jaren na mijn eerste twee jaar thuis blijven verloren ben. De laatste twee jaren irriteerden de vier muren van het huis me mateloos. Ik ben terug beginnen te werken vanaf januari 2005: voor mijn kinderen is dit een verbetering. Ze waren er klaar voor, ze zijn nu zelfstandiger. Met mijn flexibel uurrooster gecombineerd met kleine kinderen en niet te veel veranderingen in het uurrooster van mijn man, kunnen we de kinderen nog altijd goed ondersteunen.”

 

Vrouwen die hun loopbaan even in de koelkast plaatsten, willen soms opnieuw professioneel aan de slag gaan. De meesten onder hen onderbraken hun loopbaan bij de geboorte van hun eerste, tweede of derde kind en willen opnieuw aan het werk, hetzij uit verplichting naar aanleiding van een echtscheiding, hetzij omdat de kinderen zelfstandiger worden waardoor de moeders meer tijd overhouden. Hoewel deze vrouwen voor het moederschap vaak vaardigheden hadden verworven op de arbeidsmarkt, is hun professionele re-integratie niet zo eenvoudig. De arbeidsmarkt is veranderd tijdens hun afwezigheid: hun vaardigheden zijn verouderd, praktijken zijn voorbijgestreefd, de concurrentie is aangescherpt, er is geen jobzekerheid meer. In deze context werden specifieke programma’s voor professionele re-integratie uitgewerkt. In Duitsland lijkt dit zijn vruchten af te werpen[98]. Naast deze re-integratiemoeilijkheden, heeft een volledige of gedeeltelijke loopbaanonderbreking ook nefaste materiële gevolgen: verlies van anciënniteit, premies en andere voordelen voor mensen die na vele jaren afwezigheid het werk hervatten alsook een aanzienlijke inkrimping van hun toekomstige sociale rechten (pensioen,…).

 

Het voorbeeld van Hélène

 

Hélène heeft net haar regentaatsdiploma wiskunde op zak. Ook haar vriend David heeft zijn studie beëindigd en kan aan de slag in een informaticabedrijf. Ze kunnen nu hun ‘eigen nestje’ bouwen. Hélène krijgt een vervangingscontract voor drie maanden in een school. Ze dromen ervan kinderen te hebben en al snel wordt hun droom werkelijkheid: Hélène is zwanger. David verdient goed, maar zijn job eist veel van zijn tijd. Hélène en David beslissen samen dat Hélène stopt met werken, wat geen al te grote weerslag heeft op hun gezinsbudget. Zo kan ze privé-lessen geven wanneer het past voor haar. Hélène schrijft zich dus niet meer in als werkzoekende. Het gezin heeft voldoende inkomsten om een normaal leven te leiden. Alles verloopt prima: David voelt zich opgevangen na de lange werkdagen. Voor Hélène zijn de dagen lang, zij bereidt haar moederschap voor. Als de situatie zo blijft, kan het

zijn dat Hélène op een dag in een onzekere situatie belandt.

 

Waarom?

Door niet te gaan werken en zich niet in te schrijven als werkzoekende, bouwt Hélène geen enkel persoonlijk recht op sociale bescherming op. Ze trekt natuurlijk geen werkloosheidsuitkering en heeft geen moederschapsverlof, ook al geeft de komst van een baby recht op een geboortepremie. Terwijl David bijdragen betaalt voor zijn eigen pensioen… Afzien van een loopbaan die recht geeft op een echt loon en echte rechten betekent afhankelijk worden van iemand anders, tenzij je zo rijk bent dat je kan rentenieren. Hélène zal dus iedere maand aan David geld moeten vragen voor het huishouden en voor zichzelf.

 

Doordat zij zelf geen bijdrage levert, bouwt zij geen persoonlijke bescherming uit. Als David en Hélène ooit scheiden zal zij weer moeten gaan werken (wat niet gemakkelijk is na jaren onderbreking) of een leefloon moeten aanvragen. Ze zou recht hebben op alimentatiegeld voor haar en de kinderen, maar dat is niet altijd een regelmatig inkomen. Al deze omstandigheden betekenen niet echt een comfortabel leven. En wat met haar pensioen? Als de werkende echtgenoot een goede loopbaan uitbouwt zonder onderbreking en het huwelijk met de tijd standhoudt, kan het gezin met een gerust gemoed ouder worden… maar in geval van een scheiding blijft op de pensioenleeftijd alleen de inkomensgarantie voor ouderen (IGO) over, die wordt toegekend aan ouderen die geen recht hebben op een pensioen. Het pensioen van (uit de echt) gescheiden vrouw is zeker niet voldoende om een onafhankelijk leven te kunnen leiden.

 

Bron: (Vie féminine, 2005).

 

Wanneer vrouwen erin slagen opnieuw te gaan werken, dan gaat het meestal om deeltijds werk: in 2005 ging het in 23,4% van de contracten van alle Belgische loonarbeiders om deeltijds werk, waarvan het merendeel door een vrouw werd ondertekend (FOD Economie, 2006b). In de bedrijfswereld wordt deeltijds werk doorgaans beschouwd als een ‘keuze’ gemaakt door vrouwen die meer tijd vrij willen hebben om voor hun kinderen te zorgen. Eigenlijk klopt dit slechts voor een deel van de vrouwen. Deeltijds werk wordt immers vaak ook ‘opgelegd’ door de werkgever wegens de arbeidsflexibiliteit die gepaard gaat met onzekere jobs die vrouwen aanvaarden omdat er niets anders opzit (Andrian, 1994).

 

Getuigenis, Dag van het Gezin, 19 juni 2005:

 

“Toen ik zwanger was van mijn eerste kind in 1979, heb ik besloten om geen interims in het onderwijs meer aan te nemen. Daarna heeft mijn eerste kind nog 3 broers en zussen gekregen die met veel vreugde ontvangen werden (in 1980, 1982 en 1984). Van september 1978 tot maart 1988 heb ik een onderbreking voor het moederschap genomen. Hieraan kwam een einde doordat ik ben gescheiden. Ik heb, in termen van anciënniteit, tien jaar verloren voor de berekening van mijn pensioen. Ik kan deze onderbreking niet integreren in mijn professionele loopbaan. Mijn pensioen zal niet vet zijn.”

Zelfstandige arbeid en ouderschap combineren

Het statuut van zelfstandige – en de vergelijking met het statuut van loonarbeider – heeft al heel wat inkt doen vloeien. Naast het debat over de gelijkschakeling van de kinderbijslag[99], is er ook de kwestie van de moederschapsrust, die doorgaans wordt genomen tijdens de zwangerschap en de eerste maanden na de geboorte. Volgens de statistieken van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen voor Zelfstandigen (RSVZ) vertegenwoordigen vrouwen minder dan 30% van de zelfstandigen in België, als zelfstandige onderneemster of als meehelpende echtgenote. Deze resultaten tonen ook aan dat 90% van deze vrouwen leven met een partner en kinderen hebben: als zelfstandige werken, staat de organisatie van een gezinsleven voor een vrouw dus niet in de weg. Ondanks de ogenschijnlijke flexibiliteit en vrijheid die met hun statuut gepaard gaan, want zelfstandige vrouwen kunnen hun werktijd makkelijker aanpassen en hun werk verlaten om tegemoet te komen aan familiale verplichtingen, lijken vrouwelijke ondernemers bijkomende moeilijkheden te ondervinden. Werkdruk, onregelmatige werkuren, het gebrek aan opvangplaatsen, maar ook het gebrek aan opvang op onregelmatige uren maken de combinatie van arbeid en gezin ook voor hen moeilijk.

 

Het moederschapsverlof werd opgetrokken van drie tot zes weken voor moeders die werken als zelfstandige. De moederschapsuitkering wordt ten laste genomen door het ziekenfonds voor moeders die daadwerkelijk zes weken bevallingsrust opnemen. Momenteel bestaat er nog altijd  geen adoptieverlof of –vergoeding. Wat de kinderbijslag betreft, kent het sociaal verzekeringsfonds ook een geboorte- en adoptiepremie toe. Die premie bedraagt evenveel als de premie voor werknemers. Sinds 1 januari 2006 kan de zelfstandige vrouw ook hulp inschakelen in de vorm van dienstencheques die worden toegekend na de bevallingsrust. Deze dienstencheques kunnen worden gebruikt voor huishoudelijke hulp wanneer de zelfstandige opnieuw aan de slag gaat. De maatregel blijkt succesvol. Voor een zelfstandige die vader wordt, voorziet de wet echter in geen enkel specifiek verlof of speciale vergoeding. En hoewel werkneemsters tijdens hun zwangerschap in sommige risicoberoepen worden verwijderd, geldt dit niet voor vrouwen die als zelfstandige werken.


 

Inzoomen op de combinatie tussen gezin en arbeid

Na het panoramisch overzicht  van de relatie tussen gezinnen en de arbeidsmarkt, spitten deskundigen een aantal thema’s verder uit. Deze experten komen zowel uit het academische of politieke milieu of uit het middenveld. In hun bijdragen vertegenwoordigen zij hun eigen mening, standpunt of visie over een bepaalde thematiek. We volgen de structuur van het vorige deel voor de bijdragen.

 

Luc Cortebeeck, voorzitter van het ACV, heeft het over de verschillende facetten van ‘kwaliteit’. Kwaliteit, niet enkel op het werkveld, maar ook in het gezinsleven. Hij suggereert een aantal aanpassingen zodat gezin en arbeid nog beter kunnen worden gecombineerd.

 

Claire Gavray, onderzoekster, besteedt aandacht aan de verschillen tussen mannen en vrouwen op werkgebied. Hoewel beide groepen gelijk starten met hun beroepscarrière, bouwen vrouwen vaker een achterstand op eens een gezin in het zicht komt. Ook in de groep van vrouwen zelf is er een verschil tussen laag- en hooggeschoolden Zij onderzoekt waar dit aan te wijten is.

 

Prof. Jacqmain gaat dieper in op de moeilijkheden om een gezin met arbeid te combineren. Hierbij kijkt hij op een kritische manier naar de federale maatregelen die deze combinatie zouden moeten vergemakkelijken.

 

De combinatie van een huishouden met kinderen runnen en arbeid verloopt niet altijd van een leien dakje. In de vraag om te blijven werken of thuis te blijven voor de kinderen, spelen niet enkel financiële overwegingen een rol, maar ook de mogelijkheid om het kind in een veilige omgeving te kunnen laten tijdens de werkuren. In een interview geeft Prof. Van Haegendoren haar visie over de toekomst van de kinderopvang in België.

 

Het definitieve einde van de loopbaan komt voor één persoon al wat vroeger dan voor een andere persoon. Prof. Desmette en Gaillard bespreken de invloed van de omgeving op de beslissing om (vervroegd) op pensioen te gaan.

 

Werknemers kennen soms grote moeilijkheden om werk te combineren met een huishouden, maar ook zelfstandige vrouwen kennen deze problematiek maar al te goed. In een interview met Kathleen Ledoux en Françoise Voisin, beide verbonden aan de Union des Classes Moyennes, vertellen ze over het leven van een vrouw die zelfstandige is.


 

ACV ijvert voor een betere combinatie van arbeid, zorg en welzijn op het werk

CORTEBEECK, Luc

Voorzitter Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV)

 

Het ACV introduceert kwali-tijd

Het ACV heeft de kwaliteit van de arbeid altijd hoog in het vaandel gedragen. Als vakbond komen we op voor werk en inkomen, maar tegelijk voor duurzame, kwaliteitsvolle arbeid. Een van de aspecten om kwaliteit van de arbeid te meten is de combinatie van arbeid, gezin en vrije tijd.

 

Het thema arbeid en gezin is actueler dan ooit. Het afstemmen van gezins- en familieleven op werk heeft, mede door toedoen van het ACV, een groter maatschappelijk draagvlak verworven. Dit heeft deels te maken met de groeiende participatie van vrouwen op onze arbeidsmarkt. Daarnaast dient vastgesteld dat het kostwinnersmodel heeft afgedaan. Onze maatschappelijke behoeften en ons consumptiepatroon blijkt steeds meer afgestemd op het tweeverdienersmodel.

 

Beide partners werken buitenshuis, de kinderopvang en recent ook steeds meer de huishoudelijke taken worden uitbesteed. Huishoudelijke hulp en zorg worden steeds minder een exclusieve privé-aangelegenheid. Het succes van de dienstencheque heeft veel te maken met dit combinatievraagstuk. Maar eens te meer zijn het vooral de betere tweeverdieners in stabiele gezinsvormen die gebruik maken van de nieuwe maatregelen.

 

Gezinsvormen die niet aan het model voldoen verdienen daarom onze bijzondere aandacht. Dit zijn op de eerste plaats de éénoudergezinnen. Het ACV is een sterke voorstander van een differentiatie in uitkeringen, waarbij rekening gehouden wordt met deze groep van alleenstaande ouders. Ook via de fiscaliteit kan voor een betere herverdeling van inkomsten worden gezorgd. Hiermee willen we geenszins de behoeften van de tweeverdieners minimaliseren.

 

Het fenomeen van de working poor, dat zich vroeger vooral in de Verenigde Staten voordeed, heeft ook ingang gevonden in onze samenleving. Laaggekwalificeerde werknemers slagen er vaak niet meer in om regelmatig werk (vast werk) te vinden. Niet zelden hebben zij een arbeidsparcours van tijdelijke arbeid, uitzendarbeid en wisselende of flexibele contracten. Het inkomen dat ze hieruit verwerven, schommelt rond het minimum maandloon.

 

Wanneer deze werknemers dergelijke precaire arbeidssituatie moeten combineren met gezinslast, alleenstaand zijn of psychosociale problemen hebben, ontstaat er niet zelden een armoedeprobleem. Het ACV is daarom voorstander voor een verhoging van het nettoloon van dergelijke werknemers. Dit kan door een doelgerichte vermindering van de sociale lasten, veeleer dan algemene structurele lastenverlagingen.

 

Welzijn op het werk blijft een miskend thema. Werkstress en arbeidsproductiviteit worden alsmaar opgevoerd. Het is niet verwonderlijk dat werknemers vanaf hun 50ste burn out zijn en uitkijken naar een eindeloopbaanregeling. Ondertussen wordt de druk op de actieve bevolking (tussen 25 en 45 jaar) dermate groot, dat ook hier weer nieuwe problemen ontstaan. Het is niet toevallig dat de aandacht voor privacy op het werk (e-mail gebruik, pesten op het werk, rookverbod,…) de laatste jaren meer aandacht gekregen heeft. Werknemers koesteren andere verlangens ten aanzien van hun werk. Werk is niet uitsluitend een middel om een inkomen te verwerven, maar moet ook aan andere verwachtingen voldoen (loopbaanontwikkeling, afwisselende job, sociaal aanzien). Het vraagstuk van de combinatie arbeid en gezin krijgt in deze context opnieuw een andere dimensie. Het ACV is een grote organisatie die zich met de terechte vragen van deze doelgroepen moet bezig houden. De ‘groene’ draad van het ACV doorheen ons verhaal is dus de kwaliteit van de arbeid. Kwaliteitsvolle, duurzame jobs veronderstellen werkzekerheid. Werkzekerheid of vastheid van betrekking drukt zich niet alleen uit in een contract van onbepaalde duur, maar is ook psychologisch. Welk perspectief bieden de werkgevers verder dan de volgende herstructurering?

 

In het kader van deze duurzame arbeid startte het ACV onlangs de campagne ‘gezinsvriendelijke bedrijven’. Het is de bedoeling een laagdrempelig meetinstrument te ontwikkelen ten behoeve van onze afgevaardigden in de bedrijven, om het gezinsvriendelijk karakter van hun onderneming te bepalen en zodoende het thema arbeid en zorg hoger op de agenda van het sociaal overleg te zetten.

Loopbaanonderbreking is de meest gezinsvriendelijke maatregel van het laatste decennium

Van de korte periode van hoogconjunctuur in 2000 heeft het ACV geprofiteerd om haar eis inzake ‘tijdkrediet’ naar voor te schuiven. Het systeem van loopbaanonderbreking bestond reeds sedert 1985 maar was vaak afhankelijk van de goodwill van de werkgever. Beroepsloopbaanonderbreking was vooral een tewerkstellingsmaatregel met als voornaamste kenmerk dat de werknemer tijdens de onderbreking van de loopbaan, vervangen moest worden door een uitkeringsgerechtigde werkzoekende. In die zin was loopbaanonderbreking ook interessant voor het overheidsbudget.

 

Op 1 januari 2002 kwamen de sociale partners in de Nationale Arbeidsraad overeen om het bestaande systeem te vervangen door een stelsel van tijdskrediet en loopbaanvermindering (CAO 77 bis van 19 december 2001). Tijdskrediet en loopbaanvermindering volgens de CAO 77 bis werden een recht voor de werknemers. De werknemer kan kiezen uit drie vormen van loopbaanonderbreking:

 

·         het recht op tijdskrediet, zijnde de mogelijkheid om de loopbaan volledig te onderbreken of over te stappen naar een deeltijdse betrekking;

·         het recht op  vier vijfden tewerkstelling gedurende maximum 5 jaar;

·         het recht op een uitgroeibaan als 50-plusser, d.w.z. de mogelijkheid om  vier vijfden dan wel deeltijds te werken tot aan het einde van de loopbaan.

 

Vooral de eerste twee maatregelen komen tegemoet aan de vragen van werknemers om onderbrekingen of rustperiodes in hun loopbaan in te bouwen. Tijdskrediet en loopbaanonderbreking voldoen aan de vraag tot ‘onthaasting’. Werknemers willen af en toe een stop in hun carrière, willen meer tijd voor gezinsleven en persoonlijke initiatieven. De CAO 77 bis biedt hen hiervoor het wettelijke kader. De CAO 77 is een kaderakkoord, ze biedt een collectief kader dat verder ingevuld en uitgebouwd kan worden door sociaal overleg en individuele akkoorden. Dat lijkt ons de meest geschikte formule om aan de individuele behoeften van werknemers gestalte te geven. Het biedt hen individuele rechten, maar binnen een collectief onderhandeld kader zodat ze voldoende gewapend het debat met hun werkgever kunnen aangaan.

 

Uit een eerste analyse blijkt dat het stelsel van de  één vijfde loopbaanvermindering vooral populair is bij vrouwen met kinderen waarvan de partner eveneens een inkomen heeft. Het profiel van de gebruikers moet bewaakt worden. Loopbaanonderbreking mag niet het voorrecht worden van bepaalde groepen, zoals hoger opgeleide tweeverdieners uit bepaalde sectoren (tertiair en quartair) tewerkgesteld in grotere bedrijven. Om dit Mattheüseffect tegen te gaan zal het vergoedingssysteem moeten worden bijgestuurd door rekening te houden met de gezinssituatie. Bij de uitvoering van de CAO 77 bis werd een gezinsmodulering toegepast door een verhoogde vergoeding te voorzien voor de één vijfde loopbaanvermindering van alleenstaande werknemers al dan niet met kinderen ten laste. Op vraag van het ACV werd een zelfde modulering doorgevoerd in het ouderschapsverlof.

 

Loopbaanonderbreking volgens het systeem van de CAO 77 bis moet in samenhang gezien worden met de thematische loopbaanonderbreking, voornamelijk het systeem van ouderschapsverlof.

 

Ouderschapsverlof is het recht van werknemers in de privé-sector om naar aanleiding van de geboorte of adoptie van een kind de loopbaan volledig te onderbreken gedurende een periode van 3 maanden (6 maanden deeltijds of gedurende 15 maanden  één vijfde te werken). We stellen vast dat er vaak gekozen wordt voor een combinatie van ouderschapsverlof en loopbaanvermindering volgens de CAO 77 bis. In de CAO 77 bis werd de overgang naar loopbaanonderbreking na afloop van het ouderschapsverlof uitdrukkelijk toegestaan. De betrokkenheid van (jongere) mannen in loopbaanonderbreking blijft ondermaats. Naar het voorbeeld van de Scandinavische landen zou een hogere participatie van mannen gerealiseerd kunnen worden door een verhoging van vergoedingen of een meer loongebonden uitkering. Tegelijkertijd moeten bedrijven inspanningen doen en een cultuur scheppen waarbij aanvaard wordt dat mannen hun werktijd aanpassen aan de noden van het gezin.

 

Om het recht te genieten op een één vijfde loopbaanvermindering geldt er een anciënniteitsvoorwaarde van 5 jaar. Deze voorwaarde weegt erg zwaar voor jonge gezinnen. De instroom op de arbeidsmarkt gebeurt vaak via tijdelijke contracten en uitzendarbeid. Het duurt een tijdje vooraleer jonge werknemers een contract van onbepaalde duur verwerven en aldus de anciënniteitvoorwaarde opbouwen die recht geeft op loopbaanonderbreking. Nochtans hebben zij het meest behoefte aan dergelijke loopbaanonderbreking op het moment dat ze tegelijk aan de uitbouw van hun beroepsleven en hun gezinsvorming toe zijn. Na een eindeloopbaandebat (zie Generatiepact) moet er dringend werk gemaakt worden van een beginloopbaanbeleid. In die zin moet er gesleuteld worden aan de vereiste van de vijf dienstjaren.

 

De bedoeling van de CAO 77 bis was te voorzien in een persoonlijk recht op loopbaanonderbreking. De reden waarom werknemers kiezen voor een onderbreking van hun loopbaan is een persoonlijke keuze. De uitkering, de aard noch de duur van de loopbaanonderbreking is afhankelijk van enige motivering ten aanzien van de werkgever. In het kader van het Generatiepact worden er voor bepaalde vormen van loopbaanonderbreking opnieuw motiveringsvoorwaarden ingesteld. Het recht op loopbaanonderbreking afhankelijk maken van een motiveringsplicht betekent een stap terug. Wanneer er dan toch sprake moet zijn van een motivering dan zijn gezinslasten en problemen in de combinatie van werk en familie, wat ons betreft, hoe dan ook rechtsgeldige motieven. De regering is gezwicht voor de kritiek van werkgevers op de zogenaamde verwenverloven. Daarnaast stelt het Generatiepact voor om het recht op loopbaanonderbreking eveneens te beperken voor bepaalde sleutelfuncties. Ook dit is een aantasting van het individueel recht van de werknemers. Het debat over de definiëring van deze zogenaamde sleutelfunctie belooft zeer moeilijk te worden.

 

Het systeem van tijdskrediet en loopbaanonderbreking houdt ook rekening met de organisatieproblemen die de werkgever zou ondervinden. De sociale partners aanvaarden dat er een organisatieprobleem ontstaat van zodra meer dan 5% van de werknemers gelijktijdig gebruik maken van hun recht op loopbaanonderbreking. Dan kan de werkgever de uitoefening van het recht doen uitstellen. De kritiek van sommige werkgeversorganisaties, vooral uit de KMO-sector, dat loopbaanonderbreking hun werkorganisatie ontwricht, klinkt derhalve nogal vals.

 

We mogen ons niet enkel focussen op onderbrekingmaatregelen als alleenzaligmakend voor een betere combinatie arbeid en zorg.Binnen het bedrijf kunnen voorzieningen getroffen worden op maat van werkende ouders: naast onderbrekingsmaatregelen zijn er tal van mogelijkheden via verlofregelingen, thuiswerk, aangepaste arbeidstijdregelingen, ondersteunende diensten, gedegen collectief omkaderd, maar vertaald naar de behoeften van de werknemers en kansengroepen van vandaag. Daarnaast zal de arbeidsbescherming nog verder moeten worden aangepast aan de noden van ‘zorgende’ werknemers: familiaal verlof, klein verlet, e.d. Liefst betaald en gelijkgesteld voor de sociale zekerheid.

 

Maatregelen inzake arbeid en gezin brengen kosten mee, ook voor de bedrijven. Om te vermijden dat enkel sterke sectoren zich maatregelen kunnen permitteren en daardoor bepaalde werknemersgroepen (vrouwen in de eerste plaats) met zorglast zouden worden gediscrimineerd, moet er worden gedacht aan een ‘verdere’ collectivisering van de kosten (per sector, interprofessioneel).

 

De collectieve diensten zijn een onmisbare pijler in het vraagstuk rond combinatie arbeid en gezin. Zij dragen er toe bij dat vrouwen buitenshuis kunnen en blijven werken en dat werknemers, mannen en vrouwen, zorg kunnen combineren met werk. De verdere uitbouw van kwalitatieve kinderopvang, met een flexibel en occasioneel aanbod daar waar nodig, is een verder te bewandelen piste.

Werknemers willen wel-zijn op het werk

Loopbaanonderbreking en eindeloopbaanregelingen laten werknemers toe om op een meer ontspannen manier om te gaan met hun werk. We mogen ons uiteraard niet uitsluitend focussen op de rechten van deze ‘uittreders’. Niet zelden heeft loopbaanonderbreking voor de ene een verhoogde arbeidslast voor de andere tot gevolg. Voor werknemers die vier vijfden  werken in het kader van loopbaanonderbreking wordt er zelden een herverdeling van taken afgesproken. Het is dus belangrijk om stress en werkdruk te beheersen. Werk moet ook werkbaar blijven. Onder impuls van het ACV werd in de schoot van de Sociaal Economische Raad Vlaanderen (SERV) een zogenaamde werkbaarheidsmonitor ontwikkeld waarin gepeild wordt naar werkherverdeling, stress, arbeidstevredenheid en leermogelijkheden alsook de knelpunten in combinatie met arbeid en gezin.

 

Helaas zien we een aantal ontwikkelingen in arbeidsrelaties die ons eerder verontrusten. Onder druk van globalisering en internationale concurrentie is er een tendens ontstaan naar arbeidsduurverlenging. De regels inzake beperking van overwerk en de verplichting tot inhaalrust zijn precies bedoeld als bescherming van werknemers (veiligheid en gezondheid op het werk moeten primeren) en als middel tot arbeidsherverdeling. Dit spoor van recuperatie wordt meer en meer verlaten. Werkgevers verkiezen klantgerichte flexibiliteit. Overwerk wordt daarbij eerder regel dan uitzondering. Het gevolg is dat overwerk afgekocht wordt. De regering vergemakkelijkt dit nog door enkele fiscaalvriendelijke technieken, waarbij zowel werkgever als werknemer profijt hebben. Het gezinsvriendelijk karakter dreigt hier verdrongen te worden door kortzichtige financiële overwegingen.


 

Werknemers zijn geen vrije werkelektronen

GAVRAY, Claire

Faculteit Psychologie en Opvoedingskunde, Université de Liège (ULg)

 

Onze hedendaagse maatschappij neemt nog altijd een dubbelzinnige en a priori genderverbonden houding aan ten opzichte van de combinatie van arbeid en gezin, wat het moeilijk maakt om er echt rekening mee te houden ten voordele van de betrokken personen en gezinnen.

 

Jonge mannen en vrouwen lijken vandaag de dag voor gelijkaardige persoonlijke uitdagingen te staan. Onderzoek tracht aan te tonen dat de ambities van beide groepen op professioneel en privé-vlak dezelfde richting uitgaan. Vrij van grote sociale verplichtingen, worden beiden grotendeels beschouwd als vrij en gelijk in hun projecten en keuzes op persoonlijk, professioneel, gevoelsmatig en familiaal vlak. We merken dat beiden zich bewust zijn van de noodzakelijke garantie van een autonoom en veilig bestaan op lange termijn en bereid zijn om op professioneel en echtelijk vlak, de eigen strategieën en overlegcapaciteiten te benutten om de persoonlijke projecten te verwezenlijken. Naast het geslacht spelen ook andere variabelen, zoals het diploma of de persoonlijke ambitie, een beslissende rol bij de uitbouw van individuele toekomstperspectieven en de persoonlijke loopbaan.

Mannelijk en vrouwelijk

We problematiseren nog altijd de combinatie van arbeid en gezin en we denken nog altijd aan oplossingen uitgaande van de idee dat vrouwen ‘van nature’ verantwoordelijk zijn voor de kinderen en de zorg voor anderen in het algemeen. Deze opvatting steunt een maatschappelijke en economische organisatie die een hiërarchisch onderscheid blijft maken tussen mannen en vrouwen, tussen mannelijk en vrouwelijk. In de praktijk worden de normen voor de arbeidsfunctionering – de arbeidscultuur, organisatie, reglementering en praktijken – in plaats van uitgesproken genderneutraal te zijn – nog altijd bedacht vanuit een mannelijk model, wat de diversificatie van de identiteit en het referentie-universum van mannen en vrouwen in de weg blijft staan. Hoewel vandaag de dag de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt en aan het economisch leven niet meer als marginaal wordt beschouwd, blijft die participatie ruimschoots opgevat als een inhaalbeweging ten opzichte van mannen en hun denken en doen. Hierdoor blijft de professionele integratie van vrouwen voorwaardelijk (op voorwaarde dat de andere taken goed vervuld zijn), wat hen verplicht verschillende combinatiestrategieën te bedenken (want daar komt het altijd op neer in het dagelijks leven), maar ook andere praktijken zoals het uitstellen of vermijden van familiale verbintenissen die mogelijk nadelige gevolgen kunnen hebben. De meeste mannen hebben nog altijd geen gelijkaardige behoefte om dergelijke demografische tactieken uit te dokteren.

Maatschappelijke veranderingen: wanneer een gezin een belemmering vormt, alleen voor de vrouw

Historisch gezien heeft onze kapitalistische, industriële maatschappij ernaar gestreefd de beschikbaarheid en rendabiliteit van (mannelijke) werknemers te waarborgen door hen te bevrijden van de belemmeringen van het dagelijkse leven en hun verantwoordelijkheid als vader door de kostenloze of goedkope arbeid van de vrouwen uit hun omgeving (moeder, echtgenoot, huisvrouw,…). De ethische rechtvaardiging en de ‘wetenschappelijke’ bewijzen van de natuurlijke kwaliteiten of voorkeuren van ieder geslacht kwamen ten goede aan het model van het kerngezin waarin de man de rol van kostwinner en economische factor op zich neemt. Dit model berust op verschillende vooronderstellingen, waaronder een stabiel koppel en een exponentiële economische groei die de op economisch vlak competitieve en agressieve man de mogelijkheid bieden om zich binnen het gezin altruïstisch op te stellen.

 

Snelle en multidimensionele veranderingen hebben de duurzaamheid en de doeltreffendheid van dit model en de evenwaardigheid tussen personen en huishoudens aan het wankelen gebracht om plaats te maken voor structurele werkloosheid en professionele kwetsbaarheid. De professionele winst van het voortdurend toenemend aantal vrouwelijke gediplomeerden werd voor de ondernemingen en voor de gezinnen een economische must. De vrouwen zagen professionele integratie als een garantie op autonomie en diversificatie van hun identiteit en status. We kregen te maken met een transformatie van zowel de gezinstypes als de gezinsfuncties. Het koppel dat decennia lang stond voor een stabiele en beschermende leefeenheid strookte niet langer met de functies ervan.

 

Vandaag heeft een koppel de opdracht het gezamenlijke geluk van de leden te waarborgen met behoud van de individuele en collectieve projecten. Tegelijkertijd werd de economische en professionele druk op de andere vlakken opgedreven. Hierdoor daalde de waarde van het gezinswerk en werd het een grotere ‘opgave’ voor de persoon die dit werk op zich wilde nemen. De professionalisering van dit soort werk onder het mom van het scheppen van banen lijkt eveneens onderhevig aan het geslacht (lage lonen, atypische statuten, moeilijke onderhandelingen over de opleiding, de erkenning van de bekwaamheden of de loopbaanvooruitzichten,…), wat de professionalisering ervan benadeelt. De overheidsinvesteringen om gezinnen te ondersteunen zijn niet alleen beperkt wegens het gebrek aan financiële middelen, maar worden ook in vraag gesteld in naam van de vrijheid en de individuele verantwoordelijkheid. Tegemoetkomingen met een sociaal doel genieten de voorkeur boven een algemeen herverdelingsbeleid. Wanneer het educatieve, affectieve werk en de intergenerationele solidariteit een ongeëvenaarde beschikbaarheid en investering vergen van de gezinnen lijkt het ongedwongen model van de autonome werknemer eigenlijk meer dan ooit het referentiemodel. De moeilijke problematisering van de genderrollen en stereotypen verbonden aan het geslacht die gepaard gaat met de toenemende concurrentie tussen werknemers en de uitdagingen rond de beschikbare ‘tijd’ doen ons begrijpen dat de evenwaardigheid tussen werk en gezin nog altijd als negatief en verdacht wordt voorgesteld en als iets dat in de eerste plaats betrekking heeft op vrouwen en moeders.

 

De kwestie van de combinatie tussen arbeid en gezin wordt doorgaans beschouwd in termen van belemmeringen, problemen die worden veroorzaakt door de gezinslasten en betrekking hebben op de rendabiliteit en het professioneel welslagen en die geval per geval moeten worden opgelost. De omgekeerde kwestie betreffende de impact van de werkomstandigheden op het gezinsleven wordt slechts zelden collectief aangekaart, terwijl het essentieel is met deze impact rekening te houden om het debat en de democratische praktijken doeltreffend te doen evolueren. Kinderen worden het slachtoffer van een werk- en arbeidsorganisatie die weinig rekening houdt met hun aanwezigheid en behoeften. De inzet is des te belangrijk daar de concurrentie tussen (aspirant-)werknemers almaar groter wordt. Ook al eisen vele volwassenen het recht op ouderschap, toch ondervinden ze dagelijks de prijs die ze moeten betalen voor de lasten die met dit ouderschap gepaard gaan. De opwellingen van verdediging en promotie van ‘het’ gezin, de bekrachtiging van de bereidheid om de rol van de vader naar waarde te schatten, de vrouwelijke kennis van zaken en de diversiteit van de levensengagementen, de onvoorwaardelijke erkenning van gendergelijkheid op alle niveaus en de verhoogde bescherming van het kind lijken niet te volstaan om een evenwichtige afstemming van de levensvlakken te waarborgen, om de risico’s en middelen in de maatschappij doeltreffender te verdelen. Zelfs het streven naar afstemming tussen de verschillende verplichtingen blijft geassocieerd met de vrouw, wat verklaart waarom mannen niet altijd bereid zijn, en ook niet in gunstige omstandigheden verkeren om de gezins- en opvoedingstaken gelijkwaardig te verdelen.

Egalitaire praktijken binnen het koppel

De egalitaire praktijken binnen koppels lijken te evolueren afhankelijk van de opportuniteiten in een bepaalde context. Studies op dit vlak tonen een positief verband aan tussen enerzijds het feit dat iedere partner beschikt over een goed, maar ook niet overdreven hoog diploma, eerder werkt in de non-profit sector, voltijds werkt in een sociaal beroep dat hem of haar autonomie en onderhandelingsvermogen ten opzichte van de partner verschaft en waarbij overuren beperkt zijn en er afwisseling is wat betreft de aanwezigheid en taken in huis en anderzijds de concrete gelijkheid tussen partners, de kans op een ‘gezond’ gezin of een duurzaam koppel. Dit resultaat spreekt het standpunt tegen waarbij een persoon als alleenstaand wordt beschouwd met betrekking tot arbeid. Het verplicht ons niet alleen rekening te houden met de organisatie van het huishouden en de keuzes van de volwassenen die het huishouden vormen, maar ook met de organisatie van externe omstandigheden, economische en maatschappelijke factoren die min of meer gunstig zijn voor de gezinnen.

 

Vandaag de dag zijn de personen die het minst blijk geven van autonomie en ruimtelijke en temporele mobiliteit en daardoor minder onderhandelingsvermogen hebben binnen het gezin maar ook op het werk, hoofdzakelijk moeders en jongeren. Vrouwen en hun kinderen, voor wie zij overwegend de zorg en opvoeding op zich nemen, lopen een groter risico op statutaire en monetaire kwetsbaarheid. Bovendien worden zij met de vinger gewezen als verantwoordelijke voor gezinsdisfuncties die hen te boven gaan en waarvan zij ruimschoots slachtoffer zijn.

Vrouwen en gezinsdisfuncties

De kritiek aan het adres van vrouwen, die er door sommigen van beschuldigd worden het gezin kapot te maken, is vooral gebaseerd op andere, persoonlijke en morele argumenten. Vrouwen worden verantwoordelijk geacht voor het toenemende aantal echtscheidingen, de gedragsuitspattingen van de jonge generatie en het identiteitsverlies van vaders of jonge mannen die geen houvast meer hebben,…

 

Moeders worden altijd het meest afgestraft door hun ouderlijk engagement. Zij zijn het meest verscheurd tussen tegenstrijdige verplichtingen die op hen wegen onder het mom van persoonlijke keuzes. Het dilemma kan niet langer, zoals enkele decennia geleden, worden samengevat als de keuze om al dan niet buitenshuis te werken, maar heeft betrekking op de meest geschikte manier om op elk vlak doeltreffend te zijn. Het is niet zozeer hun integratie dan wel hun professionele loopbaan die voorwaardelijk blijft. Pierre Bourdieu had dit al eerder naar voor geschoven. Volgens hem kan de objectieve dominantie niet doeltreffend zijn als de ‘gedomineerde’ groep zich gaat verenigen. Zo zal in elk geval van dominantie, waar ook geobserveerd, vrouwen opgeroepen worden om de standpunten van de mannen te delen en de samenleving als mannelijk te beschouwen. Dit houdt in dat vrouwen van alle leeftijden zich onder alle omstandigheden het gedeeltelijke werkaanbod dat hen wordt gedaan grotendeels op een positieve en welwillende manier eigen maken.

 

Uit enquêtes blijkt dat het deeltijds werken door vrouwen (dat voortdurend toeneemt en los staat van de echte gezinsverplichtingen) wordt bevorderd door jonge mensen en jonge vrouwen met een hoog diploma die trouwens na afloop van hun studies dezelfde loopbaanambities hebben. Het is niet de bedoeling om tijd vrij te maken voor familiale en sociale relaties die moeten worden bekritiseerd, integendeel. De problemen komen van de lasten die op termijn opduiken voor zij (vooral vrouwen) die kiezen voor atypische statuten en loopbanen, met of zonder ‘goede redenen’. Hoewel vele dingen veranderen, blijft de verleiding in onze maatschappij bestaan om vrouwen niet het onvoorwaardelijke recht te geven om hun leven te leiden zoals zij willen en ten volle deel te nemen aan de maatschappelijke keuzes. De pluraliteit van mannen wordt aanzien als een verrijking, terwijl we nog altijd de neiging hebben de vrouw te aanschouwen op grond van extreme morele modellen. Welnu, het is onmiskenbaar dat heel wat vrouwen hun individueel en collectief lot vandaag de dag in handen nemen.

 

De levensprojecten van vrouwen en de verwezenlijking ervan worden voortdurend complexer en verscheidener naargelang hun leeftijd en de generatie waartoe zij behoren, hun sociale en culturele afkomst, hun opleidingsniveau, hun keuzes en demografische aspecten, maar ook de werkgelegenheid en de professionele mogelijkheden voor hen.

De ongelijkheid onder vrouwen

De algemene trend naar vrouwelijke emancipatie gaat samen met een toename van de ongelijkheid onder vrouwen, de ongelijkheid tussen vrouwen die kunnen rekenen op de hulp van hun ouders om hun familiale verplichtingen te vervullen en zij die deze kans niet hebben, tussen vrouwen die tot ‘winnende’ gezinnen behoren en die bijdragen tot de stijging van de vraag naar huishoudelijk werk en vrouwen die tot de ‘verliezende’ gezinnen behoren en die vaak geen andere keuze hebben dan huishoudelijk werk en zorgverlening aan te bieden, arbeid die hen vaak geen toegang verschaft tot een echt arbeidsstatuut of professionele perspectieven opent. Het is nog vaak een reflex om de financiële strategie van een jong koppel te evalueren door de huishoudelijke kosten en de kosten voor kinderopvang af te trekken van het loon van de echtgenote en niet van het koppel. Net als vroeger gebeuren koppelvorming en partnerkeuze niet toevallig. Er ontstaat een kloof tussen twee soorten gezinnen: enerzijds gezinnen die doorgaans dankzij het hoge opleidingsniveau van beide partners, de meeste troeven in handen hebben om het op sociaal en professioneel vlak te maken en anderzijds gezinnen met een onzeker bestaan, waarbij periodes van werkloosheid en kleine banen elkaar afwisselen voor beide partners.

 

Laaggeschoolde vrouwen

Laaggeschoolde vrouwen die deel uitmaken van een koppel betalen onmiskenbaar een hoge prijs voor deze evolutie. Zij leven met de andere gezinsleden in moeilijke omstandigheden en zijn zelden financieel onafhankelijk via hun werk. Zij ondervinden heel wat moeilijkheden om werk te vinden en te behouden, vaak wegens de slechte kwaliteit van het jobaanbod dat aan hun opleidingsniveau beantwoordt. Of dit nu de oorzaak is of een proactieve compensatie, maar we stellen vast dat zij zich al op jonge leeftijd wijden aan het leven als ‘echtgenote’ of ‘moeder’ en richten zich volledig op deze rol. Deze vrouwen hebben zelden een echte en volledige professionele loopbaan. In heel wat arbeidssectoren wordt hen deeltijds werk opgelegd en is het risico op werkloosheid groot. Tegelijkertijd worden de meeste vrouwen zich met de leeftijd bewust van het belang van arbeid en een beroepsinkomen. Zij ervaren vaak frustratie wanneer hun man of partner sociaal en professioneel achteruitgaat en het risico loopt werkloos te worden en daarmee ook zijn sociaal statuut en statuut van man dreigt te verliezen.

 

De rol van het gezinshoofd wordt in deze sociale groep sterk gehandhaafd net als de taakverdeling tussen man en vrouw. Niet zelden nemen vrouwen het heft in eigen handen om het huishouden te redden: ze zoeken en aanvaarden links en rechts werk en blijven daarnaast het huishouden runnen zonder veel hulp. Deze ongunstige omstandigheden leiden tot frequente conflicten in het koppel, conflicten die vrouwen en kinderen na een scheiding nog kwetsbaarder maken.

 

Onderzoek naar armoede toont aan dat éénoudergezinnen een van de meest kwetsbare gezinnen zijn, niet alleen omdat het éénoudergezinnen zijn, maar ook omdat er leemtes zijn in het sociaal beleid voor alle gezinnen en het beleid betreffende het beheer van arbeid en arbeidskrachten voor alle werknemers. Het beleid dat speciaal wordt ontwikkeld voor de betrokken vrouwen ontsnapt evenmin aan gendergebonden opvattingen en waardeoordelen, wat de doeltreffendheid ervan hypothekeert (weinig onvoorwaardelijke erkenning van de noodzakelijke toegang tot een werkelijk inkomen en arbeidsstatuut, beperkte inachtneming van het gebrek aan sociale contacten wat een oplossing voor het probleem van de kinderopvang aan banden legt,…). De leden van dergelijke gezinnen lopen een groot risico dat de problemen en disfuncties zich opstapelen (bijvoorbeeld op het gebied van gezondheid en school), wegens het gebrek aan inkomen en het gewelddadige klimaat en de levensomstandigheden waarmee ze geconfronteerd zijn. Daardoor zoeken vrouwen uit deze groep die alleenstaand worden onverwijld een partner, hoewel sommigen bewust vrijheid in armoede verkiezen boven materieel welzijn onder controle.

 

Hooggeschoolde vrouwen

Uit enquêtes blijkt dat jonge hooggeschoolde mannen en vrouwen de groep vertegenwoordigen die zich het principe van gendergelijkheid en taakverdeling het meest eigen heeft gemaakt. Dit kan positief lijken voor de toekomst, maar de zaken zijn ingewikkelder dan ze lijken.

 

De meest welstellende jongeren op sociaal vlak en qua opleiding kiezen hun partner niet lukraak. We merken wel dat mannen sneller carrière maken en hun carrière minder afhankelijk is van andere verbintenissen. De loopbaan van jonge vrouwen met hetzelfde hoge diploma bestaat meestal uit een opeenvolging van atypische jobs van beperkte duur en deeltijdse jobs. Met de leeftijd neemt het verschil tussen de mannelijke en vrouwelijke loopbanen toe. In een context waarin de mentaliteit niet doorslaggevend verandert, kunnen maatregelen die bedoeld zijn om de combinatie van arbeid en gezin te vergemakkelijken, mantelzorgers nog kwetsbaarder maken en de argumenten over de natuurlijke aard van de complementariteit van mannelijke en vrouwelijke taken versterken. Het uitstellen van huwelijk en ouderschap door jonge meisjes lijkt in deze context een lonende strategie om de carrière van jonge vrouwen van de grond te krijgen. Soms vertragen of hypothekeren carrièremogelijkheden in een vroeg stadium ook andere beslissingen en levensontwikkelingen. Sommige vrouwen voeren daardoor een strijd met hun biologische klok die sneller tikt. Andere vrouwen voelen zich dan weer ver verwijderd van de weinig billijke levensomstandigheden van hun vrouwelijke collega’s.

 

Bij de gediplomeerde koppels vinden we momenteel vaak een grote carrière en een kleinere carrière. Ook al bestaan er voorbeelden waarbij de vrouw carrière kon maken dankzij doeltreffende externe hulp of het werk van de man, toch blijft het tegenovergestelde de norm. Zo zien zelfs hooggeschoolde vrouwen, naarmate het moederschap nadert, zich geleidelijk aan verplicht hun professionele ambities op te bergen. Dit geldt bijvoorbeeld voor briljante jonge vrouwelijke ingenieurs die de privé-sector inruilen voor een baan als ambtenaar, opteren voor een baan als leerkracht of deeltijds gaan werken,… Een hoog diploma garandeert vrouwen dus niet altijd dat hun diploma met de tijd zijn vruchten zal afwerpen noch dat zij echt financieel onafhankelijk zullen zijn. De verloren tijd is moeilijk in te halen in termen van carrière of wanneer de omstandigheden of behoeften veranderen.

 

De meeste hooggeschoolde vrouwen zien de loopbaan van hun man evolueren terwijl de praktische gezinsorganisatie en de intergenerationele solidariteit op hun schouders rust. Dit geldt ook voor vrouwen die aanvankelijk evenveel professionele ambities koesterden als hun partner en gendergelijkheid als een theoretisch en praktisch recht ervoeren. Vaak gingen zij ervan uit dat met de tijd de taakverdeling in de plooi zou vallen en op alle niveaus evenwaardige onderhandelingen tussen de partners zouden kunnen plaatsvinden. Onderzoek wijst uit dat andere elementen dan de daadwerkelijke kinderlast verklaren waarom vrouwen afzien van een carrière. De vrouwen die het meest gehecht zijn aan hun professionele ambities hadden een moeder die een positief voorbeeld gaf of zijn jonge vrouwen die met hun hoog diploma op zak duidelijk de sociale ladder op willen. Zij krijgen van hun familie de missie een succesvolle carrière uit te bouwen in naam van het gezin. Hooggeschoolde vrouwen die steeds meer opgeëist worden door hun werkgever en die vasthouden aan de idee van een duurzaam gezin en niet kunnen terugvallen op een feilloos hulpnetwerk houden een tijdje stand en leveren een soms wanhopige strijd om op geen enkel vlak te moeten inboeten. Anderen zien af van een carrière en behouden een goed zelfbeeld door hun ‘familiale’ heroriëntatie naar waarde te schatten. Tegelijkertijd verliest de idee om weerstand te bieden en zich vast te klampen aan het ideaal van een duurzaam gezin dat de beproevingen doorstaat als teken van liefde terrein en reageren jonge vrouwen sneller dan vroeger. Zij geven de voorkeur aan een scheiding boven de voorzetting van een relatie die de verwachtingen niet inlost. Zij durven meer te rekenen op hun capaciteit om de draad weer op te pikken, of dat nu realistisch is of niet en lijken zonder veel moeilijkheden exclusieve en tijdelijke engagementen op elkaar af te stemmen.

 

Van alle vrouwen blijken geschoolde vrouwen die leven met een partner het meest gedeprimeerd en gestresseerd te zijn. Het is interessant op te merken dat dit bij de mannen het geval is voor de laagst geschoolden. Dit resultaat toont, los van het geslacht, de impact aan van het feit niet in staat te zijn in de pas te blijven lopen, te beantwoorden aan de gendervereisten van de sociale groep, die ondergeschikt blijft aan voortplantingseisen (demografische en culturele druk). De kloof tussen de eigen, gerechtvaardigde verwachtingen en de werkelijkheid op het terrein vormt voor beide geslachten het probleem. Voor laaggeschoolde mannen blijft het statuut ruimschoots bepaald door het werk. Van geschoolde vrouwen wordt dan weer verwacht dat zij een onderscheid maken tussen de verschillende vereisten van het volwassen leven en dat zij beantwoorden aan de eisen van het moderne economische en professionele leven, maar zonder daarbij de combinatie van gezin en arbeid in het gedrang te brengen, wat hen altijd weer wijst op hun ‘dubbele rol’, tenzij zij ervoor ‘kiezen’ zoveel mogelijk te delegeren. Geleidelijk aan worden geschoolde vrouwen, naarmate ze objectieve en subjectieve hindernissen op hun weg vinden, zich bewust van de genderongelijkheden, van het taboe dat nog altijd rond deze kwestie hangt, van de illusie van de prins op het witte paard waar de meesten in geloofden,… We stellen vast dat gescheiden geschoolde vrouwen die een andere wending geven aan hun leven eerder hun lot in eigen handen nemen dan dat ze zich als slachtoffers gedragen. Zij die opnieuw voor een partner kiezen, leggen voortaan strengere voorwaarden op voor de taakverdeling. Anderen zien af van een nieuw leven met een partner, ook al blijven ze hopen op een gelukkige relatie. Ze wijten deze keuze niet zozeer aan de terughoudendheid van hun kinderen dan wel aan het verlangen om te kunnen gaan en staan waar ze willen, om zich te wapenen tegen de controle en de opmerkingen van de partner die als verlammend worden ervaren. Een goede professionele reïntegratie of nieuwe carrièreambities lijken die prijs waard te zijn.

Conclusies

Wij kunnen dus besluiten dat maatschappelijke en genderverschillen een invloed hebben op de professionele en familiale ambities. Hoewel heel wat koppels werken aan ‘gedeeld ouderschap’ vanuit het gelijkheidsprincipe, hebben niet alle koppels toegang tot dezelfde kansen en strategieën om deze levensprojecten op elkaar af te stemmen (evolueren naar twee gemiddelde carrières of een grote carrière tegen een kleine carrière,…). De professionele en familiale parcours zijn  broos, waardoor deze keuzes onder economische en symbolische dwang op termijn een invloed uitoefenen op de identiteitsopbouw van de individuen en de bestaanszekerheid van het gezin. De context blijft ongunstig voor de bescherming van de economisch zwakste gezinnen en voor een echte combinatie van familiale inzet en een professionele loopbaan. Dit zal zo blijven zolang professionele rendabiliteit wordt geëvalueerd op basis van de capaciteit van de werknemer om zich los te maken van de andere behoeften en verbintenissen en zolang bij vrouwen de nadruk wordt gelegd op de uitdaging en de belemmering die de verantwoordelijkheid voor kinderen inhoudt, wat een grotere en volwaardige betrokkenheid van de vaders afremt. De werkorganisatie lijkt momenteel meer open te staan voor het maken van carrière, alleen moet ze afgestemd worden op de veranderende behoeften van de gezinnen en hun leden. Als we verandering willen teweegbrengen, moet iedere reglementering genderneutraal worden, moeten we nadenken over de verhouding arbeid-gezin door het begrip tijd en levensloop te integreren (we blijven niet eeuwig ouders van jonge kinderen), door rekening te houden met de biologische tijdsgebonden eigenheden van mannen en vrouwen en met hun verwachtingen. Merken we toch op dat in een uiterst competitief universum waarin ouderschap een recht en een keuze wordt, het toch minder dan vroeger gerechtvaardigd lijkt dat de overheid alle verschillende gezinnen doeltreffend beschermt en begeleidt in hun dagelijks functioneren. Dergelijke stellingname zou een slechte dienst bewijzen aan de zaak die zij beweert te dienen. Inhaalmanoeuvers, acties achteraf, wanneer de ellende zich opstapelt, nemen de bovenhand.

 

Nochtans zal de exponentiële toename van scheidingen die gezinnen kwetsbaar maken de burgers er ook toe aanzetten hun behoeften om arbeid en gezin te combineren, hun verlangen naar diversificatie van hun identiteit en functies te uiten en meer kenbaar te maken. Individuele eisen brengen de arbeidsorganisatie enigszins in het gedrang. Zo blijkt dat de toegenomen praktijk van het co-ouderschap mannen ertoe brengt meer tijd en meer flexibele werkuren te eisen voor hun gezin. Dit lijkt meer en meer voor te komen bij werknemers die een functie uitoefenen met een gemiddelde verantwoordelijkheid, maar begint zich ook te verspreiden onder de werknemers met een kaderfunctie, maar we weten niet of ze daardoor sommige promotieambities opzij schuiven of hiervoor afgestraft worden. De werkelijkheid en de uitdagingen van het leven van vrouwen, maar ook van mannen, evolueren geleidelijk aan naarmate hun leven wendingen neemt en de context gunstig is. Om arbeid en gezin op elkaar te kunnen afstemmen, moet deze combinatie erkend worden en moet een beleid worden gevoerd dat een echt democratisch project ondersteunt dat gunstig is voor mannen en vrouwen van deze tijd en de toekomstige generaties een kwaliteitsvol leven garandeert.


 

Zij, de werkmier en hij, de huiskrekel

 

Take great care-particularly with electrical appliances and cigarette ends

Alec GUINNESS, laatste bericht aan zijn vrouw [100]

 

JACQMAIN, Jean

Faculteit Rechten, Université Libre Bruxelles (ULB)

Vice-voorzitter van de Raad van Gelijke Kansen voor Mannen en Vrouwen

 

Tijdens de eerste Staten-generaal van het Gezin werd ik gevraagd een kritische nota te schrijven over de verloven die bedoeld zijn om de combinatie van arbeid en gezin gemakkelijker te maken. De aanbevelingen die ik in die nota had gemaakt, werden aanvaard door de Raad van gelijke kansen voor mannen en vrouwen in diens advies nr. 81 van 1 oktober 2004[101], dat evenwel andere dimensies van de problematiek in de verf zet. Sindsdien kende deze aangelegenheid enkele evoluties onder invloed van de programmawet van 9 juli 2004 (moederschapsverlof, adoptieverlof) en de koninklijke besluiten van 15 juli 2005 (specifieke stelsels voor loopbaanonderbreking)[102]. Niettemin zijn de opmerkingen in mijn nota nog altijd relevant. Ik verwijs de lezers dus naar die nota en licht hier enkele algemene beschouwingen toe.

Neem verlof, in afwachting van de peutertuin

In een moderne maatschappij als de onze, oefenen mensen een betaalde activiteit uit terwijl ze tegelijkertijd hun gezin willen uitbreiden. Als ze door hun relaties met andere gezinsleden verplicht worden of zin hebben om hun professionele activiteit tijdelijk af te bouwen en ze geen zelfstandigenstatuut hebben, belanden we in de logica van de verloven en openen we een debat over de compatibiliteit van de individuele behoeften van werknemers en de strategieën van de werkgevers in de privé- en overheidssector.

 

Maar continu tijd doorbrengen met naasten als zij daar nood aan hebben, is niet langer onvermijdelijk. Diezelfde moderne maatschappij wordt verondersteld collectieve en structurele oplossingen te bedenken voor de vraag naar opvang van baby’s, zieken, kinderen, personen met een handicap, volwassenen met gezondheidsproblemen, ouderen. Maar als de baby al moet worden ingeschreven in een crèche vóór hij verwekt is, als we onze plaats in het rusthuis al moeten reserveren op 50-jarige leeftijd of als we beter snel genezen omdat er een lang weekend nadert in het ziekenhuis, moeten we vrezen dat het individueel arbeidsrecht onterecht wordt ingeroepen om onvoldoende investeringen in collectieve voorzieningen te compenseren.

Het misverstand van deeltijds werken

In België is het onderwijs één van de activiteitensectoren die we kunnen beschouwen als pionier van het deeltijds werken. Afhankelijk van de schommelingen in de schoolbevolking, de programmahervormingen en de specialisaties, vinden heel wat jonge leerkrachten geen voltijdse baan, tenzij zij, als ze geluk hebben tenminste, een voltijds uurrooster kunnen samenstellen door drie of vier scholen te combineren. Gezien de vele verplaatsingen in dat geval, is het niet meer interessant om vast te houden aan een voltijdse baan – vooral wanneer men kleine kinderen heeft die opvang nodig hebben – ‘vooral als vrouw’…

 

Ik haal dit aan om een misverstand te illustreren, of liever het bedrog dat zich momenteel nestelt in de politieke betogen en het legislatieve verlengde daarvan. In ons land is de toename van deeltijds werk voornamelijk te wijten aan de structurele noodzaak of de managementeisen van de werkgevers. We mogen natuurlijk niet ontkennen dat een deel van de werknemers er niet op uit is om voltijds te werken, maar de meeste deeltijdse werknemers zijn personen die niets beters hebben gevonden. Deze mensen moeten hun leven hieraan aanpassen en herorganiseren. Dit maakt hen geen ‘vrijwilligers’ die liever hun ‘vrije’ tijd besteden aan hun gezin. Deeltijds werken is dus geen oplossing om arbeid en gezin te combineren, behalve bij gebrek aan beter, wat de overheid niet vrijstelt om opnieuw na te gaan of het wel gerechtvaardigd is dat het arbeidsrecht deeltijdse werknemers met zoveel achteloosheid behandelt en het socialezekerheidsrecht met zoveel wantrouwen[103].

Moederschap en gezinsplichten

In 1999 had de federale wetgever de moed om een principeverklaring aan te nemen, die noch door de Europese gemeenschap, noch door een andere lidstaat was aangenomen: de bepalingen betreffende de bescherming van moederschap vormen geen discriminatie, maar zijn een voorwaarde voor de verwezenlijking van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen (art. 4, lid 4 van de wet van 7 mei 1999). Zo werd er rekening gehouden met een realiteit die al bekend is sinds het bestaan van de mensheid: normaal moet men met twee zijn om een kind te verwekken, maar alleen de vrouw is nodig om het kind te baren.

 

Met andere woorden, alle gezinsverantwoordelijkheden kunnen door ieder lid van het koppel worden opgenomen, behalve het moederschap. Dus als de politieke overheid de combinatie van arbeid en gezin wil bevorderen en daarbij gelijke kansen tussen man en vrouw wil waarborgen:

 

·         is er enerzijds nog veel werk aan de winkel om de erg complexe wetgeving te verbeteren die het moederschap beschermt, maar is er nog meer werk nodig om de keerzijde van de medaille die door het Europese recht werd geslagen, te ontcijferen: moeder worden mag geen enkele negatieve invloed hebben op de loopbaan van de werkneemster[104];

·         anderzijds is er geen gebrek aan aanbevelingen met betrekking tot aan te brengen amendementen aan alle ‘familiale verloven’, of het nu gaat om de toegang, de duur, de arbeidsbescherming, de vergoeding en het behoud van de rechten betreffende sociale zekerheid.

 

Deze laatste taak vergt aandacht voor de evolutie van de maatschappij. Eén van de wijzigingen van 15 juli 2005, bijvoorbeeld, verdubbelt de duur van het verlof wegens ernstige ziekte van een familielid als het gaat om een kind (jonger dan 16 jaar) van een alleenstaande ouder, maar deze vernieuwing is ontoepasbaar als, na een echtscheiding, het co-ouderschap van toepassing is. Met betrekking tot de vergoeding van afwezigheden, ongeacht de gekozen formule (behoud van het loon, forfaitaire of proportionele uitkering), blijft de gendergelijkheid, dit wil zeggen de geneigdheid van de mannelijke en vrouwelijke leden van het koppel om tijdelijk hun baan opzij te schuiven om gezinstaken op zich te nemen, fundamenteel gecompromitteerd door het aanhoudende verschil in loon[105].

Positieve acties voor wie?

Een ander struikelblok in de omzetting van richtlijn 2002/73 heeft betrekking op de invoering van een ontslagbescherming voor werknemers die vaderschapsverlof willen opnemen (art. 30, § 2 van de wet van 3 juli 1978). Naast de juridisch-technische obstakels, is er de vraag of een dergelijke bescherming wel relevant is: welke werkgever zou een werknemer willen ontslaan wegens tien dagen afwezigheid? Inderdaad, het is zeker niet de angst voor kleingeestige represailles die het matige succes van de maatregel verklaart.

 

Als de werkelijke of denkbeeldige angst voor negatieve gevolgen op hun loopbaan sommige mannen afhoudt van een bescheiden verlof als dit, dan kunnen we hetzelfde verwachten voor langere ‘afwezigheden wegens familiale redenen’, ongeacht de inspanningen van de wetgeving met het oog op de vergoeding ervan.

 

Momenteel staat het Europees recht toe dat de lidstaten gendergelijkheid waarborgen door indien nodig positieve acties te voeren ten voordele van het ‘ondervertegenwoordigde geslacht’. De rechtspraak van het Hof van Justitie[106] staat momenteel gunstig tegenover het beleid gericht op gelijke toegang tot arbeid en promoties. Het hof blijft echter terughoudend ten opzichte van discriminaties die voortvloeien uit het gebruik van facultatief verlof om familiale redenen, zelfs het ouderschapsverlof waarin richtlijn 96/34/EG voorziet. Nochtans lijkt niets aanmoedigingsmaatregelen in de weg te staan die zowel op mannelijke en vrouwelijke werknemers gericht zijn als op de werkgevers. Deze garanderen dat de combinatie van arbeid en gezin geen negatieve impact heeft op loopbaanvooruitzichten en trachten op die manier ongerustheid te voorkomen.

Een beslissing die beantwoordt aan de intenties

We zouden denken dat alle mannelijke en vrouwelijke werknemers die gezinsverantwoordelijkheden hebben, geconfronteerd worden met hetzelfde probleem van de combinatie van arbeid en gezin. Dit is verbazingwekkende naïef gedacht voor België. Je hoort te weten in welk gewest je woont, tot welke gemeenschap je behoort en of je voor de privé-sector of de overheid werkt om te weten waar je recht op hebt.

 

We laten het aan de deelnemers van de Staten-generaal van het Gezin, met hun oprechte intenties, over om deze moeilijkheden aan te pakken en het algemeen begrip van een maatschappelijk probleem te vergroten. We mogen echter niet vergeten dat alleen al binnen de federale beslissingssfeer minstens een jaar nodig is om bescheiden aanpassingen van het moederschapsverlof door te voeren (2004) of specifieke loopbaanonderbrekingen (2005) toe te passen in de overheidsdiensten. De meest enthousiasten sloven zich uit om een krachtige dynamiek te ontdekken voor een krachtdadig beleid om het gezinsleven van de werknemers te vergemakkelijken.

Zelfstandige parabool

We hebben het niet gehad over de zelfstandigen, vooral omdat hun sociaal statuut tot voor kort in niets voorzag op dit vlak, tenzij het minimum aan bepalingen ten voordele van het moederschap dat richtlijn 86/613/EEG oplegt. Welnu, de programmawet van 27 december 2005 heeft een bevoegdverklaring van de Koning ingevoegd om maatregelen te nemen ter bevordering van de combinatie arbeid-gezin voor de ‘zelfstandigen’. Nadien kwam er het koninklijk uitvoeringsbesluit van 17 januari 2006 dat ‘moederschapshulp’ invoert in de vorm van de toekenning van dienstencheques die moeten worden gebruikt voor huishoudelijke taken. Karikaturaal machismo of robuust realisme?

 

De betrokken personen zullen inschatten welke afstand nog moet worden overbrugd om tot gendergelijkheid te komen in dit segment van de beroepsbevolking.


 

Toekomst van de kinderopvang

Interview met VAN HAEGENDOREN, Mieke

Vice-rector, Universiteit Hasselt (UHasselt)

 

In de hedendaagse sociale realiteit bestaan er veel verschillende gezinsvormen. Dit heeft een invloed op de arbeidsverdeling in het huishouden. Het mannelijk kostwinnersmodel heeft plaats geruimd voor tweeverdienersgezinnen of huishoudens die uit één persoon bestaan. Bij jonge koppels waar beide partners buitenshuis gaan werken, treedt het dilemma werk of zorg voor kinderen vroeg of laat op de voorgrond. Ook een alleenstaande ouder moet een keuze maken tussen gaan werken of thuis blijven bij de kinderen. Ondersteunende voorzieningen die de combinatie van het professionele en het privé-leven vergemakkelijken, kunnen van doorslaggevend belang zijn om te kiezen voor een carrière en extra financiële ruimte of een gezin. Met prof. dr. Mieke Van Haegendoren gingen we dieper in op één van deze faciliteiten die de Belgische overheid voorziet, namelijk de kinderopvang.

 

Kan u een korte situatieschets geven van de kinderopvang in België?

 

Als we het over kinderopvang hebben, moet je het in een breed kader bekijken. Kinderopvang is een heel groot pakket. Je loopt het risico om maar één stukje te bekijken als je je enkel focust op een bepaalde groep van kinderen. Meestal wordt enkel aandacht besteed aan de 0 tot 3-jarigen, maar in mijn ogen is de belangrijkste vorm van kinderopvang in België de school. Kinderen kunnen daar vanaf 2,5 jaar terecht. Deze is helemaal gratis, van hoge kwaliteit, dicht bij huis, heel laagdrempelig en is meteen ook gekoppeld aan de buitenschoolse opvang. Het is in principe geen enkel probleem om kinderen vanaf 2,5 jaar binnen de normale kantooruren tegen een zeer lage kostprijs op te vangen.

 

Voor kinderen jonger dan 2,5 jaar heb je als ouder de keuze tussen de niet-georganiseerde en de georganiseerde opvang. Met de niet-georganiseerde of informele opvang wordt enerzijds het ouderschapsverlof en de hulp van grootouders bedoeld. Mensen organiseren zichzelf zodat de kinderen ergens terecht kunnen. Anderzijds heb je de kinderopvang die collectief georganiseerd is. Dit zijn bijvoorbeeld de crèches en de onthaalmoeders. Deze laatste groep is opgesplitst in onthaalmoeders die bij een dienst werken en deze die zelfstandig onthaalmoeder zijn.

 

In België is het heel typisch dat mensen al op jonge leeftijd - 50 à 55 jaar - uit de arbeidsmarkt stappen. Voor de arbeidsmarkt is dat een slechte zaak, maar voor jonge moeders is dat een enorme hulp. Voor kinderopvang kunnen zij een beroep doen op hun ouders. Jonge grootouders letten massaal op hun kleinkinderen. De gecomprimeerde loopbaan van de Belgische arbeidsmarkt zorgt er voor dat kinderen goed opgevangen kunnen worden door een familielid, meestal de grootouders.

 

 

Bestaat er een verschil in socio-economische situatie tussen ouders die gebruik maken van een bepaalde soort opvang (formeel vs informeel)?

 

Hoe lager het gezinsinkomen is, hoe meer men, naar mijn mening, gebruik probeert te maken van informele kinderopvang omdat die sowieso goedkoper is. Het hangt er natuurlijk ook van af hoe ver iemand van zijn ouders/familie woont. Ook de subcultuur van de sociale groep waartoe men behoort, speelt mee. In allochtone gezinnen bijvoorbeeld, voelt men veel meer voor informele opvang dan voor formele opvang. In de lagere socio-economische klasse vindt men de gezinsband erg belangrijk. Grootouders in die klasse steken ook veel makkelijker een handje toe voor kinderopvang dan deze van de hogere sociale klasse. In deze laatste groep werken de grootouders nog en als ze niet werken, willen ze wel occasioneel voor de kinderen zorgen, maar niet fulltime.

 

Weet u welke noden er zijn van ouders ten aanzien van kinderopvang?

 

Er zijn wachtlijsten voor de kinderopvang van kinderen jonger dan 2,5 jaar, er is dus een behoefte voor meer opvang. Daarnaast is er voor sommigen zeker nood aan flexibiliteit. Ik denk dan aan de mensen die in ploegen werken of mensen die onregelmatige werktijden hebben.

 

Aansluitend wil ik hierbij vermelden dat in de economie de vraag het aanbod creëert, maar wat men heel vaak vergeet, is dat het aanbod ook de vraag creëert. Zeker in de welzijnssector is dit het geval. Dat betekent dat hoe beter en omvangrijker het aanbod is, des te groter ook de vraag wordt, of dat er zogezegde noden zijn. Dingen die mensen vroeger informeel of helemaal niet oplosten, worden nu ’noden’ en de overheid moet daar in tussen komen om die noden op te lossen. Daarom moet je steeds heel erg voorzichtig zijn als je over noden spreekt. Een ander voorbeeld: wat enkele decennia geleden luxegoederen waren, zijn nu basisbehoeften geworden: centrale verwarming, TV, radio, auto,… Dus nogmaals: het aanbod creëert de vraag en de perfecte consumptiemaatschappij.

 

Moeten er beperkingen opgelegd worden met betrekking tot die flexibele opvang?

 

Vroeger had ik het idee dat kinderen niet meer dan bijvoorbeeld 38 uur opgevangen zouden mogen worden, maar ik ben daar van teruggekomen. Ik denk dat als ouders hun kinderen, naar ons aanvoelen, op een onbeperkte manier naar de opvang brengen, er misschien iets mis loopt in het huishouden. Misschien is het dan niet slecht of zelfs beter dat die kinderen opgevangen worden en niet thuis zijn. De opvang die we hebben, is kwalitatief zeer hoogstaand. We bewijzen de kinderen, en niet de ouders, een dienst door ze in de opvang te laten. Het is een absolute kleine minderheid die op deze manier misbruik maakt van de opvang. Misschien is het dan beter om ze er misbruik van te laten maken als dat in het voordeel van de kinderen is. Het is natuurlijk wel aan de verantwoordelijke van de kinderopvang om de ouders daarop aan te spreken. Dit hoofd van de kinderopvang moet proberen te ontdekken waarom de kinderen zo lang en zo vaak in de opvang zitten en er iets aan proberen te doen. Je mag dat niet zomaar toelaten, maar ik zou zeker niet reglementair tussenkomen. Een maximumduur per week gaan bepalen voor kinderen in de opvang, daar doe je meer kwaad dan goed mee denk ik. In principe ben ik voor zo weinig mogelijk beperkingen, maar wel voor het aanspreken van de ouders op dit gedrag.

 

Wat zijn de pijnpunten/knelpunten in het opvangaanbod?

 

Ik vind dat we ons goed moeten realiseren dat de kinderopvang in België één van de beste ter wereld is en dat er eigenlijk, als we eerlijk zijn, geen echte pijnpunten zijn. De kwaliteit is zeer goed. De kwantiteit ook, maar nooit voldoende. In vergelijking met andere Europese landen is ze zeer hoog[107]. De overheid doet haar best op dit domein.

 

Er zijn altijd punten waar aan kan worden gewerkt. Voor een aantal mensen is het echt moeilijk dat de kinderopvang al om 18u sluit. Onthaalmoeders werken echter flexibeler en zijn beter geschikt voor vroege of late opvang. Ook de kostprijs is voor sommige mensen een probleem. Denk maar aan de gezinnen met een laag inkomen of aan alleenstaande ouders. Als zij de afweging moeten maken tussen de werkloosheidsuitkering die ze krijgen en wat ze kunnen verdienen, maar moeten betalen aan opvang en andere kosten, dan is de rekening snel gemaakt.

 

Zou u pleiten voor gratis opvang voor deze groep?

 

Er zijn twee mogelijkheden in dit geval. Je kan de opvang gratis maken, maar misschien is het een betere manier om de kinderbijslag te verhogen. Op deze manier geef je ouders een meer reële keuze. Ze kunnen dan kiezen om hun kind naar een formele vorm van opvang te brengen of naar bijvoorbeeld hun ouders en die daarvoor al dan niet betalen. Als je de opvang gratis maakt, duw je de ouders in één richting, namelijk de georganiseerde opvang. Persoonlijk ben ik meer te vinden voor de optie waar je ouders de keuze laat en ze dus meer geld geeft zodat ze zelf kunnen kiezen.

 

Zoals ik al zei, kan de kinderbijslag bijvoorbeeld verhoogd worden. Zoals er nu reeds op 6, 12 en 18 jaar een leeftijdsbijslag wordt toegekend, kan dat misschien ook ingevoerd worden voor kinderen tussen 0 en 2,5 jaar. Ouders kunnen zo de kosten van opvang dekken of er iets anders mee doen. Op die manier wordt de vrije keuze gegarandeerd. Ik zie het als een soort van Persoonlijk Assistentiebudget (PAB) of ‘kindercheques’. In plaats van subsidies te geven aan de instellingen, geef je dat geld aan de ouders van de gebruikers. Dit ligt in de lijn van de tijdsgeest waar mensen veel liever zelf de keuze maken hoe ze willen worden geholpen. De hele filosofie van de kinderopvang moet dan wel omgekeerd worden zoals nu in de gehandicaptenzorg het geval is. Er moet een klik worden gemaakt. Gezinnen moeten ondersteund worden en niet de diensten/instellingen.

 

Tijdens de vergaderingen van de Staten-generaal werd het verlengen van het ouderschapsverlof als een manier aangehaald om het ouderschap te ondersteunen. Wat vindt u hier van?

 

Daar is iets voor te zeggen ja. In Zweden kan men bijvoorbeeld één jaar ouderschapsverlof opnemen. Een andere optie is om de uitkering van het ouderschapsverlof te verhogen. Als alleenstaande moeder kan je niets aanvangen met het ouderschapsverlof omdat de uitkering te laag is voor een alleenstaande. De overheid moet zich bezinnen over al die verloven die bestaan. Meestal gaan ze uit van heel normale, traditionele gezinnen en zijn ze helemaal niet aangepast aan de situatie van de alleenstaande ouder. We leven in een heel sociale samenleving, maar je moet met twee zijn om ervan te kunnen profiteren.

 

Een ander voorstel was het thuiswerk op te waarderen om op die manier een betere combinatie tussen werk en gezin te bewerkstelligen. Bent u hier voor te vinden?

 

Thuis werken heeft absoluut niets te maken met een betere combinatie tussen werk en gezin. Om het heel cru te stellen: ofwel werk je thuis, ofwel zorg je voor je kind. Het is complete onzin om te denken dat je thuis kan werken met een baby aan je voeten. Je moet die dingen compleet van elkaar loskoppelen. Als je als overheid thuiswerk wil stimuleren, dan doe je dat om het mobiliteitsprobleem op te lossen. Als bedrijf probeer je op die manier te zorgen dat je minder huur moet betalen omdat niet al je werknemers gelijktijdig aanwezig zijn of omdat het voor de mensen zelf productiever is om thuis te werken. Het heeft niets te maken met de opvang van kinderen.

 

Moet de wetgever bedrijven verplichten om kinderopvang te voorzien op de werkvloer?

 

Om economische redenen ben ik hier absoluut tegen. Bedrijven hebben het nu al zo moeilijk om zichzelf staande te houden in de geglobaliseerde wereld. Hoe meer verplichtingen je een bedrijf gaat opleggen, hoe groter de kans dat zij delokaliseren naar andere landen.

 

Kinderopvang behoort trouwens niet tot de kernactiviteiten van de bedrijven. Bedrijven hebben steeds meer de neiging om alles wat niet tot hun core-business behoort uit te besteden. Kinderopvang is geen taak van het bedrijf en moet er niet door georganiseerd worden. Wat wel kan, is dat een bedrijf contracten afsluit met onthaalmoeders of met crèches zoals in Nederland. Bedrijven kopen een paar plaatsen in de kinderopvang die ze aan werknemers met kinderen kunnen bieden. Dat zie ik perfect mogelijk, maar kinderopvang op de werkplek zelf is zowel economisch, als sociaal niet nuttig.

 

In de Universiteit Hasselt hebben wij een onderzoek gedaan bij het personeel naar de behoefte aan kinderopvang. Het antwoord was heel duidelijk. Werknemers verlangen daar niet naar. Zij hebben nood aan kinderopvang dicht bij de woonplaats. Je kan ook moeilijk je kinderen mee op de trein nemen of in de auto zetten als je bijvoorbeeld van Hasselt naar Brussel moet pendelen. Dat ga je je kind toch niet aandoen.

 

Nu, het is wel zo dat in sommige bedrijven en organisaties, en vooral daar waar veel vrouwen met flexibele uurroosters werken, er opvang georganiseerd wordt. Een ziekenhuis heeft vaak een crèche en daar is het ook heel makkelijk te organiseren. Laat dus de organisaties en bedrijven zelf beslissen of het kinderopvang al dan niet organiseert.

 

Vindt u dat een kind ook slechts voor enkele uren naar de kinderopvang mag gaan zodat de moeder bijvoorbeeld inkopen kan gaan doen?

 

Indien dit praktisch organiseerbaar is, waarom niet. Dit moeten de diensten of onthaalmoeders zelf beslissen. Ik vrees alleen voor de administratieve rompslomp.

 

Moet de ouder die beslist om te stoppen met werken om bij de kinderen te blijven ook een loon uitbetaald krijgen?

 

Via fiscale vrijstellingen krijgt de ouder die niet werkt in de praktijk een loon uitbetaald. Zo is het huwelijksquotiënt een vrij grote compensatie voor huisvrouwen (en –mannen). Bovendien is er het systeem van de werkloosheid voor alleenstaande moeders die onbeperkt in tijd een uitkering ontvangen als gezinshoofd. Dit is geen riante uitkering, maar wel voldoende om werkincentives voor deze vrouwen erg te verminderen. Daarnaast is er nog het ouderschapsverlof, de loopbaanonderbreking,… Er bestaat wel degelijk een loon voor de persoon die thuisblijft, alleen wordt het zo niet genoemd.

 

Natuurlijk kan je zeggen dat het bedrag van het ouderschapsverlof hoger moet zijn, dat het langer moet duren in de tijd. Als je met een tiener in huis zit, zou je de mogelijkheid moeten kunnen krijgen om een jaar thuis te blijven, het palliatief verlof zou uitgebreid moeten worden. Dat is allemaal bespreekbaar, maar de vraag op zich is eigenlijk pervers. De thuisblijvende moeder wordt al enorm ondersteund in het Belgische systeem.

 

Je moet ook de sociaal-economische realiteit voor ogen houden. België heeft één van de laagste werkzaamheidsgraden in Europa. Willen we onze welvaart behouden, dan is het absoluut noodzakelijk om de werkzaamheidsgraad te verhogen, met name van de moeders en de ouderen.

 

Wat vindt u van het idee van Walter Van Dongen om de dagopvang om te vormen tot volwaardig (gratis) dagonderwijs voor kinderen jonger dan drie jaar?

 

In combinatie met het verlengen van het ouderschapsverlof zou dit een oplossing kunnen zijn. Voor kinderen uit een minder gunstig thuismilieu zou dit ook goed zijn. Veel kinderen groeien op in armoedige omstandigheden. Doordat de bestaande voorzieningen vooral gericht zijn op de traditionele gezinnen, worden de kinderen die in precaire omstandigheden opgroeien vergeten. Dit legt een hypotheek op de maatschappij waar later de tol voor betaald wordt in de vorm van werkloosheid en criminaliteit. Een verhoging van het kindergeld kan een antwoord zijn op dit probleem.

 

Of het inrichten van dagonderwijs voor kinderen jonger dan drie jaar een realistische oplossing is, is een andere vraag. Kinderen jonger dan 2,5 jaar vragen een heel andere begeleiding dan zij die starten in de kleuterschool.

 

Ik pleit voor een écht kindvriendelijk beleid: daarom moet de overheid vooreerst de gezinnen ondersteunen om een behoorlijk inkomen te verwerven. Daarvoor is het noodzakelijk dat beide partners betaald werk verrichten. Daarnaast moet de overheid ervoor zorgen dat de combinatie arbeid-gezin leefbaar en aangenaam is. Dit kan ze enerzijds via een sociale wetgeving die allerhande (betaalde) verlofvormen mogelijk maakt en anderzijds door een kwaliteitsvolle, laagdrempelige en goedkope kinderopvang. Kijken we naar Europa dan zien we dat de Noord-Europese landen een hoger geboortecijfer kennen dan de Zuid-Europese landen. Het noorden moedigt de deelname aan de arbeidsmarkt (van mannen én vrouwen) en de kinderopvang is er zeer goed uitgebouwd. Daar wordt een echte familiale politiek gevoerd.

 

Riet Bulckens


 

De familiale omgeving en de beslissing om vervroegd met pensioen te gaan

GAILLARD, Mathieu

Centre de Recherche Interdisciplinaire pour la Solidarité et l’Innovation Sociale (CERISIS), Université catholique de Louvain (UCL)

 

DESMETTE, Donatienne

Centre de Recherche Interdisciplinaire pour la Solidarité et l’Innovation Sociale (CERISIS), Université catholique de Louvain (UCL)

 

Inleiding

De lage werkgelegenheidsgraad van 50-plussers, doorgaans ‘oudere werknemers’ genoemd, die de laatste jaren in België wordt opgemerkt[108], zet de federale regering aan om haar beleid betreffende (vervroegd) pensioen te wijzigen opdat mensen langer aan het werk zouden blijven. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het Generatiepact dat de Eerste Minister in 2005 voorstelde[109].

 

Om een doeltreffend beleid te kunnen voeren, is het echter noodzakelijk vooraf de redenen te begrijpen die werknemers aanzetten om vervroegd met pensioen te gaan. Naast de bedrijfsreorganisatie waarbij het vervroegde pensioen aan de werknemers kan worden opgelegd, kan het ook gaan om een bewuste keuze van de werknemer. Anderzijds kan een werknemer die een gelijkaardige baan uitoefent ook beslissen zo lang mogelijk aan het werk te blijven. Wat weten we van de redenen die een werknemer ertoe kunnen brengen om vrijwillig voor vervroegd pensioen te kiezen?

De factoren die aan de basis liggen van de beslissing om vervroegd met pensioen te gaan

Sommige studies over de factoren die aan de basis liggen van de beslissing om vervroegd met pensioen te gaan, houden rekening met de kenmerken van de individuen die al met vervroegd pensioen zijn. Andere studies, die uitgaan van de empirische vaststelling van een sterk verband tussen de intentie om met vervroegd pensioen te gaan (“ik ben van plan om vervroegd met pensioen te gaan”) en het daadwerkelijk met pensioen gaan enkele jaren later, onderzoeken de processen die aan de beslissing van vervroegd pensioen voorafgaan[110]. Zij hebben tot doel de keuze te voorspellen die de werknemers zullen maken op basis van een aantal kenmerken en gedragingen van de werknemers zelf.

 

Het meest systematische resultaat dat uit dit tweede type studies naar voor komt, is dat de houding van de zogezegd oudere werknemer ten opzichte van een eventueel vervroegd pensioen gunstiger is naarmate hij zich in slechte gezondheid voelt en hij weinig financiële moeilijkheden verwacht wanneer hij zijn loopbaan zou stopzetten[111]. De professionele omgeving van de werknemer is een andere betekenisvolle verklarende factor: moeilijke werkomstandigheden, meer bepaald op fysiek vlak en beperkte autonomie bij het uitvoeren van beroepstaken bevorderen een vervroegd vertrek[112]. Naast de factoren met betrekking tot de oudere werknemer zelf en zijn beroepsleven, geeft de traditionele benadering van de beslissing tot vervroegd pensioen aan dat de familiale omgeving een derde categorie factoren vormt waarmee we rekening moeten houden.

De familiale omgeving en de beslissing tot vervroegd pensioen

In het algemeen blijkt uit studies dat het belangrijk is rekening te houden met de gezinssamenstelling wanneer de familiale omgeving een rol speelt bij de intentie om vervroegd met pensioen te gaan. Het feit dat het huishouden veel hulpbehoevende personen telt bijvoorbeeld, is een rem op de intentie om met vervroegd pensioen te gaan[113]. Sommige studies geven aan dat de trend om zo lang mogelijk aan het werk te blijven om financieel tegemoet te komen aan de behoeften van het gezin, sterker is bij mannen dan bij vrouwen[114]. Het loon van mannen wordt immers traditioneel beschouwd als de voornaamste bron van inkomsten voor het huishouden.

 

In ditzelfde opzicht kan de gezondheidstoestand van de gezinsleden een belangrijke invloed uitoefenen op de keuze in verband met het loopbaaneinde. Zo blijkt dat vrouwen indien nodig stoppen met werken om voor naaste familieleden te zorgen (man, kinderen, maar vaak ook zieke ouders,…), terwijl mannen, in een gelijkaardige situatie, hun loopbaan voortzetten om voor voldoende inkomsten te zorgen[115]. Het ziet er dus naar uit dat, naast loonverschillen - het loon van de vrouw kan als bijkomstig worden beschouwd – ook verschillen in de sociale rollen opduiken bij de beslissing om de beroepsactiviteit al dan niet voort te zetten.

 

Naast variabelen verbonden aan pragmatische behoeften, handelt het koppel vanuit een andere, even fundamentele invalshoek, namelijk de norm en het gemeenschappelijke levensproject.

 

De zeldzame studies die aandacht schenken aan de impact van de sociale druk vanwege de partner wijzen op het aanzienlijke gewicht van de echtgenoot op de beslissing van de oudere werknemer om met pensioen te gaan. Zo stemmen echtgenoten het moment om met pensioen te gaan op elkaar af, omdat ze liever rond dezelfde tijd hun loopbaan stopzetten[116]. Deze trend om de loopbaan gelijktijdig stop te zetten, is des te meer uitgesproken wanneer de echtgenoten gemeenschappelijke hobby’s of plannen hebben[117]. Bovendien blijkt dat de intentie van een werknemer om met pensioen te gaan wordt versterkt wanneer hij regelmatig met zijn partner[118] spreekt over zijn vervroegd pensioen en wanneer deze laatste voorstander is voor een dergelijke beslissing[119].

 

De impact van de familiale omgeving op de beslissing om met vervroegd pensioen te gaan, kan ook het gevolg zijn van moeilijkheden met betrekking tot het gelijktijdig beheren van de professionele en familiale rollen, met andere woorden het gevolg van conflicten tussen privé- en beroepssfeer[120]. Hoe meer een baan de taken en projecten in het privé-leven verstoren, hoe groter de volledige of gedeeltelijke intentie om met vervroegd pensioen te gaan. Het ziet ernaar uit dat het vervroegd pensioen gaan een mogelijke oplossing is om een einde te maken aan familiale problemen die door professionele verplichtingen kunnen ontstaan zijn. Al deze resultaten, verkregen bij Amerikaanse en Europese werknemers, geven dus aan dat het belangrijk is rekening te houden met de familiale omgeving van de werknemer wanneer we de beslissing bestuderen om vervroegd op pensioen te gaan. Om na te gaan welke impact de familiale omgeving heeft op de intentie van de Franstalige Belgische werknemers om met vervroegd pensioen te gaan, hebben wij in het kader van de werkzaamheden van het CERISIS, empirisch onderzoek verricht tussen oktober 2004 en januari 2005.

Empirisch onderzoek[121]

 

Methodologie

De gegevens werden ingezameld aan de hand van een vragenlijst met gesloten vragen bestemd voor werknemers tussen 50 en 60 jaar. Deze mensen waren aan de slag bij Belgische organisaties die beschikten over een collectieve arbeidsovereenkomst die eindeloopbaanregelingen zoals vervroegd pensioen mogelijk maakte en die geen financiële problemen hadden (geen ‘gedwongen’ vervroegd pensioen). De uiteindelijke steekproef bestond uit 352 personen, waarvan 58% mannen en 42% vrouwen waren. 60% van de deelnemers was tussen 50 en 54 jaar oud en 40% was tussen 55 en 59 jaar oud. 77% van de deelnemers leeft met een partner en 23% zonder. De steekproef bestond uit 55% bedienden en 45% arbeiders.

 

Naast de intentie van de werknemers om volledig met vervroegd pensioen te gaan, werd ook de intentie onderzocht om de arbeidsduur te verminderen of met gedeeltelijk vervroegd pensioen te gaan.

 

Onder de verklarende factoren voor de eindeloopbaanbeslissing die in de vragenlijst zijn opgenomen, vinden we meer bepaald variabelen met betrekking tot het individu zelf en zijn familiale omgeving[122]. Op statistisch vlak werden multiple regressieanalyses uitgevoerd om de intentie om met vervroegd pensioen te gaan of de arbeidsduur te beperken, te voorspellen.

 

Resultaten

Met betrekking tot de persoonlijke kenmerken bevestigen de resultaten de rol van de opvattingen van een werknemer over zijn gezondheid en zijn financiële toestand bij zijn beslissing in verband met het loopbaaneinde. Zo blijkt dat een werknemer meer geneigd is om volledig of gedeeltelijk met vervroegd pensioen te gaan wanneer hij zich in slechte gezondheid voelt en weinig financiële problemen verwacht als hij zijn loopbaan vroegtijdig zou stopzetten.

 

Wat de rol van de familiale omgeving betreft, geven de analyses vooral aan, in tegenstelling tot wat de literatuur gewoonlijk weergeeft over de beslissing tot vervroegd pensioen, dat de intentie om met vervroegd pensioen te gaan of de arbeidstijd te beperken, los staat van het aantal hulpbehoevende personen in het huishouden. Mannen en vrouwen houden ook geen rekening met de gezondheidstoestand van de partner wanneer ze overwegen om met vervroegd pensioen te gaan of hun arbeidstijd te beperken. Hoe meer de werknemer echter spreekt van volledig of gedeeltelijk vervroegd pensioen met zijn partner en hoe meer hij meent dat de partner hem steunt in de beslissing, hoe meer hij geneigd zal zijn met vervroegd pensioen te gaan of zijn arbeidstijd te beperken. Wanneer er bovendien moeilijkheden zijn om familiale taken en projecten te verwezenlijken wegens professionele verplichtingen, heeft de werknemer de intentie om zijn arbeidstijd te beperken met de bedoeling zijn privé- en beroepsleven beter te combineren. Bijkomende analyses brengen aan het licht dat conflicten tussen de familiale en de beroepssfeer ook de intentie tot volledig vervroegd pensioen kunnen aanwakkeren, maar dan alleen bij vrouwen.

 

Net als in de literatuur benadrukken onze onderzoeksresultaten de noodzaak om rekening te houden met de familiale omgeving om de beslissing in verband met het loopbaaneinde te verklaren. Ook al speelt de aanwezigheid van hulpbehoevende personen in het gezin geen beslissende rol bij de beslissing om de loopbaan vervroegd stop te zetten, toch toont de invloed van de mening van de partner aan dat de beslissing tot vervroegd pensioen of arbeidsduurvermindering een beslissing is met een familiale dimensie. Aangezien bovendien de invloed van de familiale omgeving op deze beslissing zich ook uit via de interactie met de professionele activiteiten van de werknemer, lijkt het relevant aan te nemen dat deze beslissing steunt op een dynamisch proces dat niet enkel factoren omvat die betrekking hebben op de werknemer zelf en zijn professionele en privé-omgeving, maar ook op de manier waarop deze factoren onderling gecombineerd zijn. De traditionele benadering van het loopbaaneinde, ook al kunnen hiermee tal van factoren worden aangereikt die leiden tot deze beslissing, bevat weinig factoren met betrekking tot de problematiek van de vergrijzing van de werknemers.

 

Sinds enkele jaren worden werknemers die ouder zijn dan 50 jaar, een groep werknemers die langer aan het werk moeten worden gehouden, door de overheid en de organisaties weergegeven als ‘ouderen’. Daardoor kan de vergrijzing worden opgevat als een sociale constructie in die zin dat het gaat om sociale processen die bijdragen tot het vastleggen van grenzen tussen jong en oud en daardoor ook van de waarde die aan de groep ‘ouderen’ wordt gehecht in de maatschappij. In dit opzicht hebben wij de rol van deze sociale processen bestudeerd, en in het bijzonder de sociale identiteit van de ‘oudere werknemer’, bij de beslissing om met vervroegd pensioen te gaan[123].

De sociale identiteit van de oudere werknemer en de beslissing om vervroegd met pensioen te gaan

Werknemers van meer dan 50 jaar ‘oudere werknemers’ noemen, is niet zonder gevolgen voor het imago van deze mensen in de maatschappij. In België, net als in andere westerse landen, bestaan er immers heel wat stereotypen met betrekking tot de oudere werknemers[124]. Hoewel ervaring en professioneel inzicht gelden als positieve eigenschappen van de oudere werknemer, zijn de negatieve kenmerken overheersend: de oudere werknemer wordt bestempeld als werkmoe, wachtend op zijn (vervroegd) pensioen, weinig dynamisch, weinig flexibel en met een beperkt aanpassings- en innovatievermogen. Uitgezonderd de ervaring en het professioneel inzicht hebben oudere werknemers dus een eerder negatief imago in termen van professionele bekwaamheid.

 

In ons onderzoek komen sommige werknemers tussen 45 en 60 jaar sterker naar voor dan anderen in de groep van oudere werknemers. Welnu, het zijn net de personen die zichzelf zien als een ‘oudere werknemer’ die een houding aannemen in overeenstemming met het negatieve cliché van demotivatie dat wordt gekoppeld aan oudere werknemers waaronder de intentie om met pensioen te gaan. Dus hoewel de uitdrukking ‘oudere werknemers’ werd ingevoerd om een groep werknemers te identificeren die langer aan het werk moet worden gehouden, willen zij die zichzelf definiëren op basis van dit sociaal etiket net de wereld van de arbeid vroegtijdig vaarwel zeggen.

 

Op basis van dit resultaat lijkt het relevant de traditionele benadering van de beslissing tot vervroegd pensioen, die factoren bevat met betrekking tot de werknemer zelf en zijn professionele en familiale omgeving, aan te vullen met psycho-sociale processen, die zoals de identificatie van de oudere werknemers verband houden met de sociale constructie van de professionele veroudering.

Conclusies

Het multidimensionele karakter van de processen die een rol spelen bij de beslissing tot vervroegd pensioen getuigt van de noodzaak om het loopbaaneinde als een complexe problematiek te bekijken. Want zowel de invloed van de familiale omgeving, als de rol van psycho-sociale processen met betrekking tot de sociale constructie van de professionele veroudering tonen aan dat de beslissing tot vervroegd pensioen niet louter vanuit een individuele hoek moet worden onderzocht.  Bovendien benadrukt de impact van de moeilijkheden bij het gelijktijdig beheer van professionele en familiale verantwoordelijkheden op de beslissingen met betrekking tot het loopbaaneinde, het interactieve en dynamische aspect van de processen die een rol spelen.

 

In dit kader zouden de voorstellen om het systeem van het vervroegd pensioen te wijzigen minder moeten zijn ingegeven door een beginsel van uniformiteit van het loopbaaneinde. In een streven naar eerbied voor de levenskwaliteit van de werknemer zouden deze voorstellen eerder rekening moeten houden met zijn persoonlijke, organisatorische en familiale situatie en met de manier waarop hij/zij, meer bepaald in termen van identificatie, het vooropstellen van leeftijd als criterium voor de differentiatie van de werknemers beleeft.


 

Het is niet eenvoudig voor een vrouw om te werken als zelfstandige…

Interview met:

LEDOUX, Kathleen

Juridisch adviseur, sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen, Union des Classes Moyennes (UCM)

&

VOISIN, Françoise

Juridisch adviseur, Union des Classes Moyennes (UCM)

 

Wat is het huidige profiel van de zelfstandige vrouw?

 

Volgens de statistieken van het RSVZ[125] vertegenwoordigen vrouwen minder dan 30% van de Belgische ondernemers, als zelfstandige of meewerkende echtgenote. Uit deze resultaten blijkt dat 90% van deze vrouwen leven met een partner en kinderen hebben: zelfstandig zijn staat dus de organisatie van een gezinsleven niet in de weg. Verder stellen we vast dat de zelfstandige onderneemster veel tijd besteedt aan haar beroepsleven: sommige zelfstandige vrouwen besteden tot 60 uur per week aan hun beroepsactiviteit. In tegenstelling tot een wijdverspreide opvatting zou het statuut van zelfstandige dus geen toverformule zijn om arbeid en gezin beter te kunnen combineren.

 

Werkende moeders ondervinden grote moeilijkheden om beroep en gezin op elkaar af te stemmen. Hoe zit dat met de moeders die werken als zelfstandige?

 

Het hebben van kinderen is één van de specifieke moeilijkheden waarmee zelfstandige vrouwen kampen. Er is immers een alarmerend tekort aan opvangstructuren buiten de schooluren of voor kinderen die nog niet naar school kunnen (crèches). De openingsuren van de bestaande structuren en het aantal opvangplaatsen beantwoorden niet aan de behoeften van zelfstandige moeders. Een zelfstandige onderneemster heeft nood aan een structuur die het kind langer opvangt, ‘s morgens en/of ‘s avonds, omdat zij meer uren kloppen dan vrouwen die in loonverband werken of omdat zij op onregelmatige tijdstippen werken. Eén van de mogelijke oplossingen is volgens ons een prioriteit maken van fulltime[126] crèches of er plaatsen voorbehouden voor kinderen van zelfstandige vrouwen. In onvoorziene omstandigheden, bijvoorbeeld een ziek kind, kan de zelfstandige onderneemster haar bedrijf niet verlaten zonder de werking ervan te verstoren. Een werkneemster kan echter een dag verlof vragen – een recuperatiedag of zelfs een verlofdag zonder wedde – om deze moeilijke situaties het hoofd te bieden.

Een reflectie die tot een trieste vaststelling leidt: de moeilijkheid om gezin en onderneming te combineren heeft soms tot gevolg dat de ondernemingszin van de vrouw wordt afgeremd of dat ze haar onderneming niet kan uitbreiden, soms is ze zelfs genoopt haar bedrijf stop te zetten.

 

Kan de zelfstandige moeder een beroep doen op faciliteiten om gezin en beroep makkelijker te combineren?

 

Een zelfstandige onderneemster kan haar uren makkelijker aanpassen en haar werkplaats verlaten om familiale verplichtingen te vervullen (bijvoorbeeld om haar kinderen naar buitenschoolse activiteiten te brengen). Zij kan zelf haar arbeidstijd indelen, natuurlijk rekening houdend met de eisen van haar klanten (een makelaar die hoofdzakelijk ’s avonds tijd moet maken voor de huisbezoeken is daar een perfecte illustratie van). De zelfstandige onderneemster kan ook doorgaans makkelijker van thuis uit werken. Naar het voorbeeld van telewerk voor loontrekkers beschikken zelfstandigen over deze bijzonder geschikte mogelijkheid bij sommige beroepen of in sommige omstandigheden. Tot slot, kunnen de kinderen aanwezig zijn op de werkplaats van de ouder, ook al is dit uitzonderlijk.

 

In de recente persmededelingen van de UCM is er sprake van talrijke nieuwe beslissingen om het welzijn van de zelfstandigen te bevorderen (verhoging van de pensioenen, integratie van kleine risico’s…). Er werden ook andere maatregelen genomen op het gebied van ouderschapssteun en een betere afstemming van arbeid en gezin. Hoe zit het daarmee?

 

De voornaamste vooruitgang bij deze nieuwe bepalingen is de invoering van een sociaal statuut voor de meewerkende partner. Vóór de invoering van dit sociaal statuut had de meewerkende echtgenoot twee mogelijkheden: ofwel koos de partner vrijwillig voor een ministatuut, dat dekking bood voor ziekte- en invaliditeit, betreffende uitkeringen en moederschap, maar daar bleef het bij. Voorts genoot de partner een aantal afgeleide rechten, maar hij of zij had bijvoorbeeld geen enkel recht op pensioen. Ofwel koos de partner niet vrijwillig voor dit statuut. De meewerkende partner wordt dan beschouwd als iemand zonder beroep en geniet dus geen eigenlijke sociale bescherming. Bij een overlijden, een echtscheiding of het uiteenvallen van de gezinskern, was de meewerkende partner niet beschermd. Hij of zij belandde in een erg kwetsbare positie. Onder druk van de EU kregen deze meewerkende partners – waaronder 90% vrouwen – eindelijk een verplichte bescherming. Sinds 1 juli 2005 wordt iemand die gehuwd is of wettelijk samenwoont met een zelfstandige ondernemer en die geen rechten geniet in een ander statuut automatisch een meewerkende echtgenoot. Zij geniet dus dezelfde rechten als haar echtgenoot. In termen van gendergelijkheid is dit een hele stap vooruit.

 

Waar heeft een koppel recht op bij de komst van een kind?

 

Het moederschapsverlof voor zelfstandige moeders is opgetrokken van 3 naar 6 weken. Het ziekenfonds betaalt een moederschapsuitkering aan de moeders die deze 6 weken bevallingsrust daadwerkelijk opnemen. In dat geval ontvangt de moeder 2041 euro en 340 euro extra bij de geboorte van meerlingen. Momenteel bestaat er nog altijd geen adoptieverlof of daaraan verbonden uitkeringen. Deze maatregelen zullen echter binnenkort van kracht worden. De zelfstandige moeder heeft dus momenteel recht op 6 weken vergoede moederschapsrust. Er is geen vraag naar nog meer verlof, want zij is verplicht de moederschapsrust af te stemmen op de hervatting van haar activiteit.

 

Met betrekking tot de kinderbijslag wordt ook kraamgeld (en adoptiegeld) uitbetaald door het sociaal verzekeringsfonds. Dit kraamgeld bedraagt evenveel als voor loontrekkers. Sinds 1 januari 2006 komt de zelfstandige werkneemster ook in aanmerking voor gezinshulp in de vorm van dienstencheques die worden toegekend na de periode van de bevallingsrust. Deze dienstencheques zijn bedoeld voor huishoudelijke hulp. Wanneer zij haar beroepsactiviteit hervat, kan zij 70 dienstencheques aanvragen. Daarmee kan zij 70 uur vrijmaken om voor haar kind te zorgen. Deze dienstencheques moeten worden opgebruikt binnen de 8 maanden en onder dezelfde voorwaarden als de ‘gewone’ dienstencheques. Deze moederschapshulp zal binnenkort worden uitgebreid tot adoptiemoeders.

 

Wat vindt u van deze maatregel van moederschapshulp?

 

Deze maatregel is afgestemd op de behoeften van de zelfstandige onderneemster. Zij vraagt immers niet om meer moederschapsverlof, omdat zij dan het risico loopt klanten te verliezen. Wanneer zij naar huis gaat, hoopt zij wel meer tijd te kunnen doorbrengen met haar kind. Sinds december 2005 ontvingen de sociale verzekeringsfondsen veel aanvragen voor dienstencheques. Deze maatregel is dus een echt succes. Bovendien is de aanvraagprocedure niet te ingewikkeld: de aanvrager moet enkel beschikken over een erkenningsnummer van de dienstenchequeonderneming, de aanvraag binnensturen bij het sociaal verzekeringsfonds en een bewijs leveren van de geboorte van het kind. Deze stappen zijn ook nodig om recht te hebben op de wettelijke kinderbijslag. De optrekking van het moederschapsverlof van 3 naar 6 weken gaat met andere woorden gepaard met interessante compensaties (in de vorm van dienstencheques en financiële stimuli).

 

Hoe moet de zelfstandige haar 6 weken moederschapsrust dan organiseren?

 

De zelfstandige onderneemster moet voorbereidingen treffen voordat haar moederschaprust ingaat. Zij loopt natuurlijk altijd het risico dat een collega klanten afsnoept. Bovendien kan de klant altijd overstappen naar een concurrent wanneer de zaak niet meer open is. Hoe dan ook moet de zelfstandige onderneemster haar afwezigheid nauwgezet organiseren om de economische gevolgen van haar moederschap zoveel mogelijk te beperken. Deze organisatie staat echter niet in de weg dat zij een kind wenst en een gezin wil stichten.

 

Welke pistes zijn er om de combinatie van arbeid en gezin voor zelfstandige ouders te verbeteren?

 

Wat de professionele situatie van de zelfstandige vrouw betreft, beantwoordt het voorstel om de moederschapsrust te verlengen niet aan de realiteit waarmee deze vrouwen te maken krijgen op het terrein! Een langer verlof kan nadelig zijn voor de onderneming. Maar bij sommige beroepen kan de vervanging van de zelfstandige door een interimkracht (via dienstencheques) worden overwogen. Bovendien hebben de functies die vallen onder het stelsel van de dienstencheques bijna uitsluitend betrekking op huishoudelijk werk. Volgens ons is het dus nodig om in het precieze geval van moederschap de waaier aan mogelijkheden uit te breiden (kinderopvang, tuinonderhoud,…)

 

Wat zijn de eisen van de UCM met betrekking tot de gelijkschakeling van de uitkeringen die aan zelfstandigen worden uitbetaald?

 

Dit staat centraal in het debat. Het eerste kind van een zelfstandige krijgt minder kinderbijslag dan het kind van een loontrekker. Bovendien krijgt het jongste kind of het enige kind van een zelfstandige, in tegenstelling tot de kinderen van loontrekkers, geen leeftijdbijslag. De UCM eist dus deze gelijkschakeling en correcties, zonder echter de budgettaire impact ervan te onderschatten. Het kind van een zelfstandige krijgt dus niet dezelfde behandeling als het kind van een loontrekker…. Deze discriminatie valt niet objectief te rechtvaardigen. De beslissing om bij het begin van het schooljaar een tegemoetkoming uit te betalen, werd onlangs genomen met ingang op 28 augustus 2006. Was deze maatregel echt prioritair als we weten dat de gelijkschakeling van de gezinsuitkering nog altijd niet op de agenda staat? Het statuut van loontrekker waarborgt ruimere sociale rechten dan het statuut van zelfstandige. Wanneer het gezin uitbreidt, is het natuurlijk ideaal wanneer één van beide partners loontrekker is. In de meeste gevallen neemt de vrouw deze rol op zich. Het is jammer dat het vaak de vrouw is die, ondanks haar ondernemingszin, ‘verplicht’ wordt haar statuut van loontrekker te behouden.

 

Zijn er ook andere pistes?

 

Een zwangere werkneemster in loondienst kan worden verwijderd als haar werk een gevaar inhoudt. Maar een zwangere zelfstandige geniet deze bescherming niet. Dit is nog een grote discriminatie. Om komaf te maken met deze discriminatie, stelt de UCM voor om vervanging mogelijk te maken via het systeem van de dienstencheques of via een interimkracht, wanneer een zwangere zelfstandige gevaar loopt tijdens haar werk.

 

Aan al deze maatregelen hangt natuurlijk een kostprijs. Hoe kunnen ze worden gefinancierd?

 

De UCM is gekant tegen het idee om het plafond af te schaffen voor de bijdragen die zelfstandigen betalen. Bovendien heeft een dergelijke maatregel, die de kans op succes ondermijnt, waarschijnlijk een negatieve invloed op de inkomsten van het sociaal statuut. Als zelfstandigen die er goed voor staan voortaan bijdragen zouden moeten betalen op al hun inkomsten om de behoeften te financieren van de zelfstandigen die er minder goed voor staan, uit solidariteit, dan krijgt het economisch dynamisme en het persoonlijke succes een negatieve bijklank. Een dergelijke maatregel, die voornamelijk wordt gesteund door een bepaalde meerderheidspartij, is bovendien in strijd met ieders bereidheid om het Waals gewest dynamischer te maken. Tot slot kan de maatregel een communautaire crisis uitlokken.

 

Alle aangehaalde maatregelen ten gunste van de gezinsorganisatie moeten de professionele organisatie vergemakkelijken en dus de economische bloei van het land en de werkgelegenheid bevorderen. Het is een geheel. Het is niet de directe kostprijs die telt, het gaat om de ontwikkeling en aanmoediging van de ondernemerszin. In juni 2003 wilde de regering 200 000 banen creëren. Nu, in 2006, zijn we nog ver van die eindstreep. De kleine ondernemingen staan voor het gros van de economische opleving in het Waals gewest: 90% van de economische productiviteit van het gewest komt van deze ondernemingen. De ondernemingszin van vrouwen mag niet worden genegeerd, integendeel, hun ondernemingszin moet worden gestimuleerd.

 

Caroline Simaÿs


 

Een panoramische blik op gezinnen en de overheid

Niet alleen demografische en sociale ontwikkelingen hebben een impact op het gezin, ook de overheid heeft door het gevoerde gezinsbeleid invloed op de vorming en het functioneren van gezinnen. De ondersteuning die ze geeft, kan van tel zijn op het uiteindelijke kinderaantal. De inkomensbelasting kan mogelijk een beslissende factor zijn in de arbeidsverdeling binnen een gezin. Door de verschillende graad van bescherming tussen partners bij overlijden naargelang de samenwoonvorm, kan de stap om te trouwen/wettelijk samen te wonen misschien sneller gezet worden. In België stelt de overheid zich tot doel om elk gezin te beschermen en een gelijk niveau van welvaart te geven, ongeacht de aard van de gezinsvorm (Federale Overheid, 2006).

 

De verschillende technologische, sociale, culturele en politieke veranderingen in de samenleving zorgden ervoor dat naast het traditionele gezinstype (heteroseksuele huwelijksrelatie met een vader, moeder en kind(eren)) andere samenleeftypes, zoals éénoudergezinnen, samengestelde gezinnen of samenleefvormen zoals ongehuwd samenwonen en alleen wonen, zijn ontstaan. Hierdoor wijzigde ook de taakverdeling binnen een gezin. De overheid wil deze diversiteit politiek ondersteunen zodat elke burger in alle vrijheid kan kiezen voor een bepaalde manier van leven.

 

In dit hoofdstuk geven we een breed overzicht van enkele meer technische domeinen die gezinnen aanbelangen. Meer bepaald zullen we het hebben over ’de sociale zekerheid, de fiscaliteit en het burgerlijk recht. Hoewel we met deze onderwerpen veelvuldig in aanraking komen in het dagelijkse leven, zijn de discussies hieromtrent niet zo toegankelijk en worden zeer specifieke en domeingebonden termen gebruikt. Om die reden gebruiken we in dit hoofdstuk een andere opbouw dan in de andere hoofdstukken. Eerst geven we een kort historisch overzicht van enkele belangrijke ontwikkelingen en vervolgens wordt de huidige wettelijke situatie besproken. Op deze manier kan enig inzicht verworven worden in de bestaande wetgeving. Daarna volgen een aantal cijfergegevens waarin duidelijk wordt op welke manier deze regelingen een invloed hebben op het alledaagse leven. Tot slot volgt een kort overzicht met de belangrijkste discussiepunten binnen elk thema. Dit debat wordt gesitueerd aan de hand van stellingen die gebaseerd zijn op de vergaderingen van de Staten-generaal. Deze manier van werken geeft ons de mogelijkheid om op een overzichtelijke manier een uitgebreid en vaak technisch debat aan te snijden. De techniciteit van het debat maakt ook dat we onmogelijk alle finesses en uitzonderingen in het bestek van dit hoofdstuk kunnen behandelen. We kozen er heel duidelijk voor om enkel algemene lijnen duidelijk te maken in een breed kader dat als het ware de omgeving vormt voor de expert-hoofdstukken erna. Wie geïnteresseerd is in de exacte juridische achtergronden, verwijzen we door naar meer gespecialiseerde boeken over sociale zekerheid, fiscaliteit of burgerlijk recht.

De sociale zekerheid

Wie sociale zekerheid zegt, denkt aan bestaanszekerheid van zowel het individu als het gezin. Bij het ontstaan van het Belgische sociale zekerheidssysteem rond 1880 lag de nadruk vooral op het behoud van de levensstandaard van de burgers. De laatste jaren komt de gezinsdimensie echter steeds meer op de voorgrond. Via uitkeringen en verlofregelingen probeert de overheid de gezin/werk-balans in evenwicht te houden. Er worden maatregelen genomen om het welvaartsverlies ten gevolge van het hebben van kinderen te beperken.

 

We starten met een overzicht van de ontstaansgeschiedenis en de strijd die is geleverd voor de rechten waar we vandaag de dag allemaal van kunnen genieten. Wellicht het bekendste voorbeeld (dat sinds 1930 bestaat) is het recht op kinderbijslag. Van recentere aard zijn de (verlof)regelingen met betrekking tot het ouderschap en hulp aan familieleden, die vanaf de tweede helft van de jaren 1990 in het leven geroepen zijn. De verschillende soorten gezinsbijslagen en andere hulp vanuit de sociale zekerheid aan gezinnen worden kort overlopen. Naderhand reconstrueren we het maatschappelijk debat dat gevoerd wordt over de kinderbijslag.

Het Belgische systeem van sociale zekerheid

De basis van het huidig sociaal beleid in België werd in 1944 gelegd door de ondertekening van het ‘Sociaal Pact’. Het was de technische vastlegging van de wildgroei aan wetten rond sociale bescherming voor werknemers. ‘Sociale vrede’ tussen werkgevers en werknemers en ‘solidariteit’, zowel horizontaal als verticaal, waren de achterliggende gedachten bij deze overeenkomst. Horizontale solidariteit duidt op de herverdeling van geld tussen burgers die veel en zij die weinig risico lopen. Mensen met een handicap bijvoorbeeld hebben meer nood aan financiële ondersteuning door de overheid dan andere personen. Hoewel ze beide evenveel bijdragen aan de sociale zekerheid, krijgt deze eerste groep er meer van terug. Verticale solidariteit gaat om de herschikking van inkomsten tussen zij die veel verdienen en zij die zich in de lagere inkomenscategorieën bevinden (Deleeck, 2001; FOD Sociale Zekerheid, 2006a).

 

De kerntaak van de sociale zekerheid is, volgens Herman Deleeck, de burgers behoeden voor inkomensverlies wanneer er zich sociale risico’s voordoen. Hiermee bedoelt hij (1993; 2001) dat deze organisatie bescherming moet bieden tegen pensionering, werkloosheid, ziekte en/of ongeval. Daarnaast heeft zij ook een inkomensaanvullende functie. Door gezinsomstandigheden (kinderlast, gezinslid met functiebeperking) of sociale risico’s (ziekte) kunnen gezinnen aanspraak maken op financiële extra’s (Van Haegendoren, 1995).

 

In de meeste Europese landen kan het sociale zekerheidsstelsel herleid worden tot twee grote ideaaltypen: het Bismarckiaans of het Beveridgiaans systeem, genoemd naar de (vermeende) grondleggers. In het systeem ‘Bismarck’ krijgt de werknemer die geen inkomen uit arbeid meer heeft een vervangingsinkomen om dezelfde levensstandaard te kunnen behouden. Om dit systeem te bekostigen, moet de werknemer tijdens zijn actieve jaren een bijdrage aan de staat betalen. In de filosofie van Beveridge kan elke burger genieten van bestaanszekerheid en niet enkel de werknemers (Deleeck, 2001; FOD Sociale Zekerheid, 2006b; Marquet & Plaideau, 2004).

 

BISMARCK was een Pruisische kanselier die op het eind van de 19de eeuw leefde. Hij introduceerde als één van de eerste staatshoofden in Europa een vorm van sociale verzekering. Er was evenwel een beperking: enkel de werkende bevolking kon aanspraak maken op deze inkomensgarantie. Pensioenen werden gefinancierd door werknemers en werkgevers die een bijdrage betaalden aan de staat. De uitkering was gekoppeld aan het loon zodat de levensstandaard van de werknemer gegarandeerd kon blijven indien een bepaald risico zich voordeed.

 

LORD BEVERIDGE vond dat heel de bevolking recht had op bestaanszekerheid. Deze Britse econoom, die voor de Eerste Wereldoorlog moet gesitueerd worden, pleitte voor eenzelfde forfaitaire uitkering voor elke burger. Deze werd toegekend bij werkloosheid, ziekte en pensionering.

 

Bronnen: (Deleeck, 2001; FOD Sociale Zekerheid, 2006b).

 

In de Belgische sociale zekerheid zien we de ideeën van beide grondleggers terugkomen. Een Bismarckiaans element is bijvoorbeeld dat de hoogte van de pensioenuitkering gekoppeld is aan de (duur van de) loopbaan en het inkomen van de persoon. Er is eveneens een Beveridge-inslag merkbaar. De terugbetaling van ziekenhuiskosten voor iedereen is hier een voorbeeld van (Cantillon, 1999a; FOD Sociale Zekerheid, 2006b; Marquet & Plaideau, 2004).

 

Ons sociaal zekerheidsstelsel is ontstaan in de marge van de opkomende industrialisering. Het hoofddoel was eerder gericht op de verbetering van de werk- en leefomstandigheden en het welvaartsniveau van de arbeiders dan om het gezin te beschermen. Soms hadden de genomen maatregelen als bijkomstigheid een positieve uitwerking op gezinsvlak. De organisatie van arbeid wijzigde door de industriële revoluties op het einde van de 18de en 19de eeuw. Mannen, vrouwen en kinderen werkten niet meer thuis, maar verplaatsten zich elke dag naar een fabriek. De omschakeling van een agrarische naar een industriële samenleving zorgde ervoor dat veel mensen in de stad, dicht bij de fabrieken, gingen wonen. De arbeidersklasse was geboren. De overheid zag dat de arbeiders sociale problemen kenden en in armoede leefden, maar reageerde amper. Het was wachten tot de Waalse arbeidersopstanden in 1886 tot ook zij rechten kregen. Er kwamen wetten die betrekking hadden op de arbeidsvoorwaarden, arbeidsverhoudingen en sociale verzekering. Deze sociale verzekering was echter niet verplicht[127] zoals in Duitsland of Engeland en werd voornamelijk vanuit het privé-initiatief aangemoedigd. Hierdoor ontwikkelden zich de zuilen, organisaties die als basis een bepaalde wereldbeschouwelijke visie hebben.

 

Tussen de twee wereldoorlogen, in de periode 1918-1940, kende de democratie een doorbraak. Koning Albert I voerde het algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen in en hervormingen maakten dat de levensomstandigheden van de arbeiders drastisch verbeterden: de lonen werden aangepast aan de levensduurte (1920) en aangevuld met kinderbijslag (1930)[128], de ziekteverzekering dekte meer kosten, de pensioenverzekering voor werknemers werd verplicht (1924)[129],… Voor de uitbetaling van deze uitkeringen zorgden de mutualiteiten of de vakbonden die door de overheid ruim gesubsidieerd werden.

 

Door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog (1940), werd de denkoefening naar het hoe en wat van een verplichte ziekte- en werkloosheidsuitkering onderbroken. In 1944 pikte men de draad weer op met het ontwerp van een sociaal pact, dat de basis legde voor het huidige systeem van sociale bescherming. Een verplichte verzekering met een centrale bijdrage-inning en veralgemeende patronale bijdrage zag het levenslicht. Deze verzekering had betrekking op vijf sectoren: gezinsvergoedingen, ziekte en invaliditeit, werkloosheid, rust- en overlevingspensioenen en jaarlijkse vakantie. De keuze voor bijdragen in plaats van belastingen zorgde ervoor dat arbeid als productiekost zwaar belast werd (Deleeck, 2001; Witte e.a., 1997). Deze sectoren kunnen tot op de dag van vandaag opgesplitst worden in maatregelen die verband houden met ‘arbeid’ en ‘gezin’. Door aanpassingen doorheen de tijd bestaan er naast deze klassieke sociale zekerheid, ook residuaire regelingen: het leefloon, de inkomensgarantie voor ouderen, de gewaarborgde gezinsbijslag en de tegemoetkoming aan personen met een handicap zijn hier voorbeelden van (Deleeck, 2001; FOD Sociale Zekerheid, 2006a).

 

De verschillende statuten

 

Werknemers die verbonden zijn aan een werkgever door een arbeidsovereenkomst, zoals bedienden en arbeiders, vallen onder het sociale zekerheidsstelsel voor werknemers. Ambtenaren, personen die werken aan het statuut van de openbare dienst, behoren tot het ambtenarenstelsel. In het stelsel van de zelfstandigen ten slotte, zitten alle mensen die een beroepsactiviteit uitoefenen zonder aangeworven te zijn met een arbeidscontract of statuut. Er bestaan tussen deze drie stelsels kleine en grotere verschillen in rechten en uitkeringen.

 

Bronnen: (Deleeck, 2001; FOD Sociale Zekerheid, 2006a).

 

Gezinnen met kinderen kunnen rekenen op een aantal tegemoetkomingen van de overheid. Zo hebben ouders recht op een aantal verloven specifiek verbonden aan het ouderschap[130]. Om de levensstandaard te behouden, worden fiscale voordelen toegekend. Gezinnen krijgen een aantal kosten terugbetaald (studiebeurs) of kunnen rekenen op een vermindering (gebruik van het openbaar vervoer). Er zijn ook geldelijke uitkeringen voorzien bij de geboorte (kraamgeld) en voor de opvoeding van het kind (kinderbijslag) (Cantillon e.a., 1996). In bijlage[131] zijn alle bestaande tegemoetkomingen voor gezinnen opgenomen. 35% van de gezinnen in België zou zonder dit systeem in kansarmoede leven (Deleeck, 2001). Ons land kent zeer lage armoedecijfers en inkomensongelijkheden al bevestigen studies (D'olieslager & De Boyser, 2005) dat de ongelijkheid in ons land tussen 1985 en 2002 toegenomen is.

Gezinsbijslagen

Het idee achter de gezinsbijslagen is dat een kind in een gezin extra kosten meebrengt. Om hieraan het hoofd te kunnen bieden, ontvangen ouders een extra toelage die hen in staat moet stellen een gedeelte van deze meerkost op te vangen (Doublet, 1990). Iedereen maakt aanspraak op de gezinsbijslagen indien men voldoet aan een aantal voorwaarden. Er moet een rechtgevend kind in het gezin zijn. Dit wil zeggen dat het kind verwant moet zijn met de persoon die het recht op gezinsbijslag geopend heeft. Deze persoon wordt de rechthebbende genoemd. Tot 18 jaar heeft ieder kind wettelijk gezien recht op kinderbijslag. Deze grens komt overeen met de leerplicht en kan, onder bepaalde voorwaarden, uitgebreid worden tot 25 jaar. Een kind met een handicap heeft steeds tot 21 jaar recht op kinderbijslag. Het rechtgevend kind moet in België worden opgevoed. Door internationale overeenkomsten en verordeningen van de EU, wordt dit criterium steeds soepeler gehanteerd. Het bedrag wordt uitgekeerd aan de bijslagtrekkende, dit is meestal de moeder of het meest naaste familielid (Cantillon e.a., 1996; FOD Sociale Zekerheid, 2006a; Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting, 2001).

 

Er bestaan zes soorten gezinsbijslagen: de gewone kinderbijslag, de wezenbijslag, de forfaitaire bijslag voor kinderen die geplaatst zijn bij een particulier, het kraamgeld en de adoptiepremie en de sociale bijslagen.

 

Gewone kinderbijslag

Door financiële steun van de overheid in de vorm van kinderbijslag krijgt elk kind de mogelijkheid om zich maximaal te ontplooien en te ontwikkelen op basis van zijn/haar individuele capaciteiten. Dit geld wordt niet belast.

 

Er wordt nauwelijks gekeken naar het gezinsinkomen of –type bij de toekenning van dit bedrag. Er bestaat wel een verschil naargelang het beroepsstatuut van de rechthebbende, de rang van het kind ten opzichte van de andere kinderen in het feitelijke gezin (1e kind = rang 1, 2e kind = rang 2,…), de leeftijd en de gezondheidstoestand. Als een kind geen recht meer geeft op kinderbijslag, schuiven de rangen op (1e kind = geen recht meer, 2e kind = rang 1,…). Bij nieuwsamengestelde gezinnen wordt de rang van een kind bepaald door ze te groeperen rond de bijslagtrekkende. Het gewaarborgd kinderbijslagfonds keert de bijslag uit aan die gezinnen die het recht op kinderbijslag niet kunnen openen. (FOD Sociale Zekerheid, 2006a).

 

Werknemers en ambtenaren ontvangen ongeveer dubbel zo veel kinderbijslag per maand voor een kind van rang 1 in vergelijking met zelfstandigen. De regering heeft de intentie om de kinderbijslag voor het eerste kind van zelfstandigen vanaf midden 2007 op te trekken tot ongeveer het niveau van de werknemers. Vanaf rang 2 en hoger is er geen onderscheid meer naargelang het beroepsstatuut van de ouders.

 

De kinderbijslag wordt afhankelijk van de leeftijd van het kind verhoogd. De drie leeftijdscategorieën zijn: 6 tot 11 jaar, 12 tot 17 jaar en vanaf 18 jaar. Zelfstandigen krijgen geen leeftijdsbijslag voor hun enig kind of het jongste kind.

 

Door het bedrag per kind in een huishouden te laten stijgen, houdt de overheid rekening met de stijgende kosten van een groter gezin. Dit is de rangprogressiviteit van de kinderbijslag. Grote gezinnen hebben onder andere nood aan een groter huis of een grotere auto. Voor het eerste kind (rang 1) krijgt de bijslagtrekkende het minste kindergeld. Dit bedrag wordt verhoogd voor het tweede kind. Vanaf het derde en volgende kind geldt een maximumbedrag.

 

Kinderen die een aandoening of handicap hebben, krijgen tot hun 21 jaar een bijkomende bijslag. Voor zij die geboren zijn voor 1 januari 1996 wordt een procentuele schaal en een zelfredzaamheidschaal gebruikt om te bepalen of een kind recht heeft op deze bijslag. De kinderen die na 1 januari 1996 geboren zijn, worden beoordeeld op basis van een medisch-sociale schaal. In functie van de ernst van de gevolgen van de aandoening krijgen ze meer financiële middelen. Deze vaststelling gebeurt op het gebied van lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid (pijler 1), graad van activiteit en participatie (pijler 2) en familiale omgeving (pijler 3)[132] (FOD Sociale Zekerheid, 2006b).

 

Wezenbijslag

Indien één van de ouders overlijdt, ontvangt de overlevende ouder of iemand anders een extra bedrag per maand zolang er geen nieuwe partner bij het gezin inwoont (FOD Sociale Zekerheid, 2006b).

 

Forfaitaire bijslag voor kinderen geplaatst bij een particulier

Als een kind geplaatst wordt, krijgt de persoon die het kind opvoedde voor de plaatsing een vast bedrag. Zo zijn (een deel van) de financiële kosten gedekt die noodzakelijk zijn om een band met het kind te onderhouden en een terugkeer voor te bereiden. Dit bedrag kan ingehouden worden indien er geen regelmatig contact meer is tussen de ouder en het geplaatste kind of als er geen blijk van belangstelling meer is voor het kind (FOD Sociale Zekerheid, 2006b).

 

Kraamgeld

Bij de geboorte van ieder kind dat recht geeft op kinderbijslag krijgen de ouders kraamgeld. Onder bepaalde voorwaarden hebben ouders van een kind dat dood geboren is, recht op kraamgeld. Bij de geboorte van het eerste kind ontvangt men het meest, voor elk kind dat daarna volgt, is de toegekende uitkering lager. Bij meerlingen krijgt de bijslagtrekkende voor elk kind het maximumbedrag, wat gelijk is aan het bedrag van de geboorte van een kind van rang 1 (FOD Sociale Zekerheid, 2006b).

 

Adoptiepremie

Onder bepaalde voorwaarden krijgen ouders die een kind adopteren deze premie. Het bedrag is gelijk aan het kraamgeld voor een kind van rang 1 (FOD Sociale Zekerheid, 2006b).

 

Sociale bijslagen

Pensioengerechtigden, volledig uitkeringsgerechtigde werklozen en arbeidsongeschikte werknemers, hebben vanaf de zevende maand van de werkloosheid of de arbeidsongeschiktheid recht op een sociale bijdrage indien een bepaald maximuminkomen niet overschreden wordt. Het maximaal toegelaten bedrag schommelt naargelang het gezinslid een gezinshoofd is of niet en het soort inkomen waarover deze persoon beschikt (vervangings- of beroepsinkomen) (FOD Sociale Zekerheid, 2006b).

Verloven verbonden aan gezinnen

Elk koppel en elk individu moet op een vrije en verantwoorde manier kunnen beslissen over het aantal kinderen dat zij wensen en de geboortespreiding (X, 2004). Ouderschap mag geen reden zijn voor discriminatie of een belemmering vormen voor de carrière. Tijdens de Staten-generaal van het Gezin lag de nadruk op de ontplooiing van de kinderen en de gelijkheid tussen man en vrouw bij de geboorte van een kind. Mannen maken namelijk minder gebruik van verloven die hieraan verbonden zijn.

 

Vrouwen genieten een moederschapsbescherming. Deze gaat in vanaf het moment dat ze haar werkgever inlicht over haar zwangerschap. Het doel is om de moeder in zo gunstig mogelijke arbeidsomstandigheden te laten werken zodat de gezondheid niet geschaad wordt. De moederschapsbescherming houdt een ontslagbescherming in, die geldt tot een maand nadat de moeder terug is beginnen te werken. Vrouwen kunnen van een inkomensgarantie genieten zodat een zwangerschap hen geen financiële kater bezorgd (FOD Sociale Zekerheid, 2006b; FOD Werkgelegenheid Arbeid en Sociaal Overleg, 2006).

 

Daarnaast biedt de wetgeving verschillende verlofregelingen aan om als ouder de nodige tijd te kunnen vrijmaken om bij het kind te zijn: moederschapsverlof, moederschapshulp, vaderschapsverlof, adoptieverlof, ouderschapsverlof, tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de prestaties tot een deeltijdse betrekking. Ook kan verlof aangevraagd worden in geval van bijstand of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid of voor een persoon die aan een ongeneeslijke ziekte lijdt. In dit laatste geval moet het niet om een familielid gaan (FOD Werkgelegenheid Arbeid en Sociaal Overleg, 2006).

Debat

In het voorgaande situeerden we heel breed de verschillende vormen van gezinsbijslagen en verloven die bestaan voor de Belgische gezinnen. Nu gaan we dieper in op een aantal smeulende kwesties binnen deze thema’s. Na een korte situering van de problemen die gesteld worden, worden de voornaamste discussiepunten behandeld. Dit gebeurt aan de hand van stellingen die gebaseerd zijn op de debatten die plaatsvonden binnen de Staten-generaal.

 

Gewone kinderbijslag

Een overheid kan op drie verschillende manieren omgaan met gezinnen met kinderen. Ten eerste is er de idee dat het hebben van kinderen een keuze is van het koppel. Volgens deze denkwijze moet de gemeenschap niet tussenkomen in de meerkost die deze beslissing veroorzaakt. Een andere zienswijze stelt dat elk kind een gelijke behandeling verdient en dus recht heeft op eenzelfde bedrag. Gelijke herverdeling staat hier centraal. Ten slotte kan de maatschappij de kosten voor levensonderhoud en opvoeding van kinderen op zich nemen. Het is immers in het belang van het voortbestaan van de staat (Staten-generaal van het Gezin cyclus II, 2006).

 

In België zijn de laatste twee visies van belang in de discussie rond het systeem van kinderbijslag in zijn huidige vorm. Twee vragen komen steeds terug: aan wie behoort het recht op kinderbijslag? En welke kosten moet de kinderbijslag dekken? Om hierop een antwoord te kunnen geven, moeten we nagaan of kinderbijslag een recht is dat gekoppeld is aan het bestaan van het kind, een recht van het kind of van de ouders. Deze vraag verwijst naar de breuklijn tussen individu en gezin en hangt samen met de tweede vraag: de kosten van een kind. Ook hier moet een afweging gemaakt worden tussen een universalistische benadering waarbij de kinderbijslag voor elk kind even hoog is ongeacht de achtergrondsituatie en een selectieve benadering waarbij kinderbijslag gezien kan worden als een middel om armoede te bestrijden. Onderzoek heeft immers uitgewezen dat voor 10,7% van de gezinnen de aanvulling van het gezinsinkomen door kinderbijslag noodzakelijk is. Het aantal gezinnen dat arm is zonder het inkomen uit kinderbijslag in rekening te brengen, bedroeg 13,6% in 1997. Door het kindergeld wel mee te tellen, halveert het percentage gezinnen dat in armoede leeft tot 6,7%. Vooral in grote huishoudens heeft de kinderbijslag een invloed: 30,0% is bestaanszeker door de kinderbijslag (Cantillon e.a., 2003; Cantillon e.a., 1996).

 

Cantillon, e.a. (1995) becijferden dat de kostprijs van alle gezinsbijslagen in België minimaal 3,3 miljard euro bedroeg in 1992. 77,3% van dit bedrag werd uitbetaald door de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers (RKW), 9,5% door het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen voor Zelfstandigen (RSVZ) en 13,1% door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de Provinciale en Plaatselijke Overheidsdiensten (RSZPPO) (Cantillon e.a., 2006). Over de jaren heen varieerde het percentage van het Bruto Binnenlands Product (BBP) dat besteed werd aan gezinsbijslagen. Waar dit in 1961 3% bedroeg, steeg dit tot 6,5% in 1985. Daarna daalde het weer en in 1997 bedroeg dit nog 4,5% van het BBP (Deleeck, 2001). Het aantal gezinnen dat kinderbijslag ont