Families in beweging,
Een gezinsbeleid op maat?

BULCKENS RIET - MORTELMANS DIMITRI - CASMAN MARIE-THÉRÈSE - SIMAŸS CAROLINE

 

 

 

 

 

Dankwoord

Dit boek is opgevat als een fotoalbum van Belgische gezinnen. Een fotoalbum waarin vele facetten van gezinnen en gezinsbeleid getoond worden. Bij de aanvang van dit boek willen de auteurs dan ook iedereen bedanken die betrokken is geweest bij de totstandkoming van dit boek. Want hoewel slechts enkelen ‘door de lens keken’ hebben velen bijgedragen aan de hier samengebrachte scènes.

 

In de eerste plaats willen wij alle deelnemers van de verschillende werkgroepen van de Staten-generaal van het Gezin bedanken. Hun medewerking heeft ervoor gezorgd dat de debatten over gezinsaangelegenheden, die tijdens de vele bijeenkomsten gevoerd werden, de brede achtergrond, het landschap als het ware, vorm hebben gegeven.

 

Ook de experten, die voor dit boek hun mening, raad en inzichten over gezinsbeleid en over de band tussen gezinnen en verschillende levenssferen hebben gegeven, willen wij van harte bedanken. Deze bijdrages vindt u verspreid over heel het boek terug.

 

Ook alle personen die van dichtbij of veraf hebben meegewerkt aan het nalezen van de teksten, het feedback geven of het met ons in discussie treden over gezinsthema’s, zijn wij onze dankbaarheid verschuldigd. Heel in het bijzonder denken we daarbij aan alle onderzoeksgroepsleden van het Centrum voor Longitudinaal en Levensloop Onderzoek (CELLO, Universiteit Antwerpen) en het Panel Démographie Familiale (Universiteit van Luik). Voor de beide fantastische ploegen: een welgemeend ‘dank u wel’.


 

Voorwoord

Het gezin is steeds een ijkpunt geweest voor de evolutie van de maatschappij. Sinds enkele jaren is het gezin ook opgenomen binnen het ‘millenniumproject’ van de Verenigde Naties (VN).

Dit feit heeft toegestaan dat er echte voor­uitgang geboekt werd in de aanschouwing van het gezin. Ik denk meer bepaald aan de verzoening tussen het beroepsleven en het familiale leven.

Er zijn echter nog problemen. Niettegenstaande meerdere maatregelen voor een oplossing van sommige knelpunten, voelen de gezinnen nog steeds belangrijke ongelijkheden tussen de verschillende gezinsvormen onderling.

Het gebrek aan informatie, de evolutie van de economische conjunctuur en het gebrek aan coördinerende actoren voor wat betreft de bestaande maatregelen, sporen ons soms aan om opgelegde keuzes te maken, die geleid worden door verplichtingen en begrotingsdwang, zonder steeds rekening te kunnen houden met alle eisen verbonden aan de verschillende gezinsvormen. Deze keuze duwt ons in een richting om maatregelen te kiezen die garant staan voor de opbloei van zo veel mogelijk gezinnen.

België kent een bevolkingsevolutie en een wijziging van zijn gezinsorganisatie, die zich voordoet in het beeld van het merendeel van de Westeuropese landen.

Die evolutie vertaalt zich in een lichte bevolkingsgroei en in verschillende socio- demografische wijzigingen, zoals nieuwe gezinsvormen en nieuwe culturen. Parallel hiermee maken we kennis met een verhoogd aantal echtscheidingen en meer geboortes buiten het huwelijk om. Daarbij leidt een verlenging van de gemiddelde leeftijd naar een hoger aantal personen die de bijstand van een zieke of afhankelijke op zich nemen.

Bewust van deze sociologische evolutie heeft de Belgische overheid geopteerd voor een begeleidingspolitiek van deze nieuwe gezinsvormen en is zij vatbaar voor tegelijkertijd de juridische erkenning ervan en de verzekering dat binnen deze nieuwe context individuen hun rechten en plichten bewaren.

Het verloop van de Staten-generaal van het Gezin, waarbij burgers, gezinsorganisaties, onderzoekers en medewerkers op het terrein nauw samengewerkt hebben met de vertegenwoordigers van de overheid, met het oog op het formuleren van aanbevelingen waarop latere beslissingen in het voordeel van de gezinnen genomen worden, is ook een procédé geweest van opbouw voor de politieke overheid, ter bijdrage van coherente programma’s en intenties die op verschillende Belgische beslissingsni-veaus ontwikkeld zijn.

De programma’s die bijdragen tot de ondersteuning van ouders in hun taak als opvoeders, als draagkrachten van veranderingen en als hoofd van het ‘gezinsondernemen’ mogen hier geciteerd worden.

De ouders zijn ook de hoofdspelers voor de duurzame ontwikkeling van de gezinnen en moeten daardoor bepaalde voorwaarden toegekend krijgen. De noden van de gezinnen dienen beantwoord te worden en ouders moeten kunnen genieten van een sociale, professionele en juridische stabiliteit, vergezeld van een kwaliteitsservice, aangepaste vergoedingen voor de opvoeding van het kind… De gezinsonderneming moet ook bloeien in een respect van gelijkheid van geslachten.

De overheid dient ook rekening te houden met het ontstaan van een zeer zwakke nieuwe bevolkingsgroep, namelijk de éénoudergezinnen.

De Staten-generaal van het Gezin heeft in belangrijke mate het regeringswerk tijdens de volledige regeringslegislatuur ondersteund. Meerdere belangrijke maatregelen zijn direct geïnspireerd op de Staten-generaal en hebben het gezin de kans gegeven zich middenin de politieke besluitvorming een plaats te verwerven.

Ik denk meer bepaald aan de verbetering van de verlofregeling om gezinsredenen, de evolutie van het gezinsrecht en een betere kijk op de gelijkheid van de ouders en het belang van het kind bij scheidingen. Ik denk ook aan een verbetering van de gezinsvergoedingen, via de schoolpremie en een verhoging van het kindergeld voor het eerste kind bij zelfstandigen…

De aanbevelingen vanuit de Staten-generaal van het Gezin leiden als een rode draad doorheen de overheidsbeslissingen.

Door op een klare wijze de universitaire wereld met dit werk te associëren, heb ik de mogelijkheid gecreëerd voor een kritischer en objectiever beeld van het overleg en de kans gegeven om een baken voor de toekomst uit te zetten.

De publicatie die u voor ogen heeft, is het resultaat van 2 universitaire ploegen uit Luik en ­Antwerpen, die de werkzaamheden van de Staten-generaal bijstonden en die op mijn vraag een uitgebreid beeld geven van het Belgische gezin. Dit werk is dus geen samenvatting van de werkzaamheden van de Staten-generaal van het Gezin, maar eerder een verduidelijking ervan. Ik heb de wens uitgedrukt dat dit boek toegankelijk zou zijn voor een zo breed mogelijk publiek en dat het aan iedereen, professioneel of privé, vertegenwoordiger van het middenveld of de overheid, de mogelijk geeft om zich een denkbeeld te vormen over de toekomst van de gezinnen.

Ik ben ervan overtuigd dat wij voor een formidabel project staan waarin voor iedereen op zijn/haar maat een plaats bestaat en waarbij ieder een doeltreffend deel moet bijdragen.

Een verandering kan niet opgelegd worden, maar kan wel verdiend worden.

Zij is vooral het resultaat van een onvermoeibare samenwerking tussen de verschillende maatschappelijke actoren binnen een democratisch bestel dat gestimuleerd wordt door de overheden.

 

De Staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap


 

Een foto-album van Belgische gezinnen

Is ‘het’ gezin nog in beeld te brengen?

Wanneer we televisie kijken, lijkt het vaak dat deze wereld samengesteld is uit heel sterk op elkaar gelijkende mensen: groot, slank en steeds goedgemutst en blij. Een stereotiep beeld dat nog wordt versterkt in de reclame waarbij het televisie-imago nog verder verwijderd is van de dagelijkse realiteit waarin wij leven. Als we gezinnen in de reclame opgevoerd krijgen dan primeert hier nog steeds het aloude beeld van een vader, een moeder en (één of) twee kinderen. Het cliché eist dan dat er één jongen (de oudste) en één meisje (vaak op kleuterleeftijd) leeft in dat voorbeeldgezinnetje. Eén oerbeeld lijkt alvast wél naar de annalen van de televisiegeschiedenis verplaatst te zijn: vader werkt en moeder zorgt voor de kinderen. In het standaard televisiegezin, welke samenstelling het ook heeft, gaan zowel vader als moeder uit werken. Hoe zij daarbij zorgen voor de opvang van hun kleuter of hoe de oudste naar de voetbaltraining raakt, wordt meestal niet in beeld gebracht.

 

In dit boek vertrekken we niet van dit televisie-cliché. We kijken niet naar de wereld die voor dertig televisieseconden het gezin noodzakelijkerwijs reduceert tot een kenmerkend beeld dat misschien niet eens meer de grootste gemene deler in België is. We willen een beeld geven van de dagelijkse leefwereld van de Belgische gezinnen en de veelkleurigheid aan leefvormen die we momenteel hierin kunnen aantreffen. Dat beeld vullen we aan met een overzicht van hoe de overheid omgaat met deze diversiteit, hoe een beleid gericht op gezinnen al dan niet tegemoet komt aan de veelheid van gezinstypen en de complexiteit die hier vaak mee gepaard gaat. Vanuit het standpunt van de overheid schakelen we over naar dat van de gezinnen. We bekijken immers ook de manier waarop dat gezinbeleid invloed heeft op het dagelijkse leven en de levensloop van gezinnen en de individuen die er in leven. We bekijken hoe generaties elkaar steun geven: kinderen aan hun ouders, grootouders aan hun kleinkinderen, gezonde aan zieke familieleden. Tot slot willen we ook kijken naar de historische ontwikkelingen die gezinnen doorgemaakt hebben. De gezinnen van vandaag hebbenimmers hun roots in de gezinnen van hun voorouders en in het beleid dat toen ten aanzien van gezinnen werd gevoerd.

 

Die historische evolutie van het gezin is groter dan doorgaans aangenomen wordt. Het beeld van wat nu het ‘traditionele’ gezin wordt genoemd waarbij vader uit werken gaat en moeder zich bekommert om de zorg voor de kinderen en het huishouden, kortweg het kostwinnersmodel, is een gezinsmodel dat, zoals we zullen zien, slechts een korte periode dominant geweest is in ons land. In de 19de eeuw werkten mannen, vrouwen én kinderen om te kunnen overleven. De vrouwelijke arbeidsparticipatie werd geleidelijk aan minder gewaardeerd en zij kregen een zorgtaak toevertrouwd. Vanaf de jaren 1960 werd opnieuw een nieuwe richting aangenomen en betraden vrouwen in grote getale de werkvloer. Vandaag de dag bepalen tweeverdieners het welvaartsniveau en komen éénverdienergezinnen in een vaak benijdenswaardige positie terecht. De toenemende verstedelijking in de 19de eeuw, de opkomende arbeidersklasse en de verlengde levensduur hadden een grote invloed op de toenmalige gezinssituatie: woonplaats en werkplek werden van elkaar losgekoppeld, kinderen bleven langer thuis wonen, door de stijgende levensverwachting en het dalende geboortecijfer woonden drie generaties vaak in hetzelfde huishouden. De fundamenten van het gezin bleven echter dezelfde: er was een blijvende en noodzakelijke familiale solidariteit en financiële loyaliteit tussen de gezinsleden. Deze ondersteuning gebeurde niet altijd plichtsbewust waardoor de overheid zich genoodzaakt zag om mensen te verplichten, in de mate van het mogelijke, hun ouders (geldelijke) steun te verlenen.

 

Een twintigtal jaar na de Tweede Wereldoorlog zien we opnieuw een belangrijke evolutie. Een langzame waardenverschuiving ten aanzien van gezin en samenleving maakt dat het huwelijk aan populariteit inboet, het aantal echtscheidingen sterk stijgt, gezinnen minder kinderen krijgen en nieuwe gezinsvormen ontstaan zoals het ongehuwd samenwonen, éénoudergezinnen, nieuwsamengestelde gezinnen en personen die alleen wonen (Lesthaege & Verleye, 1992). In toenemende mate krijgt het ‘gezin’ als maatschappelijke instelling geen overlevingsfunctie meer toebedeeld maar verwerft het een emotionele invulling waarvan de invloed vooral te merken is bij de partnerkeuze, het al dan niet huwen en de houding ten opzichte van kinderen. Waar men er vroeger vanuit ging dat je een partner moest hebben om je toekomst te verzekeren, wordt het aangaan van een verbintenis nu eerder een stap in het proces naar persoonlijke voldoening. Een partner wordt niet meer uit rationele overwegingen gekozen, maar eerder uit liefde. Kinderen worden niet meer gezien als economische wezens die geld kosten of opbrengen, maar krijgen tijd en ruimte om ‘kind’ te zijn (Depaepe, 1998; Hareven, 1995). Ondanks alle veranderingen en de nieuwe vormen die gezinnen aannemen, blijven zij één van de belangrijkste factoren van sociale integratie in onze samenleving.

De toenemende diversiteit aan gezinssamenstellingen en de veranderingen in het denkbeeld over het gezin en de levensloop, hebben een vernieuwde politieke belangstelling gecreëerd. Steeds meer wordt het duidelijk dat deze maatschappelijke veranderingen nieuwe uitdagingen stellen aan het beleid. Het mannelijk kostwinnersmodel stond immers model bij de uitbouw van de welvaartsstaat na de Tweede Wereldoorlog. Vandaag de dag wordt duidelijk dat de ondersteuning van gezinnen op wetgevend vlak niet langer overeen komt met de hedendaagse levensloop en de diversiteit aan gezinsvormen. Ook is het duidelijk dat ‘gezinsbeleid’ niet langer eenduidig door één minister, laat staan op één afgebakend beleidsdomein, te voeren is. Gezinsbeleid is zo mogelijk even divers als het gezin zelf. Maatregelen in verschillende beleidsdomeinen en bestuursniveaus hebben immers een impact op het gezin.

Het gezin, enkel in de privé-sfeer? Niet echt.

Het gezin staat niet los van de overheid met haar regels. Ze is verbonden met het beeld en het idee over ‘het gezin’ in de samenleving. De federale staat, gewesten en gemeenschappen, kortom de publieke instellingen, bieden, op een directe of indirecte manier, hulp aan de gezinnen door diensten aan te bieden in de samenleving. In 2003 verscheen voor het eerst sinds de overheveling van ‘persoonsgebonden’ aspecten naar de gemeenschappen het gezinsbeleid terug op het federale toneel. Vanuit een nood aan evaluatie van het (federale) gezinsbeleid werd een Staatssecretariaat voor Gezinnen en Personen met een Handicap opgericht. Deze ging het debat aan met de belangenverenigingen in dit domein, politiek verantwoordelijken, academici en het brede publiek. De debatten werden samengebracht in twee cycli van de Staten-generaal van het Gezin. Op het einde van elke Staten-generaal werd een pakket concrete voorstellen overgemaakt aan de Staatssecretaris om het politieke debat over de nieuwe uitdagingen voor het gezinsbeleid aan te sterken en om concrete voorstellen aan te reiken om dringende problemen aan te pakken in allerlei levenssferen.

Ontstaan van dit boek

Dit boek is gegroeid in de marge van de cycli van de Staten-generaal van het Gezin. Het wil in de eerste plaats een aanvulling vormen op het werk dat in de Staten-generaal verricht werd door het huidige beleid te verduidelijken. Deze achtergrond wordt daarbij in de eerste plaats gezien als informatie over het bestaande wettelijk kader waarin gezinnen en het gezinsbeleid zich vandaag bevinden. We maken als het ware een panoramische foto. Daarnaast staat het boek ook stil bij het huidige gezinsbeleid en hoe dat vorm kan krijgen.. Smeulende kwesties en verschillende zienswijzen worden daarbij uitgediept. Enerzijds zijn deze debatten naar voor gekomen in de werkgroepen van de Staten-generaal, anderzijds zijn ze gehaald uit standpunten en discussies die elders worden gevoerd. We proberen deze tegenstellingen in de verf te zetten, beseffend dat de soep vaak niet zo heet gegeten wordt als we ze opdienen. Als auteurs kozen we ervoor om ons zwart-wit op te stellen om een en ander scherper te positioneren.

 

Naast de achtergrondinformatie over het wettelijke kader en de discussies ten aanzien van het bestaande kader en de uitdagingen in het gezinsbeleid, geven we in dit boek ook ruimte aan andere stemmen. Meer dan twintig middenveldorganisaties, academici, ambtenaren en politici werden aangezocht om hun visie te geven op een aspect uit het gezinsbeleid dat hen het meest aanbelangt of het sterkst intrigeert. Hun bijdragen vormen een reeks close-ups die de veelkleurigheid van gezinsvormen, stellingen en standpunten aanvullen met een waaier van visies uit de praktijk. Het is uitdrukkelijk niét de bedoeling om met dit boek een academisch werkstuk af te leveren. We kiezen er voor om geen grote sociologische of psychologische theorieën te brengen over gezinnen, noch om gedetailleerde juridische informatie over reglementen en wetten voor te schotelen. Het primaire doel van dit boek is om informatie en visies over gezinnen en gezinsbeleid in een leesbaar formaat te verpakken en zo de geïnteresseerde lezer mee te nemen in deze boeiende thematiek die elk van ons in het dagelijkse leven niet onberoerd laat.

 

Als uitgangspunt voor de opbouw van het boek hebben we de indeling genomen van de werkgroepen van de tweede Staten-generaal van het Gezin. Er waren drie thematische groepen actief: arbeid, overheid en samenleving. In het boek houden we deze indeling aan. Eerst bieden we in vogelperspectief het brede kader van het thema en de achtergronden waarna we enkele deskundigen uit het veld laten ingaan op specifieke deelthema’s.

 

In een eerste deel starten we, door de gegevens van de Panelstudie Belgische Huishoudens (PSBH)[1] te gebruiken, met een algemene rondleiding over de plaats van het gezin in onze hedendaagse samenleving. We gaan dieper in op de demografische tendensen in België en kijken hoe deze een impact hebben op de leefwereld van gezinnen en gezinsleden. In het tweede deel staat het arbeidsleven centraal. We staan hierbij stil bij de combinatie van persoonlijk en professioneel leven, ‘oudere’ werknemers en de transitie naar het pensioen. Er wordt ook aandacht besteed aan een aantal specifieke situaties zoals gezinnen die een persoon met een handicap opvangen, werkzoekenden en zelfstandigen. Het derde deel behandelt de sociale zekerheid, fiscale en juridische maatregelen met betrekking tot het gezin. Hierin worden de debatten over de kinderbijslag, het huwelijksquotiënt en het ouderschap in geval van echtscheiding behandeld. In het vierde deel plaatsen we het gezin in de samenleving centraal. Thema’s zoals intergenerationele solidariteit binnen en buiten het kerngezin en de rol van formele en informele zorg, geweld in de maatschappij, de gelijkheid tussen mannen en vrouwen komen aan bod. Ook het armoedevraagstuk wordt bekeken vanuit een gezinscontext. Geen van deze vier hoofddelen wordt afgesloten met een besluit. De terugkoppeling naar al deze delen, gebeurt in een vijfde afsluitend deel. In dit deel worden de aanbevelingen van de Staten-generaal van het Gezin samengevat en ronden we af met een slotbeschouwing over de verschillende thema’s in het boek en de mogelijke richtingen waarin het gezinsbeleid kan evolueren.


 

Een panoramische blik op demografische ontwikkelingen

Gezinsfoto’s doorheen de tijd

Gezinnen zijn doorheen de geschiedenis steeds in evolutie geweest. Zo zien we na de Tweede Wereldoorlog een enorme toename van geboorten, de gekende naoorlogse ‘babyboom’. Vandaag de dag is het aantal geboortes echter gekelderd. In combinatie met de stijgende levensverwachting kunnen we nu veel langer genieten van onze ouders, grootouders en overgrootouders. Deze evoluties zorgen in de 21ste eeuw voor een veroudering van de bevolking, waarover later meer. Ook het huwelijksgedrag is drastisch gewijzigd. Waar het huwelijk vroeger dé instelling was om kinderen te krijgen, worden de fundamenten hiervan steeds onvaster. Het aantal huwelijken blijft dalen terwijl het aantal echtscheidingen lange tijd gestegen is en momenteel op een hoog niveau stabiliseert. “Sinds de ommekeer in de jaren 1970 in alle West-Europese landen, is het gedrag van gezinnen veranderd: er zijn meer koppels die feitelijk samenwonen en kinderen die niet binnen het huwelijk worden geboren - wat in heel wat landen als normaal wordt beschouwd - het aantal echtscheidingen blijft toenemen en het vruchtbaarheidscijfer daalt. Een ‘koppel’ zijn, is minder en minder een verbintenis ‘voor het leven’ en de link tussen huwelijk en ouderschap verzwakt(Monnier, 2006, p.8). Naast het verstand en de bloedlijn speelt voortaan ook liefde een rol bij het samenleven. De band tussen twee personen, die huwen of samenwonen, houdt alleen stand als er ook sprake is van liefde. Heel wat mensen gaan uit elkaar, het aantal nieuwsamengestelde gezinnen neemt toe, maar ook het aantal mensen dat zich eenzaam voelt, stijgt. De ouderlijke band daarentegen overleeft het huwelijk wel. Het huwelijk is in de hoofden van de hedendaagse koppels immers geen noodzaak meer om kinderen te krijgen. Het concubinaat – een verouderde en gestigmatiseerde term – heeft plaats geruimd voor een meer gangbaar fenomeen: het ongehuwd samenwonen. Uit deze relatie tussen ongehuwde personen worden kinderen geboren, ontstaan duurzame relaties, maar deze relaties monden, zelfs vaker dan bij het huwelijk, ook in een aantal gevallen uit in een relatiebreuk.

 

Een scheiding betekent echter niet het einde van het gezin (Dortier, 2002). Hoewel het gezin van de jaren 1960 strikt genomen niet meer de norm is, luidt een scheiding niet langer het einde van het gezin in, maar eerder de vorming van gezinnen. De gezinsband heeft immers een duurzaam karakter. We leven misschien niet heel ons leven meer in hetzelfde gezin, maar vormen een ander gezin met nieuwe gezinsleden en behouden de band met de vorige gezinsleden. We leven in het tijdperk van vervlochten verwantschappen[2]. De belangstelling voor het gezin verwatert niet, wel het duurzame karakter van het gezin.

 

Echtscheidingen en nieuwe levenswijzen hebben geleid tot verschillende soorten gezinnen die gevormd worden naargelang de personen en levensfasen waarin ze zich bevinden. Door de nieuwe gezinssamenstellingen neemt het aantal schoonmoeders, -vaders, -dochters en -zonen toe en ontmoeten kinderen uit nieuwsamengestelde gezinnen elkaar, met de rugzak, in verschillende woningen. Ook het aantal éénoudergezinnen neemt toe. Vaak gaat het daarbij om alleenstaande moeders die financieel zwak staan. Dit fenomeen gaat hand in hand met de toename van het aantal alleenstaande personen. Alleen zijn staat echter niet meer gelijk aan eenzaamheid. Het vrijgezellenleven wordt niet meer vereenzelvigd met het ouderwetse beeld van de ongehuwde ‘oude vrijsters’. Alleen door het leven gaan, is geen afwijkend levenspad meer. Een periode als ‘single’ wisselt zich immers vaak af met een periode van samenwonen, een huwelijk of een relatie waarbij ieder zijn eigen stek heeft,… Naar analogie met de arbeidsmarkt kennen ook koppels vandaag de dag contracten van bepaalde duur, periodes van ‘werkloosheid’ en gevoelsmatige overplaatsingen.

 

De verklaring voor deze omwentelingen binnen het gezin wordt gezocht bij de emancipatie van de vrouw, het betreden van de arbeidsmarkt door de vrouw, de verspreiding van de anticonceptie, de veranderingen op de arbeidsmarkt, het einde van de financiële afhankelijkheid van de vrouw ten opzichte van haar echtgenoot, een andere invulling van vrije tijd, de algemene evolutie naar flexibiliteit, het toenemende belang van zelfstandigheid, individualisme,… De combinatie van deze redenen leidde tot een reeks historische veranderingen die we samenvatten als de Tweede Demografische Transitie (zie kader).

 

Demografische transities in België

 

De Eerste Demografische Transitie heeft betrekking op de historische veranderingen die plaatsvonden in de periode van 1860 tot 1960. Het gaat om de volgende veranderingen:

·         de daling van het sterftecijfer, eerst bij de volwassenen en vervolgens bij de kinderen en baby’s,

·         de daling van het vruchtbaarheidscijfer, in België ongeveer omstreeks 1870, eerst in Wallonië en vervolgens in Vlaanderen,

·         een verschuiving van huwen op latere leeftijd (veel definitieve vrijgezellen) naar trouwen op steeds jongere leeftijd (weinig definitieve vrijgezellen)

 

De Tweede Demografische Transitie omvat de veranderingen die in België zichtbaar werden vanaf 1960. In chronologische volgorde:

·         de ‘babyboom’ die zijn hoogtepunt bereikte in 1964 en de ‘babybust’ (kelderen van het geboortecijfer), het vruchtbaarheidscijfer blijft tot vandaag laag,

·         de ‘seksuele revolutie’ en de ‘anticonceptierevolutie’ van de jaren 1960,

·         de aanhoudende trend van uitstel van huwelijk en ouderschap,

·         de afname van het aantal huwelijken na de dood van de partner of een echtscheiding,

·         de toename van het aantal echtscheidingen en huwelijken van steeds kortere duur,

·         de ontwikkeling vanaf de jaren 1970 van het (ongehuwd) samenwonen zowel in de periode voor het huwelijk als in de periode na de dood van de partner of na een echtscheiding (voor- en nahuwelijks samenwonen),

·         stijging van het aantal buitenechtelijke kinderen bij samenwonende koppels sinds 1985.

 

Bron: (Boulanger e.a., 1997).

De vergrijzing van de bevolking

Hoewel het bevolkingsaantal in België nog steeds blijft stijgen, is dit eerder te danken aan de vergrijzing en het toenemend aantal migranten, dan aan het aantal geboortes. Het aantal kinderen nam in België immers zowel in absolute als in relatieve cijfers af, terwijl het aantal ouderen, zoals in alle geïndustrialiseerde landen, toenam. Deze vergrijzing van de bevolking, als gevolg van de toegenomen levensverwachting en de daling van het geboortecijfer, zien we duidelijk in de leeftijdspiramide[3]: de vorm die in 1881 opgetekend werd, lijkt niet meer op de huidige vorm. Sinds ongeveer honderd jaar vernauwt de basis ten voordele van de top.

 

Bron: (FOD Economie, 2006a)

 

Bron: (FOD Economie, 2006a)

 

Na twee eeuwen ononderbroken groei, springt de demografische achteruitgang nog meer in het oog (Docquier, 1995). De rem op de immigratie zorgt niet langer voor een groter aantal inwoners die het dalende vruchtbaarheidscijfer kunnen compenseren. Samen met de daling van het sterftecijfer leidt dit tot een toenemende veroudering van de bevolking, de zogenaamde vergrijzing.

De daling van het vruchtbaarheidscijfer

In cijfers…

Het aantal geboortes wordt enerzijds bepaald door het vruchtbaarheidscijfer en anderzijds door het aantal vrouwen op vruchtbare leeftijd (Docquier, 1995). Er is een vruchtbaarheidscijfer van 2,1 kinderen per vrouw nodig om de vervanging van het bevolkingsaantal te waarborgen. In 1973 zakte het vruchtbaarheidscijfer onder deze drempel en in 2005 lag dit in België op 1,72 kinderen per vrouw (Eurostat, 2006a). De vele kinderen die in België werden geboren tijdens de babyboom (1945-1970) zijn intussen zelf ouders geworden en compenseren momenteel, dankzij hun talrijke aantal, het zwakke voortplantingsgedrag.

 

Hoewel het geboortecijfer sinds 1975 toeneemt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, tekenen de twee overige gewesten nog altijd een voortdurende daling op. Het aantal geboortes per 1000 inwoners bedroeg in 1975 respectievelijk 12,2; 12,4 en 11,5 voor Vlaanderen, Wallonië en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, terwijl deze cijfers in 2005 respectievelijk 10,6; 11,4 en 15,4 waren. Vlaanderen kent de sterkste daling van het geboortecijfer (FOD Economie, 2006a).

 

Kortom, het aantal personen jonger dan 19 verliest terrein ten opzichte van de totale Belgische bevolking. In 1990 vertegenwoordigde deze groep 24,8% van de totale Belgische bevolking, terwijl dit percentage in 2006 daalde tot 23,1% (FOD Economie, 2006a).

… en gedachten

Zowel de evolutie als de waarden van de arbeidsmarkt hebben een invloed gehad op de daling van het vruchtbaarheidscijfer. In de arme bevolkingsgroepen en gezinnen hebben zowel mannen als vrouwen altijd al de krachten gebundeld en zijn ze gaan werken om het (over)leven van zichzelf en hun naaste familieleden te verzekeren. Ook kinderen werden al snel aan het werk gezet. Niet-werken was een voorrecht voor mannen en vrouwen uit de rijkere klasse. In de tijd van de industriële revolutie werkten zowel mannen, vrouwen als kinderen in de fabrieken en koolmijnen. De professionele taakverdeling was toen (en nu nog) gendergebonden en de lonen waren ongelijk[4]. De naoorlogse periode en de daaropvolgende 30 jaar brengen misschien geen andere realiteit, maar wel een andere mentaliteit. Hoewel de vrouw in sommige lagen van de arbeidersklasse in de fabriek blijft werken, blijft de man de kostwinner van het gezin, terwijl de figuur van moeder aan de haard het stereotype wordt van de vrouw die echtgenote en kinderverzorgster is. Werkende vrouwen werden bijgevolg minder gewaardeerd. Tijdens de hele 19de eeuw had de overgrote meerderheid van de mannen, zowel uit de bourgeoisie als uit de arbeidersklasse, een sterke seksistische visie, die getekend werd door religie: vrouwen zijn ondergeschikt aan mannen, zijn van nature zwakker en hun plaats is aan de haard om het huishouden te doen en te zorgen voor de kinderen. Aan dit idee werd gedurende verschillende decennia vastgehouden. Sinds de jaren 1970 en 1980 is de vrouw materieel onafhankelijker geworden van haar echtgenoot waardoor de taakverdeling binnen het huishouden in beperkte mate veranderde. Het tweeverdienermodel is momenteel de norm in het streven naar gendergelijkheid, maar ook om tegemoet te komen aan de behoeften en verlangens op het gebied van consumptie.

 

Het tijdperk van de nieuwe man? Maar wat dan met de verdeling van de huishoudelijke taken? 

 

De Panel Studie van Belgische Huishouden licht een tipje van de verdelingssluier van Belgische gezinnen op. Aan de PSBH-koppels werd gevraagd wie welke taak binnen het huishouden op zich neemt en dat op basis van een lijst van negen huishoudelijke taken: de woning schoonmaken, boodschappen doen, koken, de was doen, tuinieren en klussen, de administratie regelen, het dagelijkse geldbeheer, de bankverrichtingen regelen en het spaargeld beheren. Deze vragen werden jaarlijks gedurende de 11 onderzoeksjaren (1991-2002) gesteld. Het is boeiend om een vergelijking te maken tussen het eerste en het laatste enquêtejaar om na te gaan of er een evolutie is tussen het begin en het einde van deze onderzoeksperiode. Niet helemaal tot onze verbazing stellen we vast dat de evolutie tijdens de afgelopen tien jaar helemaal niet de tendens volgt van het ‘nieuwe man’-verhaal. In 2002 nam de overgrote meerderheid van de vrouwen immers nog steeds de dagelijkse huishoudelijke taken op zich. We stellen vast dat ‘de was doen’ een taak is die mannen het minst uitoefenen (slechts 7% van de mannelijke ondervraagden). De woning schoonmaken en het dagelijkse budget beheren lijkt evenmin hun favoriete activiteit, hoewel er toch al iets meer mannen deze taken op zich nemen (respectievelijk 26,1% en 26,6% in vergelijking met 89,9% en 89,1% voor de vrouwen). De meerderheid van de mannen verklaarde dat ze wel eens boodschappen doen en de administratieve zaken beheren. Het zijn echter eens te meer hoofdzakelijk vrouwen die deze taken voor hun rekening nemen. Enkel wat het tuinonderhoud en de klusjes betreft spannen mannen de kroon: 79,5% mannen tegenover 41,1% vrouwen. Sparen is de enige taak die meer op koppelniveau gebeurt en waarbij we weinig verschil tussen de geslachten kunnen vaststellen.

 

Bronnen: (Mortelmans e.a., 2003; PSBH, 1992-2002).

 

De kinderwens van vrouwen hangt echter af van verschillende fenomenen die bewust of onbewust hun invloed uitoefenen. Wanneer je financieel krap bij kas zit, wordt de combinatie van werken en het gezin een obstakel voor het moederschap. Kinderen krijgen en blijven werken blijft voor hedendaagse koppels een dagelijkse uitdaging. Vragen die hier naar boven komen, gaan over de kwestie of ouderschapssteun[5] de kinderkeuze van deze koppels beïnvloeden? Hoe kunnen mensen hun kinderwens waarmaken als beide ouders moeten blijven werken om hun levenskwaliteit en die van hun kinderen te behouden?

 

Het nieuwe waardenklimaat maakt dat koppels veel later trouwen of samenwonen en het ouderschap uitstellen. Dit alles leidt tot een daling van de gemiddelde omvang van het huishouden[6]: in 1970 telde een huishouden nog 2,95 leden in vergelijking met 2,4 in 2000 en 2,3 in 2005. Zogenaamde ‘kroostrijke’ gezinnen komen nog nauwelijks voor. Deze beweging begon al tijdens de 19de eeuw waarin er steeds minder vrouwen waren die meer dan acht, vervolgens zeven, vervolgens zes,… kinderen kregen (Monnier, 2006).

 

Het voorbeeld van België is frappant: gezinnen met 3 kinderen of meer komen steeds minder vaak voor. In 1970 maakten dit gezinstype nog 16,2% van alle gezinnen uit, terwijl dit aantal in 2005 is teruggezakt tot 8%. Het aantal kinderloze koppels blijft dan weer stabiel. Vooral de evolutie van het aantal alleenstaande moeders is verontrustend: hun aandeel is verdrievoudigd tussen 1970 en 2005 (zij vertegenwoordigen vandaag 16% van de gezinnen met kinderen). Ook het aantal alleenstaande vaders stijgt: een verdrievoudiging in dezelfde periode, al maken ze in 2005 slechts 6,2% van alle gezinskernen uit[7].

 

Stijging van de levensverwachting

Dat Europa vergrijst, staat vast. In heel Europa is het aandeel 65-plussers tussen 1950 en 2000 gestegen van 8 naar 15%. In 1950 bedroeg de leeftijd waarboven een kwart van de Europese bevolking zich bevond 48 jaar. Bij de eeuwwisseling was dit 56 jaar (de Groote & Truwant, 2003; Monnier, 2006). Door de daling van het geboortecijfer verkleint de basis van de leeftijdspiramide. De ouderen aan de top worden steeds talrijker. Vandaag de dag is 100 jaar worden geen voorpaginanieuws.

 

In België vond de eerste vergrijzingsfase plaats rond 1880, wat vooral na de Eerste Wereldoorlog merkbaar was. In 1900 vertegenwoordigen de 65-plussers slechts 6,2% van de totale bevolking. In 1935 bedroeg dit percentage 8,3% en in 1950 11% (Boulanger e.a., 1997). In tegenstelling tot wat men zou kunnen denken, moet de oorzaak van deze vergrijzing eerder bij het vruchtbaarheidscijfer gezocht worden dan bij de daling van het sterftecijfer. De stijgende levensverwachting gold immers niet alleen voor volwassenen. De kindersterfte werd drastisch teruggedreven. Op deze manier wordt ook bijgedragen aan de verjonging van de samenleving. Pas op het einde van de 20ste eeuw zorgde een vermindering van het aantal vrouwen op vruchtbare leeftijd voor een daling van het vruchtbaarheidscijfer en voor de vergrijzing van de bevolking. Het resultaat is dat er steeds minder kinderen geboren worden wat bijgevolg zorgt voor een inkrimping van de basis van de bevolkingspiramide.

 

Vandaag vertegenwoordigen 65-plussers ongeveer 17% van de bevolking, waarvan het merendeel vrouw is (FOD Economie, 2006c). De veroudering van de babyboom-generatie roept heel wat vragen op. Aan de ene kant financiële vragen: er is een grote bezorgdheid over de financiering van het huidige sociale zekerheidssysteem door beroepsinkomsten van de huidige generatie werkenden. Anderzijds roept de vergrijzing ook sociale vragen op omtrent het welzijn van senioren en de intergenerationele solidariteit. “De overheid staat voor een nieuw demografisch gegeven dat het Europa van de 21ste eeuw typeert: de vergrijzing van de bevolking en het probleem van de pensioenen. De staat moet dit gegeven aanpakken met een Europese bevolking van wie de voortplanting niet gegarandeerd is. Het probleem betreft op macro-sociologisch vlak weliswaar de economen en politici, maar heeft ook een enorme impact op de intergenerationele familiale betrekkingen(Segalen, 2002, p.65). Omdat de sociale evolutie in de loop van de 20ste eeuw zorgde voor een duidelijker onderscheid tussen het pensioen (het einde van het arbeidsactieve leven) en het totale verlies van zelfredzaamheid (Casman, 2002), leven we nu in een meer intergenerationele maatschappij waarin grootouders en overgrootouders meer functies vervullen.

Huwelijken en echtscheidingen

Huwelijken

Het uitstellen van de huwelijksleeftijd heeft zich reeds halverwege de 19de eeuw ingezet. Ongeveer 20% van de mannen en vrouwen bleven in die tijd hun hele leven vrijgezel. Vanaf 1950 veranderde deze trend: het aantal ‘levenslange vrijgezellen’[8] nam af en de mensen trouwden op vroegere leeftijd. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen deze trends in een stroomversnelling die tot in de jaren 1960 aanhield: het aantal vrijgezellen bereikte een minimum en het aantal gehuwden in de leeftijdscategorie van 20 tot 24 jaar nam fors toe. Vóór 1960 bleef het aantal echtscheidingen erg gering. Anders gezegd: zodra een koppel huwde, bleven de echtgenoten samen tot de dood hen scheidde. Het huwelijk en het gezin waren onaantastbare instellingen. Hierin is de laatste decennia radicaal verandering in gekomen.

 

Hoewel in België de traditionele huwelijksverbintenis de voornaamste manier blijft om een huishouden te vormen (ondanks de sterke toename van andere samenlevingsvormen), beslissen partners op steeds latere leeftijd te trouwen. Terwijl de gemiddelde leeftijd voor een eerste huwelijk in 1993 26 jaar en 8 maanden bedroeg voor mannen en 24 jaar en 8 maanden voor vrouwen, bedraagt deze leeftijd in 2002 respectievelijk 28 jaar en 10 maanden en 26 jaar en 5 maanden (FOD Economie, 2006a). Het huwelijk blijft weliswaar een belangrijke instelling, maar ten opzichte van de huwelijksgolf die aanhield tot begin 1970 verliest het huwelijksbootje terrein. Steeds meer koppels kiezen ervoor samen te leven zonder hun verbintenis op één of andere manier te bezegelen voor de staat of de kerk. Een rechtstreeks gevolg hiervan is dat het aantal kinderen[9] dat in samenwoonrelaties wordt geboren toeneemt. Hun aantal bedroeg 21% van de totale geboortes in 1997 en  31% in 2003. In 2000 voerde België de ‘samenwoningsverklaring’ in waarbij twee personen die samenwonen zich kunnen laten registeren en inschrijven als ‘wettelijk samenwonenden’. Deze verklaring biedt wettelijk samenwonende koppels verschillende beschermingsmaatregelen naar het voorbeeld van het huwelijk (Mortelmans e.a., 2007).

Echtscheidingen

Zoals in vele domeinen bekleedt België een gemiddelde positie in het Europese landschap: naar het beeld van zijn geografische situering, zijn ook de demografische evoluties later begonnen dan in de noordelijke landen van Europa, maar vroeger in vergelijking met het zuiden van Europa. Anno 2007 is België echter wel koploper van het aantal echtscheidingen: 60% van de huwelijken die in 1995 werden afgesloten, mondden uit in een echtscheiding (Van Hove & Matthijs, 2002). In de laatste dertig jaar is het aantal echtscheidingen verviervoudigd en dit aantal lijkt zich slechts langzaam te stabiliseren (Mortelmans e.a., 2007). Hoewel scheidingen vroeger alleen in de middenklasse voorkwamen, scheiden de mensen nu in alle sociale lagen. Scheidingen zijn het populairst bij de gegoede burgers. Een scheiding heeft immers steeds sociale en wettelijke gevolgen: verdeling van de goederen, al dan niet co-ouderschap, berekening van eventueel onderhoudsgeld voor de ex-partner en bepaling van de bijdrage voor de kinderen,… De relatie tussen de ouders, maar ook de relatie tussen de ouders en de kinderen verandert vaak door een echtscheiding.

 

De negatieve economische gevolgen van een echtscheiding treft vooral de vrouw. Het patriarchale model dat lang de norm was, heeft immers nog altijd een invloed op de gevolgen van de echtscheiding. De sociale zekerheidsuitkeringen, die in veel gevallen gebaseerd zijn op het arbeidsinkomen, plaatst de partner met het laagste inkomen of de werkloze partner in een kwetsbare positie bij een echtscheiding. In de meeste gevallen gaat het om de vrouw[10]. De financiële kwetsbaarheid van éénoudergezinnen getuigt hiervan: “de forse toename van het aantal echtscheidingen sinds een tiental jaar heeft gezorgd voor een ‘nieuwe onzekerheid’, als gevolg van het uiteenvallen van de gezinskern(Belle & Maubert, 2006, p.6). Een echtscheiding zorgt overigens altijd voor een verarming van de ex-partners door de opsplitsing van de inkomens en de dubbele materiële behoeften (nieuwe woning, aankoop van essentiële zaken,…) (Belle & Maubert, 2006).

Nieuwe vormen van ‘gezinsleven’

Door de stijgende huwelijksleeftijd en de verzwakte positie van het huwelijk ontstaan andere gezinsvormen naast het nog steeds overheersende gehuwde koppel met kinderen (26,5% van alle privé-huishoudens in België). De statistieken zijn verrassend: als we voor 2005 de alleenstaande mannen (15,3%), de alleenstaande vrouwen (17,7%) en de éénoudergezinnen met een man aan het hoofd (3,6%) of een vrouw (9,5%) samentellen, bedraagt het aandeel personen dat géén deel uitmaakt van een koppel bijna de helft van alle Belgische huishoudens (46,1%)[11]. De nationale statistieken houden wel (nog) geen rekening met het aantal wettelijke en feitelijke samenwonenden. Koppels die niet huwen, kunnen niet uit deze gegevens geïsoleerd worden.

 

Hoewel België niet beschikt over statistieken over ongehuwd samenwonen, lijkt de daling van het aantal huwelijken samen te gaan met de toename van het aantal samenwonenden en het aantal buitenechtelijke kinderen. Uit een studie over het ongehuwd samenwonen op basis van het Rijksregister (Corijn, 2004) blijkt dat aantal samenwonenden is toegenomen van 4,7% van alle huishoudens in 1991 tot 7,6% in 2004. In 2005 is ongeveer de helft van deze koppels nooit gehuwd geweest, 20% bestaat uit partners die beiden een echtscheiding achter de rug hebben en in 18% van de gevallen heeft minstens één partner een scheiding gekend.

Scheiden en hertrouwen?

Het éénouderschap of vrijgezellenbestaan is meestal een overgangsperiode. Er zijn veel nieuwsamengestelde gezinnen en ze zijn flexibel. Heel wat gescheiden personen gaan immers een nieuwe relatie aan waarbij ze hetzij hertrouwen, hetzij samenwonen.

 

Tabel 1 Statuut van de partners voor het huwelijk in 1993 en 2002 in België, procentueel.

 

1993

2002

Beiden partners vrijgezel

73,0

65,4

Mannelijke vrijgezel en weduwe

0,4

0,4

Mannelijke vrijgezel en gescheiden vrouw

6,7

8,8

Weduwenaar en vrouwelijke vrijgezel

0,4

0,4

Weduwenaar en weduwe

0,3

0,3

Weduwenaar en gescheiden vrouw

1,1

1,1

Gescheiden man en vrouwelijke vrijgezel

7,4

9,5

Gescheiden man en weduwe

0,4

0,5

Beide parnters gescheiden

10,3

13,7

N

54 112

40 434

Bron: (FOD Economie, 2006a)

 

In 1993 was nog 73 % vrijgezel voor het huwelijk, terwijl dit aandeel in 2002 daalde tot 65,4%. Het aantal tweede huwelijken voor minstens één van beide partners neemt dan weer toe. Tellen we de huwelijken op waarbij een gescheiden persoon betrokken is, dan gaat het om één derde van de huwelijken (33,6%). Deze nieuwe verbintenissen vertegenwoordigden in 1993 slechts 18,6%. Ook dat geeft een ander zicht op de huwelijkscijfers: voor een aanzienlijk aandeel gaat het om gescheiden mensen die een tweede of derde maal in het huwelijksbootje stappen!

Wie zijn de éénoudergezinnen?

Gezinnen herdefiniëren zich en het aantal gezinsvormen vermenigvuldigt zich in een  snel tempo. Toch leeft de grote meerderheid van de Belgische kinderen nog altijd in een huishouden met hun biologische vader en moeder. De evolutie van de gezinsvormen tussen 1992 en 2002 (zie Tabel 2) illustreert dit, maar geeft tevens de groei aan van alternatieve gezinsvormen.

 

Tabel 2 Kinderen naargelang het soort gezin in 1992 en 2002 in België, procentueel.

 

Vader en moeder

Moeder

Moeder nieuw-samengesteld

Vader nieuw-samengesteld

Vader

Geen ouders

1992

86,4

8,8

2,9

0,8

0,7

0,4

2002

82,4

11,1

3,8

1,0

1,1

0,7

Bron: (Bonsang e.a., 2004).

 

Terwijl kinderloze vrijgezellen vooral mannen zijn, staan hoofdzakelijk vrouwen aan het hoofd van éénoudergezinnen. Als we alleen kijken naar de kinderen die leven in een éénoudergezin, dan stellen we vast dat 85% van deze kinderen met hun moeder leeft.

 

Meer éénoudegezinnen met een vader aan het hoofd?

Hoewel er meer éénoudergezinnen met een vrouw als gezinshoofd zijn, eisen steeds meer gescheiden mannen de zorg over de kinderen op. De hulpverenigingen voor mannen vermenigvuldigen zich. In België neemt het aandeel vrijgezellen enerzijds en het aantal éénoudergezinnen anderzijds voortdurend toe. Uit de statistieken blijkt echter dat deze toename het grootst is bij de mannen. In 15 jaar tijd is het percentage alleenstaande vaders met inwonende kinderen verdubbeld (FOD Economie, 2006c). Huishoudens die enkel bestaan uit alleenstaande moeders met inwonende kinderen komen weliswaar vaker voor, maar hun aantal is minder spectaculair gestegen[12]. Alleenstaande vaders staan, net als alleenstaande moeders, voor de uitdaging om verschillende rollen te verzoenen en te harmoniseren. Meer nog dan alleenstaande moeders moeten deze vaders bij hun werkgever hun afwezigheid rechtvaardigen als die veroorzaakt wordt door een ziek kind of een andere familiale reden: in arbeidskringen wordt dit soort verantwoordelijkheid immers nog vaak naar de moeder toegeschoven.

Eénpersoonshuishoudens en sociale vereenzaming

Ook de omvang van de huishoudens is veranderd. Zoals eerder aangegeven, stellen we een opvallende toename van het aantal huishoudens vast die enkel uit alleenstaanden bestaan. Ook al bevatten de cijfers nog samenwonenden, de stijging van het aantal alleenstaanden roept verschillende vragen op. Momenteel leeft ongeveer 14% van de Belgische bevolking alleen, wat gelijk is aan 30% van de huishoudens. Sinds 1970 onderscheidt Brussel zich duidelijk ten opzichte van Vlaanderen en Wallonië. In 1991 zijn de alleenstaanden, zoals in alle grootsteden, het talrijkst aanwezig. Ze maken bijna 50% van de huishoudens uit. Deze trend is gekoppeld aan het type woningen dat aanwezig is en de economische en woonomstandigheden die ermee gepaard gaan. De woningen zijn immers vaak klein waardoor grotere gezinnen eerder in de rand gaan wonen. In Vlaanderen en Wallonië werden respectievelijk 24% en 29% van de huishoudens gevormd door alleenstaanden in datzelfde jaar.

 

Alleenstaanden hebben, in vergelijking met huishoudens die uit twee volwassenen bestaan, vaker financiële problemen. Het risico op armoede bij deze groep is groter, maar nog net kleiner dan het risico dat éénoudergezinnen lopen. Uit onderzoek (Elchardus & Smits, 2005; PSBH, 1992-2002) blijkt dat personen die alleen wonen in het algemeen minder tevreden zijn met het leven dat ze leiden in vergelijking met personen die deel uitmaken van een gehuwd koppel[13]. De vraag is dan of gelukkig zijn ook vandaag nog traditioneel gekoppeld wordt aan een leven als koppel. Een nauwkeurigere analyse toont aan dat alleenwonen voorkomt in alle fasen van de levensloop: alleenstaande jonge volwassenen, gescheiden personen, weduwnaren,… Alleenstaanden vormen een onduidelijke groep met heel wat bijzondere gevallen. Sommigen hebben een relationeel evenwicht gevonden terwijl anderen stilzwijgend lijden onder hun situatie (Casman, 2006).

 

Volgens de indeling naar burgerlijke stand zijn alleenstaanden: vrijgezel (37%), weduwes of weduwnaren (41%) of gescheiden personen (21%) (FOD Economie, 2006a). De helft is ouder dan 65 jaar (52%) en 19% bevindt zich in de leeftijdsgroep 50-64 jaar. 63,7% van alle alleenstaanden zijn vrouwen (PSBH, 1992-2002), deze meerderheid neemt overweldigende vormen aan als we alleen kijken naar de alleenstaande gepensioneerden, die voor drie vierde uit vrouwen bestaat. Een verklaring voor deze trend kan de daling van het sterftecijfer op hoge leeftijd zijn. Vrouwen leven namelijk langer dan mannen. Bovendien gaan ouderen op steeds latere leeftijd naar een rusthuis en blijven ze langer thuis wonen. Deze feiten zorgen voor een toename van het aantal alleenstaande ouderen. De stijging van het aantal éénpersoonshuishoudens heeft dus onder andere te maken met de stijging van de levensverwachting, maar dit is niet de enige oorzaak. Jongeren hechten meer belang aan persoonlijke ontplooiing en door de langere studieperiode en onzekere arbeidsmarkt wagen ze zich pas later aan een stabiele partnerrelatie. Een deel van de jonge vrijgezellen verlaat de gezinswoning om alleen te gaan leven, voort te studeren, een gezinsconflict te ontvluchten of om op eigen benen te staan (Guillaume, 2004). Tot slot vervoegen ook gescheiden personen, de ‘nieuwkomers in de westerse geschiedenis van het koppel’ (Casman, 2006, p.5) de rangen van de alleenstaanden, (voorlopig) in afwachting van een nieuwe samenwoonrelatie of een tweede huwelijk.

 

Alleenstaand zijn wordt niet noodzakelijk meer als een fase in afwachting van een partnerrelatie of huwelijk ervaren. Het kan ook een bewuste keuze zijn. Sommigen zien hun alleen zijn als een vrijheid, anderen lijden onder de eenzaamheid en de bestaansonzekerheid en voelen zich verlaten. De visie op alleenstaand zijn, wordt beïnvloed door het denkbeeld dat men hierover heeft en van de manier waarop sociale contacten worden aangeknoopt. “Hoewel de objectieve toestand van het vrijgezellenbestaan geen synoniem is voor eenzaamheid, ondanks de gewoonte om beide begrippen door elkaar te gebruiken(Ylieff, 2006), bestaat het gevoel van ‘eenzaamheid’ wel degelijk in de verschillende leeftijdscategorieën, zowel bij jongvolwassenen als bij mensen op pensioenleeftijd en ouder (Heylen & Mortelmans, 2007).

Verschillende generaties in éénzelfde familie

Door de stijgende levensverwachting zien oudere personen hun kinderen, kleinkinderen en soms ook hun achterkleinkinderen vaker opgroeien. Ze kunnen deze generaties zien evolueren doorheen de kindertijd, de adolescentie, de volwassenheid en soms zelfs tot de derde leeftijd. In onze veranderende maatschappij, waar werken de centrale waarde is, kruisen generaties elkaar, volgen ze elkaar op en leven ze samen. Uit de PSHB-gegevens (Bulckens e.a., 2005) blijkt dat huishoudens die uit één generatie bestaan, het meest vertegenwoordigd zijn (56,6%): het kan gaan om kinderloze gezinnen, broers en zussen die samenwonen of alleenstaanden. Vervolgens zijn er huishoudens die door twee generaties gevormd worden (42,9%): gezinnen met kinderen, gezinnen bestaande uit kinderen die een hulpbehoevende ouder in huis nemen. De meest voorkomende vorm van samenwonende generaties is uiteraard die tussen ouders en hun opgroeiende kinderen. Er zijn daartegenover erg weinig huishoudens waarbij meer dan twee generaties onder hetzelfde dak leven. Slechts 0,5% van de huishoudens telt 3 generaties en 0,02% telt 4 generaties.

 

Het komt steeds minder vaak voor dat gezinnen een (schoon)ouder in huis nemen. Het aantal verwante personen dat bij een referentiepersoon inwoont, neemt af: in 1991 was dit aandeel met één derde gedaald in verhouding tot 1970. We stellen met andere woorden een voortdurende gezinsverdunning rond de gezinskern vast. Voorouders, nakomelingen en zijdelingse verwanten van de referentiepersoon, net zoals eventuele echtgenoot en kinderen worden steeds minder vaak in het huishouden opgenomen (Boulanger e.a., 1997). Deze evolutie staat in schril contrast met de trend om niet-verwante personen, personen waarmee men geen verwantschapsband heeft, op te nemen in het huishouden. Dit aandeel neemt fors toe, waardoor men ervan kan uitgaan dat we hier het fenomeen van het samenwonen in de cijfers zien doorkomen.

 

Hoewel ouders en kinderen niet in hetzelfde gezin wonen, merken we wel dat ze doorgaans vrij dicht bij elkaar wonen. Zo verklaart 40% van de PSBH-ondervraagden dat zij op ongeveer 10 km van hun ouders wonen, terwijl 45% verklaart op maximaal 50 km van hun ouders te wonen.

 

Vandaag kunnen verschillende generaties gedurende een bepaalde levensperiode naast elkaar bestaan, maar daarom vinden de intergenerationele relaties niet per se onder hetzelfde dak plaats. Verschillende generaties delen steeds minder dezelfde woonplaats. De vraag is of de kosten voor de opvang in een instelling en voor de verzorging van de ouder wordende persoon deze trend in de toekomst zouden kunnen doen keren.

De erkenning van het holebigezin

Terwijl het huwelijk bij heteroseksuele koppels aan succes inboet, eisten de holebi’s met succes toegang tot het burgerlijk huwelijk. Tijdens de periode 2003-2004 werden in België 3915 burgerlijke huwelijken gesloten tussen personen van hetzelfde geslacht, waarbij de meeste huwelijken in Vlaanderen plaatsvonden (58,4% huwelijksverbintenissen tussen twee mannen en 41,6% tussen twee vrouwen). Bovendien geeft de wet van 18 mei 2006 partners van hetzelfde geslacht de mogelijkheid om kinderen te adopteren: twee mannen of twee vrouwen kunnen dus voortaan een kind adopteren.

Gezinnen met een gezinslid dat met een handicap leeft

In België dateren de recentste cijfers over het percentage personen met een handicap van de totale bevolking uit 1996. Het Nationaal Instituut voor de Statistiek telde toen 12,9% personen met een zware of gematigde handicap. 4,6% leeft met een zware[14] handicap en 8,3% heeft een gematigde[15] handicap. Als het gaat om de professionele integratie van personen met een handicap loopt België aanzienlijk achter. Volgens een persconferentie van 9 december 2005 van het Staatssecretariaat van het Gezin en Personen met een Handicap is in België slechts 42% van de personen met een handicap professioneel actief terwijl het Europese gemiddelde 49% bedraagt.


 

Inzoomen op demografische thema’s

Na dit brede, cijfermatige overzicht van de Belgische demografische situatie gaan we in dit deel dieper in op een aantal specifieke thema’s. Hierbij laten we deskundigen aan het woord. Dit zijn academici, ambtenaren, politici  en organisaties. Ze kregen allen carte blanche in hun schrijven. Het gaat hier dan ook om de persoonlijke mening, standpunt of visie over een bepaalde thematiek.

 

Een overzicht:

 

Prof. em. Loriaux bijt de spits af met een bijdrage over de angst voor het dalende vruchtbaarheidscijfer. Bijna alle Europese nationale regeringen voeren een beleid om dit cijfer op te krikken zodat de socialezekerheidsystemen niet in gevaar komen. Hij stelt de vraag of er eerder een demografisch, dan een gezinsbeleid gevoerd moet worden om deze tendens te doen keren.

 

Prof. Marquet behandelt de ontwikkeling van echtscheidingen sinds de jaren 1960. Hij gaat dieper in op het hoe en waarom van sommige piekmomenten, jaren waarin er een plotse stijging is van het aantal koppels dat besluit om uit elkaar te gaan ten opzichte van het jaar ervoor. Gescheiden mensen gaan nieuwe relaties aan en vormen dan een nieuwsamengesteld gezin. De uitdagingen van dit gezinstype wordt besproken.

 

Paul Borghs is werkzaam bij de Holebifederatie en bespreekt de evolutie van holebigezinnen in België. Hij schetst het nieuwe wettelijk kader en toont met cijfermateriaal aan dat holebi’s net zoals u en ik zijn. Ondanks de gelijkberechtiging van holebi’s kan het beleid nog altijd beter, besluit hij.

 

Prof. Matthijs nuanceert al het cijfergeweld over gezinnen. Hij ontkracht de mythe dat vroeger iedereen trouwde en dit reeds op jonge leeftijd gebeurde. Toch kan het gezin niet enkel in cijfers gevat worden, hoe meet je immers de affectieve banden tussen gezinsleden?


 

Het complexe, veranderende en onzekere verband tussen gezin en demografie

LORIAUX, Claude-Michel

Demografisch instituut, Université catholique de Louvain (UCL)

 

Vormt het lage vruchtbaarheidscijfer een bedreiging voor de maatschappelijke groei?

Wanneer demografen bevolkingsfenomenen bestuderen, hebben ze vaak de neiging de verklaringsgrond van deze evolutie in een vrij beperkt en gesloten demografisch systeem te zoeken dat slechts drie tot vier klassieke fenomenen bevat (aantal huwelijken, vruchtbaarheidscijfer, sterftecijfer, migraties,…): de reden dat in de zuidelijke landen het bevolkingsaantal blijft stijgen, is te wijten aan een vertraging in de overgang van het vruchtbaarheidscijfer. Dat migranten aan de poorten van de Europese Unie (EU) staan, is om tegemoet te komen aan een te laag vruchtbaarheidscijfer van de autochtone bevolking. Ook al verdienen deze wat ondoordachte verklaringen het om gehoord te worden, toch zijn ze ontegensprekelijk erg onvolledig.

 

Dit gezegd zijnde, begaan demografen twee fouten: enerzijds verliezen ze te gemakkelijk uit het oog dat bevolkingsfeiten in de eerste plaats maatschappelijke feiten zijn. Het houdt geen steek ze te willen begrijpen zonder ze in de complexe context van het globale maatschappelijke systeem te plaatsen die de feiten heeft voortgebracht. Anderzijds houden ze vaak geen rekening met het feit dat deze gebeurtenissen die zij observeren (huwelijken, geboortes, migraties, overlijdens) altijd het resultaat zijn van individuele gedragingen waartoe beslist werd (of die ontstonden) binnen een koppel, huishouden of familie. Ook al vloeien ze voort uit individuele beslissingen, toch zijn deze gedragingen niet louter subjectief of toevallig. Ze worden gestuurd door culturele modellen, normen en collectieve waarden die niet terug te brengen zijn tot de eenvoudige aaneenschakeling van individuele gedragingen[16]. Het geboortecijfer is natuurlijk niets meer dan de optelsom van geboortes in een gegeven jaar in verhouding tot de totale gemiddelde bevolking, maar de schommelingen ervan, die soms onregelmatig kunnen lijken, zijn niet terug te brengen tot louter toevallige kleine verschillen.

 

Demograaf Hervé Le Bras, bekend als ontkrachter van wetenschappelijke mythes, heeft lang gestreden tegen een idee dat in de wetenschappelijke en politieke kringen circuleerde. Achter dit idee zat een meer complexe en minder evidente realiteit verscholen. De oorspronkelijke vaststelling was nochtans eenvoudig: na een toename van het vruchtbaarheidscijfer vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog, die de naam ‘babyboom’ kreeg en die in de meeste geïndustrialiseerde Europese landen plaatsvond, maakte dat de geboortecurve rond 1965 een bruuske neerwaartse beweging kende. Tot vandaag ging het vruchtbaarheidscijfer[17] gedurende verschillende decennia snel naar beneden. Het gemiddeld aantal kinderen per vrouw daalde drastisch tot niveaus die een stuk lager lagen dan het niveau dat nodig is om een generatie te vernieuwen[18]. De mening van analisten is zo goed als unaniem: het Europese vruchtbaarheidscijfer evolueerde naar een vrij uniform model met een zeer lage vruchtbaarheidsgraad dat op lange termijn ongetwijfeld een enorm probleem zou vormen voor de maatschappelijke voortplanting. Als de generaties zich niet vernieuwen, zou de goede werking van de samenleving immers in het gedrang komen. De verdelingsmechanismen dreigen dan vast te lopen (vooral de sociale zekerheid) en de economische groei zou op de helling komen te staan.

Bestaan er ‘zwarte gaten’ in de demografie?

Alle nationale regeringen zijn bekommerd om deze vruchtbaarheids‘crisis’ en voeren een beleid ter ondersteuning van de gezinnen om het aantal geboortes op te drijven of gaan een ‘Generatiepact’ aan om de systemen van sociale bescherming te vrijwaren. Ook de allerhoogste Europese en internationale instanties[19] zijn gefascineerd door de ontvolking, de daling van het geboortecijfer en de vergrijzing, ook al lijkt de situatie zich sinds een aantal jaren te stabiliseren.

 

Natuurlijk hebben heel wat experts getracht te achterhalen waarom het vruchtbaarheidscijfer na de oorlog deze twee contrasterende evoluties kende: eerst een stijging gedurende twintig jaar en daarna een daling gedurende de vier volgende decennia. Gérard Calot, voormalig hoofd van het INED[20], haalde het egoïsme van koppels aan en deed een beroep op hun burgerzin en zelfs op hun patriottisme om weer kinderen op de wereld te zetten. Dit leidde overigens tot een enorme controverse tussen Le Bras en zijn directeur. Andere voorzichtigere waarnemers hielden het bij ‘het zwarte gat’ van de demografie[21], een denkbeeldige uitdrukking die niet veelzeggend was en alleen wees op de onwetendheid en het onbegrip ten aanzien van deze gebeurtenissen. Maar zijn er echt zwarte gaten? Is dit geen te nauwe visie waardoor we de verklaring van deze evoluties niet vinden?

 

De meeste (klassieke) onderzoekers zijn immers verward als ze geen duidelijk en rechtstreeks verband vinden tussen de variabele die ze bestuderen en andere, meestal kwantitatieve variabelen bij demografisch onderzoek, die er doorgaans mee geassocieerd worden. “Toen het vruchtbaarheidscijfer in 1965 begon te dalen en alle klassieke indicatoren, zowel de conjuncturele als de structurele, gelijk bleven of hun gewone verloop bleven volgen, begonnen de demografen te panikeren, net zoals de valutahandelaars wanneer de Dow Jones keldert. Wat konden ze anders doen? Misschien gewoon eenvoudige vaststellingen maken op basis van statistische covariaties, ongeacht de verfijndheid van de statistische technieken die daarvoor werden gebruikt. De fout die in de meeste gevallen wordt gemaakt is niet het gebruik van slechte technieken, maar wel het feit dat men zich niet op de juiste context baseert[22]” en volgens mij ook het feit dat men geen rekening houdt met precieze gebeurtenissen of conjuncturele omstandigheden die vaak onopgemerkt voorbijgaan of niet gemakkelijk in kwantitatieve gegevens kunnen worden omgezet. Naast de omkering van de vruchtbaarheidscurve, die heel wat waarnemers in de war bracht, was het feit dat geen enkele klassieke chronologische reeks, of het nu gaat om de prijzenindex, het werkloosheidscijfer, de handelsbalans of de stookolieprijs, verband hield met het vruchtbaarheidscijfer.

 

Ik herinner mij dat ik enkele jaren later in een interview sprak over deze vruchtbaarheids‘crisis’. De journalist aanhoorde eerst beleefd mijn verklaringen over het zogezegde zwarte gat om vervolgens zijn eigen analyse te geven door me te vragen of ik de vrouwenbladen uit die periode had nagelezen. Toen ik daarop ontkennend antwoordde, legde hij me uit dat deze bladen al jaren bol stonden van artikels over de vrouwelijke emancipatie, het recht van vrouwen om over hun eigen lichaam te beschikken, de vrijheid die gepaard ging met nieuwe contraceptiemiddelen, het belang om financieel onafhankelijk te zijn via werk,… Door naar deze journalist te luisteren, ontdekte ik dat het inzicht in een fenomeen kon worden vergemakkelijkt door rekening te houden met feiten die ogenschijnlijk afwijkend of anekdotisch zijn ten opzichte van de klassieke wetenschappelijke analyses. Met andere woorden, via deze meer antropologische benadering begrijpen we beter dat, wat tot dan toe slechts ideeën en intellectuele eisen tot gendergelijkheid waren, zich enkele jaren later zou vertalen naar gedragswijzigingen die op hun beurt rond 1965 zouden leiden tot een daling van het vruchtbaarheidscijfer.

Was de babyboom dan louter een illusie?

Wellicht droegen de waarden en het overdreven vertrouwen die werden toegekend aan het vruchtbaarheidscijfer bij tot de illusie van een zwart gat, maar ook tot de illusie dat alle westerse landen afstevenden op een te laag vruchtbaarheidscijfer om de generaties te vernieuwen en tot slot tot de illusie van de babyboom zelf die eigenlijk niet zoveel voorstelde. Weer was het Hervé Le Bras[23] die deze paradoxen aan het licht bracht en tegelijkertijd het heersende doemdenken naar aanleiding van deze gedaalde waarden hekelde. De auteur toonde immers aan dat als het vruchtbaarheidscijfer gecorrigeerd wordt om het effect van de huwelijksleeftijd te elimineren (waarvan de schommelingen sinds 1945 versnelden), het beeld van de evolutie van het vruchtbaarheidscijfer dat we krijgen totaal anders is en de babyboom drastisch beperkt of zelfs onbestaand is.

 

Dit is duidelijk het geval voor Zweden waar, ondanks vrij grote schommelingen van het vruchtbaarheidscijfer tijdens de laatste vijftig jaar, de vernieuwing van de generaties vrijwel heel die periode gewaarborgd bleef.  Dit geldt in mindere mate ook voor de noordelijke landen zoals Noorwegen en Denemarken en centraal gelegen landen zoals Duitsland, Zwitserland en Groot-Brittannië waar we geen ‘val’ van het vruchtbaarheidscijfer vaststellen, maar slechts een kleine schommeling naar boven toe tussen 1960 en 1965 en naar beneden toe tussen 1972 en 1980. Maar in de zuidelijke landen (Italië en Spanje en in mindere mate Frankrijk) is de situatie anders: er is een meer uitgesproken en bijna voortdurende neerwaartse trend, met uitzondering van een kleine opleving in de jaren 1960. Dit verschil in ontwikkeling vanaf de jaren 1970 tussen Noord en Zuid, dat nochtans samengaat met een lange neerwaartse beweging van het Europese vruchtbaarheidscijfer dat in de 19de eeuw begon en die zich in alle landen voordeed, roept vragen op. Zonder die versnelde neerwaartse beweging in sommige landen zou de evolutie van het vruchtbaarheidscijfer eenvoudig zijn en kunnen worden samengevat als een seculaire neerwaartse trend die grosso modo leidt tot twee kinderen per gezin en slechts enkele conjuncturele schommelingen of storingen kende wegens oorlogen (recuperatie) of grote economische crisissen (vertraging). De verklaring voor de voorbijgaande bewegingen van de vruchtbaarheid zoals de babyboom of de forse daling van het (niet gecorrigeerde) vruchtbaarheidscijfer ligt dus eigenlijk bij die bewegingen zelf.

 

Echter het feit dat er aanzienlijke verschillen blijven bestaan, zelfs na correctie van het vruchtbaarheidscijfer, doet denken dat de verklaring ergens anders moet worden gezocht. De leeftijd waarop gehuwd wordt en de leeftijd waarop vrouwen hun eerste kind krijgen, kenden beide grote schommelingen. Zelf mogen ze echter niet worden geïnterpreteerd als ‘doeloorzaak’ want ze vertegenwoordigen slechts een deel van de diepgaande wijzigingen die onze sociale systemen in de tweede helft van de 20ste eeuw hebben beïnvloed. De verandering van de relatie tussen man en vrouw was zeker een doorslaggevend element dat ertoe bijgedragen heeft een nieuw statuut van de vrouw te creëren. Dit statuut is evenwaardiger, onafhankelijker en vrijer: vrij om hogere studies te volgen dankzij de verspreiding van culturele modellen die aanzetten tot de erkenning van de gelijkheid van jongens en meisjes, vrij om zich kandidaat te stellen op de arbeidsmarkt en om te concurreren met mannen om economische onafhankelijkheid te verwerven, vrij om te beslissen een koppel te vormen via de klassieke instelling van het huwelijk of de voorkeur te geven aan minder gereglementeerde vormen zoals het samenwonen, vrij om, dankzij de betere toegang tot moderne contraceptiva, te beslissen al dan niet kinderen te krijgen. Het is net de manier waarop deze vrijheid werd verkregen die ons kan helpen om deze soms zo verschillende demografische evoluties beter te begrijpen.

 

Hervé Le Bras onderscheidt drie vrouwelijke activiteitsmodellen: het eerste historisch en universeel verspreide model waarbij de vrouw enkel werkt in de periode voor het huwelijk of het moederschap, waardoor de beroepsactiviteit alleen hoog is tussen 15 en 19 jaar (of 24 jaar), het tweede model waarbij de vrouw na haar studies een beroep uitoefent, haar loopbaan onderbreekt bij de geboorte van haar eerste kind en opnieuw professioneel aan de slag gaat vanaf de leeftijd van 35 wanneer de kinderen groot zijn (werkcurve met twee uitstulpingen) en tot slot het derde model waarbij de beroepsactiviteit los staat van het huwelijk en het hebben van kinderen en waarbij de beroepscurve van de vrouwen zo goed als samenvalt met die van de mannen. In West-Europa vinden we deze drie modellen terug. De West-Europese landen evolueerden ook snel van het ene naar het andere model. In 1960 had het eerste model bijna overal de overhand, de activiteitsgraad was wel hoger in de noordelijke landen dan in de zuidelijke landen. Tegen 1970 evolueerden bijna alle landen naar het tweede model, maar van de Europese lidstaten viel alleen Denemarken, waar vrouwen bijna even actief waren als mannen, onder het derde model. Alles wijst er dus op dat de verschillende situatie van vrouwen binnen hun gezin, hun familie en hun naaste omgeving het verschil in deze activiteitsgraden verklaart en daarmee ook het verschil in vruchtbaarheidscijfer[24].

 

In dit analysestadium zouden we best tevreden kunnen zijn en kunnen beslissen het onderzoek naar de oorzaken stop te zetten. We kunnen echter ook beslissen verder te kijken, zoals Hervé Le Bras, door ons vragen te stellen bij de redenen die vrouwen voor het ene of andere activiteitsmodel deden opteren. Daartoe bekeek hij andere variabelen, zoals de graad van afhankelijkheid ten opzichte van de familie. Hoe groter deze afhankelijkheid, zoals in de zuidelijke Europese landen waar personen sterk afhankelijk zijn van het familiaal netwerk, hoe sterker het vruchtbaarheidscijfer gaat dalen. Het vruchtbaarheidscijfer heeft daarentegen de neiging te stijgen waar jongeren opgenomen worden in een ruimer en minder bindend verenigingsleven.

 

Wat we moeten onthouden uit de voorgaande uiteenzetting is dat verbanden tussen fenomenen zelden eenvoudig en rechtstreeks te interpreteren zijn. We moeten kijken naar tussenliggende en voorafgaande variabelen om de betekenis ervan te vatten. We moeten ook onthouden dat een verband altijd in contexten met meerdere dimensies ontstaat die talrijke fenomenen van wederzijdse interactie en onderlinge afhankelijkheid vertegenwoordigen tussen alle aanwezige systeemelementen. In de zuidelijke landen bijvoorbeeld, kan het streven naar gelijkheid via de uitoefening van een beroep verlopen. Deze beroepsactiviteit kan in conflict treden met het moederschap als dit moederschap de vrouw naar een ondergeschikte rol verwijst, wat het lage vruchtbaarheidscijfer verklaart. In de noordelijke landen, waar gelijkheid op arbeidsniveau bijna overal een feit is, vormt het hebben van kinderen echter geen obstakel meer voor de uitoefening van een beroep. Het moederschap onderstreept zelfs de vrouwelijke eigenheid en de distantiëring van de man. Zo drukt het gezin in een deel van Europa paradoxaal genoeg het vruchtbaarheidscijfer de kop in, terwijl in een ander deel de nadruk op de moeder-kindrelatie en de ondersteuning door instellingen gunstig zijn voor het vruchtbaarheidscijfer[25].

Terug naar een geboortebeleid?

Vertrekkende van een ogenschijnlijk louter technische kwestie over de manier om het vruchtbaarheidscijfer te berekenen, ontdekten we dat de zaken niet altijd zo eenvoudig zijn als we a priori denken en vooral dat interpretaties sterk uiteen kunnen lopen afhankelijk van de onderliggende ideologieën naargelang ze al dan niet geïnspireerd zijn op kinderwensen. Daardoor kan het demografische beleid en zelfs het gezinsbeleid verschillend georiënteerd zijn. In vele landen heeft men het gevoerde beleid in de strijd tegen het dalende geboortecijfer, de ontvolking of de vergrijzing niet als demografisch willen omschrijven. Dergelijk beleid viel eerder onder de noemer gezinsbeleid om niet de indruk te wekken van inmenging in het privé-leven van koppels. Dit beleid bleek echter zelden doeltreffend aangezien het vaak gericht was op doelstellingen die ingingen tegen grote maatschappelijke tendensen of betrekking hadden op een factor die sterk systematisch gekant was tegen veranderingen.

 

In theorie staat niets het succes van een dergelijk beleid in de weg, maar het referentiekader is vaak te simplistisch en de aangenomen maatregelen hebben doorgaans te weinig impact om de gewenste gedragsveranderingen te verkrijgen (bijvoorbeeld geboortepremies of belastingverminderingen).

 

Om die reden zagen staten er lange tijd van af om iets te ondernemen met betrekking tot het bevolkingssysteem op zich en spitsten ze hun acties liever toe op gezinssectoren zoals tegemoetkomingen voor kinderopvang of namen ze maatregelen om ouderen zolang mogelijk thuis te laten verblijven. Nochtans merken we, vreemd genoeg, sinds enkele jaren een sterke toename van aanhangers van geboortestimulerende acties die menen dat het aanhoudende lage vruchtbaarheidscijfer en de continue uitbreiding van de vergrijzing de Europese landen economisch en sociaal uit evenwicht zullen brengen.

 

De Europese Commissie formuleerde zelf onlangs in haar Groenboek over de intergenerationale dimensie[26] een erg betwistbare universele wet die louter gestoeld is op enkele historische gelijklopendheden. Volgens deze wet kan er geen economische groei zijn zonder een demografische groei. Deze wet houdt echter geen rekening met tegenbewijzen zoals het onvermogen van vele zuidelijke landen om hun economie aan te wakkeren ondanks hun sterke demografische groei. Meer algemeen heeft deze wet ook het nadeel een zo complexe kwestie te reduceren tot een eenvoudige concurrentie tussen twee groeipercentages (de economische en de demografische groei), wat zelfs een zogenaamd geboortebevorderend auteur als Jean-Claude Chesnais[27] betreurt.

 

Als we tot slot een praktische les kunnen trekken uit deze overwegingen, dan is het wellicht dat we niet tegen grote ‘natuurlijke’ trends mogen ingaan. Dit verhindert niet dat heel het maatschappelijke systeem in vraag kan worden gesteld (wat weinig waarschijnlijk is). Indien we wel tegen de natuurlijke gang van zaken ingaan, dreigen de verwachte resultaten gewoonweg uit te blijven of kortstondig te zijn en kunnen er storingen en ongewenste effecten optreden in de uitgelokte evoluties. Deze zijn moeilijker te beheren dan wanneer er niet werd opgetreden. Eén van de sterkste voorbeelden die we kunnen aanhalen heeft betrekking op de babyboom en het geboortebeleid dat na de Tweede Wereldoorlog in Frankrijk werd gevoerd op initiatief van Alfred Sauvy, die zich ontzettend tegen de vergrijzing kantte.

 

De babyboom vloeide in dit land waarschijnlijk slechts gedeeltelijk voort uit het toenmalige demografische beleid, maar toch wordt deze periode door de meeste experts en politici beschouwd als gunstig voor de economische groei dankzij de toename van de geboortes en de daaruit voortvloeiende stijging van de consumptie door de huishoudens. De bewonderaars van de babyboom hadden nochtans niet gedacht dat een halve eeuw later de numerieke schommelingen in de opeenvolging van de generaties één van de meest ingrijpende veranderingen zou meebrengen waarmee de westerse samenleving werd geconfronteerd: de numeriek sterke babyboomgeneratie, die vanaf de jaren 2000 met pensioen is beginnen gaan, weegt financieel steeds zwaarder op de numeriek zwakke generaties na 1965. Hierdoor komt de duurzaamheid van de stelsels van de sociale bescherming in het gedrang. Die stelses zijn gebaseerd  op het principe van verdeling en vergen dus een relatieve constante  in de afhankelijkheidsverhouding tussen de actieve en niet-actieve bevolking,. Dus, tenzij er op middellange termijn plots een forse productiviteitsstijging komt, dreigt de hele sociale zekerheid volgens haar huidige organisatie failliet te gaan als de financieringsmechanismen niet volledig herdacht worden of als de geplande vergoedingen niet drastisch naar beneden gaan. Tegelijkertijd dreigt de solidariteit tussen de kwetsbare groepen, zoals zieken, personen met een handicap, wezen, weduwes, werklozen, ouderen,… te verminderen als de staat deze risico’s niet meer kan dragen en de lasten laat terechtkomen op de schouders van de individuen en de gezinnen, ook al zijn deze laatsten niet altijd bereid deze nieuwe verantwoordelijkheden op zich te nemen terwijl ze die vroeger met plezier uit handen hebben gegeven.

 

Individuen zijn in die mate overtuigd dat zij hun vrijheid en onafhankelijkheid van denken en handelen verworven hebben door zich af te zetten tegen alle vroegere vormen van controle (van familie, staat, kerk,…) dat zij het nut van de collectieve instrumenten van sociale bescherming niet meer inzien. De verwoede zoektocht naar geluk en hedonistisch genot heeft plaats geruimd voor maatschappelijke duurzaamheid. Deze nieuwe doelen werden alleen mogelijk gemaakt doordat de grote bestaansrisico’s geen dagelijkse zorg meer zijn dankzij de invoering van een sociaal vangnet. Deze sociale bescherming, die zich zo goed van haar taak kwijt, ligt uiteindelijk aan de basis van haar eigen vernietiging.

 

Voor de toekomst blijft de onzekerheid over de verdeling van de rechten, plichten en machten tussen man en vrouw, gezinnen en gezinsleden, individuen en instellingen er groot. Het vruchtbaarheidscijfer zal, zoals vele andere fenomenen, natuurlijk afhangen van een overheersend gezinsmodel, tenzij verschillende modellen naast elkaar blijven bestaan. Louis Roussel, een welbekende sociaal-gezinsdemograaf, heeft het in dit opzicht over de mogelijkheid van een ‘zachte’ normalisering waarbij de maatschappij de risico’s corrigeert die zij veelvuldig vindt in de familiale gedragingen[28]. Ze zal dit echter eerder doen via overreding en overtuigingskracht dan via dwang en verplichting. We zullen onvermijdelijk aangespoord worden om meer kinderen te krijgen, om de rolverdeling te veranderen, om nieuwe maatschappelijke modellen aan te nemen. Dit is eigenlijk wat nu al gebeurt via reclame, een moderne vorm van propaganda, om consumenten aan te zetten om, op bijna alle vlakken van ons persoonlijk, familiaal, openbaar of verenigingsleven, nieuwe gedragingen aan te nemen. De propaganda zal ons voorstellen nog een kind te krijgen, wat ons geluk ten goede zal komen, zoals ze ons nu al aanspoort om van wagen te veranderen, een zwembad in de tuin te plaatsen of  met de lotto mee te spelen om ‘schandalig rijk’ te worden.

 

Sommigen zullen dit vooruitzicht zonder twijfel weinig aantrekkelijk vinden of zullen deze hypothese betwisten. Geldt dit scenario niet al op alle institutionele niveaus? Of het nu gaat om de Europese Commissie, de nationale of regionale regeringen en zelfs ngo’s en andere grote privé-organisaties die, in plaats van onze autonomie van zijn en denken te laten toenemen, de neiging hebben onze gedragingen, zonder ons medeweten, op te sluiten in de beperkingen van de sociale vrijheid die steeds geringer en gerichter worden.


 

Contractualisering van de huwelijksbanden: Van huwen uit liefde tot scheiden uit verloren liefde

MARQUET, Jacques

Instituut voor Studies rond Gezin en Seksualiteit, Université catholique de Louvain (UCL)

 

In deze tekst behandelen we de echtscheiding en het nieuwsamengestelde gezin vanuit een drieledig standpunt: omvang van het fenomeen, betekenis van de opgetekende evolutie en belichting van enkele uitdagingen voor nieuwsamengestelde gezinnen.

Echtscheiding in cijfers

De evolutie van de echtscheiding loopt terug tot de jaren 1960 . Enkele cijfers zijn dus voldoende om een beeld te geven van wat de meesten onder ons al min of meer weten. Tabel 1, die het aantal echtscheidingen weergeeft die werden opgetekend bij de burgerlijke stand tijdens een aantal jaren, is veelzeggend: sinds 1960 is het aantal jaarlijkse echtscheidingen verzesvoudigd. Als we de verhouding nemen van het aantal echtscheidingen en het aantal huwelijken in hetzelfde jaar, is de evolutie nog onthutsender: van 7% in 1960 naar meer dan 70% vandaag.

 

Tabel 1: Huwelijken en echtscheidingen van 1960 tot nu[29].

Jaar

Aantal huwelijken in absolute cijfers

Huwelijken per 1000 inwoners

Aantal echtscheidingen in absolute cijfers

Echtscheidingen per 1000 inwoners

Percentage echtscheidingen in verhouding tot de huwelijken

1960

65 220

7,11

4 589

0,50

7,04

1965

66 535

7,00

5 520

0,58

8,30

1970

73 261

7,59

6 403

0,66

8,74

1975

71 736

7,31

10 977

1,12

15,30

1980

66 369

6,74

14 457

1,48

21,78

1985

57 559

5,85

18 440

1,88

32,04

1990

64 658

6,50

20 311

2,04

31,41

1995

51 402

5,07

34 983

3,45

68,06

2000

45 123

4,40

27 002

2,64

59,04

2004

43 326

4,17

31 418

3,02

72,52

Bron: Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie – Dienst Demografie (http://www.statbel.fgov.be).

 

Het is gemakkelijk om deze evolutie vast te stellen, maar het is heel wat moeilijker om er een interpretatie aan te geven. Daarvoor moeten we ons afvragen welke transformaties onze maatschappij de afgelopen vijftig jaar heeft gekend. Voor de kwestie die ons aanbelangt, zijn de wijzigingen van het juridische kader, dat de binding en ontbinding van het huwelijk regelt, bijzonder belangrijk. Tijdens de beschouwde periode is de wetgeving rond de echtscheiding meermaals grondig gewijzigd. Sinds 1974 kent het Belgische recht drie soorten echtscheidingen: de echtscheiding op grond van bepaalde feiten, die gebaseerd is op het schuldprincipe op grond van een objectieve fout (overspel, geweldpleging, mishandeling, grove beledigingen) ingeroepen door één van de echtgenoten ; de echtscheiding wegens een feitelijke scheiding van meer dan twee jaar, deze echtscheiding gaat uit van een duurzame ontwrichting van het huwelijk en kan worden aangevraagd en verkregen zonder dat een fout moet worden aangetoond; en ten slotte de echtscheiding door onderlinge toestemming, een soort ‘contractscheiding’ die uitgaat van beide echtgenoten en waarbij een volledig of gedeeltelijk akkoord bestaat over de voorwaarden van de breuk. Naast andere belangrijke wijzigingen bracht de wet van 1974 de periode voor een feitelijke scheiding terug van tien naar twee jaar. Sindsdien werden nog andere belangrijke legislatieve wijzigingen aangebracht. De in sommige opzichten belangrijkste wijziging komt duidelijk tot uiting in tabel 1. Op 1 oktober 1994 trad de wet van 30 juni 1994 in werking. Deze nieuwe wetgeving met betrekking tot de echtscheiding maakte het makkelijker om te scheiden en zorgde voor een snellere procedure van ongeveer zes maanden bij de echtscheidingen door onderlinge toestemming. Het buitengewoon hoge aantal echtscheidingen in 1995 illustreert duidelijk dat heel wat mensen gewacht hebben op de inwerkingtreding van deze nieuwe wetgeving. Ook het aantal echtscheidingen in de daarop volgende jaren werd erdoor beïnvloed.

Zin geven aan scheiding

Het fenomeen in 1995 toont duidelijk aan welk  impact  de wetten die de echtscheiding regelen, hebben op de echtscheidingsstatistieken. We mogen dit verband echter niet verkeerd interpreteren: de wet die één of andere procedure invoert, is een noodzakelijke factor voor de uitvoering van wat een juridische daad blijft (echtscheiden), maar de wet is geen toereikende factor omdat ze geen verklaring geeft voor de aanvraag van de echtscheiding. Alvorens we de analyse uitbreiden om het strikte wettelijke standpunt te overstijgen, kunnen we uit een laatste ‘juridische statistiek’ opmaken dat naast een toename van het aantal echtscheidingen, de betekenis van deze daad is veranderd. Zoals duidelijk blijkt uit tabel 2 is het aantal echtscheidingsaanvragen op verzoek van beide echtgenoten in de afgelopen veertig jaar voortdurend toegenomen. Dit soort aanvragen maakt momenteel drie vierden van alle aanvragen uit. Met andere woorden, de meest voorkomende echtscheiding is de ‘contractscheiding’. We mogen er wellicht niet van uitgaan dat vereenvoudigde procedures ervoor zorgen dat partners een breuk makkelijker kunnen verwerken. Scheiden blijft voor de meeste personen moeilijk. Niettemin zien we een evolutie: het legitieme model bij uitstek is niet langer de echtscheiding op grond van fout.

 

Tabel 2: Echtscheidingsaanvragen van 1960 tot nu.

Jaar

Totaal aantal echtscheidingsaanvragen bij de rechtbanken van eerste aanleg

Aantal aanvragen voor echtscheidingen door onderlinge toestemming

Percentage aanvragen voor echtscheidingen door onderlinge toestemming in verhouding tot het totaal aantal echtscheidingsaanvragen

1960

4 671

865

18,52

1965

5 890

1 413

23,99

1970

6 935

1 470

21,20

1975

12 330

4 049

32,84

1980

15 365

5 767

37,53

1985

18 933

8 345

44,08

1990

20 444

9 796

47,92

1995

28 074

17 905

63,78

2000*

27 186

20 190

75,39

* Voor 2000 zijn de gegevens onvolledig

 

Bronnen: Demografische statistieken, ministerie van Economische Zaken, NIS, nr. 4, 1978 en nr. 2, 1994, Bevolking en huishoudens. Huwelijken en echtscheidingen in 2002, ministerie van Economische Zaken, NIS, 2003 (geraadpleegd op http://www.statbel.fgov.be).

 

Zonder deze evolutie te willen verklaren, wat te omslachtig zou zijn in het kader van dit artikel, kunnen we er toch even bij stilstaan. Hier is de term ‘onthuwelijking’, in ere hersteld door de Franse sociologe Irène Théry, erg toepasselijk[30]. Met deze term duidt I. Théry in de eerste plaats  niet de echtscheiding aan, die slechts één van de mogelijke juridische vormen is (naast andere vormen van feitelijke of lichamelijke scheiding). Zij interpreteert dit ruimer als de verschuiving waarbij onze maatschappij huwelijk en echtscheiding gaat beschouwen als louter persoonlijke gewetenskwesties. Vroeger was het huwelijk de hoofdvoorwaarde voor het leven als koppel, liefde vormde een niet te verwaarlozen meerwaarde, maar als de liefde uitbleef, dan had je gewoon pech. Het huwelijk belichaamde het symbolische fundament van het ‘samenleven’. Vandaag is het enige echte fundament van het koppel de liefde, een gedeeld gevoel. Voor de meeste medeburgers is het huwelijk iets erg subjectiefs geworden, een volkomen facultatieve daad. Als liefde de hoofdvoorwaarde voor het koppel is, betekent verloren liefde, het einde van dit gevoel, het einde van het koppel. Een koppel vormen of ontbinden gaat gepaard met individuele keuzes.  Kortom betekent dit dat onze maatschappij zich heeft onthuwelijkt aangezien ze zich een concept van ‘samenleven’ eigen heeft gemaakt waarbij het huwelijk slechts één van de vormen is om een koppel te zijn en wel een sterk geprivatiseerde vorm waarbij echtelijk los staat van maatschappelijk, privé los van openbaar.

Van scheiding naar nieuwe gezinssamenstelling

 

Tabel 3: Huwelijken en burgerlijke stand van echtgenoten van 1960 tot nu

Jaar

Aantal huwelijken

Percentage huwelijken tussen twee vrijgezellen in verhouding tot het totaal aantal huwelijken

1960

65 220

87,05

1965

66 535

87,06

1970

73 261

88,93

1975

71 736

86,74

1980

66 369

84,96

1985

57 559

81,19

1990

64 658

75,51

1995

51 402

68,98

2000

45 123

66,09

2002

43 326

65,39

Bronnen: Demografische statistieken, ministerie van Economische Zaken, NIS, nr. 4, 1974, nr. 4, 1978 en nr. 2, 1994, Bevolking en huishoudens. Huwelijken en echtscheidingen in 2002, ministerie van Economische Zaken, NIS, 2003 (geraadpleegd op http://www.statbel.fgov.be).

 

Hoewel de huwelijksband, en zelfs ruimer de echtelijke band, ontegensprekelijk kwetsbaar is geworden, kunnen we wellicht niet spreken van een teloorgang van  het gezin als instelling . Dit om twee redenen: enerzijds mogen we de de-institutionalisering van het gezin niet verwarren met het einde van het gezin en anderzijds werd een eerste trend van de-institutionalisering van de echtelijke band gevolgd door een tweede trend van de-institutionalisering van de ouderlijke band.

 

Wat het eerste punt betreft, bewijzen het samenwonen buiten het huwelijk enerzijds en de nieuwe gezinssamenstellingen anderzijds, twee fenomenen die steeds vaker voorkomen, dat de vorming van een gezin belangrijk blijft en dat het echtelijke levensmodel standhoudt. De nieuwe gezinssamenstellingen, die makkelijker terug te vinden zijn in de officiële statistieken, nemen voortdurend toe sinds de jaren 1980. In 1960 waren echtgenoten in negen op tien huwelijken voordien vrijgezel. Vandaag is dit slechts in twee derden van de huwelijken het geval aangezien het bij één derde van de huwelijken gaat om een tweede huwelijk voor ten minste één partner. Hoewel deze gegevens alleen informatie geven over koppels die kiezen voor het huwelijk, zijn ze toch interessant omdat ze de mate van nieuwe gezinssamenstelling en de verscheidenheid van eigentijdse gezinnen weergeven.

De uitdagingen van nieuwsamengestelde gezinnen

In vergelijking tot de standaard nieuwe gezinssamenstelling in de 19de eeuw, kenmerkt de eigentijdse nieuwe samenstelling zich door het feit dat beide ouders doorgaans nog in leven zijn op het moment van de samenstelling. Dit is van groot belang voor de gezinswerking van de nieuwe structuur die gecreëerd wordt, want kinderen kunnen dan onder het, al dan niet wettelijk erkende, gezag vallen van meer dan twee volwassenen en volwassenen die op verschillende plaatsen leven. De kwestie van de rechten en plichten van de volwassenen ten opzichte van de kinderen die van hen zijn of waarmee ze samenleven, is momenteel één van de delicaatste kwesties die onze maatschappij moet behandelen. Het is rond deze kwestie dat we sinds enkele jaren een trend merken van de-institutionalisering van de ouderlijke band.

 

In België heeft de wetgever via de wet van 13 april 1995, die een pedagogische en symbolische wet wil zijn, de voortzetting bevorderd van de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag voor en na de echtscheidingsprocedure en in alle gevallen van scheiding van gehuwde of ongehuwde koppels. Daarmee concretiseerde de Belgische wetgever het principe waarop het ouderlijk koppel het echtelijk koppel overleeft. In overeenstemming met deze ideologie lijkt de wetgever een kader te hebben willen scheppen waarin het mogelijk werd om te scheiden op een relatief vreedzame manier. Hierbij heeft het voormalige koppel nog altijd alle kansen om als een ouderlijk koppel te blijven functioneren. Bij wijze van voorbeeld lijkt het principe van de verplichting van iedere oudere om verantwoordelijkheid te blijven dragen voor het kind en elkaars verantwoordelijkheid te eerbiedigen en aan te moedigen sinds meer dan tien jaar duidelijk naar voor te komen. De staat wil de dubbele afstammingsrol veilig stellen doorheen de tijd en ongeacht de wisselvalligheid van het koppel door het principe van de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag in te voeren.

 

De organisatie van dit co-ouderschap blijft, net als de respectievelijke plaats van de verschillende volwassenen, echter moeilijk te bepalen. Op basis van de resultaten van een recent onderzoek[31], willen we enkele bijzonder betekenisvolle moeilijkheden naar voor schuiven waarmee gezinnen die een scheiding of een nieuwe samenstelling doormaken, te kampen krijgen. Aangezien we het kort moeten houden, halen we heel kort acht moeilijkheden aan die ons essentieel lijken. De vijf eerste hebben betrekking op de effectieve toepasbaarheid van de norm volgens dewelke het ouderlijke koppel het echtelijke koppel moet overleven:

 

1. Sommige mensen hebben niet dezelfde moderne opvatting en verwachten niet van de wet dat zij een rol speelt bij het co-ouderschap na de echtscheiding, maar eerder dat zij de voortzetting van de echtelijkheid bevordert, indien nodig door de echtscheiding moeilijker te maken.

 

2. De organisatiemogelijkheden voor de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijke gezag, en meer bepaald de kwestie van de verblijfsregeling, zijn niet wettelijk gepreciseerd en lijken spanningen teweeg te brengen bij de ex-echtgenoten. Uit dit standpunt blijkt erg duidelijk dat de recente wet van 18 juli 2006 tot het bevoorrechten van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake huisvesting van het kind die een gelijkmatig verdeelde huisvesting wil bevorderen geen einde zal maken aan de echtelijke geschillen over de organisatie van de huisvesting gezien de doorslaggevende rol van de rechtbank op dit vlak.

 

3. Het gebrek aan formele regels op het gebied van organisatie van het co-ouderschap zou te maken hebben met conflicten na de scheiding (geen vertegenwoordiging van het kind, geen betaling van het onderhoudsgeld) in die mate dat heel wat ‘secundaire ouders’ het gevoel hebben de ‘afdankers’ te zijn van een onrechtvaardig systeem en dat zij zich dus marginaliseren ten opzichte van de oorspronkelijk vastgelegde logica van het co-ouderschap.

 

4. De juridische erkenning van het principe van de gezamenlijke uitoefening van het co-ouderschap is belangrijk, maar onvoldoende. Ook andere instellingen die optreden voor de kinderen (school, ziekenfonds, ziekenhuis,…) moeten dit principe erkennen en de ex-echtgenoot moet dit principe daadwerkelijk aanvaarden.

 

5. Niet zelden botst de samenwerking na een echtscheiding op de moeilijke ontkoppeling van het ouderschap en de relatie tussen man en vrouw. Dit probleem kan erg gevarieerde vormen aannemen gaande van de moeilijkheid om het ouderschap (co-ouderschap) los te koppelen van de echtelijke aspecten wanneer de relatie neigt naar de heropbouw van de echtelijke band, tot de onmogelijkheid om een serene co-ouderlijke relatie op te bouwen zolang de echtelijke conflicten niet afgezwakt zijn. In heel wat gevallen botst het juridisch denken, waarbij het overleven van het ouderlijke koppel als vanzelfsprekend wordt beschouwd, met de echte beleving van de scheiding. De bezoedeling van de overeenkomsten met betrekking tot de kinderen door echtelijke geschillen is een reëel risico.

 

De drie volgende moeilijkheden hebben betrekking op de respectievelijke plaats van de verschillende volwassenen, met andere woorden op de organisatie van het meerouderschap.

 

6. De reflectie over de lopende juridische debatten moet een onderscheid maken tussen de problemen verbonden aan de vermenigvuldiging van de juridische verwantschapsbanden enerzijds en de problemen verbonden aan de vermenigvuldiging van het aantal personen die een functie van ouder vervullen anderzijds. Door hiertussen geen onderscheid te maken, hebben sommigen gedacht dat het zorgouderschap alleen betrekking zou hebben op koppels bestaande uit personen van hetzelfde geslacht!

 

7. Ook al eisen stiefouders niets in termen van ouderschap en erkennen zij de unieke plaats van ouders in de afstammingsband die hen een voorrangsrecht verleent met betrekking tot de grote beslissingen. Toch blijkt de kwestie van het dagelijkse ouderschap een vaak voorkomende aanleiding tot spanningen. De grens tussen de toepassing van de regels van de woonplaats en de herinnering aan de fundamentele opvoedingsprincipes blijft vaag. De plaats van de vader (moeder) wordt beïnvloed door de vorming van de rol van de stiefvader (stiefmoeder).

 

8. Het belang van de afstamming als leiddraad om een plaats in de geschiedenis te verwerven via het familiegeslacht lijkt het voorwerp  te zijn van een nieuwe maatschappelijke consensus. De continuïteit wordt als structurerend aanzien. Tegenover de vermenigvuldiging van de echtelijke scheidingen, is de instemming met dit principe een uitnodiging om over de nieuwe uitdagingen van het meerouderschap na te denken uitgaande van een aanvullende logica, waarbij de stukken ouderschap elkaar kunnen aanvullen eerder dan een vervangende logica, waarbij de ene ouders de anderen uitsluiten.


 

Holebigezinnen in de kijker

BORGHS, Paul

Medewerker van de cel politiek van de Holebifederatie

Redactielid van het tijdschrift ZiZo

 

Inleiding

In België zijn burgerlijke huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht geen ‘big deal’ meer. Dergelijke huwelijken halen enkel nog de pers wanneer er écht iets speciaals te melden valt, bijvoorbeeld omdat beide huwelijkskandidaten politiecommissaris zijn. Voor het overige zijn burgerlijke huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht net zo gewoon – net zo boeiend of net zo saai – als alle andere huwelijken. Schepenen van de burgerlijke stand die toespraken houden voor huwende vrouwen, ooms die huwende mannen kussen, geen kat kijkt er nog naar om.

 

Hoewel, geen ‘big deal’ meer? Een Antwerpse notaris weigerde toch nog een huwelijkscontract op te stellen voor twee mannen. Sommige steden en gemeenten gaven holebikoppels (tot aan de openstelling van de adoptie) een apart trouwboekje. Hetero’s kregen er één met gezinsbladzijden, holebi’s één zonder. Welk trouwboekje zouden die steden en gemeenten overigens geven aan een oudere man en vrouw die huwen? Eén met of één zonder gezinsbladzijden?

 

© Pierre Kroll, 2004

Korte historiek[32]

Een wettelijke omkadering voor het samenleven van twee mannen of twee vrouwen was tot in de jaren negentig geen evidentie in België. Pas in 1993 werd in de Kamer van Volksvertegenwoordigers een eerste wetsvoorstel ingediend dat samenwonenden meer rechten moest geven (het betrof de zogenaamde ‘instapregeling’ voor samenwonenden). Een tweede wetsvoorstel, dat in 1994 werd ingediend in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, handelde over het samenlevingscontract. Deze voorstellen waren revolutionair, maar meteen ook onbespreekbaar. De CVP stond na het ‘abortustrauma’ erg weigerachtig tegenover ethische thema’s. Toch was er nood aan een de(r)gelijke regeling. De aidsepidemie had niet alleen duidelijk gemaakt dat partners van hetzelfde geslacht stabiele en duurzame relaties hadden, maar ook dat ze in een juridisch vacuüm (samen)leefden. Bij de dood van één van de partners waren de successierechten zo hoog, dat er sprake was van een regelrechte confiscatie van goederen. Contractueel kon wat geregeld worden, maar zaken zoals het erfrecht, de fiscale en sociaalrechtelijke gevolgen van het samenwonen en de verhouding tot de (eventuele) kinderen vielen daar volledig buiten.

 

In België kwam er een eerste kentering in 1995, toen bekend werd dat de stad Antwerpen een register voor samenwonenden wilde instellen. Samenwonenden konden - louter symbolisch – een notarieel samenlevingscontract laten registreren bij de burgerlijke stand. Deze registratie zorgde ervoor dat er op grote schaal gediscussieerd werd over de noodzaak en het nut van de erkenning van holebirelaties. Daarnaast was dit een belangrijk signaal voor de federale overheid om werk te maken van een wettelijke regeling voor holebipartners. Opmerkelijk was dat er destijds al vrij algemeen gesproken werd van een huwelijk, ook al ging het enkel om een symbolische registratie.

 

In de tweede helft van de jaren negentig werden alvast enkele schrijnende toestanden aangepakt. In 1997 kregen holebi’s, op grond van een omzendbrief, de mogelijkheid om in België samen te wonen met hun buitenlandse partner. In het Vlaamse Gewest werden, vanaf 1998, de successietarieven verlaagd voor samenwonenden. Een globale wettelijke regeling, op federaal vlak, kwam er niet. Er was geen politieke consensus. De wet op de wettelijke samenwoning van 23 november 1998, die pas in 2000 in werking trad, stelde een minimale vermogensrechtelijke regeling in voor samenwonenden. Dit was echter geen oplossing voor de problemen waarmee holebikoppels te maken kregen.

 

Door de wet van 13 februari 2003 werd het burgerlijk huwelijk opengesteld voor partners van hetzelfde geslacht. Officieel kon huwen vanaf 16 juni 2003. België kreeg ook een algemene antidiscriminatiewet door de wet van 25 februari 2003. In het Vlaamse Gewest werden de successietarieven volledig gelijkgeschakeld tussen de samenwonenden en de gehuwden door het decreet van 1 december 2000. In de andere gewesten werd later ook werk gemaakt van een gelijkschakeling, maar dan enkel voor de wettelijk samenwonenden. Het nieuwe Wetboek van Internationaal Privaatrecht, dat op 1 oktober 2004 in werking trad, zorgde ervoor dat het burgerlijk huwelijk in België volledig toegankelijk werd voor holebi’s met een buitenlandse partner. De wet van 18 mei 2006 stelde de adoptie open voor partners van hetzelfde geslacht. Daardoor kunnen twee mannen of twee vrouwen samen een kind adopteren. Ook de co-ouderadoptie van het kind van de echtgenoot of partner werd mogelijk. Tot aan de openstelling van de adoptie was in België enkel de éénouderadoptie mogelijk door een – alleenstaande, samenwonende of gehuwde – homoseksuele man of lesbische vrouw.

Enkele cijfers

In de periode 2000-2003 werden in België 3 298 verklaringen van wettelijke samenwoning afgelegd tussen personen van hetzelfde geslacht. In dezelfde periode werden 748 wettelijke samenwoningen tussen personen van hetzelfde geslacht weer ontbonden. Er dient wel enig voorbehoud gemaakt te worden bij het begrip ‘personen van hetzelfde geslacht’, want ook verwanten (bijvoorbeeld twee broers) kunnen een verklaring van wettelijke samenwoning afleggen. Ter vergelijking: in dezelfde periode werden 43 277 verklaringen van wettelijke samenwoning afgelegd tussen personen van verschillend geslacht, waarvan er 9 107 werden ontbonden[33]. Uit de cijfers blijkt dat, in tegenstelling tot wat soms beweerd wordt, er verhoudingsgewijs ongeveer evenveel ontbindingen zijn van wettelijke samenwoningen tussen personen van hetzelfde geslacht als tussen personen van verschillend geslacht.

 

In de periode 2003-2004 werden in België 3 915 burgerlijke huwelijken gesloten tussen personen van hetzelfde geslacht[34]. Hiervan waren er 58,4% tussen mannen en 41,6% tussen vrouwen. Het geringer aantal huwelijken tussen vrouwen kan verklaard worden doordat het ouderschap niet geregeld werd bij de openstelling van het burgerlijk huwelijk, waardoor heel wat lesbische vrouwen met kinderen besloten om (nog) niet te huwen. Er werden meer gelijkgeslachtige huwelijken afgesloten in het Vlaamse Gewest dan in het Waalse of Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, respectievelijk 70,6%, 15,1% en 11,1% (3,2% van de holebihuwelijken werd afgesloten tussen personen woonachtig in het buitenland). Het overwicht van het Vlaamse Gewest is opvallend, maar niet geheel onverwacht. In Vlaanderen, dat traditioneel sterker aanleunt bij Nederland, is de aanvaarding en de emancipatie van holebi’s en de openheid rond holebiseksualiteit steeds groter geweest dan in Brussel en Wallonië. Vlaanderen heeft bijvoorbeeld al geruime tijd een sterk uitgebouwde holebibeweging en de Vlaamse overheid voert al jarenlang een actief holebibeleid.

 

Uit de (Vlaamse) ZZZip-enquête bleek dat 9% van de holebi’s kinderen had uit een vorige relatie met iemand van verschillend geslacht. 3% van de holebi’s uit de steekproef had kinderen uit een relatie met iemand van hetzelfde geslacht. 42% van de ondervraagde holebi’s had een kinderwens. Deze was meer uitgesproken bij vrouwen (54,5%) dan bij mannen (35,7%). Bij de respondenten jonger dan 26 jaar bleek dat 70% van de vrouwen en 46% van de mannen later kinderen zou willen[35].

Holebi’s en de publieke opinie

In de tweede helft van de jaren negentig woedde het maatschappelijk debat over een wettelijke regeling voor het samenwonen van holebi’s in volle hevigheid. In juni 1997 werd gepeild naar de houding van 1 000 Vlamingen ten aanzien van holebi’s. 50% van de ondervraagde Vlamingen ging ermee akkoord dat holebi’s die twee jaar samenwoonden, dezelfde rechten mochten hebben als gehuwden, maar dan zonder kinder- of adoptierecht, 39% was tegen. Voor het kinder- of adoptierecht waren de verhoudingen omgekeerd: 35% was voor en 50% was tegen. Van de jongeren jonger dan 25 jaar was 44% voor gelijke rechten met inbegrip van kinder- of adoptierecht. Bij de groep 25-65 jaar daalde dit tot 29%. Wat vooral opviel, was dat Vlamingen die holebi’s kenden in de familie- of kennissenkring, opvallend positiever stonden tegenover gelijke rechten voor holebi’s. Deze breuklijn tussen ouderen en jongeren kwam ook duidelijk tot uiting in de Panel Studie van Belgische Huishoudens uit 2002. In de leeftijdscategorie van 16-34 was 69% van de ondervraagden voor de openstelling van het burgerlijk huwelijk, 64% voor de co-ouderadoptie door holebi’s en 56% voor de gezamenlijke adoptie door holebi’s. In de leeftijdscategorie 55-74 waren de cijfers respectievelijk 27%, 45% en 29%[36]. Uit een CBGS-enquête uit 2003 bleek dat het holebithema de Vlamingen in drie groepen verdeelde: een groep ‘voor’, een groep ‘tegen’ en een groep die het principe ‘leven en laten leven’ huldigde.

 

Zeer algemeen komt in deze – en andere – peilingen tot uiting dat communicatie en contact met holebi’s belangrijke ‘goodwill-creëerders’ zijn[37]. Jongeren hebben minder moeite met de openstelling van het burgerlijk huwelijk en de adoptie dan ouderen. Dit zou kunnen inhouden dat, met het voortschrijden van de tijd, het aandeel van de voorstanders van gelijke rechten voor holebi’s zal toenemen[38]. Vrouwen staan ook positiever tegenover deze maatregelen dan mannen[39]. Vlamingen staan van alle Belgen het meest open voor gelijke rechten voor holebi’s[40].

 

Opmerkelijk: bij Vlamingen gaat de voorkeur voor keuze van buren (eerste keuze) uit naar een jonggehuwd (46,8%) of een bejaard (25,6%) echtpaar. Slechts 11,5% wil een gezin met veel kinderen naast de deur, 4,6% een alleenstaande vrouw met kinderen en 4,3% een holebikoppel. Enkel een Marokkaans of Turks gezin (2,4%), een mentaal gehandicapt paar (1,5%) en een gezin met OCMW-steun (0,7%) zijn nog minder geliefd als buur[41].

België en Europa

Zijn de Belgen toleranter tegenover de openstelling van het burgerlijk huwelijk en de adoptie dan de andere Europeanen? In januari 2003 ondervroeg EOS Gallup Europe 15 074 inwoners uit 30 Europese landen. De Belgen bevinden zich zowel voor de openstelling van het burgerlijk huwelijk voor partners van hetzelfde geslacht (67% voor), als voor de adoptie door holebikoppels (47% voor) in de top zes. In de 25 lidstaten die momenteel tot de EU behoren, was respectievelijk 53% en 38% voorstander. Jongeren en vrouwen stonden positiever tegenover de openstelling van het huwelijk en de adoptie door holebi’s, dan ouderen en mannen. Bovendien hadden vooral hoger opgeleiden en ongelovigen minder moeite met gelijke rechten voor holebi’s.

Holebithema’s en kiesgedrag

Naar aanleiding van de (regionale en Europese) verkiezingen van 13 juni 2004, peilde de krant De Standaard naar de thema’s die van belang waren geweest bij het stemgedrag. De ethische thema’s kwamen helemaal achteraan te staan, nog net voor ruimtelijke ordening én cultuur, media en wetenschapsbeleid. Vooraan stonden zaken zoals sociale zekerheid, gezondheidszorg, criminaliteit, werkgelegenheid, belastingen, verkeersveiligheid en leefmilieu[42].

 

Opmerkelijk: uit een peiling gehouden in april 2003 door het VRT-programma ‘Doe de stemtest’, bleek dat slechts 20,8% van het Vlaams Blok-electoraat vond dat holebikoppels niet mochten trouwen. Deze kiezers verschilden niet significant van het totale kiezerskorps op dit vlak[43]. Uit andere peilingen bleek dat de voorstanders van gelijke rechten voor holebi’s eerder bij partijen zoals Groen!, SP.a en VLD aanleunen en de tegenstanders eerder bij partijen zoals CD&V en Vlaams Belang[44]. Uit de ZZZip-enquête bleek trouwens dat holebi’s voornamelijk stemmen voor (ethisch) linksere partijen.

Het burgerlijk huwelijk (her)bekeken

Tijdens het maatschappelijk debat rond de openstelling van het burgerlijk huwelijk werd aangevoerd dat het huwelijk verband hield met de voortplanting, met het voortbestaan van de groep (en bijgevolg voorbehouden diende te worden aan personen van verschillend geslacht)[45]. Als dusdanig is dit een merkwaardige stelling. Historisch gezien is het huwelijk immers een creatie van relatief recente datum. Tijdens de vele eeuwen zonder enige vorm van huwelijk was er ook voortplanting en er zal nog altijd voortplanting zijn mocht men het huwelijk afschaffen. Juridisch kan de koppeling tussen het burgerlijk huwelijk en de voortplanting ook niet meer gevolgd worden. Het Belgische huwelijksrecht kent geen wettelijke verplichting tot voortplanting. Personen die zich niet kunnen voortplanten – wegens infertiliteit of hoge leeftijd – kunnen huwen. De wet legt echtgenoten geen procreatieplicht op. Ook huwelijken van – al dan niet gewild – kinderloze paren zijn échte huwelijken. Buiten het huwelijk is er evengoed voortplanting mogelijk en voortplanting kan zelfs zonder geslachtsgemeenschap. In het Belgisch Burgerlijk Wetboek wordt het huwelijk in eerste instantie opgevat als een levensgemeenschap, artikel 146 bis stelt uitdrukkelijk de intentie van een duurzame levensgemeenschap voorop. Dit is door het Arbitragehof bevestigd in het arrest van 20 oktober 2004. Ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft de koppeling tussen het huwelijk en de voortplanting losgelaten.

 

In de westerse rechtscultuur is het burgerlijk huwelijk in wezen een juridisch en maatschappelijk erkende en georganiseerde duurzame samenlevingsvorm die in de eerste plaats gebaseerd is op de wederzijdse en exclusieve affectie en seksualiteit (affectief-emotionele functie), evenals op de materiële en morele steun van de echtgenoten ten opzichte van elkaar (sociaal-economische functie)[46]. Doordat het burgerlijk huwelijk geen procreatief-familiale functie heeft, is er geen enkele fundamentele reden meer om institutioneel een onderscheid te maken tussen het samenwonen van een man en een vrouw, van twee mannen of van twee vrouwen[47]. Het is dan ook positief dat de Belgische wetgever niet gekozen heeft voor een geregistreerd partnerschap voor partners van hetzelfde geslacht. Een dergelijke bijna-gelijk-maar-wel-apart-regeling zou enkel maar een overbodig tweelokettensysteem in stand houden, waarbij partners van verschillend geslacht kunnen huwen en partners van gelijk geslacht hun relatie (enkel) kunnen laten registreren. Dit zou vergelijkbaar zijn met de Amerikaanse ‘separate but equal’-doctrine. Deze doctrine werd inmiddels weer verlaten, want “separate facilities are inherently unequal”. Men kan alleen maar vaststellen dat het huwelijk als cultuuroverstijgend universeel sociaal instituut niet bestaat, maar zeer flexibel en variabel is en verschillende ladingen kan dekken. Het ‘huwelijk’ is uiteindelijk die relatie die men huwelijk noemt (of wil noemen)[48].

De afstamming (her)bekeken

Tijdens het maatschappelijk debat rond de openstelling van de adoptie werd de juridische afstamming vaak verward met de biologische afstamming. Het gaat echter om twee aparte zaken. Biologisch heeft een kind bijvoorbeeld steeds een vader en een moeder, maar juridisch hoeft dat niet het geval te zijn. De biologische afstamming is onveranderlijk, wat niet het geval hoeft te zijn voor de juridische afstamming. De juridische afstamming zal vaak gebaseerd worden op de biologische afstamming, maar dit hoeft niet noodzakelijk het geval te zijn. Dit is bij adoptie het duidelijkst. Adoptie is een geschikt middel om het ouderschap van twee personen van hetzelfde geslacht juridisch inhoud te geven. Juridisch kan een kind perfect afstammen van twee mannen of twee vrouwen.

 

De juridische afstamming heeft tot doel vast te leggen wie verantwoordelijk is voor de zorg en de begeleiding die een kind nodig heeft tijdens zijn volwassenwording. Door de juridische afstamming wordt bepaald op welke persoon (of personen) een kind aangewezen is voor zijn huisvesting, levensonderhoud, opvoeding en passende opleiding. Dat kunnen twee personen van hetzelfde geslacht zijn[49]. Vanuit het oogpunt van het belang van het kind zou het onverantwoord zijn om het juridisch ouderschap te weigeren indien twee personen van hetzelfde geslacht zich aandienen om spontaan deze socialiseringstaak op zich te nemen.

Besluit

Vanuit juridisch oogpunt zijn er geen valabele argumenten om het burgerlijk huwelijk (“het best uitgewerkte en meest gepromote gezinsinstituut in ons recht”) en de adoptie (“de meest volwaardige band tussen (een) volwassene(n) en (een) kind(eren)”) gesloten te houden voor partners van hetzelfde geslacht[50]. Tegenstanders grepen vaak terug naar (onder meer) achterhaalde historische concepten, religieuze opvattingen, vermeende problemen die zouden opduiken in het buitenland en – op het gebied van adoptie – psychologische argumenten. Wat dat laatste betreft kan alleen maar objectief vastgesteld worden dat er heel wat (doctoraats)onderzoek bestaat dat aantoont dat kinderen in holebigezinnen zich niet anders (of slechter) ontwikkelen dan kinderen in andere gezinnen. Er is echter geen omstandig en verscheiden onderzoek dat het tegendeel aantoont[51].

 

In de afgelopen jaren werden er in België belangrijke stappen gezet op het gebied van de (juridische) gelijkberechtiging van holebi’s. In tegenstelling tot wat soms voorspeld werd, is België daardoor niet afgegleden naar een soort Sodom en Gomorra. Het holebihuwelijk werd geaccepteerd door grote delen van de bevolking en, naarmate er meer vertrouwdheid mee komt, zal ook het holebi-ouderschap een erg gewone zaak worden. Overigens zetten steeds meer landen, in Europa en daarbuiten, de stap naar het holebihuwelijk (of een vergelijkbare regeling) en de openstelling van de adoptie.

 

In België is er voornamelijk nog wetgevend werk nodig op het gebied van de hersamengestelde (hetero- of holebi)gezinnen, zodat meerdere personen kunnen delen in het ouderlijk gezag. Daarnaast kan gedacht worden aan een eenvoudigere adoptieprocedure (of erkenningsprocedure) voor meemoeders waarvan de echtgenote of partner een kind kreeg na kunstmatige inseminatie met een anonieme donor. De grootste taak zal in de nabije toekomst echter weggelegd zijn voor het beleidsmatig werk, dat moet leiden tot een nog grotere emancipatie en aanvaarding van holebi’s en holebigezinnen, maar ook van vaak nog vergeten ‘minderheidsgroepen’ binnen de holebipopulatie (zoals oudere holebi’s, allochtone holebi’s en holebi’s met een handicap).


 

De verrassende actualiteit van het klassieke gezin

MATTHIJS, Koen

Centrum voor Bevolkings- en Gezinsonderzoek, Katholieke Universiteit Leuven (K.U.Leuven)

 

Alleen, allemaal samen (?)

Je hoort het velen denken: er wordt vandaag te weinig en te laat getrouwd (wat er op wijst dat vrouwen – want zij zijn natuurlijk de oorzaak – eerst kiezen voor hun carrière), te veel vrouwen krijgen te laat kinderen (wat op termijn slecht is voor de moeder-kindrelatie), veel koppels kiezen zomaar bewust en gewild voor geen kinderen (die koppels zijn egoïstisch en egocentrisch), te veel vrouwen werken buitenshuis (dat ondermijnt hun ouderlijke controle), er zijn te veel éénkindgezinnen (die kinderen worden asociale wezens), er wordt te veel en te snel gescheiden (wat leidt tot te veel éénoudergezinnen en tot relatie-onbekwame kinderen) en er wordt te vlug en te gemakkelijk gemigreerd tussen gezinnen (wat onzekerheid in de tussenmenselijke relaties versterkt en wat bovendien duur is). Dat deprimerende lijstje over (de gevolgen van) recente gezinsontwikkelingen kan in alle richtingen worden uitgebreid. De eindconclusie is hard: er zijn geen (h)echte gezinnen (meer) en men moet dus niet verwonderd zijn dat de samenleving er vandaag uitziet als een verzameling verzuurde, depressieve en agressieve individuutjes. Linea recta ligt hier ‘dus’ de verklaring voor postmoderne gezinskwalen die ‘onrustwekkend toenemen’: kindermishandeling, oudergeweld, seksuele problemen, zwaarlijvigheid, overspannen moeders, magerzucht, criminele jongeren, afwezige vaders, vergeten ouderen.

 

‘Vroeger’ zou dat allemaal anders zijn geweest. Toen was ‘het gezin’ een hechte groep: een beminnelijke buitenshuiswerkende man met aanvaard gezag, een zorgzame thuiswerkende moeder wier gedachten stopten aan de gezinsgrenzen en een paar volgzame kinderen, die van jongs af aan gezinnetje speelden. Gezinnen zouden toen warmer, knusser en gezelliger zijn geweest: samen eten, samen op vakantie gaan, samen kerstdag vieren, samen uitkijken naar de volgende kaars op de volgende verjaardagstaart. Geen puberende adolescenten, geen jeugdcriminaliteit, geen afwezige moeders, geen vreemdgaande vaders, geen generatieconflicten. De voorbije decennia zou dat allemaal van binnenuit ondermijnd zijn en dat zou de oorzaak, de afspiegeling of de versterking zijn van een algemene sociale malaise, culturele armoede en maatschappelijke chaos[52]. Volgens anderen is dat allemaal fors overdreven: de negatieve diagnose is bijziend en éénogig; ze steunt niet alleen op een gekleurde voorstelling van zaken van vroegere gezinsontwikkelingen, maar ook op een verkeerde evaluatie van de huidige stand en gang van zaken. Volgens die meer positieve visie zijn de actuele gezinskenmerken het resultaat van een flexibele zoektocht naar nieuwe antwoorden op postmoderne vragen[53]. De geschiedenis leert dat men best rustig blijft bij al die dubbelzinnigheid. In 1859 schreef een journalist[54] in de Boston Quarterly Review: “The family, in the old sense, is disappearing from our land, and not only our free institutions are threatened but the very existence of our society is endangered”.

 

Of iets is veranderd of niet ten opzichte van vroeger, hangt af van wat men verstaat onder ‘vroeger’ en onder ‘verandering’. Veel van de hedendaagse gezinskenmerken (qua huwelijk, hertrouw, leefsituaties, generationele verhoudingen) ontstonden ergens in het midden van de 19de eeuw (soms nog vroeger) en met een brede blik beschouwd is er daar sindsdien erg weinig aan veranderd. De kenmerken van het hedendaagse gezin zijn bijlange niet zo ‘nieuw’ als de hedendaagse publieke opinie, in een vlaag van misplaatste nostalgie, denkt, vreest of hoopt. Ten opzichte van de vroegmoderne tijd (ruwweg 1500-1800) is er daarentegen wel een en ander veranderd. Maar wat betreft de aard van die veranderingen is historisch onderzoek erg ontnuchterend: het vroegmoderne gezin was zeker niet zo’n gezellig clubje en niet zo’n knusse bedoening als men vaak laat uitschijnen! Dat wordt straks toegelicht.

 

Door het gebrek aan historische diepte (mensen kijken hooguit twee generaties terug, namelijk de ouders en de grootouders) hebben velen de naoorlogse periode (1945-1970) voor ogen als ‘vroeger’ ter sprake komt. Over het huwelijks- en gezinsleven in die periode bestaan er allerlei opvattingen en die fungeren als norm waartegen hedendaagse ontwikkelingen (1970-nu) worden afgezet. Maar juist die vergelijking is verteken(en)d, want uitgerekend het huwelijks- en gezinsgedrag van de naoorlogse decennia was historisch totaal atypisch. Los daarvan moet men ook de hedendaagse situatie voldoende breed bekijken. Naast de evidente dynamiek en verandering, is er ook veel stabiliteit en continuïteit qua huwelijkssluiting, gezinsvorming en leefpatronen. Veel mensen huwen in 2006 wél, zij wonen niet ongehuwd samen, zij scheiden niet, zij hebben geen buitenechtelijke kinderen, zij wonen duurzaam in een ‘klassiek’ twee-oudergezin en zij zeggen daar allemaal gelukkig mee te zijn. Er is dus iets dubbels aan de hand en dat vraagt om een serieuze empirische analyse. Laing[55] verwoordde die voorzichtige boodschap al kernachtig in het begin van de jaren 1970: “we praten over het gezin alsof we weten wat een gezin is”.

Het som-gezin

Het som-gezin heeft betrekking op gezinskenmerken tout court en toont zich onder de vorm van cijfers, ratio’s, percentages en quotiënten: het totaal vruchtbaarheidscijfer, de eerstehuwelijksleeftijd, de hertrouwintensiteit, het longitudinaal echtscheidingscijfer, het consumptieprofiel, het aantal ongehuwd samenwonenden, de scheidingskans van homohuwelijken, de evolutie van het aandeel éénpersoonsgezinnen. De recente geschiedenis van enkele kenmerken van het som-gezin ziet er als volgt uit. In de naoorlogse decennia en tot ongeveer 1970 huwde bijna iedereen jong, de meeste koppels kregen spoedig drie tot vier kinderen en de overgrote meerderheid van de bevolking volgde een vrij uniform gezinsparcours, met een vaste, gender-specifieke taakverdeling: de vrouw zorgde voor de expressieve functies (zorg voor de echtgenoot en de kinderen, home making, emotionele steun), de man voor de instrumentele functies (werk, inkomen, status). Het huwelijk was een gewaarborgde en hooggewaardeerde instelling; er waren nauwelijks zijpistes of tussenstations zoals ongehuwd samenwonen, lat-relaties, huwelijken op loopafstand, spitsuurgezinnen, voordeurdelers, stiefgezinnen, nieuwe vaders en co-co’s. Of homohuwelijken! Echtscheiding was een zwaar privé-ongeval dat met alle middelen moest bemoeilijkt en liefst voorkómen worden. Je hoorde zeker niet te scheiden omdat je niet met je partner kon communiceren.

 

Dat alles veranderde in de loop van de jaren zeventig en tachtig van de 20ste eeuw. Het begon rond 1965 met een daling van de vruchtbaarheid. Al vanaf 1970-1975 lag het vruchtbaarheidscijfer in verschillende West-Europese landen onder het vervangingsniveau (ongeveer 2,1 kinderen per vrouw) en het ligt nu in veel landen rond de 1,5 à 1,7 kinderen per vrouw, wat maar 10% is van wat biologisch mogelijk is en wat één derde te weinig is om in de vervanging van de generaties te voorzien. Vreemd dus, dat soms geregeld opduikend hosanna als er ‘plots’ enkele geboortes meer per jaar zijn.

 

Kort na de daling van het geboortecijfer, verminderde ook de huwelijksintensiteit; die daalde in België de voorbije dertig jaar met bijna de helft. Ondanks de veralgemening van het tweeverdienerschap, ondanks de uitbouw van een efficiënt socialezekerheidssysteem, ondanks de vele economische en sociale ondersteuningswerken voor gezinnen, ondanks het feit dat de meesten in principe de materiële mogelijkheid hebben om te huwen, gebeurde dat toch niet. Of moet ‘ondanks’ geïnterpreteerd worden als ‘juist daarom’? Er werd overigens niet alleen minder, maar ook later getrouwd: de voorbije dertig jaar steeg de eerstehuwelijksleeftijd in bijna alle West-Europese landen van 24 à 26 naar 27 à 29 jaar voor mannen en van 22 à 24 naar 25 à 27 jaar voor vrouwen. Mede als gevolg daarvan worden vrouwen tegenwoordig later moeder dan één generatie geleden, wat niet zonder gynaecologische risico’s zou zijn. Of dat proces zich verder in die richting zal ontwikkelen, is moeilijk te zeggen: de langetermijngezinsgeschiedenis leert dat huwelijks- en gezinstrends niet lineair geëxtrapoleerd mogen worden. Voorbij een bepaald punt, keren (sommige) trends (soms). Het is mogelijk dat naarmate het huwelijk kwantitatief zeldzamer wordt, het kwalitatief hoger wordt gewaardeerd – dat is vaak het lot van schaarse producten.

 

‘Weinig’ en ‘laat’ huwen is historisch niet nieuw, het is integendeel een situatie die in de hele vroegmoderne tijd en in de eerste helft van de 19de eeuw, overal in West-Europa voorkwam. Dat model staat historisch te boek als het West-Europese (of malthusiaanse) huwelijkspatroon. Dat veranderde vanaf het midden van de 19de eeuw: vanaf dan werd er ‘meer’ en ‘vroeger’ getrouwd. Na wat schommelingen bereikte dat model zijn hoogtepunt in de periode 1945-1970, toen bijna iedereen jong huwde. Vandaag kennen we weer de klassieke situatie van ‘weinig’ en ‘laat’ huwen, maar die kwantitatief-demografische gelijkenis mag niet verdoezelen dat er grote kwalitatief-sociologische verschillen zijn. In de vroegmoderne tijd was laat en weinig trouwen een antwoord op de economische eisen van de agrarisch-ambachtelijke samenleving (‘weinig’ huwen voorkwam grondversnippering) en tegelijk was het een middel om de bevolkingsgroei onder controle te houden (kinderen werden meestal binnen het huwelijk geboren en door de toegang tot het huwelijk te bemoeilijken, kon men het kinderaantal beperken). Het huwelijk fungeerde als een sluis die zich opende of sloot naargelang de economische noden of mogelijkheden. Die functie is vandaag verdwenen: de postindustriële samenleving stelt geen vergelijkbare economische eisen aan het gezin en de bevolkingsgroei wordt nu onder controle gehouden door het gebruik van anticonceptie binnen het huwelijk, niet door externe controle op de toegang tot het huwelijk.

 

Vanaf het begin van de jaren 1970 steeg ook de echtscheidingsintensiteit. Dat is historisch wél uniek. Rond 1970 bedroeg de totale echtscheidingsratio 10%, nu is dat ongeveer 40%, wat betekent dat vier op de tien van de nu gesloten huwelijken in echtscheiding zullen eindigen (gesteld dat het toekomstig echtscheidingsgedrag niet wezenlijk verschilt van het vroegere en het huidige). Erg betekenisvol is dat er sinds enige tijd meer huwelijken worden ontbonden (door echtscheiding en verweduwing samen) dan gesloten[56]. Hier beweegt er dus wel een en ander. De toename van het aantal echtscheidingen resulteerde op korte tijd in een hele resem gevolgen, onder meer op het gebied van de ouder-kindverhouding, de relatie tussen de ex-partners en de spanning tussen biologisch en sociologisch ouderschap. Voor kinderen komt dat vaak neer op een wisselende leef- en leeromgeving. Zij spelen nu geen gezinnetje, maar echtscheidingetje.

 

Een echtscheiding is geen terminale gebeurtenis: de meerderheid van de gescheidenen hertrouwt spoedig of woont samen met een nieuwe partner. Tussen 1950 en 1975 hertrouwde 60% tot 70% van de gescheidenen binnen de vijf jaar na hun echtscheiding, vandaag is dat ongeveer 40%. Het verschil (van ongeveer 25%) wordt opgevuld doordat gescheidenen meer opteren voor ongehuwd samenwonen. Sociologisch relevant is de vaststelling dat de hertrouwkans in de jaren 1980 op elke leeftijd groter was dan de huwelijkskans van nooit eerder gehuwden[57]. De gescheidenen hielden bij wijze van spreken het aantal huwelijkssluitingen op peil. Overigens stabiliseert de gezinsgeschiedenis niet na een echtscheiding: in hertrouwhuwelijken is de echtscheidingskans groter dan in eerste huwelijken[58].

 

Na de nodige maatschappelijke commotie, voerde België in 1998 de wettelijke samenwoning in. Er zijn verschillende vormen van ongehuwd samenwonen (voor een goed overzicht, zie Forder & Verbeke[59]). Binnen hetzelfde klimaat werd in België in 2003 het huwelijk van partners van hetzelfde geslacht mogelijk. Net zoals bij echtscheiding, gaat het ook hier om echte veranderingen. Recente data leren dat ongehuwd samenwonen in België volop in beweging is, maar een ‘populair instituut’ is het (nog) niet: het huwelijk wordt uitgesteld, maar dat wordt niet helemaal gecompenseerd door een toename van het ongehuwd samenwonen, weinigen blijven op oudere leeftijd ongehuwd samenwonen en slechts een deel van de gescheidenen (en verweduwden) gaat ongehuwd samenwonen[60]. De toename van het ongehuwd samenwonen is verklaarbaar door huwelijksuitstel van jonge mensen en door een toename van het aantal gescheidenen die na de scheiding ongehuwd gaan samenwonen.

Het samen-gezin

Leg aan jongeren of ouderen, mannen of vrouwen, hooggeschoolden of laaggeschoolden de stelling voor “het huwelijk is een verouderde instelling” en er volgt een massale ontkenning. Wordt aan mensen gevraagd wat het belangrijkste is in hun leven, dan staat het gezin met stip bovenaan. Je zou ­dus verwachten dat hun gedrag op het gebied van huwelijk, echtscheiding en wat daar rond cirkelt, aansluit bij die opvatting, maar de gepresenteerde data over het som-gezin leren dat dat maar gedeeltelijk zo is. De snelle conclusie is dan dat mensen zomaar wat kletsen, maar dat is een verkeerde diagnose. Schijn bedriegt: mensen zeggen niet zomaar iets. De vermelde dubbelzinnigheid is een paradox en die is terug te voeren tot het onderscheid tussen het som-gezin en het samen-gezin.

 

Mensen leven in gezinnen waar van alles gebeurt dat netjes in de statistieken van het som-gezin is te gieten. Enkele daarvan passeerden de revue. Maar mensen doen ook allerlei zaken die niet in cijfers, grafieken en tabellen zijn te vatten. Ze zijn voortdurend bezig met het uitdenken en oplossen van partner-problemen, met elkaar aftasten (figuurlijk maar ook letterlijk), met het opvoeden van kinderen (die kinderen doen bijna alles wat hun ouders vragen), met het zorgen voor oudere ouders, met het opvangen van kleinkinderen, met het klaarmaken van eten. Niets daarvan is evident, zo leert de gezinsgeschiedenis. Het samen-gezin toont zich dagelijks op duizenden manieren, maar die zijn niet gemakkelijk in enige statistiek te vatten. Mede daarom valt het samen-gezin buiten de beleidsogen. Schoonheid, gezelligheid, zorgzaamheid, knusheid en smaak laten zich niet gemakkelijk verstatistieken. Doordat we verblind en selectief naar cijfers kijken, ontsnapt het alledaagse aan doorsnee sociologische ogen.

 

Jaar in, jaar uit zorgen mensen voor elkaar in gezinsverband: ze staan ’s morgens ongeveer gelijktijdig op, ze werken overdag voor elkaar, ze eten meestal samen en ze gaan doorgaans samen slapen. En als dat niet gebeurt, vinden ze dat dat zou moeten gebeuren. Elk jaar samen op reis gaan, is de zomerse hoogmis van gezinswarmte. Op zondagmorgen staat half België (vaak de mannen!) bij de bakker om voor het gezinsontbijt te zorgen en op zondagnamiddag verplaatsen hele gezinnetjes zich met de gezinswagen naar de (groot)ouders, de (klein)kinderen en de broers en zussen. Op kerstavond zit heel België aan de familiale feesttafel, een tafel die bulkt van de gezinsrituelen – het kerstfeest is overigens niet uitgevonden door de Kerk, maar door de mid-19de-eeuwse middenklasse. Dat is trouwens een leerrijk voorbeeld. Want mag het ritueel-gehalte van kerstdag en Nieuwjaar voor velen hoog zijn, voor anderen is dat het dieptepunt van winterse eenzaamheid. Juist dan kan de kloof tussen feit en fictie erg groot zijn. Dat dubbel kerstgevoel wordt, niet toevallig, vooral vertolkt door verweduwden, gescheidenen en alleenstaanden. Juist zij missen het samen-gezin, een gemis dat er niet zou zijn als het samen-gezin niet de maatschappelijke norm was! Het voorbeeld geeft goed aan hoezeer het som- en het samen-gezin siamees op elkaar inhaken, soms constructief, soms destructief.

 

Met haast schaamteloze gedrevenheid zoeken duizenden genealogen hun gezinsverleden op in verborgen archieven en registreren ze fier hun bevindingen voor het nageslacht. In alle gezinnen hangen foto’s van het gezinsleven en van de gezinsleden en dat als permanente herdenking van het (gezins)verleden. Sommige gezinnen zijn musea van gezinsportretten en familiealbums, tijdloze plaatsen waar het verleden gedurig werd gememoreerd. Daar hangen ook de doden: wie ooit gezinslid was, blijft dat (op de vraag “kan iemand die overleden is nog altijd als een gezinslid worden beschouwd?” antwoordde 65% van eerstejaarsstudenten van de K.U.Leuven bevestigend in 2002[61]). Foto’s van familieleden worden meegenomen naar de werkvloer; het gezin zit in de gereedschapskist en tussen dossiers. En in toenemende mate figureren pasgeborenen als screensaver. Dat alles wijst erop hoezeer de gezinsruimte en de gezinstijd – meer en meer aangeduid met de term kwaliteitstijd – worden gekoesterd en beveiligd. Hieraan ontlenen veel mensen (niet alleen vrouwen!) een deel (soms een groot deel) van hun erkenning en waardering. Het samen-gezin zorgt voor speciale aandacht, aparte bewondering, geïndividualiseerd respect. Hier klopt het ­hart van het samen-gezin.

 

Nu en dan worden enkele aspecten van het samen-gezin in de mate van het mogelijke toch verstatistiekt en de resultaten daarvan zijn sociologisch leerrijk en politiek relevant. Een recent onderzoek in de vsa leert dat drie op vier mannelijke respondenten liever een saaie job heeft die toelaat om voor de kinderen te zorgen dan een job vol promotiekansen, maar zonder voldoende tijd om voor de kinderen te zorgen[62]. Een andere studie wijst uit dat één op twee vaders vrijwillig de werkweek inkort om meer opvoedingstijd te hebben en één op vijf zou om die reden een promotie weigeren[63]. Het is duidelijk: het verstatistiekte som-gezin onthult maar een deel van de gezinsrealiteit en het samen-gezin is geen bijkomstig symbool van emotionele, nostalgische warhoofden.

Historische situering

In de vroegmoderne tijd waren er geen gezinsbeelden, geen gezinsscènes, geen gezinssymbolen, geen aparte familie- of gezinstijd[64]. De private gezinswereld viel samen met de publieke gemeenschapswereld. Het gezin was open (letterlijk en figuurlijk) en functioneerde in een gesloten samenleving; bij wijze van spreken zou men kunnen zeggen dat het hedendaagse gezin gesloten is, maar functioneert in een open samenleving. Sprekend in dat verband is dat het begrip ‘gezin’ in de vroegmoderne tijd betrekking had op alle huishoudleden, zowel verwanten als niet-verwanten (het Middelnederlandse ghesinde betekende reisgezelschap, hofhouding, gevolg; Huisghesinde duidde op alle bedienden die met iemand samenwoonden). Het is pas vanaf het midden van de 19de eeuw dat die notie werd verengd tot het kerngezin, in een latere fase zelfs tot de ouder-kindrelatie (een sprekend voorbeeld: op de vraag “Greta en Patrick zijn dertigers die reeds drie jaar ongehuwd samenwonen. Ze hebben geen kinderen. Vormen zij een gezin?” antwoordde maar 66% van eerstejaarsstudenten van de K.U.Leuven bevestigend in 2002[65]).

 

In de vroegmoderne tijd was huwelijkssluiting en gezinsvorming niet affectief, maar economisch gemotiveerd: men kon (tenminste indien men de oudste was) huwen als (en van zodra) het hoofd van het (landbouw)bedrijf ziek was, of gepensioneerd werd, of overleed. Zoals hoger aangegeven leidde dat tot een hoge eerstehuwelijksleeftijd. Een hoge eerstehuwelijksleeftijd betekent dat jong­volwassenen een aantal jaren zorgeloos kunnen sparen, zeker als ze gratis inwonen bij hun ouders. Omdat men in de toenmalige landbouwsamenleving werd betaald voor geleverde arbeidspresta­ties was de inzet van jonge spierkracht erg rendabel. Het zo gespaarde geld stimuleerde de vraag naar duurzame consumptiegoederen en leverde meer zuurstof aan de economie dan het geval zou zijn geweest als velen jong en zonder financiële middelen, zouden huwen. Dat had een niet meteen voor de hand liggend neveneffect: laat huwen bevorderde de groei van het kapitalisme en van de industrialisatie!

 

Zelfs op het moment van het huwelijk waren er weinig affectieve bindingen, maar affectie kon eventueel later wel ontstaan of groeien, als een gezellige bijkomstigheid. Dat romantische liefde geleidelijk een voorwaarde werd om te huwen is echt een ‘modern’ fenomeen, maar dat fenomeen houdt het wel al 150 jaar uit. Natuurlijk is romantiek niet nieuw, maar wel nieuw of ‘modern’ is de inperking ervan tot ‘liefde’ tussen twee mensen[66]. Anno 2006 is romantische liefde nog steeds dé hooggewaardeerde standaard waartegen andere relaties, zowel huwelijkse als niet-huwelijkse, zowel hetero- als homoseksuele, worden afgewogen. Die vorm van romanticisme is een recente culturele imperatief, die pas in het midden van de 19de eeuw werd ‘uitgevonden’, niet door de Kerk, niet door de vrouwen, niet door de jeugd, wel door de nieuwe middenklasse.

 

In de vroegmoderne tijd waren ouders op hun hoede voor te veel affectie, zeker voor affectie ten aanzien van hun kinderen. Dat had te maken met de hoge sterfte: tot ruwweg 1850 bereikte één op twee borelingen niet de leeftijd van 20 jaar. Sterfte stond midden in het dagelijkse leven en daarom cultiveerde men best geen affectie voor de kinderen. Emotioneel afstand houden was een strategie om emotioneel te overleven. Elke mooie, gezonde baby kon de volgende week overlijden. Je had, bij wijze van spreken, pas een kind nadat het de mazelen had overleefd en dat gold niet alleen voor arme boeren, maar ook voor rijke grootgrondbezitters. De overlevende kinderen werden in de vroegmoderne tijd al op jonge leeftijd uitgestuurd als dienster of als knecht en ook dat is indicatief voor de afstandelijke ouder-kindrelatie. Die kinderen (correcter: jonge volwassenen) werden dus niet in knus gezinsverband verzorgd en opgevoed, ze werden integendeel vlug ingeschakeld als leveranciers van jonge spieren en goedkope arbeid voor de landbouweconomieën uit de buurt[67].

 

Dopen, huwelijken en begrafenissen, waarvan velen denken dat het ‘vroeger’ belangrijke gezinsgebeurtenissen waren, waren dat in de vroegmoderne tijd niet. Vaak waren de directe verwanten zelfs niet aanwezig bij die gebeurtenissen[68]. Dopen werden snel na de geboorte (het kind kon ’s anderendaags overlijden) afgehandeld tijdens de ochtendmis. Het huwelijk was een publieke aangelegenheid waar vooral dorpsgenoten, eerder dan de ouders en dichte verwanten, bij betrokken waren. Voor begrafenissen gold hetzelfde: doden werden snel onder de grond gestopt, graven werden niet bezocht, laat staan onderhouden. Noch een geboorte, noch een huwelijk, noch een begrafenis waren in de vroegmoderne tijd een geritualiseerd gezinsgebeuren. Om kort te gaan, men past maar beter op als men het heeft over ‘vroeger’ en men nostalgisch uitkijkt naar het knusse kerngezin van weleer.

De wortels van het samen-gezin

Vanaf ongeveer het midden van de 19de eeuw veranderde het geschetste gezinsplaatje van de vroegmoderne tijd. Eén van de ­stuurmotoren daarvan was de economische groei, de industrialisatie, de verstedelijking en de toegenomen geografische mobiliteit. Maar even doorslaggevend was de gewijzigde culturele context: de massale diffusie van emotionalisering, romantisering, verhuiselijking en familiarisering onder alle bevolkingslagen[69]. Dat het midden van de 19de eeuw een scharnierperiode was, heeft onder meer te maken met het feit dat productie en consumptie rond die tijd van elkaar werden losgeweekt en aan aparte instituten toegewezen. De economische productie gebeurde voortaan buiten het gezin, de consumptie erbinnen. Het gezin specialiseerde zich in de emotionele mandekking, de wederzijdse zorg en de cultivering van expressieve waarden[70]. Binnen het gezin werd de taakverdeling nog geslachtsspecifieker dan ze voordien al min of meer was[71]. De notie buitenshuis werd symbolisch gekoppeld aan man, werk, geld, prestige, publiek. En toekomst. De notie binnenshuis aan vrouw, vrije tijd, privaat, kinderen, emotie, warmte en verleden. Er was voortaan dus niet alleen een economie van de ruimte, maar ook een economie van de tijd. Men mocht dus geen tijd verliezen om gelukkig te zijn, wat betekende zo vlug mogelijk huwen. Niet alleen de oudste of de erfgenaam, maar iedereen. Vanaf het midden van de 19de eeuw ontstond er in België – zoals elders in West-Europa – een gedreven, haast mimetische huwelijksbegeerte: de huwelijksintensiteit nam fors toe en de eerstehuwelijksleeftijd daalde snel. Op minder dan een generatie tijd implodeerde het ‘oude’ malthusiaanse huwelijkspatroon van ‘weinig’ en ‘laat’ huwen. Meer mannen en vrouwen, van alle sociale groepen, huwden voortaan alsmaar jonger en meer en meer rond dezelfde leeftijd[72].

 

De genderspecifieke taakverdeling leverde voor de mannen een merkwaardige paradox op: meer dan de vrouwen leefden zij in twee werelden, één binnenshuis en één buitenshuis. (Dat is vandaag goed herkenbaar, want dat is juist het type tegenstelling waar hedendaagse vrouwen mee geconfronteerd worden). De nieuwe laat-19de-eeuwse burger werd geconfronteerd met een pakkende contradictie: enerzijds had hij allerhande publieke rollen en verantwoordelijkheden, anderzijds voelde hij zich intens aangetrokken tot de nieuwe huiselijkheid. Door de nieuwe taakverdeling kon hij echter niet tussenkomen in de gezinsinterne zaken. Het huishouden in orde houden en kinderen op de wereld zetten en opvoeden was hét vrouwelijke domein. Binnen het gezin was de man hoogstens onrechtstreeks belangrijk – als leverancier van geld en status. Wat dat betekende, kan niet beter verwoord worden dan met de gevleugelde uitspraak van Father (Pater of Dominee afhankelijk van de betekenis in het Engels) Theodore Hesburgh[73]: “The most important thing a father can do for his children is to love their mother”.

 

Voor vrouwen had de scherpe gender-taakverdeling andere gevolgen: ze werden meer en meer weggedrukt uit de publieke sector, hun leefwereld werd verengd tot de private sector. Een groot deel van de vrouwen functioneerde daar van harte en zonder morren. Voor veel moeders was het prettig zich erkend te weten als dé icoon van het gezin[74]. Een goed huwelijk, een proper huishouden en een knus gezin betekende dat de vrouw haar best deed. De nieuwe huiselijkheid vertaalde zich in een haast blinde betrokkenheid van de moeder met haar kinderen (dus geen minnen meer) en dan vooral op haar dochters[75]. Volgens Roberts[76] ontstond er in de tweede helft van de 19de eeuw in alle bevolkingsgroepen een mum-cultuur, een intense betrokkenheid van moeders en dochters op elkaar. Na hun huwelijk vestigden veel dochters zich in de onmiddellijke omgeving van het ouderlijk huis. Dat huis was voor hen hét centrum en hét netwerk van wederzijdse hulp, van ruil van voedsel, van intieme sociale omgang, van informatie over vrouwenkwalen, van permanente emotionele flankdekking.

 

Omdat ze uit de publieke sector werden gehouden, moesten vrouwen hun waardering en erkenning wel gaan zoeken waar dat kon en waar ze goed in waren. Zij ontwikkelden een eigen, ‘vrouwelijke’ statusschaal die cirkelde rond het goede huwelijk, de propere woning, het afgestofte huis, het warme gezin. Was dat een strategie die vrouwen echt wilden of was het een middel om zich eervol staande te houden, bij gebrek aan mogelijkheden om te infiltreren in de publieke sector? Voor veel vrouwen zal de private waardering voldoende zijn geweest om zich goed te voelen, maar anderen werden wellicht pijnlijk geconfronteerd met het feit dat de publieke sector gereserveerd was voor de mannen. Of is dat een anachronistische interpretatie? In ieder geval zou een eeuw later blijken dat de reductie van de vrouw tot zus, dochter, echtgenote en moeder voor velen een te smalle basis was om zin te geven aan hun leven. Die basis werd trouwens met verloop van tijd alsmaar smaller en beklemmender, figuurlijk, maar ook letterlijk: het korset moest het vrouwenlichaam insnoeren. Aan de onzichtbare en onbetaalde gezinsarbeid van ‘huisvrouwen’ werd alsmaar stringentere eisen gesteld. Het resultaat was dat huishoudelijke arbeid rond 1900 een voltijdse job werd, niet alleen tijdens de week, maar ook op zondag. De zondag was trouwens voor vrouwen geen rustdag, maar een dag van ‘liefdesarbeid’[77]. Haar dagtaak werd langer en veeleisender, juist op het moment dat publiek werd gediscussieerd over inkorting van de arbeidsduur van mannen. Voor een deel van de vrouwen zal dat zeker de nodige munitie hebben geleverd om de genderspecifieke taakverdeling ter discussie te stellen én er tegen op te treden. De hedendaagse uitlopers daarvan tonen zich in de heikele discussie over de integratie van gezin en arbeid.

Coda

Het Belgisch (en per uitbreiding ook het Europese) gezinsbeleid is een som-gezinsbeleid. Dat beleid cirkelt rond financiële tegemoetkomingen, fiscale correcties, sociale voordelen, ondersteunende maatregelen. Allemaal zaken die, haast per definitie, te maken hebben met (of beperkt zijn tot) het som-gezin, maar die via een omweg wel afkleuren op het functioneren van de samen-gezinnen. Louter financieel bekeken, stelt dat beleid trouwens niets voor. Binnen de eu[78] zijn de rechtstreekse overheidsuitgaven voor gezinnen beperkt: in 2001 was het aandeel gezinsuitgaven op alle uitgaven 0,5% (het minimum) in Spanje en 3,8% (het maximum) in Denemarken. Maar los van het expliciete gezinsbeleid zijn er uiteraard allerlei overheidsmaatregelen die onrechtstreeks gevolgen hebben voor het gezin, zoals de regels rond de wettelijke samenwoning, het erfrecht, het echtscheidingsrecht en de wetgeving op de integratie van arbeid en gezin. Die spanning tussen rechtstreeks en onrechtstreekse, tussen gewilde en ongewilde effecten is het voorwerp van een groot maatschappelijk dispuut. Een voorbeeld: maatregelen om de integratie van gezin en arbeid te vergemakkelijken kunnen de integratie van vrouwen op de arbeidsmarkt vergemakkelijken (wat de bedoeling is en wat bijvoorbeeld een positief effect kan hebben op het kinderaantal), maar ze hebben ook ongewilde neveneffecten, bijvoorbeeld op de echtscheidingskans en op de omgang tussen ouders en kinderen. Hier komen we op een erg glibberig terrein. Het is zeker dat soort overwegingen die Giddens[79] tot de volgende gevleugelde conclusie bracht: “The study of the family used to seem to many one of the dullest endeavors. Now it appears as one of the most provocative and involving”.

 

Het beleid houdt zich om allerlei redenen ver weg van een expliciet beleid ten voordele van het samen-gezin en dat terwijl het volgens sommigen juist daarover zou moeten gaan – wat vanop de zijlijn gemakkelijk is gezegd. Anderen gaan nog een stap verder en beweren in volle ernst dat het hedendaagse som-gezinsbeleid het goede functioneren van het samen-gezin subtiel ondermijnt. Een vaak gehoord voorbeeld: elke versoepeling van het echtscheidingsrecht ‘veroorzaakt’ ongewild een extra toename van het aantal echtscheidingen. Dat is duur en emotioneel belastend en wat dat op termijn voor de kinderen betekent, weet geen mens. Men is daar dus best niet te lichtzinnig mee. De ondeugende vervolg-conclusie is dat de middelen die nu worden geïnvesteerd om echtscheidingen gemakkelijker te maken, beter zouden worden gebruikt om bestaande huwelijken te versterken. Het politieke debat daarover gaat iedereen wijselijk (?) uit de weg.

 

Hoger werd aangetoond dat er nogal wat verkeerde beeldvorming bestaat rond ‘het klassieke’ kerngezin. In een fascinerende (maar ook wel kritisch becommentarieerde) studie toonde Thornton[80] aan dat opvattingen over het vroegere huwelijk en gezin een ingrijpend effect hebben, niet alleen op de wetenschappelijke duiding van gezinsontwikkelingen (wat evident is), maar ook op politieke keuzes en beleidsstrategieën (wat verontrustend kan zijn). Zo wordt de opvatting dat “het vroeger altijd zo is geweest” gemakkelijk gebruikt (of misbruikt) als legitimatie om een welbepaald gezinsbeleid te promoten, te verdedigen of op te leggen. In het hedendaagse gezinsbeleid is dat impliciet herkenbaar: in de eu cirkelen veel gezinsmaatregelen rond het familialisme van het traditionele gezinsmodel, wat neerkomt op een pro-som-gezinsbeleid. Het is vandaag sociologisch bon ton om te beweren dat dat familialisme achterhaald is omdat in de  postindustriële samenleving vrouwen massaal buitenshuis gaan werken, omdat gezinnen zeer onstabiel zijn en omdat atypische huishoudvormen stilaan de norm worden. De geschiedenis leert dat de empirische basis voor die, door veel sociologen onderschreven stelling, erg smalletjes is.


 

Een panoramische blik op gezinnen en arbeid

Arbeid is een diamant met vele zijden en keerzijden. Het is voor sommigen een noodzakelijk kwaad, want een bron van inkomsten. Het is voor anderen de basis van de eigenwaarde en het zingevingssysteem. Voor nog anderen betekent het vervreemding en afstomping. Voor sommigen is arbeid vast en levenslang. Voor anderen is het eerder kort en onzeker. Arbeid in dit hoofdstuk wordt bekeken als levenssfeer. In die optiek staat arbeid naast andere levenssferen als het gezin. De tijd dat men aan het werk is, kan met niet meer gebruiken om zich te ontspannen of om praktische, huishoudelijke dingen te doen. Levenssferen combineren is een gevecht om tijd: welke sfeer krijgt meer tijd? Welke sfeer eist meer tijd? Het koorddansen tussen arbeid, gezin, vrije tijd wordt des te complexer als er naast het individu niet alleen een partner komt, maar ook kinderen of zorgbehoevende gezins- of familieleden. Hoe kan de zorgtijd in dat geval leefbaar geïntegreerd worden in de beschikbare tijd? In sommige gezinnen besluit één van de partners om (tijdelijk) minder te gaan werken. In andere gezinnen wordt de hulp van de grootouders ingeroepen of worden de kinderen naar de kinderopvang gebracht. Het democratische van het probleem is dat alle gezinsvormen moeten omgaan met het combineren van levenssferen. Alleen is duidelijk dat de uitdaging voor sommige gezinsvormen groter is dan voor andere.

 

Getuigenissen, FamiBoom, 21-22 Oktober 2006:

 

“Mensen hebben niet zo zeer nood aan loonsverhoging, maar wel nood aan kwalitatieve tijdsverhoging. De echte luxe van het leven is ‘tijd’.”

 

“Ik ben sinds vier jaar een alleenstaande moeder. Ik ervaar dat dit zeer moeilijk is. Vandaag is het leven een gestresseerde routine en meestal overvol, zowel thuis als op het werk. Ik heb daarenboven geen schoonouders waardoor ik altijd moet betalen voor opvang voor mijn dochter.”

 

In de jaren 1950 en 1960 leek het verhaal van de levenssferen veel eenvoudiger: eens de schoolbanken verlaten, zocht men een geschikte partner en trouwde men. Geen huwelijk betekende officieel geen kinderen. Er werd amper gescheiden. Vader ging buitenshuis werken en moeder bleef hoofdzakelijk thuis om voor de kinderen te zorgen en het huishouden op orde te houden. Dit mannelijk kostwinnersmodel, zo genoemd omdat de man de enige kostwinner in het gezin is, heeft historisch slechts korte tijd standgehouden en moet eerder als een uitzondering in de westerse geschiedenis worden beschouwd. Economische, demografische en culturele factoren hebben voor een omwenteling gezorgd in deze klassieke taakverdeling. Vrouwen hebben sinds de jaren 1970 in steeds grotere getale de arbeidsmarkt betreden. Tweeverdienergezinnen, waar zowel man als vrouw een eigen inkomen hebben, gingen het welvaartsniveau bepalen. Ook kinderen krijgen was niet meer vanzelfsprekend. Zoals eerder al aangetoond, wil dit niet zeggen dat de taken in het huishoudpakket evenredig verdeeld zijn nu vrouwen buitenshuis gingen werken (Ceulemans e.a., 2001; Mortelmans e.a., 2003). Een vergelijkend onderzoek naar de tijdsbesteding tussen mannen en vrouwen in 1999 en in 2004 leert ons dat mannen en vrouwen steeds meer naar elkaar toe groeien. Mannen zijn in de laatste vijf jaar minder uren gaan werken en meer tijd gaan besteden aan huishoudelijk werk en opvoeding en kinderverzorging. Vrouwen leggen de omgekeerde weg af: meer tijd voor werk en minder tijd voor huishoudelijke taken. De tijd die vrouwen besteden aan verzorging en opvoeding van kinderen is hetzelfde gebleven. Toch bedraagt het aantal uren totale werklast (loonarbeid, huishoudelijk werk en kinderzorg) van voltijds werkende mannen 3u23 per week minder dan voor voltijds werkende vrouwen (Glorieux e.a., 2005). Mannen zijn eerder geneigd om bij te springen in de kinderzorg dan in de huishoudelijke taken (Frinking & Willemsen, 2002).

 

Getuigenis, Dag van het Gezin, 19 juni 2005:

 

“Mijn man heeft steeds ouderschapverlof opgenomen om bij de kinderen te blijven. Hij heeft het ‘kleinste’ uurrooster in ons gezin. Hij gaat de kinderen van school halen om 15u30 en is bezig met ze tot ik terug kom rond 18u. Ik stel het op prijs en mijn kinderen hebben het begrepen dat zowel mama als papa zich met hen bezig houden, koken, boodschappen en het huishouden doen.”

 

Het verschil tussen man en vrouw zien we ook terugkomen in het vraagstuk van de combinatie van werk en de zorg voor kinderen. De tewerkstelling van de vrouw hangt in grote mate af van de gezinssituatie. Als er een man of een kind in haar leven is, zal zij minder vaak voltijds betaalde arbeid verrichten. Dit effect wordt versterkt als er zowel een man als meerdere kinderen in het huishouden aanwezig zijn. Dat vooral vrouwen ervoor kiezen om de arbeidsmarkt te verlaten bij de geboorte van een kind, is te wijten aan de heersende mentaliteit, tradities en economische redenen (Ceulemans e.a., 2001; Frinking & Willemsen, 2002; Speltincx & Jacobs, 1996).

 

Een meer evenwichtige taakverdeling in het huishouden kan bereikt worden door te sleutelen aan het werkgelegenheidsbeleid en de kinderopvangvoorzieningen. De vraag is hoe de overheid mannen kan stimuleren om meer tijd aan kinderzorg te besteden, zonder te raken aan de vrije keuze. Een dergelijk thema is echter behoorlijk complex, aangezien het verschillende bevoegdheidniveaus doorkruist. De gemeenschappen staan onder andere in voor kinderen, opvoeding en gezondheid. Gewesten hebben onder meer de touwtjes in handen op het gebied van werkgelegenheid en infrastructuur. De federale overheid is bevoegd voor de organisatie van arbeid, sociale zekerheid, fiscaliteit en non-discriminatie. En ook de EU, die aanbevelingen doet, sociale fondsen ter beschikking stelt en steun verleent aan de ontwikkelde beleidslijnen in de lidstaten, speelt haar eigen rol in het hele verhaal.

 

Dit hoofdstuk wil een duidelijk beeld schetsen van de Belgische realiteit op het gebied van de combinatie arbeid en gezin door een zicht te bieden op de verschillende facetten van het vraagstuk. We vangen het deel aan met een korte schets van de werkende bevolking in België. Daarna worden de verschillende verlofregelingen behandeld. Twee groepen worden daarbij onderscheiden. De eerste groep betreft de regelingen die gekoppeld zijn aan het ouderschap. De tweede groep is meer omvattend omdat iedereen deze verlofregelingen kan opnemen ongeacht of men kinderen heeft of niet. Zowel de omvang, als het gebruik van de verschillende kinderopvangmogelijkheden komen aan bod. Beide groepen maatregelen vormen belangrijke hulpmiddelen om gezin en arbeid beter te kunnen combineren. We zullen in derde instantie ook aandacht besteden aan de uittrede van de arbeidsmarkt. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een overzicht van enkele heel specifieke situaties, met name deze van personen met een handicap, werkloze personen en zelfstandigen.

De situatie op de arbeidsmarkt

Om een beter zicht te krijgen op de problematiek van de afstemming van beroeps- en gezinsleven, geven we eerst een kort overzicht van de arbeidsmarkt in België. De totale bevolking in België telde in 2005 40,4% werkenden en 3,7% werklozen. In die laatste groep zitten personen die 15 jaar of ouder zijn, geen werk hebben, meteen beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt en werk zoeken. De overige 55,8% van de bevolking zijn kinderen (17,1%) en niet-actieve 65-plussers (16,9%) of behoren wel tot de beroepsbevolking, maar zijn niet-actief (21,8%) (FOD Economie, 2006d; Steunpunt WAV, 2006). Als we enkel rekening houden met de actieve beroepsbevolking, dit zijn alle personen tussen 15 en 65 jaar, zien we dat de algemene werkzaamheidsgraad in België 61,1% was in 2005. Mannen werken vaker dan vrouwen, met een respectievelijke werkzaamheidsgraad van 68,3% en 53,8%. In Vlaanderen (64,9%) ligt deze werkzaamheidsgraad hoger dan in Wallonië (56,1%) en Brussel (54,8%) (FOD Economie, 2006d; Steunpunt WAV, 2006).

 

Van alle werkenden kiest 23,4% ervoor om deeltijds te werken. Het zijn vooral vrouwen (42,6% van het totale aantal werkende vrouwen) die ervoor opteren om deeltijds aan de slag te gaan, in vergelijking met 7,8% van het totaal aantal werkende mannen (FOD Economie, 2006d; Steunpunt WAV, 2006). Op basis van de PSBH-cijfers in 2002 zien we dat het aantal personen dat voltijds werkt, daalt naarmate de leeftijd stijgt. Waar 85,5% van de jongeren (jonger dan 30 jaar) nog voltijds werkt, daalt dit lichtjes tot 84,4% bij de 30 tot 49-jarigen en tot 83,2% bij de 50 tot 65-jarigen. Slechts 31% van de nog steeds actieve 65-plussers werkt voltijds. We zien ook dat hoe hoger het behaalde diploma, hoe vaker men voltijds werkt (Bulckens e.a., 2005). Personen die deeltijds werken, doen dit voornamelijk om familiale redenen (33,0%), maar ook omdat ze geen voltijds werk vinden (15,9%) (FOD Economie, 2006d; Steunpunt WAV, 2006).

Verlofregelingen

 

Getuigenis, Dag van het Gezin, 19 juni 2005:

 

“Flexibele uurroosters, loopbaanonderbreking, tijdskrediet zijn nodig om gezin en arbeid beter op elkaar af te stemmen en om aan de persoonlijke ontwikkeling van de ouders tegemoet te komen. Ouders zijn vandaag de dag vrije, autonome mensen en maken eigen keuzes.”

 

Door het aanbieden van verschillende verlofregelingen wil de overheid het personen gemakkelijker maken om de zorg voor iemand te combineren met betaalde arbeid. Tegenwoordig kan men ervoor kiezen om tijdelijk minder te gaan werken of zelfs even te stoppen, maar met de garantie om terug te keren naar de vertrouwde werkplek eens deze zorg niet meer nodig is. Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen verloven die specifiek verbonden zijn aan het ouderschap en deze die elke persoon kan opnemen ook al heeft hij/zij geen kinderen. In het overzicht vangen we aan met de aan ouderschap gekoppelde verloven.

Verloven verbonden aan het ouderschap

 

Getuigenis, Dag van het Gezin, 19 juni 2005:

 

“Ik merk dat mijn collega’s met kleine kinderen extreem uitgeput zijn. Ik heb medelijden met hen. Als ik terug denk aan enkele jaren geleden… Het is moeilijk om een moeder te zijn en om voltijds te werken, maar het is ook moeilijk om de eindjes aan elkaar te knopen zonder die voltijdse baan.”

 

Vrouwen zijn sinds het midden van de vorige eeuw steeds vaker actief op de arbeidsmarkt. Het moederschap vormt vandaag de dag geen reden meer voor de vrouw om te stoppen met werken voor onbepaalde tijd. Naargelang de reële behoeftes van het gezin beslissen de vrouwen om tijdelijk minder te gaan werken. Mannen daarentegen blijven doorgaans (voltijds) werken ongeacht het aantal kinderen (Dykstra & Fokkema, 2000). Dit verschil tussen man en vrouw op het gebied van loopbanen vinden we ook terug bij het opnemen van verloven.

 

De verschillende verloven die de overheid aanbiedt, maken het mogelijk de loopbaan tijdelijk te onderbreken met de garantie van herintrede. Op deze manier kunnen ouders in alle vrijheid kiezen voor hun gezin of voor hun werk. Toch moet men rekening houden met een financiële terugslag en kunnen enkel werknemers en ambtenaren gebruik maken van de meeste regelingen. De eeuwige discussie draait rond de vraag of de verloven verlengd of beter vergoed moeten worden. Een betere financiële compensatie zou ervoor kunnen zorgen dat meer personen de verloven kunnen opnemen. Veel éénoudergezinnen nemen bijvoorbeeld het ouderschapsverlof niet op omdat de vergoeding te laag ligt. Zelfstandigen kunnen niet genieten van deze verlofregelingen, ook al voorziet de overheid een aantal compensatiemaatregelen. Werklozen kunnen er geen gebruik van maken omdat de verlofregelingen verbonden zijn met het arbeidsstatuut.

 

Getuigenis, Dag van het Gezin, 19 juni 2005:

 

“De ‘mannenberoepen’ laten weinig ruimte voor een zekere mate van flexibiliteit. Het is zeldzaam dat een vader die in zo’n beroepscategorie werkt verlof neemt omdat één van de kinderen ziek is of om op woensdagnamiddag bij de kinderen te zijn of er aan denkt zijn tijd anders in te delen. Deze ideeën maken het leven zeer moeilijk.”

 

Moederschapsverlof

Sinds 1954 kunnen moeders genieten van moederschapsverlof. De totale duur van dit verlof bedraagt 15 weken (19 weken bij een meerling). Dit wordt opgesplitst in een zwangerschaps- of prenataal verlof en bevallingsrust of postnataal verlof. Het prenatale verlof duurt minimum 1 week en maximum 6 weken (8 weken bij een meerling) en moet voor de bevalling opgenomen worden. De duur van het postnatale verlof is afhankelijk van het aantal weken dat al voor de bevalling is opgenomen. Dit verlof start op de dag van de bevalling. Onder bepaalde voorwaarden kan dit verlof verlengd of omgezet worden in vaderschapsverlof. De uitkering die tijdens het moederschapsverlof ontvangen wordt, is vastgesteld op een percentage van het salaris. Zelfstandigen hebben recht op 6 weken moederschapsverlof en mogen dit zelf organiseren in functie van hun werkzaamheden. Overigens is het moederschapsverlof verplicht voor alle moeders (FOD Werkgelegenheid Arbeid en Sociaal Overleg, 2006).

 

© Pierre Kroll, 2004

 

Vaderschapsverlof

Opdat vaders vanaf de geboorte van hun kind hun taak als opvoeder zouden kunnen uitoefenen, werd het vaderschapsverlof op 1 juli 2002 verlengd van 3 tot 10 dagen. Deze dagen mogen vrij opgenomen worden binnen 30 dagen vanaf de dag van de bevalling. De eerste 3 kalenderdagen wordt het loon betaald door de werkgever. De laatste 7 dagen wordt een percentage van het loon door het RIZIV uitgekeerd (FOD Werkgelegenheid Arbeid en Sociaal Overleg, 2006).

 

We zien een stijgende trend in het aantal mannen dat gebruik maakt van dit verlof. Omdat de overheid enkel over de gegevens van de uitkeringsverzekering beschikt, gelden de cijfers voor mannen die minimaal 4 dagen van dit verlof opnemen. Waar in 2002 15,3% van de vaders dit verlof opnam, steeg dit tot 45,9% in 2004. Niet alle vaders namen de volledige 10 dagen op. Gemiddeld worden er 6,7 dagen van de 7 dagen uitbetaald door de uitkeringsinstellingen (X, 2006). Het is onduidelijk waarom niet iedereen deze 10 dagen opneemt. Misschien denkt men dat het opnemen van dit verlof schadelijk is voor de carrière of schat men de eigen werklast dermate hoog in dat men die periode niet wil wegblijven van het werk. Zolang carrièregebonden ideeën blijven bestaan, kan de overheid veel ondernemen, maar zullen de resultaten uitblijven. Men kan vaders immers niet verplichten om dit verlof op te nemen, enkel aanmoedigen. Daarnaast spelen ook financiële overwegingen mee. Vanaf de vierde dag wordt slechts een percentage uitgekeerd van het loon wat voor veel gezinnen niet evident is, gezien de kosten die een geboorte met zich meebrengt (Staten-generaal van het Gezin cyclus I, 2004).

 

Adoptieverlof

Werknemers kunnen adoptieverlof opnemen binnen de 2 maanden nadat het kind als gezinslid is ingeschreven in het bevolkings- of vreemdelingenregister. De duur van dit verlof hangt af van de leeftijd van het geadopteerde kind: 6 weken indien de geadopteerde jonger is dan 3 jaar, 4 weken als het kind ouder is. Geadopteerde kinderen ouder dan 8 jaar geven geen recht op adoptieverlof. De duur van dit verlof wordt verdubbeld indien het kind minstens voor 66% gehandicapt is of aan een aandoening lijdt. Het loon blijft behouden gedurende de eerste drie dagen, daarna valt men terug op een uitkering van het ziekenfonds (FOD Werkgelegenheid Arbeid en Sociaal Overleg, 2006).

 

Ouderschapsverlof

Sinds 1998 kan elke ouder een beroep doen op ouderschapsverlof. Daarvoor werd de regeling voor loopbaanonderbreking (zie verder) vaak gebruikt om te kunnen zorgen voor de kinderen. Het ouderschapsverlof is, net zoals palliatief- en zorgverlof, een thematisch verlof. Vanaf de bevalling tot het kind 6 jaar is (8 jaar voor een kind met een functiebeperking), kan dit verlof opgenomen worden. Er zijn 3 verschillende manieren om dit verlof op te nemen: 12 maanden voltijds, 6 maanden deeltijds aan 50% of 15 maanden deeltijds aan 20%. Men kan altijd overstappen van de ene naar de andere regeling. De persoon die dit verlof aanvraagt, ontvangt een onderbrekingsuitkering, geniet ontslagbescherming en behoudt bepaalde socialezekerheidsrechten (FOD Werkgelegenheid Arbeid en Sociaal Overleg, 2006).

 

Ouders vragen dit verlof voornamelijk aan om zich met de opvoeding van de kinderen bezig te houden, om een ziek kind te verzorgen, omdat er meerdere kinderen in het huishouden zijn of omdat ze het moederschapsverlof te kort vinden. Een kritische noot hierbij is dat zo’n verlof ook handig zou zijn voor de opvoeding van tieners, maar dat dit niet kan omwille van de leeftijdsbeperking.

 

Getuigenis, Dag van het Gezin, 19 juni 2005:

 

“De periode waarin nu het ouderschapsverlof kan opgenomen worden (leeftijd kind jonger dan 6 jaar), is te kort. Men gaat er blijkbaar vanuit dat een kind vooral de eerste jaren van zijn leven extra aandacht en opvang van mama en/of papa nodig heeft. De eerste jaren kunnen een goede crèche of opvangouder ook prima zijn. De ‘moeilijkheden’ beginnen vooral bij de eerste schooldag en het zoeken van een goede opvang tijdens de vele schoolvakantie. Met 20 verlofdagen per jaar en oma’s en opa’s die toch niet voor al hun kleinkinderen tegelijk kunnen zorgen, wordt dit een hele klus.”

 

© Pierre Kroll, 2004

 

Financiële overwegingen worden het meest genoemd om geen gebruik te maken van deze regeling, gevolgd door ‘geen nood’ aan dit verlof en werkgerelateerde redenen. Mannen vinden vaker dan vrouwen dat het opnemen van ouderschapsverlof een risico inhoudt voor de eigen carrière en denken dat ze in een slecht daglicht bij de werkgever komen te staan door dit verlof aan te vragen (Assurance Advisory Services Luxembourg, 2002; Deven & Nuelant, 1999). Dit verklaart deels waarom 80% van de aanvragers van dit verlof een vrouw blijkt te zijn, hoewel er in de wetgeving geen onderscheid wordt gemaakt tussen mannen en vrouwen (RVA, 2006). In de Scandinavische landen worden mannen verplicht om ouderschapsverlof op te nemen. Dit om de band tussen ouder en kind te versterken, maar ook om de ‘inwisselbaarheid van rollen’ te garanderen (RKW, 2006a). Coppens en Koelet (2002) beweren dat een gelijke taakverdeling pas bereikt kan worden als er meer vrouwen participeren op de arbeidsmarkt. Van Aerschot (2004) zegt dat het loonverschil tussen mannen en vrouwen als oorzaak moet worden aangeduid, samen met de symbolische waardering van ‘vrouwenarbeid’. Veelverdieners zijn niet geneigd om ouderschapsverlof op te nemen omdat dit tot een te groot inkomensverlies leidt. De beperkte vergoeding zorgt ervoor dat éénoudergezinnen weinig tot geen gebruik maken van dit verlof.

 

Deze problematiek mag niet enkel vanuit de werknemerskant bekeken worden. De werkgevers worden met organisatorische moeilijkheden geconfronteerd als werknemers dit verlof opvragen. De vervanging van een werknemer is soms moeilijk omdat het werk niet altijd herverdeeld kan worden. Dit probleem stelt zich vooral in kleinere bedrijven. Het is daarenboven niet eenvoudig om iemand met dezelfde kwaliteiten te vinden en niet in alle beroepen kan iemand zomaar vervangen worden. Bij hervatting van het werk, vraagt één derde van de personen die ouderschapsverlof opnemen, om minder te gaan werken (Assurance Advisory Services Luxembourg, 2002).

Andere verlofregelingen met betrekking tot het gezin

Niet alleen gezinnen met kinderen hebben nood aan verloven om hun gezins- en arbeidsleven op elkaar af te stemmen. Personen die de zorg over een zwaar zieke persoon op zich nemen of zij die behoefte hebben om er eens tussen uit te zijn, hebben ook een aantal mogelijkheden om zich tijdelijk terug te trekken uit de arbeidsmarkt. Ook hier moet men rekening houden met de financiële gevolgen en kunnen enkel werknemers en ambtenaren gebruik maken van deze regelingen.

 

Getuigenis, Dag van het Gezin, 19 juni 2005:

 

“Wanneer mijn moeder zich niet meer goed kon behelpen, heb ik ervoor gekozen om een volledige loopbaanonderbreking te nemen. Een deeltijdse job gaf me niet genoeg vrijheid. Zo hebben we twee jaar harmonieus geleefd. Ik heb de laatste twee maanden van haar leven over haar kunnen waken. Ze is thuis vredig gestorven, bij mij, zonder sondevoeding, zonder infusen, zonder doorligwonden,… Ik ben dus heel tevreden over het systeem van loopbaanonderbreking, zelfs indien dit de spaarcentjes doet wegsmelten. En niet iedereen heeft de mogelijkheid gehad om te sparen.”

 

Verlof voor bijstand of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid

Elke werknemer kan omwille van de verzorging van een persoon die inwoont of een bloed- of aanverwant in de tweede graad, maximaal 12 maanden stoppen met werken (24 als dit verlof deeltijds wordt opgenomen). Er is een onderbrekingsuitkering en een ontslagbescherming voorzien (FOD Werkgelegenheid Arbeid en Sociaal Overleg, 2006).

 

Bij dit soort verloven is er een vraag naar de uitbouw van een toereikend dienstenaanbod zodat gezinnen over een reeks opvangmogelijkheden kunnen beschikken als het verlof niet lang genoeg duurt (Staten-generaal van het Gezin cyclus II, 2006).

 

Palliatief verlof

Werknemers die medische, sociale, administratieve of psychologische bijstand verlenen en verzorging geven aan personen die in een terminale fase zitten van een ongeneeslijke ziekte, hebben recht op 1 maand (deeltijds) palliatief verlof. Dit kan maximaal 1 maand verlengd worden. Er is een ontslagbescherming en er wordt een onderbrekingsuitkering voorzien (FOD Werkgelegenheid Arbeid en Sociaal Overleg, 2006).

 

Tijdskrediet, loopbaanonderbreking, loopbaanvermindering en vermindering van de prestaties tot een deeltijdse betrekking

Via deze weg kan meer tijd vrijgemaakt worden voor persoonlijke ontwikkeling of voor het helpen van andere personen. Dit systeem bestaat al sinds het midden van de jaren 1980. De aanvrager is beschermd tegen ontslag, behoudt nog een aantal socialezekerheidsrechten en ontvangt een onderbrekingsuitkering.

 

In de privé-sector spreekt men van tijdskrediet, in de overheidssector van loopbaanonderbreking. Het werkregime kan voltijds of deeltijds (50% of 20%) betaald onderbroken worden voor een periode van één jaar over heel de loopbaan. Deze onderbreking is echter gebonden aan een aantal voorwaarden (anciënniteit, tewerkstelling in een bepaald arbeidsregime, leeftijd) (FOD Werkgelegenheid Arbeid en Sociaal Overleg, 2006).

 

Verlof zonder Wedde

Het opnemen van Verlof zonder Wedde is een specifieke manier van loopbaanonderbreking. Het is niet gebonden aan bepaalde regels. De werkgever bepaalt zelf of hij dit verlof wil toekennen. De voorwaarden zijn bespreekbaar en in sommige sectoren/ondernemingen vastgelegd in CAO’s. Er wordt geen loon of uitkering betaald wat maakt dat dit type verlof gevolgen heeft voor de werkloosheidsverzekering en ziekte- en invaliditeitsverzekering (FOD Werkgelegenheid Arbeid en Sociaal Overleg, 2006).

 

Enkele cijfers

 

Getuigenis, Dag van het Gezin, 19 juni 2005:

 

“Ik ben al zeven jaar een huismoeder (met vier kinderen). Zelfs indien dit voordelen heeft voor heel het gezin, vind ik deze oplossing niet volledig bevredigend. Ons ideaalbeeld van het leven toen we trouwden was een kroostrijk gezin en voor elk van ons een deeltijdse ( halftijds of  drie vierden) job. Helaas, de loopbaanonderbreking of de loopbaanvermindering voor mannen die een job hebben met veel verantwoordelijkheid (mijn man is techno-commercieel ingenieur in de electronica-sector), blijkt ondenkbaar te zijn volgens de huidige mentaliteit. Ik ben gestopt met werken na de geboorte van ons derde kind. De zorg valt nu steeds vaker op mij: mijn man werkt meer, om financieel niet in de problemen te komen waardoor ik het gevoel krijg dat ik de volledige zorg over de kinderen, het huishouden en het huis moet dragen. Hij steunt op mij en steekt geld in mij. Het zal moeilijk zijn om dit om te keren.”

 

In 2005 namen 194848 personen tijdskrediet, loopbaanonderbreking of een thematisch verlof (ouderschaps-, palliatief of zorgverlof) op. Van deze verloven werd respectievelijk 62% (van 89016 personen die tijdskrediet aangevraagd hebben), 77% (van 74310 die loopbaanonderbreking namen), 82% (van 31522 die een thematisch verlof opnamen) door een vrouw aangevraagd. Mannelijke 50-plussers zijn gretige afnemers van het tijdskrediet. Deeltijds (door 43158 personen aangevraagd) en voltijds (door 3071 personen aangevraagd) tijdskrediet wordt in 57% en in 60% van de gevallen door een man opgenomen. Thematische verloven worden dan weer het meest opgenomen door vrouwen (RVA, 2006).

Kinderopvang

De geboorte van een kind heeft invloed op de tijd die wordt besteed aan werken en heeft gevolgen op lange termijn (terugkeer naar de werkvloer, pensioenbedrag,…). Het investeren in de eigen carrière door de ouders gaat onvermijdelijk gepaard met het vinden van een opvangplaats voor de kinderen gedurende de werkuren. Deze zoektocht is van groter belang voor jonge kinderen die nog niet naar school gaan. Het spreekt vanzelf dat de kinderen die naar school gaan ook specifieke aandacht nodig hebben buiten de schooluren.

 

Er kan in de Belgische kinderopvang een onderscheid gemaakt worden tussen informele en formele opvang. Met dit eerste bedoelen we dat ouders een beroep doen op vrienden, familie en grootouders om hun kinderen op te vangen. Deze vorm van opvang wordt niet gecontroleerd door de overheid. Daarnaast bieden instellingen formele kinderopvang aan. Door dit aanbod kan de combinatie tussen arbeid en gezin eenvoudiger worden. Idealiter zijn de opvangmogelijkheden groot en gevarieerd, flexibel ten aanzien van de atypische werkuren van de ouders, kwalitatief hoogstaand, maar toch met een lage kostprijs (Hank & Kreyenfeld, 2003; Rindfuss & Brewster, 1996).

 

De besproken evoluties op arbeidsvlak hebben hun invloed op de kinderopvang. Er bestaat een rechtstreeks verband tussen de beschikbaarheid van kinderopvang en de participatie van de vrouw op de arbeidsmarkt. De vraag naar formele kinderopvang stijgt doordat er steeds minder een beroep kan worden gedaan op familie en vrienden om te voorzien in opvang, vrouwen steeds massaler de arbeidsmarkt betreden en er vaker voor kiezen om hun arbeidsloopbaan niet volledig te onderbreken bij de geboorte van een kind. Daarnaast worden de arbeidsuren steeds flexibeler, bestaat niet elk gezin meer uit vader én moeder en treedt er een mentaliteitswijziging op: werken mag geen negatieve gevolgen hebben voor de kwaliteit van het gezinsleven.

 

We geven in onderstaande tabel een overzicht van de formele en informele kinderopvang in België.

 

Tabel 3 Opvang van kinderen (0-16 jaar) voor meer dan 4u per week door een andere persoon dan de ouders voor alle gezinnen in functie van de leeftijd in België in 1992 en 2002, procentueel.

 

0-2 jaar

3-6 jaar

7-12 jaar

13-16 jaar

1992

54

39

24

9

2002

71

44

23

11

Bron: PSBH 1992-2002. Huishoudens in België (Bonsang e.a., 2004).

 

We zien dat er zich op 10 jaar tijd een evolutie heeft voorgedaan op het gebied van kinderopvang van de jongste kinderen. In 1992 werden 54% van de 0 tot 2-jarigen opgevangen. Dit percentage steeg tot 71% in 2002. Hoe ouder het kind, hoe minder het opgevangen wordt door een andere persoon, ongeacht het jaar waarvan sprake. Bonsang, e.a. (2004) onderscheiden een aantal elementen die een invloed uitoefenen op het al dan niet laten opvangen van kinderen door een externe persoon of dienst. De beroepssituatie van de moeders blijkt daarin zeer belangrijk te zijn: indien de moeder werkt, verhoogt de kans dat een kind niet door de ouders opgevangen wordt met 24,2%. Ook het opleidingsniveau van de moeder, de regio en het jaartal oefenen een positief effect uit. Hoe hoger het gezinsinkomen, hoe vaker een kind opgevangen wordt. De professionele situatie van de vader speelt geen rol. Er zijn ook een aantal factoren die ervoor zorgen dat kinderen minder snel worden opgevangen zoals de grootte van het huishouden (hoe groter, hoe minder kans op opvang) en de leeftijd van het kind (hoe ouder, hoe minder kans op opvang).

 

In volgende tabel zien we voor welk type opvang ouders kiezen:

 

Tabel 4 Opvang van kinderen (0-16jaar), al dan niet betaald, in functie van de leeftijd in België in 1995 en 2002, procentueel.

 

0-2 jaar

3-6 jaar

 

Geen opvang

Niet betaalde opvang

Betaalde opvang

Geen opvang

Niet betaalde opvang

Betaalde opvang

1995

37

19

44

54

23

23

2002

29

25

46

57

24

19

 

7-12 jaar

13-16 jaar

1995

74

16

10

90

6

4

2002

77

18

5

89

10

1

Bron: PSBH 1995-2002. Huishoudens in België (Bonsang e.a., 2004).

 

Het gebruik van betaalde opvang daalt naarmate de kinderen ouder worden. Tussen 1995 en 2002 merken we een daling op van het gebruik van betaalde opvang voor kinderen vanaf 3 jaar. De auteurs suggereren dat de algemene daling van het gebruik naarmate de leeftijd stijgt, te wijten is aan een relatieve verhoging van vertrouwen in de kinderen waardoor ouders sneller geneigd zijn om hun kinderen een tijdje alleen thuis te laten (Bonsang e.a., 2004).

 

In de hiernavolgende paragrafen geven we een overzicht van de verschillende opvangmogelijkheden. We beginnen met de informele opvang. Daarna volgt een uiteenzetting over hoe de formele kinderopvang in België georganiseerd wordt en worden ter verduidelijking enkele cijfergegevens gepresenteerd. Tot slot wordt een kort overzicht gegeven van de fiscale maatregelen met betrekking tot kinderopvang.

De informele kinderopvang

 

Getuigenis, Dag van het Gezin, 19 juni 2005:

 

“Ik ben een grootmoeder met zeven kleinkinderen en ouder van drie kinderen. Mijn oudste dochter is verpleegster en haar man ook. Zij hebben 3 kleine kinderen. Ze hebben alle mogelijke verlofregelingen opgenomen om een zo hoog mogelijke levenskwaliteit te hebben. De vader is zes maanden thuis gebleven na het moederschapsverlof. Financieel hebben we moeten bijspringen. Zonder die hulp was deze situatie onmogelijk. Ze hebben, ondanks alles, een klein huisje in Brussel, ze beschikken over een auto, maar doen alles met de fiets. Op dit moment leef ik in functie van hun professioneel leven. Naargelang hun uurrooster ben ik bij hen. Sommige dagen vanaf 6u30, andere dagen verlaat ik hun huis pas rond 21u30. Ik heb ook nog mijn ouders en een schoonmoeder met wie ik een goede relatie wil onderhouden en aan wie ik affectieve hulp wil aanbieden. Mijn twee andere kinderen hebben ook een partner en kinderen. Zij hebben uurroosters die verenigbaar zijn met de school, maar in het weekend en op dagen dat de kinderen ziek zijn, vrij hebben op school,… roepen ze mijn hulp in. Ik bied die hulp graag aan, mijn familie is belangrijk voor mij.”

 

Uit de PSBH-cijfers blijkt dat vooral de grootouders instaan voor de informele opvang van kinderen in het bijzonder wanneer deze naar school gaan (Bulckens e.a., 2005). Volgens een studie uitgevoerd door het HIVA (Hedebouw & Sannen, 2002) hebben ouders enerzijds schrik dat de kinderen te veel verwend worden bij de grootouders. Anderzijds zijn ze blij met de flexibiliteit en het financiële voordeel van deze opvangvorm. De grootouders zelf zijn ook vragende partij om hun kleinkinderen op te vangen, maar er zijn grenzen. Ze willen in alle vrijheid zelf bepalen hoeveel uren en dagen ze instaan voor de opvang en het aantal kinderen dat ze opvangen.

 

Getuigenis, Famiboom, 21-22 Oktober 2006:

 

“Het is moeilijk om uw rol van moeder op te nemen tegenover je eigen moeder als zij op de kinderen let. Men moet een evenwicht vinden tussen de relaties, maar dat is niet makkelijk.”

 

Gemiddeld vangen de grootouders die vaak voor hun kleinkinderen zorgen deze gedurende 25,9u per week op. In 10% van de gevallen wordt voor weekend- op nachtopvang gezorgd. Grootouders die regelmatig voor hun kleinkinderen zorgen, zijn vaak niet meer beroepsactief en tussen 55 en 69 jaar. Ze verkeren in relatief goede gezondheid en wonen dicht bij hun kleinkinderen. Ze zullen sneller instaan voor de opvang als ze lagergeschoold zijn en zelf weinig kinderen hebben. Grootouders zijn niet de enige personen waar een beroep op wordt gedaan. Ook familieleden, vrienden of kennissen zorgen voor de kinderen. Deze opvang gebeurt meer op toevallige basis in vergelijking met de opvang door de grootouders.

 

Organisatie van de formele kinderopvang

Het opvanglandschap in België is gevarieerd en afhankelijk van de regio waar men woont. De opvang voor kinderen tussen 0 en 3 jaar wordt voorschoolse of dagopvang genoemd. Kinderen vanaf 3 jaar kunnen in een buitenschoolse opvang terecht. Dit onderscheid is gebaseerd op de leeftijd waarop kinderen voor het eerst naar school kunnen gaan. Het toezicht op de kinder- en gezinszorg gebeurt door een instelling die opgericht is door de gemeenschappen. In de Vlaamse Gemeenschap gebeurt dit door ‘Kind en Gezin’ (K&G) en in de Waalse en Duitstalige Gemeenschap door het ‘Office de la Naissance et de l’Enfance’ (ONE). K&G en ONE houden er elk hun eigen kwaliteitseisen op na.

 

Zowel in Vlaanderen als in Wallonië werd er vanaf het einde van de jaren 1980 geïnvesteerd in de uitbreiding van kinderopvangvoorzieningen. Deze evolutie hangt samen met de overstap van het kostwinnersmodel naar het combinatiemodel. In dit laatste model is er sprake van een meer gelijke verdeling in beroepsarbeid tussen beide partners. Dit wil zeggen dat er een oplossing moet worden gevonden voor de opvang van de kinderen tijdens de werkuren omdat steeds meer vrouwen aan het werk zijn (Van Dongen e.a., 2001).

 

K&G maakt een onderscheid tussen kinderdagverblijven, diensten voor opvanggezinnen en initiatieven voor buitenschoolse opvang die erkend en gesubsidieerd worden en tussen mini-crèches, zelfstandige kinderdagverblijven en zelfstandige onthaalouders die onder toezicht staan. Daarnaast subsidieert K&G een aantal buurt- en nabijheidsdiensten. Dit zijn kleinschalige, buurtgerichte diensten van kinderopvang die kinderen opvangen die niet in andere opvang terecht kunnen. Kinderen worden zowel in groeps- als in gezinsverband opgevangen. Als een kind in een kinderdagverblijf of in een dienst voor opvanggezinnen verblijft, betalen de ouders een inkomensafhankelijke bijdrage. De kostprijs van een dag in een initiatief voor buitenschoolse opvang is wettelijk vastgelegd en wordt gesubsidieerd. Sinds 1997 zijn de Vlaamse gemeenten verplicht een ‘Lokaal Overleg Kinderopvang’ op te richten. Daarin worden alle actoren die bezig zijn met kinderopvang samengebracht. Deze verplichting betekende voor veel gemeenten een aanzet om hun buitenschoolse kinderopvangvoorzieningen te evalueren en te verbeteren (Kind en Gezin, 2006; RKW, 2006a).

 

Bij ONE wordt voornamelijk de leeftijd gebruikt om een onderscheid te maken tussen de verschillende opvangmogelijkheden. De crèches vangen kinderen op tussen 0 en 3 jaar. In de peutertuinen (prégardiennats) kunnen kinderen tussen 1,5 en 3 jaar terecht. In de gemeentelijke huizen voor kinderopvang (maison communales d’acceuil de l’enfance) worden kinderen tot 7 jaar opgevangen. Ook kinderen die lichtjes ziek zijn of een lichte handicap hebben, kunnen in deze centra rekenen op opvang. In deze drie opvangdiensten wordt het te betalen bedrag gebaseerd op het inkomen van de ouders. Dit is niet het geval in een Huis van het Kind (maisons d’enfants) die opvang bieden voor kinderen tot 7 jaar. Daarnaast bestaan er ook opvanggezinnen verbonden aan een dienst (accueillantes conventionnées avec un service), zelfstandige onthaalouders (accueillantes d’enfants autonomes) en opvang voor sporadisch gebruik (haltes-garderies). Kinderen tot 6 jaar kunnen in deze laatste opvanginstelling voor enkele uren opgevangen worden. Door de grote vraag naar opvangplaatsen, krijgen kinderen tussen 0 en 3 jaar voorrang (Office de la Naissance et de l’Enfance, 2006).

 

Kinderopvang heeft niet enkel een opvoedende en verzorgende functie, maar ook een sociale en economische. Sociaal doordat kinderopvang, in theorie, gelijk toegankelijk en van gelijke kwaliteit is voor iedereen. Kinderopvang moet de levenskwaliteit ondersteunen door in te spelen op de noden en behoeftes van de ouders en kinderen. De economische functie wordt duidelijk in de bijdrage die kinderopvang onder andere levert voor de gelijke kansen tussen mannen en vrouwen (Vandenbroeck, 2004). De overheid verschijnt vooral in dit laatste aspect ten tonele. De lidstaten kwamen tijdens de Europese raad van Barcelona in 2002 overeen dat er voor minstens 33% van de kinderen onder de drie jaar en minstens voor 90% van de kinderen tussen 3 en 6 jaar opvang moet zijn in 2010. Op Europees vlak behoort België, samen met Denemarken tot de beste van de klas wat opvangstructuren voor kinderen van 3 tot 6 jaar betreft. De basis- en kleuterscholen zijn hier een heel grote hulp (RKW, 2006a). Ondanks deze goede cijfers op Europees  vlak, is er nog steeds een tekort aan opvangplaatsen.

 

In 2005 waren er in de Vlaamse Gemeenschap 2146 opvangvoorzieningen die ofwel erkend en gesubsidieerd werden door K&G, ofwel een attest van toezicht bezaten. Dit resulteert in 95529 opvangplaatsen. 27% van deze opvangdiensten zijn gesubsidieerd en bieden bijna drie vierden van het aantal beschikbare plaatsen aan. 135649 kinderen maakten gebruik van de opvang tijdens de telweek[81]. 55% van de kinderen gingen naar een voorschoolse opvang en 78% werd opgevangen in een voorziening erkend door K&G. Vlaanderen biedt aan 34,4% van de kinderen onder de 3 jaar opvang en haalt dus de norm van Barcelona[82] (Kind en Gezin, 2006). In de Waalse Gemeenschap waren er in totaal 1475 opvangvoorzieningen die plaats boden aan 29805 kinderen. 34% van de Waalse kinderopvanginstellingen krijgen een subsidie van de ONE en vingen samen 73,6% van de kinderen op die opgevangen werden. 40826 verschillende kinderen waren minimaal 1 dag aanwezig in de Waalse kinderopvang in 2005 (Office de la Naissance et de l’Enfance, 2006). De opvangplaats varieert naargelang de leeftijd. De start van de schoolcarrière speelt hier een zekere rol in. Zo worden kinderen jonger dan 3 jaar in 32,2% van de gevallen toevertrouwd aan een onthaalmoeder of -gezin, 21,1% gaat naar een crèche en 2,5% naar een privé-persoon. De 4 tot 10-jarigen (25,1%) maken vaker gebruik van de voor- en nabewaking op school dan de 11 tot 16-jarigen (9,3%) (Bulckens e.a., 2005).

 

Het gebruik van opvangdiensten door gezinnen waar een kind met een handicap tussen 3 maanden en 2,5 jaar leeft, is vergelijkbaar met die in andere gezinnen. Het verschil is dat deze groep minder intensief gebruik maakt van de aangeboden opvangdiensten. De oorzaak hiervan is dat moeders van kinderen met een functiebeperking er vaker bewust voor kiezen om minder te gaan werken na de geboorte. Ouders hebben de meeste schrik dat de zorg en aandacht die hun kind nodig heeft, niet kan worden geboden in de opvang. Net zoals in andere gezinnen hekelen ze de lange wachtlijsten en het beperkte aanbod van kinderopvang in de buurt (Vanpée e.a., 2000).

 

Getuigenis, Dag van het Gezin, 19 juni 2005:

 

“Ik ben huisvrouw geworden omdat er onder andere geen avond- of weekendopvang is. Babysitters zijn niet te betalen als je er vaak een beroep op moet doen.”

 

De kritiek op de kinderopvang is dat deze voornamelijk gezinnen in hogere inkomensklassen met één tot twee gezonde kinderen ten goede komt. Voor kinderen met een handicap is er te weinig opvang omdat hun behoeftes en noden anders zijn. Voor grote gezinnen is de kost voor kinderopvang aanzienlijk, in die mate dat het soms voordeliger is dat één van de partners stopt met werken. Ook voor éénoudergezinnen, die slechts over één inkomen beschikken, is kinderopvang duur. Ondanks het uitgebreide aanbod aan voorzieningen, voldoet het aanbod niet en zijn ze niet aangepast aan de behoeftes van de ouders. Problemen hebben voornamelijk te maken met opvang voor ouders met flexibele arbeidstijden, buitenschoolse opvang, opvang voor zieke kinderen, opvang tijdens de vakantie,… Er is ook een ondervertegenwoordiging van kinderen uit lagere sociale klassen en van allochtone ouders in de kinderopvang. Dit is toe te schrijven aan de ongelijke arbeidsmarktsituatie (Philips & Moss, 1989; Storms, 1995).

 

De overheid kan hiervoor een oplossing bieden door toegankelijke en geografisch goed verspreide collectieve diensten van kinderopvang aan te bieden. Gesubsidieerde opvang geniet de voorkeur boven het stimuleren van private opvang omdat iedereen hiervan kan genieten en het te betalen bedrag afhankelijk is van het gezinsinkomen. Indien enkel het privé-initiatief wordt aangemoedigd, verliezen de armere gezinnen omdat in deze opvangvoorziening gewerkt wordt met een vast bedrag per dag ongeacht het inkomen. Om het aantal opvangplaatsen te verhogen, kunnen bedrijven ingeschakeld worden. In de Waalse Gemeenschap wordt er geëxperimenteerd met S.E.M.A.-crèches. Dit zijn opvangplaatsen die door de werkgever zijn gereserveerd in de nabijheid van de werkplaats waar de werknemers gebruik van kunnen maken. Opvang voorzien op de werkplaats zelf is ook een optie. Hierbij moet gelet worden dat een dergelijke opvang niet in het nadeel mag zijn (van de verwachte flexibiliteit) van de werknemer. De kost voor de werkgever mag ook niet te groot zijn (Staten-generaal van het Gezin cyclus II, 2006).

 

Naast de uitbouw van het aantal diensten, kunnen de bestaande structuren ook onder de loep worden genomen. Wat met de flexibiliteit van de opvangdiensten zelf? Bedrijven lopen immers het risico dat ouders minder lang werken doordat ze op tijd aan de opvang moeten staan om hun kind af te halen of moeten instaan voor de opvang van hun kind. Er wordt immers steeds meer op atypische uren zoals in het weekend, ’s nachts,… gewerkt. De openingsuren van de kinderopvangdiensten zijn hier niet op voorzien. De Vlaamse regering ziet in het gebruik van dienstencheques een mogelijkheid om meer flexibiliteit te creëren. In het voorstel van het decreet  inzake het gebruik van dienstencheques voor kinderopvang zijn een aantal beperkingen opgelegd. Enkel een alleenstaande, werkende ouder met kinderen onder de 3 jaar kan voor 39u per jaar zijn of haar kinderen laten opvangen met dienstencheques (Van Holen, 2006). Het vraagstuk over wie deze dienstencheques mag aanvaarden, is nog niet opgeklaard (Vlaams Parlement, 2006).

 

Niet alleen ouders die werken hebben nood aan kinderopvang. Ook in andere alledaagse situaties willen (werkzoekende) ouders een beroep doen op de kinderopvang: “Gezinnen hebben nood aan kinderopvang als ze naar diensten moeten gaan, of naar het ziekenhuis moeten. Ze zouden opvang kunnen gebruiken als ze moeten verhuizen, of als ze dringend opgeroepen worden om naar de rechtbank te gaan. Maar kinderopvang is ook nuttig als je vrijwilligerswerk wil doen, dat is belangrijk om andere mensen te leren kennen en om vaardigheden te leren; kinderopvang is tenslotte ook nodig als je dringend opgeroepen wordt voor interim-arbeid” (Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting, 2001).

Fiscale aftrekbaarheid en fiscale maatregelen

Ouders kunnen er voor kiezen om hun kinderen zelf of informeel op te vangen of om hun kinderen naar een erkende opvangdienst te sturen. Ongeacht de gemaakte keuze, hebben ouders recht op fiscale compensatie. Per kind jonger dan drie jaar moet er gekozen worden voor één compensatiemaatregel.

 

In het eerste geval wordt er een toeslag op de belastingsvrije som per kind ten laste jonger dan drie jaar toegekend. Kinderen met een handicap tellen voor twee. In de andere optie mag een deel van de uitgaven voor kinderopvang fiscaal afgetrokken worden. In tegenstelling tot de toeslag, mogen deze kosten ingebracht worden tot het kind 12 jaar is. Er moet wel voldaan worden aan een aantal voorwaarden. Uiteraard moet het kind fiscaal ten laste zijn van de belastingplichtige en moet één van de ouders in het huishouden een inkomen uit arbeid hebben. Kinderen jonger dan drie jaar moeten overdag opgevangen worden en kinderen tot 12 jaar buiten de normale lesuren. Enkel de uitgaven betaald aan bepaalde instellingen komen in aanmerking. De gemaakte kosten moeten bewezen worden aan de hand van een attest. Er mag een maximumbedrag per dag afgetrokken worden dat het kind opgevangen werd. In de Vlaamse Gemeenschap komt ook vakantieopvang onder bepaalde voorwaarden in aanmerking voor belastingsaftrek. Er gaan stemmen op om fiscale maatregelen te vermijden omdat dit vooral de hogere inkomencategorieën ten goede komt[83] (FOD Werkgelegenheid Arbeid en Sociaal Overleg, 2006).

Het einde van de arbeidsloopbaan

In theorie

In heel het eindeloopbaandebat is de pensioenleeftijd een veel besproken onderwerp. “Moeten we de pensioenleeftijd verlagen, optrekken, flexibel maken of behouden” (Berghmans, 2006, p.310)? De publieke opinie lijkt duidelijk: de wettelijke pensioenleeftijd mag niet naar omhoog. Nochtans worden op andere fora heel andere pistes bestudeerd en aangereikt. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) bijvoorbeeld, pleit voor een verlenging van de loopbaan van de Belgische werknemers, en als het niet wettelijk kan, dan toch in de praktijk. De huidige debatten over het loopbaaneinde houden in dat er ook moet worden gepraat over de financiering van de toekomstige wettelijke en privé-pensioenen. Onder nationale en Europese druk en langs verschillende wegen evolueren we alleszins naar een hogere pensioenleeftijd en naar een beperking van het aantal werknemers die de arbeidsmarkt vroegtijdig verlaten.

 

Het Nationaal Actieplan Werkgelegenheid heeft de ambitie om de werkgelegenheidsgraad van de 55- tot 65-jarigen met ongeveer 2% per jaar op te trekken gedurende de periode 2006-2010, om tegen 2010 de doelstelling van de Lissabon-strategie te halen: een werkgelegenheidsgraad van 50% bij de 55- tot 64-jarigen.

 

De Lissabon-strategie

 

In maart 2002 stelde de buitengewone Europese raad van Lissabon in het kader van de economische, sociale en ecologische pijlers van de EU  een nieuwe doelstelling voorop: tegen 2010 moet de EU de meest competitieve en dynamische kenniseconomie van de wereld zijn, die in staat is tot duurzame economische groei met meer en betere banen en een grotere sociale cohesie. Met betrekking tot de werkgelegenheid werd benadrukt dat het werkgelegenheidsbeleid moest worden versterkt om tot volledige werkgelegenheid te komen: tegen 2010 zou een werkgelegenheidsgraad van 70% moeten worden behaald en zou meer dan 60% van de vrouwen actief moeten zijn op de arbeidsmarkt. In de conclusies van Lissabon werd ook aandacht besteed aan de kwalitatieve verbetering van de beschikbare arbeidskrachten. In dit kader werd de invoering gepland van een beleid ter verlenging van het beroepsleven door onder meer een gemakkelijkere toegang tot opleidingen, de versoepeling van de arbeidsformules,… Vijf jaar na het vooropstellen van de Lissabon-criteria is de Europese werkgelegenheidsstrategie echter overgeschakeld op een beperkter aantal richtlijnen. Met betrekking tot het optrekken van het aantal oudere werkkrachten wordt alleen nog maar gesproken van de uitbreiding van het werkaanbod. Het komt er dus op neer het werkaanbod te vergroten, zonder daarbij te spreken van versoepeling of het soort contract,…

 

Het Nationaal Actieplan Werkgelegenheid (NAP)

 

Het NAP Werkgelegenheid is een document dat jaarlijks aan de Europese Commissie wordt voorgelegd en waarin iedere lidstaat de maatregelen bespreekt die werden genomen om de doelstellingen te halen die werden vastgelegd in de Europese richtlijnen voor de werkgelegenheid. In het Belgische NAP 2003 voor de optrekking van het aantal oudere werknemers heeft België vier actielijnen uitgewerkt:

·         de herinschrijving van oudere werklozen als werkzoekers

·         het behoud van oudere werknemers via mogelijke aanpassingen van hun arbeidsomstandigheden en de bevordering van hun inzetbaarheid om hun eindeloopbaanperspectieven te diversifiëren

·         de terugkeer of het behoud van oudere werknemers op de arbeidsmarkt bevorderen dankzij een systeem van premies voor de werkgever en de werknemer

·         de mentaliteit veranderen via een grootschalige bewustmakingscampagne om af te stappen van de cultuur van vroegtijdig pensioen.

 

Bron: (FOD Werkgelegenheid Arbeid en Sociaal Overleg, 2006; Moulaert, 2005).

 

In België blijft de werkgelegenheidsgraad[84] van de 55 tot 64-jarigen voor alle opleidingsniveaus stijgen: van 26,6% in 2002 tot 28,1% in 2003 en 30% in 2004 (Eurostat, 2006a). Ondanks deze stijging, die vooral te danken is aan de activiteit van de vrouwen, blijft de werkgelegenheidsgraad van deze leeftijdsgroep in ons land relatief laag in vergelijking met de rest van Europa. Dit percentage ligt nog ver onder de vooropgestelde 50%. Er is echter verbetering in zicht. In de jaren 1970 voerde België maatregelen in om de jeugdwerkloosheid te verminderen door het vervroegd pensioen van oudere werknemers te bevorderen. Hierdoor krijgen we nu een nieuwe beweging. Alles wijst erop dat we over enkele jaren een sterke stijging zullen krijgen van het aantal oudere werknemers op de arbeidsmarkt en bijgevolg ook een teruggang van de wettelijke pensioenleeftijd. Dit werd onlangs in België, in de lijn van de sociale arbeidsstaat, bekrachtigd met het Generatiepact.

In de praktijk

Wat de verlenging van de loopbaan betreft, zal de pensioenleeftijd vanaf januari 2009 zowel voor vrouwen als voor mannen op 65 jaar worden vastgelegd. Mannen en vrouwen kunnen vervroegd op pensioen gaan, dat wil zeggen voor zij die de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt, vanaf de 1e maand die volgt op hun 60e verjaardag. De oudere werknemers moeten wel een bepaald aantal werkjaren kunnen voorleggen: in 2003 lag dit aantal op 32 jaar, dit werd opgetrokken naar 34 jaar in 2004 en 35 jaar in 2005 (Coen, 2004).

 

Heel wat oudere werknemers kenden een overgangsstatuut voor ze recht hadden op hun pensioen op 65-jarige leeftijd. Naast de 30% ouderen tussen 50 en 65 die nog professioneel actief zijn, konden andere werknemers met vervroegd pensioen gaan (15% van de leeftijdsgroep tussen 50 en 64 jaar). 6,7% van de 50- tot 64-jarigen ontving als werknemer of zelfstandige een invaliditeitsuitkering en 8% van deze leeftijdsgroep had het statuut van oudere werkloze zonder verplichting om zich als werkzoekende in te schrijven (de begunstigden van het brugpensioensysteem ‘Canada Dry’[85]), kwamen eveneens in aanmerking voor dit statuut. Het momenteel omstreden stelsel van het conventioneel voltijds brugpensioen geldt voor 5,9% van de 50- tot 64-jarigen[86].

 

Met de bedoeling de werkgelegenheidsgraad van de ouderen op te trekken, werden de meeste van deze overgangsstatuten de laatste jaren bijgeschaafd. Het statuut van ‘oudere werkloze’ is beperkter geworden in die zin dat werklozen jonger dan 58 jaar (2004) nog altijd als werkzoekende moeten zijn ingeschreven, terwijl voordien werklozen vanaf 50 jaar niet aan deze verplichting waren onderworpen. Vanaf 1992 werd de toegang tot het conventionele brugpensioen beperkt en deze restrictie wordt nu nog altijd voortgezet.

 

Het brugpensioen

 

Sinds het begin van de jaren 1980 kampt de staat met een verhoging van de begrotingsuitgaven door de populariteit van het brugpensioen. Het succes van dit stelsel is deels te verklaren door het voordeel dat beide partijen eruit halen. Voor de werknemer is het brugpensioen een financieel interessant stelsel dat voordelig is bij de berekening van het pensioen (gelijkschakeling van de jaren brugpensioen bij de berekening van het pensioen in geval van conventioneel brugpensioen). Voor de werkgever kan het brugpensioen voor overtollig personeel minder duur zijn dan ontslagen met ontslagvergoedingen die kunnen oplopen tot verschillende jaren van loon voor ontslagen werknemers met veel anciënniteit en een hoog salaris. Brugpensioen betekent het einde van de professionele loopbaan. Er moet naar een ander ‘sociaal nut’ worden gezocht. Sommige werknemers hebben niet gevraagd om dit brugpensioen, soms is het een gedwongen maatregel, bij een herstructurering bijvoorbeeld. Het brugpensioen dekt verschillende ladingen: gewenst brugpensioen als ‘beloning’ na een rijkgevulde loopbaan, gedwongen brugpensioen door de werkgever vaak om economische redenen en soms middenin de loopbaan.

 

Bronnen: (Jamoulle e.a., 1997; Lambrecht & Debuisson, 2005; Moulaert, 2005).

 

Anderzijds wordt de oorlog verklaard aan de werkloosheid onder de ouderen. Dit gebeurt door financiële ondersteuning te bieden aan zowel werklozen[87] als werknemers[88] en via een reeks zogenaamd preventieve maatregelen in het noorden en het zuiden van het land, voornamelijk in de vorm van jobcoaching[89]. Het huidige debat over het loopbaaneinde in België past eigenlijk in het kader van de actieve welvaartstaat, in een activeringslogica, en brengt de gedachte over dat we steeds langer zullen moeten werken.

 

De actieve welvaartstaat…

 

De beslissingen die vandaag worden genomen in het Europese beleid en dus indirect ook in het kader van het Belgische beleid zijn gericht op de uitbouw van de actieve welvaartstaat. Deze evolutie, die al in Groot-Brittannië werd ingevoerd door Tony Blair, lijkt het Belgische sociale model te worden. Het passieve beleid komt tegenover een actief beleid te staan. De passieve beleidslijnen hebben voornamelijk betrekking op de vergoeding van werkzoekenden en de bepaling van de leeftijd om de arbeidsmarkt te betreden en te verlaten (pensioen en brugpensioen). Activering heeft betrekking op de overgang van passieve uitgaven naar actieve uitgaven (gekoppeld aan een reeks voorwaarden) en op het verantwoordelijkheidsgevoel van de steuntrekkers. Tot nu toe had deze activering betrekking op jonge werkzoekenden (cf. activeringsplan van de werkloosheidsuitkeringen). De huidige acties zijn eerder gericht op het schrappen of beperken van de instrumenten voor het vervroegd verlaten van de arbeidsmarkt. Deze maatregelen zijn gericht op de oudere werknemers.

 

Bron: (Moulaert, 2005).

 

Niet enkel de oudere werknemers moeten geactiveerd worden, maar ook de werkgevers. Nochtans blijven deze huiverig staan tegenover hun betrokkenheid. Men schuift de verantwoordelijkheid van het arbeidsrisico liever door naar de oudere werknemer. Hoewel de werkgevers en de regering enerzijds de verlenging van de loopbaan verdedigen, krijgt anderzijds het bedrijf Arcelor bijvoorbeeld in juni 2005 de toestemming van de federale overheid om een brugpensioenstelsel in te voeren dat het vertrek mogelijk maakt vanaf 54 jaar voor 2005-2006 en vervolgens tussen 50 en 54 jaar voor 2008-2010 in het kader van de sluiting van de hoogovens van het bedrijf. De afwijking wordt gemotiveerd vanuit de invoering van een vernieuwend, intern managementbeleid (Moulaert, 2005, p.49).

Zoeken naar een zinvolle tijdsbesteding nà het arbeidsleven

Met pensioen gaan betekent in de eerste plaats afscheid nemen van zijn of haar baan (…). Het betekent ook een nieuwe verhouding opbouwen met betrekking tot tijd alsook tot de huishoudelijke en externe ruimte. Het betekent zoeken naar een nieuwe invulling van de eigen vrije tijd en de tijd die worden gedeeld met de partner en/of andere naaste familieleden (Guichard-Claudic e.a., 2001, p.81-82). De overgang van werk naar pensioen is vaak bruusk, plotseling en onherroepelijk. Mensen die met pensioen gaan, moeten hun plaats vinden buiten de werksfeer in een maatschappij die arbeidsnut hoog in het vaandel draagt.

 

Oudere vrouwen vinden vaak een nieuwe functie in de vorm van de opvang van de kleinkinderen. De capaciteit van de kinderopvangplaatsen wordt vandaag ruimschoots aangevuld met de opvang van de kleinkinderen door de grootouders (zie hoger), doorgaans langs moederszijde. In de toekomst zal deze opvang moeten concurreren met de nieuwe eisen in verband met de hogere werkgelegenheidsgraad van de oudere werknemers, maar ook met de persoonlijke eisen van een ouder wordende, maar nog steeds actieve bevolking. Persoonlijke ontwikkeling van de oudere generatie wordt een nieuw leitmotief.

Veranderende opvattingen

Aan het begin van de 19de eeuw zorgde de invoering van het pensioenstelsel voor een belangrijke verandering op het gebied van de levensomstandigheden. In de eeuwen ervoor werkten mensen zo lang mogelijk. Er bestond geen pensioen en de ouderen waren economisch afhankelijk van hun kinderen. Deze hulpbehoevendheid van de ouderen maakte het samenwonen van verschillende generaties vaak onvermijdelijk, waarbij ouderen een handje toestaken in het huishouden. Als samenwonen niet mogelijk was, omdat er geen nakomelingen waren of omdat de nakomelingen de oudere persoon weigerden te helpen, werd de oudere ‘geplaatst’ in een zogenaamd ‘gesticht’, een plek voorbehouden voor de ‘arme oudjes’ (Casman & Jamin, 2006, p.37-38). Dankzij de invoering van het pensioenstelsel verwierven de ouderen na hun loopbaan een zekere financiële onafhankelijkheid. De ouderen werden kapitaalkrachtig, niet noodzakelijk in de realiteit, maar wel in het collectief denkbeeld[90].

 

Vandaag is de blik van de maatschappij op de pensioenoverstap eens te meer veranderd. De wettelijke pensioenleeftijd luidt dan wel de overgang naar een nieuwe levensfase in, maar we krijgen te maken met een overgangsleeftijd tussen de pensioenleeftijd – jonge actieve gepensioneerden in goede gezondheid – en ouderdom – die eerder synoniem staat voor hulpbehoevendheid en verlies van zelfredzaamheid. Er wordt gesproken van een derde en een vierde leeftijd. Ook bij ouderen duikt de activeringslogica op. Om niet meer te worden beschouwd als potverteerders van collectieve middelen, wordt door sommigen ook naar deze groep gekeken in termen van maatschappelijke inzetbaarheid (Cattagni, 2006, p.402-403). In het debat over de financiering van de pensioenen en in het licht van de stijging van de levensverwachting verandert de erkenning van de oude werknemer als iemand die zijn recht op pensioen laat gelden in een persioentrekker die zijn nut voor de samenleving kan/moet doen gelden in de vorm van vrijwilligerswerk, inzet in de gemeente of een bijdrage tot de familiale verantwoordelijkheden ten opzichte van nakomelingen en voorouders (Réguer, 2001, p.193). Door maatschappelijke vereisten en wensen en de realiteit van de gepensioneerden heeft de derde (actieve) leeftijd voor sommigen een ander imago gekregen. Het wordt in die visie eerder beschouwd als een periode waarin we onze tijd nuttig kunnen (moeten) besteden dan als een periode van welverdiende rust, van terugtrekking uit de maatschappij. De jong-gepensioneerden vertegenwoordigen in dat opzicht een nieuwe, actieve generatie (Haicault, 1998).

 

De 50-plussers in Franstalig België zijn het grotendeels eens met het feit dat de derde leeftijd een tijd is voor persoonlijke ontplooiing en sociale beschikbaarheid, zeker wanneer men een hoog opleidingsniveau heeft (Cattagni, 2006, p.351). De activiteiten van de senioren in hun ‘tweede actieve leven’ zijn uiteenlopend en vallen in verschillende domeinen zoals economie, handel, actievoering, verenigingsleven, cultuur,… maar de activiteiten die verband houden met cultuur en verenigingsleven hebben het meeste succes, samen met liefdadigheid en sociale activiteiten. Deze verschillende voorkeursdomeinen dekken 60% van de seniorenactiviteiten vanaf 50 jaar, al dan niet als vrijwilliger[91]. 66% van de actieve senioren werkt als vrijwilliger. De overige 34 % wordt dus op één of andere manier vergoed. Deze (financieel) vergoede activiteiten worden omschreven als de ‘tweede carrière’ (Rizzi, 2006). Hoewel veel ouderen in het onderzoek te kennen geven dat ze het belangrijk vinden om aan vrijwilligerswerk te doen of wat geld bij te verdienen, heeft slechts een derde van de 50-plussers daadwerkelijk dit soort werk verricht (al dan niet tijdelijk). Huishoudelijke lasten of gezondheids- en mobiliteitsproblemen vormen de voornaamste obstakels voor de participatie aan deze activiteiten, maar een ander bijna even belangrijk obstakel is informatie. De 50-plussers betreuren immers het gebrek aan informatie of gewoon een idee van de mogelijkheden die hen worden aangeboden of activiteiten die voor hen toegankelijk zijn. Deze informatie hangt in de eerste plaats af van het sociaal netwerk van het individu. Daarenboven verloopt de verspreiding van de informatie die voor hen is bestemd moeizaam.

 

De ontwikkeling van dit profiel van actieve oudere sluit zoals gezegd aan bij de hedendaagse trend naar activering van personen die tegemoetkomingen en uitkeringen ontvangen. De centrale vraag in dat debat is dus of het pensioen moet worden gekoppeld aan toekenningsvoorwaarden. Het zal duidelijk zijn dat de meningen hier zwaar verdeeld zijn.

Wanneer de situatie delicater wordt

De overgang naar het pensioen betekent een terugtrekking uit het actieve leven. Doorgaans leidt deze overstap naar het statuut van actieve of inactieve (brug)gepensioneerde tot een inkomensverlies in vergelijking met het salaris dat men ontving tijdens de actieve loopbaan. Het is zo dat de huidige ouderen tijdens hun professionele loopbaan gunstige voorwaarden konden genieten, zowel inzake werkgelegenheid als op het gebied van loon en spaarmogelijkheden. Velen onder hen konden dan ook een aanzienlijk patrimonium uitbouwen, te beginnen bij de aankoop van hun eigen woning. Dit kunnen we wellicht niet zeggen van de aankomende generaties op pensioenleeftijd die geconfronteerd werden met lange werkloosheidsperiodes, onzekere loopbanen en de stagnatie (of zelfs vermindering) van de lonen (…). Anders gesteld: een beleid dat privé-verzekeringen en pensioenformules die onder de tweede pijler vallen, aanmoedigt – ten nadele van het wettelijke pensioen – zou op termijn (als het werkelijk wordt doorgevoerd) de gepensioneerden kwetsbaarder kunnen maken en opnieuw armoede kunnen scheppen die ruimschoots was weggewerkt dankzij de invoering van relatief ‘vrijgevige’ sociale beschermingsstelsels (Loriaux & Remy, 2006). De situatie van de huidige generatie ouderen wordt kwetsbaarder in vergelijking met een decennium geleden.

Buitengewone evenwichtsacrobaten: een handicap, zelfstandige arbeid of werkloosheid

Een harmonieuze combinatie van arbeid en gezin – waarbij we vrije tijd even buiten beschouwing laten – zou kunnen zorgen voor een gelijke verhouding tussen arbeid en gezin zonder dat een van beide moet inboeten. Nochtans wordt dit evenwicht niet altijd zonder strubbelingen bereikt door de hedendaagse gezinsacrobaten. De evenwichtsoefening is des te moeilijker wanneer het gezin in kwestie niet aan de doorsnee familiale norm voldoet. We denken daarbij aan gezinnen met een kind met een handicap of aan zelfstandigen en werkzoekenden. Deze ‘buitengewone’ situaties brengen bijkomende hindernissen mee en vragen soms veel van de gezinsleden. In deze laatste paragraaf gaan we dieper in op de bijzondere leefsituatie van deze gezinnen.

Hoe functioneert een gezin met een persoon met een handicap in hun midden?

Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) leeft 10% van de Europese bevolking met een handicap. In de loop van de jaren 1990 telde België ongeveer 700000 personen met een handicap, rekening houdende met alle leeftijden en soorten handicap. Dit is ongeveer gelijk aan één vijftiende van de Belgische bevolking[92] (Thibaut & Rondal, 1996, p.247). Deze personen met een handicap hebben het vaak moeilijk om een plaats in onze maatschappij te verwerven.

 

Een onontwarbaar bevoegdheidskluwen…

 

Het beleid inzake personen met een handicap valt onder de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap (Vlaams agentschap voor Personen met een Handicap), het Waals Gewest (Agence wallonne pour l’intégration des personnes handicapées), de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (Service bruxellois francophone des personnes handicapées) en de Duitstalige Gemeenschap (Dienst van de Duitstalige gemeenschap voor personen met een handicap): de tewerkstelling van personen met een handicap, hun beroepsopleiding, onthaal en opvang, de toekenning van tegemoetkomingen voor technische hulpmiddelen,… behoren tot de bevoegdheid van deze vier beleidsniveaus.  Een aantal aspecten die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op personen met een handicap vallen onder de bevoegdheid van andere instellingen. Zo is de federale staat bevoegd voor de toekenning van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap. De tegemoetkomingsaanvragen worden onderzocht door de Directie-Generaal personen met een handicap, die ook de medische onderzoeken uitvoert in het kader van de fiscale en sociale voordelen voor personen met een handicap en in het kader van de verhoogde kinderbijslag voor kinderen die lijden aan een aandoening. De sociale zekerheid (meer bepaald de revalidatie en de wetgeving inzake invaliditeitsuitkeringen) en de juridische bescherming van personen met een handicap (statuut van verlengde minderjarigheid, bescherming van de goederen van personen die niet in staat zijn ze te beheren,…) behoren eveneens tot de bevoegdheid van de federale staat. De gewesten zijn dan weer bevoegd voor stedenbouw en dus de toegankelijkheid van de gebouwen. Het buitengewoon (er is in het Vlaams onderwijs sprake van ofwel geïntegreerd onderwijs, ofwel van buitengewoon onderwijs naast elkaar, wat wordt hier bedoeld?) onderwijs valt onder de bevoegdheid van de gemeenschappen. Tot slot kan iedere federale, gewestelijke of gemeenschapsinstantie voordelen toekennen aan de personen met een handicap binnen het eigen bevoegdheidsdomein. De federale staat kent bijvoorbeeld belastingverminderingen toe aan de personen met een handicap, de gewesten kennen een aantal voordelen toe op het gebied van sociale huisvesting,…

 

Bron: (FOD Sociale Zekerheid - Directie-Generaal Personen met een handicap, 2006).

 

Ondersteuning van een complex ouderschap

De ontdekking dat je kind niet helemaal ‘zoals de anderen’ is, haalt het gezinsleven ontegensprekelijk overhoop. Men moet de handicap begrijpen, aanvaarden en zich aanpassen. De verwachtingen die ouders koesterden, worden plots de kop ingedrukt. Ze zullen moeten afzien van het kind dat ze zich hadden voorgesteld. Het besef dat hun kind gehandicapt is, schudt de verwachtingen die zij voor hun kinderen hadden dooreen. Alle handicapsituaties zijn dan wel verschillend, maar ze maken het gezinsleven en de gezinsorganisatie stuk voor stuk ingewikkelder. Terwijl kinderen doorgaans zelfstandig worden naarmate ze opgroeien, zullen sommige ziektebeelden de evolutie en zelfredzaamheid van kinderen met een handicap afremmen of blokkeren. De afstemming van gezins- en beroepsleven wordt een voortdurende bekommernis.

 

Welkom in Nederland (Carol TURKINGTON)

 

Een kind verwachten is net als een vakantie in Italië plannen. U bent in de wolken. U koopt een heleboel toeristische gidsen, leert een aantal zinnen in het Italiaans om u verstaanbaar te maken, en wanneer het zover is, pakt u uw koffers en vertrekt u naar de luchthaven – richting Italië. Bij de landing, hoort u de stewardess omroepen: “Welkom in Nederland”. U kijkt elkaar aan, vol ongeloof en in schok en zegt: “In Nederland? Hoezo? Ik heb gereserveerd voor Italië!”. Men legt u uit dat de zaken veranderd zijn en dat u in Nederland bent geland, dat u er moet blijven. “Maar ik ken niets van Nederland! Ik wil hier niet blijven,” antwoordt u. Maar u blijft. U koopt een aantal nieuwe gidsen, leert nieuwe zinnen en ontmoet mensen van wie u niet eens wist dat ze bestonden. Het belangrijkste is dat u niet in een vuile wijk bent beland, waar pest en hongersnood heersen. U bevindt zich gewoon op een andere plaats dan de plaats die u zich had voorgesteld. Het is er minder luidruchtig en druk dan in Italië, maar na een tijdje, wanneer u op adem bent kunnen komen, merkt u dat er in Nederland windmolens zijn, dat Nederland tulpen heeft en zelfs schilderijen van Rembrandt. Maar iedereen die u kent gaat naar Italië en komt terug. Ze scheppen allemaal op over het mooie weer dat ze daar hadden en voor de rest van uw leven, zegt u bij uzelf: “Ja, daar zou ik ook naartoe gegaan zijn. Dat was mijn plan.” Het verdriet dat u daardoor voelt, zal nooit vervagen. U moet dit verdriet toelaten, want het verlies van deze droom, het verlies van dit plan is heel belangrijk. Als u echter de rest van uw leven blijft treuren omdat u niet naar Italië bent geweest, dan zal u nooit kunnen genieten van de erg bijzondere en erg mooie dingen die men in Nederland vindt”.

 

Bron: (Office de la Naissance et de l'Enfance, 2006).

 

Er bestaan organisaties die gezinnen met een kind met een handicap ondersteunen om zo goed mogelijk met deze handicap te leren omgaan, maar de gezinsorganisatie blijft wankel en ouders zijn vaker afwezig op het werk. Hoewel ouders er toch vooral naar streven een zo normaal mogelijk leven te kunnen leiden, hun kind in een instelling te kunnen onderbrengen die afgestemd is op de behoeften, de mogelijkheid hebben een job uit te oefenen, erkend te worden door de maatschappij en tijd voor zichzelf te kunnen maken,  blijkt het enorm moeilijk om een evenwicht te vinden tussen privé- en beroepsleven. Onderzoek uitgevoerd op verzoek van minister Detienne (Van Bael & Vankriekinge, 2004) illustreert deze ontreddering. De aanzienlijke tijd die gaat naar de handicap maakt dat ouders, en vooral moeders, vaak afzien van een volwaardige beroepsactiviteit. Voor zij die werken zorgt deze betaalde arbeid voor bijkomende stress aangezien de vereisten die gepaard gaan met de handicap gecombineerd moeten worden met de professionele verantwoordelijkheid. Zij die thuis blijven om zich volledig aan de handicap te wijden, zien hun gezinsinkomen afnemen en hebben het financieel moeilijk, ook door de hoge kosten die gepaard gaan met de verzorging van personen met een handicap. In de meeste gevallen komt de handicap volledig terecht op de schouders van de gezinsleden. De ouders raken vaak geïsoleerd, soms zonder vrienden, familie en aangepaste hulpdiensten. Wanneer ouders zich volledig willen ontfermen over hun zwaar hulpbehoevend kind met een handicap, is daar vaak een vorm van allesomvattend altruïsme voor nodig. Vooral moeders lijken hun persoonlijke behoeften te negeren. Gezinnen met een kind met een handicap blijven ook niet gespaard van (echt)scheidingen. Het komt dus ook voor dat een alleenstaande ouder van een gehandicapt kind zijn gezinsleven en beroepsleven moet zien te combineren.

 

Getuigenis, Dag van het Gezin, 19 juni 2005:

 

“Elke dag opnieuw krijgen we het gevoel verstoten te worden door de samenleving, onze naasten en familie. Wij zijn ouders van een kleine jongen met meerdere beperkingen. Bij zijn geboorte zijn we dicht bij de opvang gaan wonen: er zijn in België weinig plaatsen beschikbaar voor kinderen met een handicap. Met de verhuis hebben we ons werk moeten opgeven omdat dit te ver was van onze huidige woonplaats. We kennen nu financiële problemen, we hebben moeilijkheden met de toegang tot werk omdat we nood hebben aan flexibele uurroosters. We zijn ons ervan bewust dat, door onze nieuwe moeilijkheden, weinig werkgevers bereid zijn om een flexibel uurrooster toe te kennen om, bijvoorbeeld, als ouder je kind naar het ziekenhuis te vergezellen, zelfs wanneer deze noodzaak aan flexibiliteit al duidelijk is bij de aanwerving. Door de noodzaak van twee inkomens wordt de moeder gedwongen om ‘s avonds deeltijds te werken in een rusthuis. Op die manier kunnen we elkaar aflossen bij de zorg over onze zoon. Aan de andere kant krijgen we maar weinig hulp van onze familie. Ook onze vrienden, zelfs zij die voorgesteld hebben om te helpen, krabbelden allemaal terug toen we om hulp vroegen: geweigerd of zich teruggetrokken uit gebrek aan ervaring. Zich ontfermen over een kind met een poly-handicap laat geen adempauze toe, niet overdag en niet ’s nachts. (Getuigenis van een koppel met een kind van 14 jaar dat meerdere beperkingen heeft.)”

 

Om drama’s te voorkomen en het verdriet te verzachten, kan een beroep worden gedaan op diensten die ondersteuning en opvang bieden. Hoewel deze niet dag en nacht toegankelijk zijn, geen goede geografische verspreiding kennen of voldoende zijn afgestemd op de ziektebeelden, is de nood aan dergelijke dienstverlening zeer groot, zoals blijkt uit de onderstaande samenvattende tabel. Deze behoefte aan dienstverlening wordt alleen maar groter met de tijd en houdt heel het leven van de persoon met een handicap aan, soms zelfs tot na de dood van de ouders.

 

Bron (bewerkt): (Van Bael & Vankriekinge, 2004).

 

Zoals eerder aangehaald zijn ouderschapsverlof, tijdskrediet en deeltijds werken vaak gebruikte instrumenten om gezin en arbeid te kunnen combineren. De vraag is of deze instrumenten beantwoorden aan de behoeften van gezinnen met een kind met een handicap? Bieden zij ouders de mogelijkheid om hun gezinsleven en loopbaan op elkaar af te stemmen? De praktijk wijst uit dat de meeste van deze maatregelen geen rekening houden met langdurige periodes van hulpbehoevendheid. De maximaal toegestane uren die kunnen worden besteed aan bijstand en thuisverzorging blijken in heel wat gevallen ontoereikend te zijn. Ook de miskenning van wettelijke bepalingen inzake werkgelegenheid en het gebrek aan informatie over bestaande diensten vormen een aanzienlijk probleem. De ouders raken vaak niet wijs uit de ingewikkelde administratieve stappen en versnipperde bevoegdheden.

 

In België is leven in een instelling doorgaans de regel voor personen met een handicap. Sinds een twintigtal jaar werkt ons land evenwel aan alternatieven. Zo werden de ADL-diensten (activiteiten van het dagelijks leven) opgericht in de loop van de jaren 1980. De filosofie van deze ADL-diensten gaat voornamelijk uit van zelfredzaamheid en integratie. Het gaat om sociale woningen die aangepast zijn voor personen in een rolstoel: zonder architecturale hindernissen en met een specifieke uitrusting (deurklinken, domotica,…). Deze woningen bevinden zich in wijken die bewoond worden door valide personen. Het zijn flats of ééngezinswoningen waarin de persoon met een handicap alleen of in gezinsverband kan leven. Dankzij deze formule kunnen personen met een zware fysieke handicap een privé-woning betrekking en hulp krijgen die dag en nacht onmisbaar is om de ADL te kunnen uitvoeren. Door dergelijke woningen onder te brengen in een gewone wijk wordt het risico van vereenzaming en gettovorming vermeden. Deze formule biedt personen met een handicap uitzicht op een gezinsleven, een beroepsleven, een sociaal-cultureel leven.

 

Daarnaast wordt in Vlaanderen gewerkt met het Persoonlijk Assistentiebudget (PAB)[93], een vernieuwend concept om de zelfredzaamheid en de integratie van personen met een handicap te bevorderen (Breda e.a., 2004). De persoon met een handicap krijgt een budget waarmee hij zijn hulpverlening individueel kan beheren. De hulp kan thuis worden verstrekt of op een andere door de persoon met een handicap gekozen plaats (werkplek, ontspanningsruimtes,…). De persoon met een handicap beheert de indienstneming van zijn begeleiders, het uurrooster, de betaling en de organisatie van alle geboden hulp. De persoon met een handicap, die de budgethouder wordt genoemd, beschikt over een budget waarmee hij zijn begeleidingsbehoeften naar wens kan invullen, via de indienstneming van een begeleider, die persoonlijke assistent wordt genoemd. Dit soort assistentie blijkt al verschillende jaren succesvol in Zweden, Noorwegen, Groot-Brittannië en Nederland. Het biedt het voordeel de potentiële mogelijkheden van de persoon met een handicap meer tot zijn recht te laten komen dan bijvoorbeeld in een dagcentrum of verblijfsinstelling.

De integratie van personen met een handicap op de arbeidsmarkt

Wanneer het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) het in zijn publicaties heeft over handicap, gaat het vooral om de Belgische ‘loonkostenhandicap’ en zelden om de situatie van personen met een handicap op de arbeidsmarkt. Nochtans is die situatie zorgwekkend. Uit alle bestaande analyses op Europees niveau blijkt immers dat België de laagste werkzaamheidsgraad heeft van personen met een handicap. Volgens een enquête van Eurostat in 1996 (Eurostat, 2006a) bedraagt de gemiddelde werkgelegenheidsgraad van personen met een handicap in België 20% (Het Europees gemiddelde bedraagt 23%): 80% van de personen met een handicap is werkloos. Personen met een handicap die in een instelling verblijven, hebben bijvoorbeeld erg weinig kans om een baan te vinden. Er kunnen hen wel beroepsactiviteiten worden voorgesteld. De cijfers zijn onder voorbehoud aangezien alle beschikbare gegevens rechtstreeks verband houden met sociale voordelen of door de maatschappij toegekende tegemoetkomingen. We kunnen ons dus onmogelijk een nauwkeurig beeld vormen van het aantal en het profiel van werknemers met een handicap of werkzoekenden rekening houdende met de verschillende wetgevingen (die er stuk voor stuk een verschillende definitie van invaliditeit op nahouden). Een andere factor waarmee we rekening moeten houden is dat een deel van de werknemers met een handicap die werkzaam zijn in het gewone arbeidscircuit niet als persoon met een handicap geregistreerd willen staan (een absolute voorwaarde om een tegemoetkoming te kunnen genieten) (Persoonlijke briefwisseling cel personen met een handicap, Staatssecretariaat van het Gezin en Personen met een Handicap).

 

In een poging een verklaring te vinden voor deze beperkte aanwezigheid van personen met een handicap op de arbeidsmarkt wordt gewezen op de werkloosheidsval. Hoewel een beroepsactiviteit een hoger inkomen meebrengt, het recht op sociale zekerheidsuitkeringen opent (invaliditeitsuitkering, werkloosheidsuitkering, gezondheidszorg, kinderbijslag, pensioen…) met behoud van afgeleide rechten (voordelig tarief op het gebied van gezondheidszorg, sociaal gas- en elektriciteitstarief,…) lijkt de professionele integratie van personen met een handicap toch geremd of geblokkeerd door de toekenning van de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT)[94].

 

IVT en beroepsinkomsten…

 

Als een persoon met een handicap wordt tewerkgesteld voor een periode van drie maanden of minder per kalenderjaar (een doorlopende job of de optelsom van uitzendwerk) dan geeft dit geen aanleiding tot een herziening. De persoon met een handicap kan zijn beroepsinkomen volledig cumuleren met de tegemoetkoming voor personen met een handicap. Het recht op tegemoetkoming wordt wel herzien wanneer de IVT van de persoon met een handicap gedurende minstens drie maanden wordt gecumuleerd met een beroepsinkomen (op voorwaarde dat deze wijziging aanleiding geeft tot een verhoging of een vermindering van het inkomen met minstens 20% ten opzichte van het voorgaande kalenderjaar. Als dit niet het geval is, verandert er niets). Wanneer de persoon zijn baan verliest en de arbeidsperiode geen recht geeft op een werkloosheidsuitkering of een uitkering van het ziekenfonds, kan de persoon met een handicap opnieuw aanspraak maken op een volledige IVT. De persoon moet dan een procedure doorlopen om opnieuw recht te hebben op de IVT. Ook al geeft de administratie voorrang aan de verwerking van deze dossiers, toch kan deze procedure enkele maanden in beslag nemen.

 

Bron: (Office de la Naissance et de l'Enfance, 2006).

 

Het is dus niet zozeer de job die de persoon met een handicap lijkt af te schrikken. Als de persoon met een handicap een baan aanneemt, loopt hij het risico om het financieel nog veel moeilijker te krijgen wanneer de beroepsactiviteit na drie maanden wordt beëindigd. De moeilijkheid om over te stappen van het tegemoetkomingstelsel naar het beroepsstelsel ligt dus vooral in de tegenovergestelde richting, van jobverlies naar tegemoetkoming. Deze mogelijke financiële onzekerheid maakt de persoon met een handicap ook psychisch onzeker: welk nut heeft het om professioneel aan de slag te gaan als het beroepsstatuut aanleiding kan geven tot financiële onzekerheid en het risico inhoudt om in de toekomst zonder inkomen te zitten? Uiteindelijk zullen alleen de personen met een handicap die een goedbetaalde, voltijdse en vaste job kunnen vinden het risico nemen om uit het tegemoetkomingsstelsel te stappen. Bovendien is de informatie die de persoon met een handicap krijgt of vraagt vaak moeilijk te begrijpen, vaag of zelfs tegenstrijdig.

 

Sinds 1 juli 2006 werden maatregelen genomen om de werkgelegenheid voor personen met een handicap te bevorderen, meer bepaald door het vrijstellingspercentage van de beroepsinkomsten op te trekken, waardoor de IVT’er een groter deel van zijn tegemoetkoming kan cumuleren met zijn beroepsinkomen.

 

In het kader van de actieve welvaartstaat gaat het eigenlijk om een activering van de inkomensvervangende tegemoetkoming. Voordien bedroeg het vrijstellingspercentage 10%. Dit percentage werd opgetrokken tot 50%[95] en 25% voor de hoogste inkomensschijf[96] [97].

 

Tijdens diezelfde hervorming keurde de regering het principe van de ‘slapende tegemoetkoming’ goed. De IVT’er die na een arbeidsperiode geen aanspraak maakt op een werkloosheids- of ziekte-uitkering kan op die manier sneller terugvallen op zijn IVT, zonder de hele procedure te moeten doorlopen die van toepassing is op de nieuwe aanvragen. Dankzij de elektronische gegevensuitwisseling tussen de FOD Financiën en de Directie-generaal Personen met een handicap kan de administratieve kant van de aanvragen die bij deze overheidsdienst worden ingediend snel en doeltreffend worden afgehandeld. Voordien nam een herziening acht maanden in beslag. Na de hervorming in juli 2006 bedraagt die termijn nog één à drie maanden wanneer het dossier bij voorrang wordt verwerkt, wat niet wegneemt dat de persoon met een handicap zich in afwachting van zijn IVT in een erg onzekere financiële situatie bevindt. Hij kan zich in dat geval wenden tot het OCMW van zijn gemeente om een voorschot op zijn tegemoetkoming te krijgen dat veel minder bedraagt dan het inkomen dat hij voordien kreeg voor zijn beroepsactiviteit.

 

Tot slot benadrukt de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap het psychologische belang van werkgelegenheid. Het is moeilijk om maatregelen te nemen die de integratie van personen met een handicap op de arbeidsmarkt vergemakkelijkt omwille van de arbeidsmarktsituatie en de aanwezigheid van verschillende kwetsbare doelgroepen (landurig werklozen, oudere werknemer, allochtonen,…). Het principe van ‘redelijke aanpassingen’, een begrip vastgelegd door de Gemeenschappen, Gewesten en Federale overheid, moet onder andere de integratie van personen met een handicap op de arbeidsmarkt bevorderen. Er gelden  wel quota’s. Overheidsdiensten zijn verplicht een aantal personen met een handicap in dienst te hebben. FOD’s die deze quota niet halen, worden ter verantwoording geroepen en kunnen enkel personen met een handicap aannemen tot ze hun quota bereikt hebben. Deze verplichting geldt niet voor de privé-sector. Er worden verschillende voordelen (premies, materiële aanpassingen,…) toegekend aan werkgevers die personen met een handicap aannemen.

Werkloosheid in België

Doorgaans krijgen tweeverdieners en de combinatie van hun privé- en beroepsleven alle aandacht. Er bestaat echter nog een andere categorie waar niet altijd rekening mee werd gehouden: de werkzoekenden. In 2005 bedroeg de werkloosheidgraad 8,5% in België, zonder steuntrekkers mee te rekenen die niet onder deze noemer vallen, maar die nochtans ook uit de arbeidsboot vallen. Ook hier stelt de combinatie arbeid-gezin zich in verschillende gedaanten. Op deze, meer verborgen problematiek, wil deze paragraaf dieper ingaan.

De onopgeloste vergelijking voor kinderen met werkloze ouders

 

Getuigenis, Dag van het Gezin, 19 juni 2005:

 

“Als werkloze kan ik geen plaats krijgen in de kinderopvang: er wordt voorrang gegeven aan de personen die werk hebben. Samenvattend kunnen we zeggen: geen werk, geen opvang, geen toegang tot opvang, geen werk! In’t kort voel ik me gevangen in een vicieuze cirkel en moet ik tevreden zijn met een halfslachtige oplossing. Mijn kinderen zijn echter even veel waard als de kinderen van anderen en zijn ook de aandacht waard.”

 

Ouders die voltijds werken moeten op zoek naar dagopvang voor de allerkleinsten en buitenschoolse opvang van schoolgaande kinderen. Dergelijke kinderopvang vergt voldoende inkomen en een regelmatige aanwezigheid van de kinderen op de opvangplaats. Een werkzoekende ouder heeft daarentegen eerder nood aan kinderopvang op bepaalde tijdstippen, om naar werk te kunnen zoeken. Deze mogelijkheid bestaat echter niet, tenzij de ‘halte-garderies’ (kortstondige en flexibele noodopvang), maar deze formule is zelden toegankelijk.

 

Een voorbeeld: F., alleenstaande, 2 kinderen ten laste, uitgesloten van werkloosheidsuitkering

 

Mevrouw F., 22 jaar, alleenstaande moeder van twee kinderen (2 en 4 jaar) is niet geslaagd voor het examen ‘arbeidsbereidheid’. Deze werkloze moeder volgde een alternerende opleiding hotel, die ze stopzette om te bevallen van haar oudste kind. Tijdens haar eerste oproeping bij de RVA, moest ze een sollicitatiebrief en CV schrijven. Een CV? Waarom? Zonder diploma, zonder opleiding? Als straf werd haar wachtuitkering bij haar tweede bezoek aan de RVA opgeschort. Ze heeft geen bron van inkomsten, maar wordt toch gevraagd haar inspanningen om werk te zoeken op te drijven, zoniet zal haar uitkering bij haar volgende oproeping, over vier maanden, definitief worden geschrapt. Ze moet zich dus verplaatsen, telefoneren, schrijven, opvang zoeken voor haar kinderen. Met welk geld? Mevrouw F. roept de hulp in van het OCMW en krijgt een tegemoetkoming die ze moet terugbetalen. Zodra ze haar werkloosheidsuitkering ontvangt, zal ze maandelijks 100€ moeten afbetalen. Maar wat als ze definitief wordt geschrapt bij de RVA? Een raadsel. Dit is één van de vele gevallen die van deze controle van de arbeidsbereidheid van de werklozen een tocht doorheen ‘Absurdië’ maken (…). De getuigenissen werpen een grauw licht op sommige praktijken van de RVA. Alleenstaande vrouwen met kinderen moeten halsoverkop opvangoplossingen zien te vinden. Jacques Debatty (ACV) is verontwaardigd: “Dit is gewoon onmogelijk! Geen enkel Brussels kinderdagverblijf neemt kinderen van werklozen aan”.

 

Bron: (Vaes, 2005).

 

Vrouwen die opnieuw hun intrede doen op de arbeidsmarkt

Zoals reeds aangegeven, moeten meestal vrouwen een keuze maken tussen arbeid of gezin. De voornaamste reden waarom vrouwen hun loopbaan onderbreken, is de geboorte van de kinderen (56%), gevolgd door het huwelijk (24%). Ziekte of een ongeval volgt op de derde plaats met 16% (bij mannen bedraagt het percentage 87%). Iedere langdurige loopbaanonderbreking brengt verlies van beroepsbekwaamheid en onzekerheid mee. Zo vinden geschoolde kantoorbedienden en arbeiders na enige tijd doorgaans geen job die overeenstemt met hun vaardigheden. Hoewel een geboorte de oorzaak is van de meeste loopbaanonderbrekingen, zijn er aanzienlijke verschillen naargelang het opleidingsniveau: 80% van de hooggeschoolde vrouwen met 3 kinderen blijft voortwerken, terwijl dat bij arbeidsters slechts in 49% het geval is (Andrian, 1994).

 

Getuigenis, Dag van het Gezin, 19 juni 2005:

 

“Ik ben gestopt met werken gedurende acht jaar om mij bezig te houden met de kinderen, dit uit bezorgdheid over hun affectieve, educatieve en opvoedingsondersteuning zodat ze geen onmogelijke kinderen zouden worden. Maar ik heb het ook gedaan omdat ik het laagste salaris had. Ik vind het onrechtvaardig dat ik mijn pensioenrechten voor de jaren na mijn eerste twee jaar thuis blijven verloren ben. De laatste twee jaren irriteerden de vier muren van het huis me mateloos. Ik ben terug beginnen te werken vanaf januari 2005: voor mijn kinderen is dit een verbetering. Ze waren er klaar voor, ze zijn nu zelfstandiger. Met mijn flexibel uurrooster gecombineerd met kleine kinderen en niet te veel veranderingen in het uurrooster van mijn man, kunnen we de kinderen nog altijd goed ondersteunen.”

 

Vrouwen die hun loopbaan even in de koelkast plaatsten, willen soms opnieuw professioneel aan de slag gaan. De meesten onder hen onderbraken hun loopbaan bij de geboorte van hun eerste, tweede of derde kind en willen opnieuw aan het werk, hetzij uit verplichting naar aanleiding van een echtscheiding, hetzij omdat de kinderen zelfstandiger worden waardoor de moeders meer tijd overhouden. Hoewel deze vrouwen voor het moederschap vaak vaardigheden hadden verworven op de arbeidsmarkt, is hun professionele re-integratie niet zo eenvoudig. De arbeidsmarkt is veranderd tijdens hun afwezigheid: hun vaardigheden zijn verouderd, praktijken zijn voorbijgestreefd, de concurrentie is aangescherpt, er is geen jobzekerheid meer. In deze context werden specifieke programma’s voor professionele re-integratie uitgewerkt. In Duitsland lijkt dit zijn vruchten af te werpen[98]. Naast deze re-integratiemoeilijkheden, heeft een volledige of gedeeltelijke loopbaanonderbreking ook nefaste materiële gevolgen: verlies van anciënniteit, premies en andere voordelen voor mensen die na vele jaren afwezigheid het werk hervatten alsook een aanzienlijke inkrimping van hun toekomstige sociale rechten (pensioen,…).

 

Het voorbeeld van Hélène

 

Hélène heeft net haar regentaatsdiploma wiskunde op zak. Ook haar vriend David heeft zijn studie beëindigd en kan aan de slag in een informaticabedrijf. Ze kunnen nu hun ‘eigen nestje’ bouwen. Hélène krijgt een vervangingscontract voor drie maanden in een school. Ze dromen ervan kinderen te hebben en al snel wordt hun droom werkelijkheid: Hélène is zwanger. David verdient goed, maar zijn job eist veel van zijn tijd. Hélène en David beslissen samen dat Hélène stopt met werken, wat geen al te grote weerslag heeft op hun gezinsbudget. Zo kan ze privé-lessen geven wanneer het past voor haar. Hélène schrijft zich dus niet meer in als werkzoekende. Het gezin heeft voldoende inkomsten om een normaal leven te leiden. Alles verloopt prima: David voelt zich opgevangen na de lange werkdagen. Voor Hélène zijn de dagen lang, zij bereidt haar moederschap voor. Als de situatie zo blijft, kan het

zijn dat Hélène op een dag in een onzekere situatie belandt.

 

Waarom?

Door niet te gaan werken en zich niet in te schrijven als werkzoekende, bouwt Hélène geen enkel persoonlijk recht op sociale bescherming op. Ze trekt natuurlijk geen werkloosheidsuitkering en heeft geen moederschapsverlof, ook al geeft de komst van een baby recht op een geboortepremie. Terwijl David bijdragen betaalt voor zijn eigen pensioen… Afzien van een loopbaan die recht geeft op een echt loon en echte rechten betekent afhankelijk worden van iemand anders, tenzij je zo rijk bent dat je kan rentenieren. Hélène zal dus iedere maand aan David geld moeten vragen voor het huishouden en voor zichzelf.

 

Doordat zij zelf geen bijdrage levert, bouwt zij geen persoonlijke bescherming uit. Als David en Hélène ooit scheiden zal zij weer moeten gaan werken (wat niet gemakkelijk is na jaren onderbreking) of een leefloon moeten aanvragen. Ze zou recht hebben op alimentatiegeld voor haar en de kinderen, maar dat is niet altijd een regelmatig inkomen. Al deze omstandigheden betekenen niet echt een comfortabel leven. En wat met haar pensioen? Als de werkende echtgenoot een goede loopbaan uitbouwt zonder onderbreking en het huwelijk met de tijd standhoudt, kan het gezin met een gerust gemoed ouder worden… maar in geval van een scheiding blijft op de pensioenleeftijd alleen de inkomensgarantie voor ouderen (IGO) over, die wordt toegekend aan ouderen die geen recht hebben op een pensioen. Het pensioen van (uit de echt) gescheiden vrouw is zeker niet voldoende om een onafhankelijk leven te kunnen leiden.

 

Bron: (Vie féminine, 2005).

 

Wanneer vrouwen erin slagen opnieuw te gaan werken, dan gaat het meestal om deeltijds werk: in 2005 ging het in 23,4% van de contracten van alle Belgische loonarbeiders om deeltijds werk, waarvan het merendeel door een vrouw werd ondertekend (FOD Economie, 2006b). In de bedrijfswereld wordt deeltijds werk doorgaans beschouwd als een ‘keuze’ gemaakt door vrouwen die meer tijd vrij willen hebben om voor hun kinderen te zorgen. Eigenlijk klopt dit slechts voor een deel van de vrouwen. Deeltijds werk wordt immers vaak ook ‘opgelegd’ door de werkgever wegens de arbeidsflexibiliteit die gepaard gaat met onzekere jobs die vrouwen aanvaarden omdat er niets anders opzit (Andrian, 1994).

 

Getuigenis, Dag van het Gezin, 19 juni 2005:

 

“Toen ik zwanger was van mijn eerste kind in 1979, heb ik besloten om geen interims in het onderwijs meer aan te nemen. Daarna heeft mijn eerste kind nog 3 broers en zussen gekregen die met veel vreugde ontvangen werden (in 1980, 1982 en 1984). Van september 1978 tot maart 1988 heb ik een onderbreking voor het moederschap genomen. Hieraan kwam een einde doordat ik ben gescheiden. Ik heb, in termen van anciënniteit, tien jaar verloren voor de berekening van mijn pensioen. Ik kan deze onderbreking niet integreren in mijn professionele loopbaan. Mijn pensioen zal niet vet zijn.”

Zelfstandige arbeid en ouderschap combineren

Het statuut van zelfstandige – en de vergelijking met het statuut van loonarbeider – heeft al heel wat inkt doen vloeien. Naast het debat over de gelijkschakeling van de kinderbijslag[99], is er ook de kwestie van de moederschapsrust, die doorgaans wordt genomen tijdens de zwangerschap en de eerste maanden na de geboorte. Volgens de statistieken van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen voor Zelfstandigen (RSVZ) vertegenwoordigen vrouwen minder dan 30% van de zelfstandigen in België, als zelfstandige onderneemster of als meehelpende echtgenote. Deze resultaten tonen ook aan dat 90% van deze vrouwen leven met een partner en kinderen hebben: als zelfstandige werken, staat de organisatie van een gezinsleven voor een vrouw dus niet in de weg. Ondanks de ogenschijnlijke flexibiliteit en vrijheid die met hun statuut gepaard gaan, want zelfstandige vrouwen kunnen hun werktijd makkelijker aanpassen en hun werk verlaten om tegemoet te komen aan familiale verplichtingen, lijken vrouwelijke ondernemers bijkomende moeilijkheden te ondervinden. Werkdruk, onregelmatige werkuren, het gebrek aan opvangplaatsen, maar ook het gebrek aan opvang op onregelmatige uren maken de combinatie van arbeid en gezin ook voor hen moeilijk.

 

Het moederschapsverlof werd opgetrokken van drie tot zes weken voor moeders die werken als zelfstandige. De moederschapsuitkering wordt ten laste genomen door het ziekenfonds voor moeders die daadwerkelijk zes weken bevallingsrust opnemen. Momenteel bestaat er nog altijd  geen adoptieverlof of –vergoeding. Wat de kinderbijslag betreft, kent het sociaal verzekeringsfonds ook een geboorte- en adoptiepremie toe. Die premie bedraagt evenveel als de premie voor werknemers. Sinds 1 januari 2006 kan de zelfstandige vrouw ook hulp inschakelen in de vorm van dienstencheques die worden toegekend na de bevallingsrust. Deze dienstencheques kunnen worden gebruikt voor huishoudelijke hulp wanneer de zelfstandige opnieuw aan de slag gaat. De maatregel blijkt succesvol. Voor een zelfstandige die vader wordt, voorziet de wet echter in geen enkel specifiek verlof of speciale vergoeding. En hoewel werkneemsters tijdens hun zwangerschap in sommige risicoberoepen worden verwijderd, geldt dit niet voor vrouwen die als zelfstandige werken.


 

Inzoomen op de combinatie tussen gezin en arbeid

Na het panoramisch overzicht  van de relatie tussen gezinnen en de arbeidsmarkt, spitten deskundigen een aantal thema’s verder uit. Deze experten komen zowel uit het academische of politieke milieu of uit het middenveld. In hun bijdragen vertegenwoordigen zij hun eigen mening, standpunt of visie over een bepaalde thematiek. We volgen de structuur van het vorige deel voor de bijdragen.

 

Luc Cortebeeck, voorzitter van het ACV, heeft het over de verschillende facetten van ‘kwaliteit’. Kwaliteit, niet enkel op het werkveld, maar ook in het gezinsleven. Hij suggereert een aantal aanpassingen zodat gezin en arbeid nog beter kunnen worden gecombineerd.

 

Claire Gavray, onderzoekster, besteedt aandacht aan de verschillen tussen mannen en vrouwen op werkgebied. Hoewel beide groepen gelijk starten met hun beroepscarrière, bouwen vrouwen vaker een achterstand op eens een gezin in het zicht komt. Ook in de groep van vrouwen zelf is er een verschil tussen laag- en hooggeschoolden Zij onderzoekt waar dit aan te wijten is.

 

Prof. Jacqmain gaat dieper in op de moeilijkheden om een gezin met arbeid te combineren. Hierbij kijkt hij op een kritische manier naar de federale maatregelen die deze combinatie zouden moeten vergemakkelijken.

 

De combinatie van een huishouden met kinderen runnen en arbeid verloopt niet altijd van een leien dakje. In de vraag om te blijven werken of thuis te blijven voor de kinderen, spelen niet enkel financiële overwegingen een rol, maar ook de mogelijkheid om het kind in een veilige omgeving te kunnen laten tijdens de werkuren. In een interview geeft Prof. Van Haegendoren haar visie over de toekomst van de kinderopvang in België.

 

Het definitieve einde van de loopbaan komt voor één persoon al wat vroeger dan voor een andere persoon. Prof. Desmette en Gaillard bespreken de invloed van de omgeving op de beslissing om (vervroegd) op pensioen te gaan.

 

Werknemers kennen soms grote moeilijkheden om werk te combineren met een huishouden, maar ook zelfstandige vrouwen kennen deze problematiek maar al te goed. In een interview met Kathleen Ledoux en Françoise Voisin, beide verbonden aan de Union des Classes Moyennes, vertellen ze over het leven van een vrouw die zelfstandige is.


 

ACV ijvert voor een betere combinatie van arbeid, zorg en welzijn op het werk

CORTEBEECK, Luc

Voorzitter Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV)

 

Het ACV introduceert kwali-tijd

Het ACV heeft de kwaliteit van de arbeid altijd hoog in het vaandel gedragen. Als vakbond komen we op voor werk en inkomen, maar tegelijk voor duurzame, kwaliteitsvolle arbeid. Een van de aspecten om kwaliteit van de arbeid te meten is de combinatie van arbeid, gezin en vrije tijd.

 

Het thema arbeid en gezin is actueler dan ooit. Het afstemmen van gezins- en familieleven op werk heeft, mede door toedoen van het ACV, een groter maatschappelijk draagvlak verworven. Dit heeft deels te maken met de groeiende participatie van vrouwen op onze arbeidsmarkt. Daarnaast dient vastgesteld dat het kostwinnersmodel heeft afgedaan. Onze maatschappelijke behoeften en ons consumptiepatroon blijkt steeds meer afgestemd op het tweeverdienersmodel.

 

Beide partners werken buitenshuis, de kinderopvang en recent ook steeds meer de huishoudelijke taken worden uitbesteed. Huishoudelijke hulp en zorg worden steeds minder een exclusieve privé-aangelegenheid. Het succes van de dienstencheque heeft veel te maken met dit combinatievraagstuk. Maar eens te meer zijn het vooral de betere tweeverdieners in stabiele gezinsvormen die gebruik maken van de nieuwe maatregelen.

 

Gezinsvormen die niet aan het model voldoen verdienen daarom onze bijzondere aandacht. Dit zijn op de eerste plaats de éénoudergezinnen. Het ACV is een sterke voorstander van een differentiatie in uitkeringen, waarbij rekening gehouden wordt met deze groep van alleenstaande ouders. Ook via de fiscaliteit kan voor een betere herverdeling van inkomsten worden gezorgd. Hiermee willen we geenszins de behoeften van de tweeverdieners minimaliseren.

 

Het fenomeen van de working poor, dat zich vroeger vooral in de Verenigde Staten voordeed, heeft ook ingang gevonden in onze samenleving. Laaggekwalificeerde werknemers slagen er vaak niet meer in om regelmatig werk (vast werk) te vinden. Niet zelden hebben zij een arbeidsparcours van tijdelijke arbeid, uitzendarbeid en wisselende of flexibele contracten. Het inkomen dat ze hieruit verwerven, schommelt rond het minimum maandloon.

 

Wanneer deze werknemers dergelijke precaire arbeidssituatie moeten combineren met gezinslast, alleenstaand zijn of psychosociale problemen hebben, ontstaat er niet zelden een armoedeprobleem. Het ACV is daarom voorstander voor een verhoging van het nettoloon van dergelijke werknemers. Dit kan door een doelgerichte vermindering van de sociale lasten, veeleer dan algemene structurele lastenverlagingen.

 

Welzijn op het werk blijft een miskend thema. Werkstress en arbeidsproductiviteit worden alsmaar opgevoerd. Het is niet verwonderlijk dat werknemers vanaf hun 50ste burn out zijn en uitkijken naar een eindeloopbaanregeling. Ondertussen wordt de druk op de actieve bevolking (tussen 25 en 45 jaar) dermate groot, dat ook hier weer nieuwe problemen ontstaan. Het is niet toevallig dat de aandacht voor privacy op het werk (e-mail gebruik, pesten op het werk, rookverbod,…) de laatste jaren meer aandacht gekregen heeft. Werknemers koesteren andere verlangens ten aanzien van hun werk. Werk is niet uitsluitend een middel om een inkomen te verwerven, maar moet ook aan andere verwachtingen voldoen (loopbaanontwikkeling, afwisselende job, sociaal aanzien). Het vraagstuk van de combinatie arbeid en gezin krijgt in deze context opnieuw een andere dimensie. Het ACV is een grote organisatie die zich met de terechte vragen van deze doelgroepen moet bezig houden. De ‘groene’ draad van het ACV doorheen ons verhaal is dus de kwaliteit van de arbeid. Kwaliteitsvolle, duurzame jobs veronderstellen werkzekerheid. Werkzekerheid of vastheid van betrekking drukt zich niet alleen uit in een contract van onbepaalde duur, maar is ook psychologisch. Welk perspectief bieden de werkgevers verder dan de volgende herstructurering?

 

In het kader van deze duurzame arbeid startte het ACV onlangs de campagne ‘gezinsvriendelijke bedrijven’. Het is de bedoeling een laagdrempelig meetinstrument te ontwikkelen ten behoeve van onze afgevaardigden in de bedrijven, om het gezinsvriendelijk karakter van hun onderneming te bepalen en zodoende het thema arbeid en zorg hoger op de agenda van het sociaal overleg te zetten.

Loopbaanonderbreking is de meest gezinsvriendelijke maatregel van het laatste decennium

Van de korte periode van hoogconjunctuur in 2000 heeft het ACV geprofiteerd om haar eis inzake ‘tijdkrediet’ naar voor te schuiven. Het systeem van loopbaanonderbreking bestond reeds sedert 1985 maar was vaak afhankelijk van de goodwill van de werkgever. Beroepsloopbaanonderbreking was vooral een tewerkstellingsmaatregel met als voornaamste kenmerk dat de werknemer tijdens de onderbreking van de loopbaan, vervangen moest worden door een uitkeringsgerechtigde werkzoekende. In die zin was loopbaanonderbreking ook interessant voor het overheidsbudget.

 

Op 1 januari 2002 kwamen de sociale partners in de Nationale Arbeidsraad overeen om het bestaande systeem te vervangen door een stelsel van tijdskrediet en loopbaanvermindering (CAO 77 bis van 19 december 2001). Tijdskrediet en loopbaanvermindering volgens de CAO 77 bis werden een recht voor de werknemers. De werknemer kan kiezen uit drie vormen van loopbaanonderbreking:

 

·         het recht op tijdskrediet, zijnde de mogelijkheid om de loopbaan volledig te onderbreken of over te stappen naar een deeltijdse betrekking;

·         het recht op  vier vijfden tewerkstelling gedurende maximum 5 jaar;

·         het recht op een uitgroeibaan als 50-plusser, d.w.z. de mogelijkheid om  vier vijfden dan wel deeltijds te werken tot aan het einde van de loopbaan.

 

Vooral de eerste twee maatregelen komen tegemoet aan de vragen van werknemers om onderbrekingen of rustperiodes in hun loopbaan in te bouwen. Tijdskrediet en loopbaanonderbreking voldoen aan de vraag tot ‘onthaasting’. Werknemers willen af en toe een stop in hun carrière, willen meer tijd voor gezinsleven en persoonlijke initiatieven. De CAO 77 bis biedt hen hiervoor het wettelijke kader. De CAO 77 is een kaderakkoord, ze biedt een collectief kader dat verder ingevuld en uitgebouwd kan worden door sociaal overleg en individuele akkoorden. Dat lijkt ons de meest geschikte formule om aan de individuele behoeften van werknemers gestalte te geven. Het biedt hen individuele rechten, maar binnen een collectief onderhandeld kader zodat ze voldoende gewapend het debat met hun werkgever kunnen aangaan.

 

Uit een eerste analyse blijkt dat het stelsel van de  één vijfde loopbaanvermindering vooral populair is bij vrouwen met kinderen waarvan de partner eveneens een inkomen heeft. Het profiel van de gebruikers moet bewaakt worden. Loopbaanonderbreking mag niet het voorrecht worden van bepaalde groepen, zoals hoger opgeleide tweeverdieners uit bepaalde sectoren (tertiair en quartair) tewerkgesteld in grotere bedrijven. Om dit Mattheüseffect tegen te gaan zal het vergoedingssysteem moeten worden bijgestuurd door rekening te houden met de gezinssituatie. Bij de uitvoering van de CAO 77 bis werd een gezinsmodulering toegepast door een verhoogde vergoeding te voorzien voor de één vijfde loopbaanvermindering van alleenstaande werknemers al dan niet met kinderen ten laste. Op vraag van het ACV werd een zelfde modulering doorgevoerd in het ouderschapsverlof.

 

Loopbaanonderbreking volgens het systeem van de CAO 77 bis moet in samenhang gezien worden met de thematische loopbaanonderbreking, voornamelijk het systeem van ouderschapsverlof.

 

Ouderschapsverlof is het recht van werknemers in de privé-sector om naar aanleiding van de geboorte of adoptie van een kind de loopbaan volledig te onderbreken gedurende een periode van 3 maanden (6 maanden deeltijds of gedurende 15 maanden  één vijfde te werken). We stellen vast dat er vaak gekozen wordt voor een combinatie van ouderschapsverlof en loopbaanvermindering volgens de CAO 77 bis. In de CAO 77 bis werd de overgang naar loopbaanonderbreking na afloop van het ouderschapsverlof uitdrukkelijk toegestaan. De betrokkenheid van (jongere) mannen in loopbaanonderbreking blijft ondermaats. Naar het voorbeeld van de Scandinavische landen zou een hogere participatie van mannen gerealiseerd kunnen worden door een verhoging van vergoedingen of een meer loongebonden uitkering. Tegelijkertijd moeten bedrijven inspanningen doen en een cultuur scheppen waarbij aanvaard wordt dat mannen hun werktijd aanpassen aan de noden van het gezin.

 

Om het recht te genieten op een één vijfde loopbaanvermindering geldt er een anciënniteitsvoorwaarde van 5 jaar. Deze voorwaarde weegt erg zwaar voor jonge gezinnen. De instroom op de arbeidsmarkt gebeurt vaak via tijdelijke contracten en uitzendarbeid. Het duurt een tijdje vooraleer jonge werknemers een contract van onbepaalde duur verwerven en aldus de anciënniteitvoorwaarde opbouwen die recht geeft op loopbaanonderbreking. Nochtans hebben zij het meest behoefte aan dergelijke loopbaanonderbreking op het moment dat ze tegelijk aan de uitbouw van hun beroepsleven en hun gezinsvorming toe zijn. Na een eindeloopbaandebat (zie Generatiepact) moet er dringend werk gemaakt worden van een beginloopbaanbeleid. In die zin moet er gesleuteld worden aan de vereiste van de vijf dienstjaren.

 

De bedoeling van de CAO 77 bis was te voorzien in een persoonlijk recht op loopbaanonderbreking. De reden waarom werknemers kiezen voor een onderbreking van hun loopbaan is een persoonlijke keuze. De uitkering, de aard noch de duur van de loopbaanonderbreking is afhankelijk van enige motivering ten aanzien van de werkgever. In het kader van het Generatiepact worden er voor bepaalde vormen van loopbaanonderbreking opnieuw motiveringsvoorwaarden ingesteld. Het recht op loopbaanonderbreking afhankelijk maken van een motiveringsplicht betekent een stap terug. Wanneer er dan toch sprake moet zijn van een motivering dan zijn gezinslasten en problemen in de combinatie van werk en familie, wat ons betreft, hoe dan ook rechtsgeldige motieven. De regering is gezwicht voor de kritiek van werkgevers op de zogenaamde verwenverloven. Daarnaast stelt het Generatiepact voor om het recht op loopbaanonderbreking eveneens te beperken voor bepaalde sleutelfuncties. Ook dit is een aantasting van het individueel recht van de werknemers. Het debat over de definiëring van deze zogenaamde sleutelfunctie belooft zeer moeilijk te worden.

 

Het systeem van tijdskrediet en loopbaanonderbreking houdt ook rekening met de organisatieproblemen die de werkgever zou ondervinden. De sociale partners aanvaarden dat er een organisatieprobleem ontstaat van zodra meer dan 5% van de werknemers gelijktijdig gebruik maken van hun recht op loopbaanonderbreking. Dan kan de werkgever de uitoefening van het recht doen uitstellen. De kritiek van sommige werkgeversorganisaties, vooral uit de KMO-sector, dat loopbaanonderbreking hun werkorganisatie ontwricht, klinkt derhalve nogal vals.

 

We mogen ons niet enkel focussen op onderbrekingmaatregelen als alleenzaligmakend voor een betere combinatie arbeid en zorg.Binnen het bedrijf kunnen voorzieningen getroffen worden op maat van werkende ouders: naast onderbrekingsmaatregelen zijn er tal van mogelijkheden via verlofregelingen, thuiswerk, aangepaste arbeidstijdregelingen, ondersteunende diensten, gedegen collectief omkaderd, maar vertaald naar de behoeften van de werknemers en kansengroepen van vandaag. Daarnaast zal de arbeidsbescherming nog verder moeten worden aangepast aan de noden van ‘zorgende’ werknemers: familiaal verlof, klein verlet, e.d. Liefst betaald en gelijkgesteld voor de sociale zekerheid.

 

Maatregelen inzake arbeid en gezin brengen kosten mee, ook voor de bedrijven. Om te vermijden dat enkel sterke sectoren zich maatregelen kunnen permitteren en daardoor bepaalde werknemersgroepen (vrouwen in de eerste plaats) met zorglast zouden worden gediscrimineerd, moet er worden gedacht aan een ‘verdere’ collectivisering van de kosten (per sector, interprofessioneel).

 

De collectieve diensten zijn een onmisbare pijler in het vraagstuk rond combinatie arbeid en gezin. Zij dragen er toe bij dat vrouwen buitenshuis kunnen en blijven werken en dat werknemers, mannen en vrouwen, zorg kunnen combineren met werk. De verdere uitbouw van kwalitatieve kinderopvang, met een flexibel en occasioneel aanbod daar waar nodig, is een verder te bewandelen piste.

Werknemers willen wel-zijn op het werk

Loopbaanonderbreking en eindeloopbaanregelingen laten werknemers toe om op een meer ontspannen manier om te gaan met hun werk. We mogen ons uiteraard niet uitsluitend focussen op de rechten van deze ‘uittreders’. Niet zelden heeft loopbaanonderbreking voor de ene een verhoogde arbeidslast voor de andere tot gevolg. Voor werknemers die vier vijfden  werken in het kader van loopbaanonderbreking wordt er zelden een herverdeling van taken afgesproken. Het is dus belangrijk om stress en werkdruk te beheersen. Werk moet ook werkbaar blijven. Onder impuls van het ACV werd in de schoot van de Sociaal Economische Raad Vlaanderen (SERV) een zogenaamde werkbaarheidsmonitor ontwikkeld waarin gepeild wordt naar werkherverdeling, stress, arbeidstevredenheid en leermogelijkheden alsook de knelpunten in combinatie met arbeid en gezin.

 

Helaas zien we een aantal ontwikkelingen in arbeidsrelaties die ons eerder verontrusten. Onder druk van globalisering en internationale concurrentie is er een tendens ontstaan naar arbeidsduurverlenging. De regels inzake beperking van overwerk en de verplichting tot inhaalrust zijn precies bedoeld als bescherming van werknemers (veiligheid en gezondheid op het werk moeten primeren) en als middel tot arbeidsherverdeling. Dit spoor van recuperatie wordt meer en meer verlaten. Werkgevers verkiezen klantgerichte flexibiliteit. Overwerk wordt daarbij eerder regel dan uitzondering. Het gevolg is dat overwerk afgekocht wordt. De regering vergemakkelijkt dit nog door enkele fiscaalvriendelijke technieken, waarbij zowel werkgever als werknemer profijt hebben. Het gezinsvriendelijk karakter dreigt hier verdrongen te worden door kortzichtige financiële overwegingen.


 

Werknemers zijn geen vrije werkelektronen

GAVRAY, Claire

Faculteit Psychologie en Opvoedingskunde, Université de Liège (ULg)

 

Onze hedendaagse maatschappij neemt nog altijd een dubbelzinnige en a priori genderverbonden houding aan ten opzichte van de combinatie van arbeid en gezin, wat het moeilijk maakt om er echt rekening mee te houden ten voordele van de betrokken personen en gezinnen.

 

Jonge mannen en vrouwen lijken vandaag de dag voor gelijkaardige persoonlijke uitdagingen te staan. Onderzoek tracht aan te tonen dat de ambities van beide groepen op professioneel en privé-vlak dezelfde richting uitgaan. Vrij van grote sociale verplichtingen, worden beiden grotendeels beschouwd als vrij en gelijk in hun projecten en keuzes op persoonlijk, professioneel, gevoelsmatig en familiaal vlak. We merken dat beiden zich bewust zijn van de noodzakelijke garantie van een autonoom en veilig bestaan op lange termijn en bereid zijn om op professioneel en echtelijk vlak, de eigen strategieën en overlegcapaciteiten te benutten om de persoonlijke projecten te verwezenlijken. Naast het geslacht spelen ook andere variabelen, zoals het diploma of de persoonlijke ambitie, een beslissende rol bij de uitbouw van individuele toekomstperspectieven en de persoonlijke loopbaan.

Mannelijk en vrouwelijk

We problematiseren nog altijd de combinatie van arbeid en gezin en we denken nog altijd aan oplossingen uitgaande van de idee dat vrouwen ‘van nature’ verantwoordelijk zijn voor de kinderen en de zorg voor anderen in het algemeen. Deze opvatting steunt een maatschappelijke en economische organisatie die een hiërarchisch onderscheid blijft maken tussen mannen en vrouwen, tussen mannelijk en vrouwelijk. In de praktijk worden de normen voor de arbeidsfunctionering – de arbeidscultuur, organisatie, reglementering en praktijken – in plaats van uitgesproken genderneutraal te zijn – nog altijd bedacht vanuit een mannelijk model, wat de diversificatie van de identiteit en het referentie-universum van mannen en vrouwen in de weg blijft staan. Hoewel vandaag de dag de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt en aan het economisch leven niet meer als marginaal wordt beschouwd, blijft die participatie ruimschoots opgevat als een inhaalbeweging ten opzichte van mannen en hun denken en doen. Hierdoor blijft de professionele integratie van vrouwen voorwaardelijk (op voorwaarde dat de andere taken goed vervuld zijn), wat hen verplicht verschillende combinatiestrategieën te bedenken (want daar komt het altijd op neer in het dagelijks leven), maar ook andere praktijken zoals het uitstellen of vermijden van familiale verbintenissen die mogelijk nadelige gevolgen kunnen hebben. De meeste mannen hebben nog altijd geen gelijkaardige behoefte om dergelijke demografische tactieken uit te dokteren.

Maatschappelijke veranderingen: wanneer een gezin een belemmering vormt, alleen voor de vrouw

Historisch gezien heeft onze kapitalistische, industriële maatschappij ernaar gestreefd de beschikbaarheid en rendabiliteit van (mannelijke) werknemers te waarborgen door hen te bevrijden van de belemmeringen van het dagelijkse leven en hun verantwoordelijkheid als vader door de kostenloze of goedkope arbeid van de vrouwen uit hun omgeving (moeder, echtgenoot, huisvrouw,…). De ethische rechtvaardiging en de ‘wetenschappelijke’ bewijzen van de natuurlijke kwaliteiten of voorkeuren van ieder geslacht kwamen ten goede aan het model van het kerngezin waarin de man de rol van kostwinner en economische factor op zich neemt. Dit model berust op verschillende vooronderstellingen, waaronder een stabiel koppel en een exponentiële economische groei die de op economisch vlak competitieve en agressieve man de mogelijkheid bieden om zich binnen het gezin altruïstisch op te stellen.

 

Snelle en multidimensionele veranderingen hebben de duurzaamheid en de doeltreffendheid van dit model en de evenwaardigheid tussen personen en huishoudens aan het wankelen gebracht om plaats te maken voor structurele werkloosheid en professionele kwetsbaarheid. De professionele winst van het voortdurend toenemend aantal vrouwelijke gediplomeerden werd voor de ondernemingen en voor de gezinnen een economische must. De vrouwen zagen professionele integratie als een garantie op autonomie en diversificatie van hun identiteit en status. We kregen te maken met een transformatie van zowel de gezinstypes als de gezinsfuncties. Het koppel dat decennia lang stond voor een stabiele en beschermende leefeenheid strookte niet langer met de functies ervan.

 

Vandaag heeft een koppel de opdracht het gezamenlijke geluk van de leden te waarborgen met behoud van de individuele en collectieve projecten. Tegelijkertijd werd de economische en professionele druk op de andere vlakken opgedreven. Hierdoor daalde de waarde van het gezinswerk en werd het een grotere ‘opgave’ voor de persoon die dit werk op zich wilde nemen. De professionalisering van dit soort werk onder het mom van het scheppen van banen lijkt eveneens onderhevig aan het geslacht (lage lonen, atypische statuten, moeilijke onderhandelingen over de opleiding, de erkenning van de bekwaamheden of de loopbaanvooruitzichten,…), wat de professionalisering ervan benadeelt. De overheidsinvesteringen om gezinnen te ondersteunen zijn niet alleen beperkt wegens het gebrek aan financiële middelen, maar worden ook in vraag gesteld in naam van de vrijheid en de individuele verantwoordelijkheid. Tegemoetkomingen met een sociaal doel genieten de voorkeur boven een algemeen herverdelingsbeleid. Wanneer het educatieve, affectieve werk en de intergenerationele solidariteit een ongeëvenaarde beschikbaarheid en investering vergen van de gezinnen lijkt het ongedwongen model van de autonome werknemer eigenlijk meer dan ooit het referentiemodel. De moeilijke problematisering van de genderrollen en stereotypen verbonden aan het geslacht die gepaard gaat met de toenemende concurrentie tussen werknemers en de uitdagingen rond de beschikbare ‘tijd’ doen ons begrijpen dat de evenwaardigheid tussen werk en gezin nog altijd als negatief en verdacht wordt voorgesteld en als iets dat in de eerste plaats betrekking heeft op vrouwen en moeders.

 

De kwestie van de combinatie tussen arbeid en gezin wordt doorgaans beschouwd in termen van belemmeringen, problemen die worden veroorzaakt door de gezinslasten en betrekking hebben op de rendabiliteit en het professioneel welslagen en die geval per geval moeten worden opgelost. De omgekeerde kwestie betreffende de impact van de werkomstandigheden op het gezinsleven wordt slechts zelden collectief aangekaart, terwijl het essentieel is met deze impact rekening te houden om het debat en de democratische praktijken doeltreffend te doen evolueren. Kinderen worden het slachtoffer van een werk- en arbeidsorganisatie die weinig rekening houdt met hun aanwezigheid en behoeften. De inzet is des te belangrijk daar de concurrentie tussen (aspirant-)werknemers almaar groter wordt. Ook al eisen vele volwassenen het recht op ouderschap, toch ondervinden ze dagelijks de prijs die ze moeten betalen voor de lasten die met dit ouderschap gepaard gaan. De opwellingen van verdediging en promotie van ‘het’ gezin, de bekrachtiging van de bereidheid om de rol van de vader naar waarde te schatten, de vrouwelijke kennis van zaken en de diversiteit van de levensengagementen, de onvoorwaardelijke erkenning van gendergelijkheid op alle niveaus en de verhoogde bescherming van het kind lijken niet te volstaan om een evenwichtige afstemming van de levensvlakken te waarborgen, om de risico’s en middelen in de maatschappij doeltreffender te verdelen. Zelfs het streven naar afstemming tussen de verschillende verplichtingen blijft geassocieerd met de vrouw, wat verklaart waarom mannen niet altijd bereid zijn, en ook niet in gunstige omstandigheden verkeren om de gezins- en opvoedingstaken gelijkwaardig te verdelen.

Egalitaire praktijken binnen het koppel

De egalitaire praktijken binnen koppels lijken te evolueren afhankelijk van de opportuniteiten in een bepaalde context. Studies op dit vlak tonen een positief verband aan tussen enerzijds het feit dat iedere partner beschikt over een goed, maar ook niet overdreven hoog diploma, eerder werkt in de non-profit sector, voltijds werkt in een sociaal beroep dat hem of haar autonomie en onderhandelingsvermogen ten opzichte van de partner verschaft en waarbij overuren beperkt zijn en er afwisseling is wat betreft de aanwezigheid en taken in huis en anderzijds de concrete gelijkheid tussen partners, de kans op een ‘gezond’ gezin of een duurzaam koppel. Dit resultaat spreekt het standpunt tegen waarbij een persoon als alleenstaand wordt beschouwd met betrekking tot arbeid. Het verplicht ons niet alleen rekening te houden met de organisatie van het huishouden en de keuzes van de volwassenen die het huishouden vormen, maar ook met de organisatie van externe omstandigheden, economische en maatschappelijke factoren die min of meer gunstig zijn voor de gezinnen.

 

Vandaag de dag zijn de personen die het minst blijk geven van autonomie en ruimtelijke en temporele mobiliteit en daardoor minder onderhandelingsvermogen hebben binnen het gezin maar ook op het werk, hoofdzakelijk moeders en jongeren. Vrouwen en hun kinderen, voor wie zij overwegend de zorg en opvoeding op zich nemen, lopen een groter risico op statutaire en monetaire kwetsbaarheid. Bovendien worden zij met de vinger gewezen als verantwoordelijke voor gezinsdisfuncties die hen te boven gaan en waarvan zij ruimschoots slachtoffer zijn.

Vrouwen en gezinsdisfuncties

De kritiek aan het adres van vrouwen, die er door sommigen van beschuldigd worden het gezin kapot te maken, is vooral gebaseerd op andere, persoonlijke en morele argumenten. Vrouwen worden verantwoordelijk geacht voor het toenemende aantal echtscheidingen, de gedragsuitspattingen van de jonge generatie en het identiteitsverlies van vaders of jonge mannen die geen houvast meer hebben,…

 

Moeders worden altijd het meest afgestraft door hun ouderlijk engagement. Zij zijn het meest verscheurd tussen tegenstrijdige verplichtingen die op hen wegen onder het mom van persoonlijke keuzes. Het dilemma kan niet langer, zoals enkele decennia geleden, worden samengevat als de keuze om al dan niet buitenshuis te werken, maar heeft betrekking op de meest geschikte manier om op elk vlak doeltreffend te zijn. Het is niet zozeer hun integratie dan wel hun professionele loopbaan die voorwaardelijk blijft. Pierre Bourdieu had dit al eerder naar voor geschoven. Volgens hem kan de objectieve dominantie niet doeltreffend zijn als de ‘gedomineerde’ groep zich gaat verenigen. Zo zal in elk geval van dominantie, waar ook geobserveerd, vrouwen opgeroepen worden om de standpunten van de mannen te delen en de samenleving als mannelijk te beschouwen. Dit houdt in dat vrouwen van alle leeftijden zich onder alle omstandigheden het gedeeltelijke werkaanbod dat hen wordt gedaan grotendeels op een positieve en welwillende manier eigen maken.

 

Uit enquêtes blijkt dat het deeltijds werken door vrouwen (dat voortdurend toeneemt en los staat van de echte gezinsverplichtingen) wordt bevorderd door jonge mensen en jonge vrouwen met een hoog diploma die trouwens na afloop van hun studies dezelfde loopbaanambities hebben. Het is niet de bedoeling om tijd vrij te maken voor familiale en sociale relaties die moeten worden bekritiseerd, integendeel. De problemen komen van de lasten die op termijn opduiken voor zij (vooral vrouwen) die kiezen voor atypische statuten en loopbanen, met of zonder ‘goede redenen’. Hoewel vele dingen veranderen, blijft de verleiding in onze maatschappij bestaan om vrouwen niet het onvoorwaardelijke recht te geven om hun leven te leiden zoals zij willen en ten volle deel te nemen aan de maatschappelijke keuzes. De pluraliteit van mannen wordt aanzien als een verrijking, terwijl we nog altijd de neiging hebben de vrouw te aanschouwen op grond van extreme morele modellen. Welnu, het is onmiskenbaar dat heel wat vrouwen hun individueel en collectief lot vandaag de dag in handen nemen.

 

De levensprojecten van vrouwen en de verwezenlijking ervan worden voortdurend complexer en verscheidener naargelang hun leeftijd en de generatie waartoe zij behoren, hun sociale en culturele afkomst, hun opleidingsniveau, hun keuzes en demografische aspecten, maar ook de werkgelegenheid en de professionele mogelijkheden voor hen.

De ongelijkheid onder vrouwen

De algemene trend naar vrouwelijke emancipatie gaat samen met een toename van de ongelijkheid onder vrouwen, de ongelijkheid tussen vrouwen die kunnen rekenen op de hulp van hun ouders om hun familiale verplichtingen te vervullen en zij die deze kans niet hebben, tussen vrouwen die tot ‘winnende’ gezinnen behoren en die bijdragen tot de stijging van de vraag naar huishoudelijk werk en vrouwen die tot de ‘verliezende’ gezinnen behoren en die vaak geen andere keuze hebben dan huishoudelijk werk en zorgverlening aan te bieden, arbeid die hen vaak geen toegang verschaft tot een echt arbeidsstatuut of professionele perspectieven opent. Het is nog vaak een reflex om de financiële strategie van een jong koppel te evalueren door de huishoudelijke kosten en de kosten voor kinderopvang af te trekken van het loon van de echtgenote en niet van het koppel. Net als vroeger gebeuren koppelvorming en partnerkeuze niet toevallig. Er ontstaat een kloof tussen twee soorten gezinnen: enerzijds gezinnen die doorgaans dankzij het hoge opleidingsniveau van beide partners, de meeste troeven in handen hebben om het op sociaal en professioneel vlak te maken en anderzijds gezinnen met een onzeker bestaan, waarbij periodes van werkloosheid en kleine banen elkaar afwisselen voor beide partners.

 

Laaggeschoolde vrouwen

Laaggeschoolde vrouwen die deel uitmaken van een koppel betalen onmiskenbaar een hoge prijs voor deze evolutie. Zij leven met de andere gezinsleden in moeilijke omstandigheden en zijn zelden financieel onafhankelijk via hun werk. Zij ondervinden heel wat moeilijkheden om werk te vinden en te behouden, vaak wegens de slechte kwaliteit van het jobaanbod dat aan hun opleidingsniveau beantwoordt. Of dit nu de oorzaak is of een proactieve compensatie, maar we stellen vast dat zij zich al op jonge leeftijd wijden aan het leven als ‘echtgenote’ of ‘moeder’ en richten zich volledig op deze rol. Deze vrouwen hebben zelden een echte en volledige professionele loopbaan. In heel wat arbeidssectoren wordt hen deeltijds werk opgelegd en is het risico op werkloosheid groot. Tegelijkertijd worden de meeste vrouwen zich met de leeftijd bewust van het belang van arbeid en een beroepsinkomen. Zij ervaren vaak frustratie wanneer hun man of partner sociaal en professioneel achteruitgaat en het risico loopt werkloos te worden en daarmee ook zijn sociaal statuut en statuut van man dreigt te verliezen.

 

De rol van het gezinshoofd wordt in deze sociale groep sterk gehandhaafd net als de taakverdeling tussen man en vrouw. Niet zelden nemen vrouwen het heft in eigen handen om het huishouden te redden: ze zoeken en aanvaarden links en rechts werk en blijven daarnaast het huishouden runnen zonder veel hulp. Deze ongunstige omstandigheden leiden tot frequente conflicten in het koppel, conflicten die vrouwen en kinderen na een scheiding nog kwetsbaarder maken.

 

Onderzoek naar armoede toont aan dat éénoudergezinnen een van de meest kwetsbare gezinnen zijn, niet alleen omdat het éénoudergezinnen zijn, maar ook omdat er leemtes zijn in het sociaal beleid voor alle gezinnen en het beleid betreffende het beheer van arbeid en arbeidskrachten voor alle werknemers. Het beleid dat speciaal wordt ontwikkeld voor de betrokken vrouwen ontsnapt evenmin aan gendergebonden opvattingen en waardeoordelen, wat de doeltreffendheid ervan hypothekeert (weinig onvoorwaardelijke erkenning van de noodzakelijke toegang tot een werkelijk inkomen en arbeidsstatuut, beperkte inachtneming van het gebrek aan sociale contacten wat een oplossing voor het probleem van de kinderopvang aan banden legt,…). De leden van dergelijke gezinnen lopen een groot risico dat de problemen en disfuncties zich opstapelen (bijvoorbeeld op het gebied van gezondheid en school), wegens het gebrek aan inkomen en het gewelddadige klimaat en de levensomstandigheden waarmee ze geconfronteerd zijn. Daardoor zoeken vrouwen uit deze groep die alleenstaand worden onverwijld een partner, hoewel sommigen bewust vrijheid in armoede verkiezen boven materieel welzijn onder controle.

 

Hooggeschoolde vrouwen

Uit enquêtes blijkt dat jonge hooggeschoolde mannen en vrouwen de groep vertegenwoordigen die zich het principe van gendergelijkheid en taakverdeling het meest eigen heeft gemaakt. Dit kan positief lijken voor de toekomst, maar de zaken zijn ingewikkelder dan ze lijken.

 

De meest welstellende jongeren op sociaal vlak en qua opleiding kiezen hun partner niet lukraak. We merken wel dat mannen sneller carrière maken en hun carrière minder afhankelijk is van andere verbintenissen. De loopbaan van jonge vrouwen met hetzelfde hoge diploma bestaat meestal uit een opeenvolging van atypische jobs van beperkte duur en deeltijdse jobs. Met de leeftijd neemt het verschil tussen de mannelijke en vrouwelijke loopbanen toe. In een context waarin de mentaliteit niet doorslaggevend verandert, kunnen maatregelen die bedoeld zijn om de combinatie van arbeid en gezin te vergemakkelijken, mantelzorgers nog kwetsbaarder maken en de argumenten over de natuurlijke aard van de complementariteit van mannelijke en vrouwelijke taken versterken. Het uitstellen van huwelijk en ouderschap door jonge meisjes lijkt in deze context een lonende strategie om de carrière van jonge vrouwen van de grond te krijgen. Soms vertragen of hypothekeren carrièremogelijkheden in een vroeg stadium ook andere beslissingen en levensontwikkelingen. Sommige vrouwen voeren daardoor een strijd met hun biologische klok die sneller tikt. Andere vrouwen voelen zich dan weer ver verwijderd van de weinig billijke levensomstandigheden van hun vrouwelijke collega’s.

 

Bij de gediplomeerde koppels vinden we momenteel vaak een grote carrière en een kleinere carrière. Ook al bestaan er voorbeelden waarbij de vrouw carrière kon maken dankzij doeltreffende externe hulp of het werk van de man, toch blijft het tegenovergestelde de norm. Zo zien zelfs hooggeschoolde vrouwen, naarmate het moederschap nadert, zich geleidelijk aan verplicht hun professionele ambities op te bergen. Dit geldt bijvoorbeeld voor briljante jonge vrouwelijke ingenieurs die de privé-sector inruilen voor een baan als ambtenaar, opteren voor een baan als leerkracht of deeltijds gaan werken,… Een hoog diploma garandeert vrouwen dus niet altijd dat hun diploma met de tijd zijn vruchten zal afwerpen noch dat zij echt financieel onafhankelijk zullen zijn. De verloren tijd is moeilijk in te halen in termen van carrière of wanneer de omstandigheden of behoeften veranderen.

 

De meeste hooggeschoolde vrouwen zien de loopbaan van hun man evolueren terwijl de praktische gezinsorganisatie en de intergenerationele solidariteit op hun schouders rust. Dit geldt ook voor vrouwen die aanvankelijk evenveel professionele ambities koesterden als hun partner en gendergelijkheid als een theoretisch en praktisch recht ervoeren. Vaak gingen zij ervan uit dat met de tijd de taakverdeling in de plooi zou vallen en op alle niveaus evenwaardige onderhandelingen tussen de partners zouden kunnen plaatsvinden. Onderzoek wijst uit dat andere elementen dan de daadwerkelijke kinderlast verklaren waarom vrouwen afzien van een carrière. De vrouwen die het meest gehecht zijn aan hun professionele ambities hadden een moeder die een positief voorbeeld gaf of zijn jonge vrouwen die met hun hoog diploma op zak duidelijk de sociale ladder op willen. Zij krijgen van hun familie de missie een succesvolle carrière uit te bouwen in naam van het gezin. Hooggeschoolde vrouwen die steeds meer opgeëist worden door hun werkgever en die vasthouden aan de idee van een duurzaam gezin en niet kunnen terugvallen op een feilloos hulpnetwerk houden een tijdje stand en leveren een soms wanhopige strijd om op geen enkel vlak te moeten inboeten. Anderen zien af van een carrière en behouden een goed zelfbeeld door hun ‘familiale’ heroriëntatie naar waarde te schatten. Tegelijkertijd verliest de idee om weerstand te bieden en zich vast te klampen aan het ideaal van een duurzaam gezin dat de beproevingen doorstaat als teken van liefde terrein en reageren jonge vrouwen sneller dan vroeger. Zij geven de voorkeur aan een scheiding boven de voorzetting van een relatie die de verwachtingen niet inlost. Zij durven meer te rekenen op hun capaciteit om de draad weer op te pikken, of dat nu realistisch is of niet en lijken zonder veel moeilijkheden exclusieve en tijdelijke engagementen op elkaar af te stemmen.

 

Van alle vrouwen blijken geschoolde vrouwen die leven met een partner het meest gedeprimeerd en gestresseerd te zijn. Het is interessant op te merken dat dit bij de mannen het geval is voor de laagst geschoolden. Dit resultaat toont, los van het geslacht, de impact aan van het feit niet in staat te zijn in de pas te blijven lopen, te beantwoorden aan de gendervereisten van de sociale groep, die ondergeschikt blijft aan voortplantingseisen (demografische en culturele druk). De kloof tussen de eigen, gerechtvaardigde verwachtingen en de werkelijkheid op het terrein vormt voor beide geslachten het probleem. Voor laaggeschoolde mannen blijft het statuut ruimschoots bepaald door het werk. Van geschoolde vrouwen wordt dan weer verwacht dat zij een onderscheid maken tussen de verschillende vereisten van het volwassen leven en dat zij beantwoorden aan de eisen van het moderne economische en professionele leven, maar zonder daarbij de combinatie van gezin en arbeid in het gedrang te brengen, wat hen altijd weer wijst op hun ‘dubbele rol’, tenzij zij ervoor ‘kiezen’ zoveel mogelijk te delegeren. Geleidelijk aan worden geschoolde vrouwen, naarmate ze objectieve en subjectieve hindernissen op hun weg vinden, zich bewust van de genderongelijkheden, van het taboe dat nog altijd rond deze kwestie hangt, van de illusie van de prins op het witte paard waar de meesten in geloofden,… We stellen vast dat gescheiden geschoolde vrouwen die een andere wending geven aan hun leven eerder hun lot in eigen handen nemen dan dat ze zich als slachtoffers gedragen. Zij die opnieuw voor een partner kiezen, leggen voortaan strengere voorwaarden op voor de taakverdeling. Anderen zien af van een nieuw leven met een partner, ook al blijven ze hopen op een gelukkige relatie. Ze wijten deze keuze niet zozeer aan de terughoudendheid van hun kinderen dan wel aan het verlangen om te kunnen gaan en staan waar ze willen, om zich te wapenen tegen de controle en de opmerkingen van de partner die als verlammend worden ervaren. Een goede professionele reïntegratie of nieuwe carrièreambities lijken die prijs waard te zijn.

Conclusies

Wij kunnen dus besluiten dat maatschappelijke en genderverschillen een invloed hebben op de professionele en familiale ambities. Hoewel heel wat koppels werken aan ‘gedeeld ouderschap’ vanuit het gelijkheidsprincipe, hebben niet alle koppels toegang tot dezelfde kansen en strategieën om deze levensprojecten op elkaar af te stemmen (evolueren naar twee gemiddelde carrières of een grote carrière tegen een kleine carrière,…). De professionele en familiale parcours zijn  broos, waardoor deze keuzes onder economische en symbolische dwang op termijn een invloed uitoefenen op de identiteitsopbouw van de individuen en de bestaanszekerheid van het gezin. De context blijft ongunstig voor de bescherming van de economisch zwakste gezinnen en voor een echte combinatie van familiale inzet en een professionele loopbaan. Dit zal zo blijven zolang professionele rendabiliteit wordt geëvalueerd op basis van de capaciteit van de werknemer om zich los te maken van de andere behoeften en verbintenissen en zolang bij vrouwen de nadruk wordt gelegd op de uitdaging en de belemmering die de verantwoordelijkheid voor kinderen inhoudt, wat een grotere en volwaardige betrokkenheid van de vaders afremt. De werkorganisatie lijkt momenteel meer open te staan voor het maken van carrière, alleen moet ze afgestemd worden op de veranderende behoeften van de gezinnen en hun leden. Als we verandering willen teweegbrengen, moet iedere reglementering genderneutraal worden, moeten we nadenken over de verhouding arbeid-gezin door het begrip tijd en levensloop te integreren (we blijven niet eeuwig ouders van jonge kinderen), door rekening te houden met de biologische tijdsgebonden eigenheden van mannen en vrouwen en met hun verwachtingen. Merken we toch op dat in een uiterst competitief universum waarin ouderschap een recht en een keuze wordt, het toch minder dan vroeger gerechtvaardigd lijkt dat de overheid alle verschillende gezinnen doeltreffend beschermt en begeleidt in hun dagelijks functioneren. Dergelijke stellingname zou een slechte dienst bewijzen aan de zaak die zij beweert te dienen. Inhaalmanoeuvers, acties achteraf, wanneer de ellende zich opstapelt, nemen de bovenhand.

 

Nochtans zal de exponentiële toename van scheidingen die gezinnen kwetsbaar maken de burgers er ook toe aanzetten hun behoeften om arbeid en gezin te combineren, hun verlangen naar diversificatie van hun identiteit en functies te uiten en meer kenbaar te maken. Individuele eisen brengen de arbeidsorganisatie enigszins in het gedrang. Zo blijkt dat de toegenomen praktijk van het co-ouderschap mannen ertoe brengt meer tijd en meer flexibele werkuren te eisen voor hun gezin. Dit lijkt meer en meer voor te komen bij werknemers die een functie uitoefenen met een gemiddelde verantwoordelijkheid, maar begint zich ook te verspreiden onder de werknemers met een kaderfunctie, maar we weten niet of ze daardoor sommige promotieambities opzij schuiven of hiervoor afgestraft worden. De werkelijkheid en de uitdagingen van het leven van vrouwen, maar ook van mannen, evolueren geleidelijk aan naarmate hun leven wendingen neemt en de context gunstig is. Om arbeid en gezin op elkaar te kunnen afstemmen, moet deze combinatie erkend worden en moet een beleid worden gevoerd dat een echt democratisch project ondersteunt dat gunstig is voor mannen en vrouwen van deze tijd en de toekomstige generaties een kwaliteitsvol leven garandeert.


 

Zij, de werkmier en hij, de huiskrekel

 

Take great care-particularly with electrical appliances and cigarette ends

Alec GUINNESS, laatste bericht aan zijn vrouw [100]

 

JACQMAIN, Jean

Faculteit Rechten, Université Libre Bruxelles (ULB)

Vice-voorzitter van de Raad van Gelijke Kansen voor Mannen en Vrouwen

 

Tijdens de eerste Staten-generaal van het Gezin werd ik gevraagd een kritische nota te schrijven over de verloven die bedoeld zijn om de combinatie van arbeid en gezin gemakkelijker te maken. De aanbevelingen die ik in die nota had gemaakt, werden aanvaard door de Raad van gelijke kansen voor mannen en vrouwen in diens advies nr. 81 van 1 oktober 2004[101], dat evenwel andere dimensies van de problematiek in de verf zet. Sindsdien kende deze aangelegenheid enkele evoluties onder invloed van de programmawet van 9 juli 2004 (moederschapsverlof, adoptieverlof) en de koninklijke besluiten van 15 juli 2005 (specifieke stelsels voor loopbaanonderbreking)[102]. Niettemin zijn de opmerkingen in mijn nota nog altijd relevant. Ik verwijs de lezers dus naar die nota en licht hier enkele algemene beschouwingen toe.

Neem verlof, in afwachting van de peutertuin

In een moderne maatschappij als de onze, oefenen mensen een betaalde activiteit uit terwijl ze tegelijkertijd hun gezin willen uitbreiden. Als ze door hun relaties met andere gezinsleden verplicht worden of zin hebben om hun professionele activiteit tijdelijk af te bouwen en ze geen zelfstandigenstatuut hebben, belanden we in de logica van de verloven en openen we een debat over de compatibiliteit van de individuele behoeften van werknemers en de strategieën van de werkgevers in de privé- en overheidssector.

 

Maar continu tijd doorbrengen met naasten als zij daar nood aan hebben, is niet langer onvermijdelijk. Diezelfde moderne maatschappij wordt verondersteld collectieve en structurele oplossingen te bedenken voor de vraag naar opvang van baby’s, zieken, kinderen, personen met een handicap, volwassenen met gezondheidsproblemen, ouderen. Maar als de baby al moet worden ingeschreven in een crèche vóór hij verwekt is, als we onze plaats in het rusthuis al moeten reserveren op 50-jarige leeftijd of als we beter snel genezen omdat er een lang weekend nadert in het ziekenhuis, moeten we vrezen dat het individueel arbeidsrecht onterecht wordt ingeroepen om onvoldoende investeringen in collectieve voorzieningen te compenseren.

Het misverstand van deeltijds werken

In België is het onderwijs één van de activiteitensectoren die we kunnen beschouwen als pionier van het deeltijds werken. Afhankelijk van de schommelingen in de schoolbevolking, de programmahervormingen en de specialisaties, vinden heel wat jonge leerkrachten geen voltijdse baan, tenzij zij, als ze geluk hebben tenminste, een voltijds uurrooster kunnen samenstellen door drie of vier scholen te combineren. Gezien de vele verplaatsingen in dat geval, is het niet meer interessant om vast te houden aan een voltijdse baan – vooral wanneer men kleine kinderen heeft die opvang nodig hebben – ‘vooral als vrouw’…

 

Ik haal dit aan om een misverstand te illustreren, of liever het bedrog dat zich momenteel nestelt in de politieke betogen en het legislatieve verlengde daarvan. In ons land is de toename van deeltijds werk voornamelijk te wijten aan de structurele noodzaak of de managementeisen van de werkgevers. We mogen natuurlijk niet ontkennen dat een deel van de werknemers er niet op uit is om voltijds te werken, maar de meeste deeltijdse werknemers zijn personen die niets beters hebben gevonden. Deze mensen moeten hun leven hieraan aanpassen en herorganiseren. Dit maakt hen geen ‘vrijwilligers’ die liever hun ‘vrije’ tijd besteden aan hun gezin. Deeltijds werken is dus geen oplossing om arbeid en gezin te combineren, behalve bij gebrek aan beter, wat de overheid niet vrijstelt om opnieuw na te gaan of het wel gerechtvaardigd is dat het arbeidsrecht deeltijdse werknemers met zoveel achteloosheid behandelt en het socialezekerheidsrecht met zoveel wantrouwen[103].

Moederschap en gezinsplichten

In 1999 had de federale wetgever de moed om een principeverklaring aan te nemen, die noch door de Europese gemeenschap, noch door een andere lidstaat was aangenomen: de bepalingen betreffende de bescherming van moederschap vormen geen discriminatie, maar zijn een voorwaarde voor de verwezenlijking van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen (art. 4, lid 4 van de wet van 7 mei 1999). Zo werd er rekening gehouden met een realiteit die al bekend is sinds het bestaan van de mensheid: normaal moet men met twee zijn om een kind te verwekken, maar alleen de vrouw is nodig om het kind te baren.

 

Met andere woorden, alle gezinsverantwoordelijkheden kunnen door ieder lid van het koppel worden opgenomen, behalve het moederschap. Dus als de politieke overheid de combinatie van arbeid en gezin wil bevorderen en daarbij gelijke kansen tussen man en vrouw wil waarborgen:

 

·         is er enerzijds nog veel werk aan de winkel om de erg complexe wetgeving te verbeteren die het moederschap beschermt, maar is er nog meer werk nodig om de keerzijde van de medaille die door het Europese recht werd geslagen, te ontcijferen: moeder worden mag geen enkele negatieve invloed hebben op de loopbaan van de werkneemster[104];

·         anderzijds is er geen gebrek aan aanbevelingen met betrekking tot aan te brengen amendementen aan alle ‘familiale verloven’, of het nu gaat om de toegang, de duur, de arbeidsbescherming, de vergoeding en het behoud van de rechten betreffende sociale zekerheid.

 

Deze laatste taak vergt aandacht voor de evolutie van de maatschappij. Eén van de wijzigingen van 15 juli 2005, bijvoorbeeld, verdubbelt de duur van het verlof wegens ernstige ziekte van een familielid als het gaat om een kind (jonger dan 16 jaar) van een alleenstaande ouder, maar deze vernieuwing is ontoepasbaar als, na een echtscheiding, het co-ouderschap van toepassing is. Met betrekking tot de vergoeding van afwezigheden, ongeacht de gekozen formule (behoud van het loon, forfaitaire of proportionele uitkering), blijft de gendergelijkheid, dit wil zeggen de geneigdheid van de mannelijke en vrouwelijke leden van het koppel om tijdelijk hun baan opzij te schuiven om gezinstaken op zich te nemen, fundamenteel gecompromitteerd door het aanhoudende verschil in loon[105].

Positieve acties voor wie?

Een ander struikelblok in de omzetting van richtlijn 2002/73 heeft betrekking op de invoering van een ontslagbescherming voor werknemers die vaderschapsverlof willen opnemen (art. 30, § 2 van de wet van 3 juli 1978). Naast de juridisch-technische obstakels, is er de vraag of een dergelijke bescherming wel relevant is: welke werkgever zou een werknemer willen ontslaan wegens tien dagen afwezigheid? Inderdaad, het is zeker niet de angst voor kleingeestige represailles die het matige succes van de maatregel verklaart.

 

Als de werkelijke of denkbeeldige angst voor negatieve gevolgen op hun loopbaan sommige mannen afhoudt van een bescheiden verlof als dit, dan kunnen we hetzelfde verwachten voor langere ‘afwezigheden wegens familiale redenen’, ongeacht de inspanningen van de wetgeving met het oog op de vergoeding ervan.

 

Momenteel staat het Europees recht toe dat de lidstaten gendergelijkheid waarborgen door indien nodig positieve acties te voeren ten voordele van het ‘ondervertegenwoordigde geslacht’. De rechtspraak van het Hof van Justitie[106] staat momenteel gunstig tegenover het beleid gericht op gelijke toegang tot arbeid en promoties. Het hof blijft echter terughoudend ten opzichte van discriminaties die voortvloeien uit het gebruik van facultatief verlof om familiale redenen, zelfs het ouderschapsverlof waarin richtlijn 96/34/EG voorziet. Nochtans lijkt niets aanmoedigingsmaatregelen in de weg te staan die zowel op mannelijke en vrouwelijke werknemers gericht zijn als op de werkgevers. Deze garanderen dat de combinatie van arbeid en gezin geen negatieve impact heeft op loopbaanvooruitzichten en trachten op die manier ongerustheid te voorkomen.

Een beslissing die beantwoordt aan de intenties

We zouden denken dat alle mannelijke en vrouwelijke werknemers die gezinsverantwoordelijkheden hebben, geconfronteerd worden met hetzelfde probleem van de combinatie van arbeid en gezin. Dit is verbazingwekkende naïef gedacht voor België. Je hoort te weten in welk gewest je woont, tot welke gemeenschap je behoort en of je voor de privé-sector of de overheid werkt om te weten waar je recht op hebt.

 

We laten het aan de deelnemers van de Staten-generaal van het Gezin, met hun oprechte intenties, over om deze moeilijkheden aan te pakken en het algemeen begrip van een maatschappelijk probleem te vergroten. We mogen echter niet vergeten dat alleen al binnen de federale beslissingssfeer minstens een jaar nodig is om bescheiden aanpassingen van het moederschapsverlof door te voeren (2004) of specifieke loopbaanonderbrekingen (2005) toe te passen in de overheidsdiensten. De meest enthousiasten sloven zich uit om een krachtige dynamiek te ontdekken voor een krachtdadig beleid om het gezinsleven van de werknemers te vergemakkelijken.

Zelfstandige parabool

We hebben het niet gehad over de zelfstandigen, vooral omdat hun sociaal statuut tot voor kort in niets voorzag op dit vlak, tenzij het minimum aan bepalingen ten voordele van het moederschap dat richtlijn 86/613/EEG oplegt. Welnu, de programmawet van 27 december 2005 heeft een bevoegdverklaring van de Koning ingevoegd om maatregelen te nemen ter bevordering van de combinatie arbeid-gezin voor de ‘zelfstandigen’. Nadien kwam er het koninklijk uitvoeringsbesluit van 17 januari 2006 dat ‘moederschapshulp’ invoert in de vorm van de toekenning van dienstencheques die moeten worden gebruikt voor huishoudelijke taken. Karikaturaal machismo of robuust realisme?

 

De betrokken personen zullen inschatten welke afstand nog moet worden overbrugd om tot gendergelijkheid te komen in dit segment van de beroepsbevolking.


 

Toekomst van de kinderopvang

Interview met VAN HAEGENDOREN, Mieke

Vice-rector, Universiteit Hasselt (UHasselt)

 

In de hedendaagse sociale realiteit bestaan er veel verschillende gezinsvormen. Dit heeft een invloed op de arbeidsverdeling in het huishouden. Het mannelijk kostwinnersmodel heeft plaats geruimd voor tweeverdienersgezinnen of huishoudens die uit één persoon bestaan. Bij jonge koppels waar beide partners buitenshuis gaan werken, treedt het dilemma werk of zorg voor kinderen vroeg of laat op de voorgrond. Ook een alleenstaande ouder moet een keuze maken tussen gaan werken of thuis blijven bij de kinderen. Ondersteunende voorzieningen die de combinatie van het professionele en het privé-leven vergemakkelijken, kunnen van doorslaggevend belang zijn om te kiezen voor een carrière en extra financiële ruimte of een gezin. Met prof. dr. Mieke Van Haegendoren gingen we dieper in op één van deze faciliteiten die de Belgische overheid voorziet, namelijk de kinderopvang.

 

Kan u een korte situatieschets geven van de kinderopvang in België?

 

Als we het over kinderopvang hebben, moet je het in een breed kader bekijken. Kinderopvang is een heel groot pakket. Je loopt het risico om maar één stukje te bekijken als je je enkel focust op een bepaalde groep van kinderen. Meestal wordt enkel aandacht besteed aan de 0 tot 3-jarigen, maar in mijn ogen is de belangrijkste vorm van kinderopvang in België de school. Kinderen kunnen daar vanaf 2,5 jaar terecht. Deze is helemaal gratis, van hoge kwaliteit, dicht bij huis, heel laagdrempelig en is meteen ook gekoppeld aan de buitenschoolse opvang. Het is in principe geen enkel probleem om kinderen vanaf 2,5 jaar binnen de normale kantooruren tegen een zeer lage kostprijs op te vangen.

 

Voor kinderen jonger dan 2,5 jaar heb je als ouder de keuze tussen de niet-georganiseerde en de georganiseerde opvang. Met de niet-georganiseerde of informele opvang wordt enerzijds het ouderschapsverlof en de hulp van grootouders bedoeld. Mensen organiseren zichzelf zodat de kinderen ergens terecht kunnen. Anderzijds heb je de kinderopvang die collectief georganiseerd is. Dit zijn bijvoorbeeld de crèches en de onthaalmoeders. Deze laatste groep is opgesplitst in onthaalmoeders die bij een dienst werken en deze die zelfstandig onthaalmoeder zijn.

 

In België is het heel typisch dat mensen al op jonge leeftijd - 50 à 55 jaar - uit de arbeidsmarkt stappen. Voor de arbeidsmarkt is dat een slechte zaak, maar voor jonge moeders is dat een enorme hulp. Voor kinderopvang kunnen zij een beroep doen op hun ouders. Jonge grootouders letten massaal op hun kleinkinderen. De gecomprimeerde loopbaan van de Belgische arbeidsmarkt zorgt er voor dat kinderen goed opgevangen kunnen worden door een familielid, meestal de grootouders.

 

 

Bestaat er een verschil in socio-economische situatie tussen ouders die gebruik maken van een bepaalde soort opvang (formeel vs informeel)?

 

Hoe lager het gezinsinkomen is, hoe meer men, naar mijn mening, gebruik probeert te maken van informele kinderopvang omdat die sowieso goedkoper is. Het hangt er natuurlijk ook van af hoe ver iemand van zijn ouders/familie woont. Ook de subcultuur van de sociale groep waartoe men behoort, speelt mee. In allochtone gezinnen bijvoorbeeld, voelt men veel meer voor informele opvang dan voor formele opvang. In de lagere socio-economische klasse vindt men de gezinsband erg belangrijk. Grootouders in die klasse steken ook veel makkelijker een handje toe voor kinderopvang dan deze van de hogere sociale klasse. In deze laatste groep werken de grootouders nog en als ze niet werken, willen ze wel occasioneel voor de kinderen zorgen, maar niet fulltime.

 

Weet u welke noden er zijn van ouders ten aanzien van kinderopvang?

 

Er zijn wachtlijsten voor de kinderopvang van kinderen jonger dan 2,5 jaar, er is dus een behoefte voor meer opvang. Daarnaast is er voor sommigen zeker nood aan flexibiliteit. Ik denk dan aan de mensen die in ploegen werken of mensen die onregelmatige werktijden hebben.

 

Aansluitend wil ik hierbij vermelden dat in de economie de vraag het aanbod creëert, maar wat men heel vaak vergeet, is dat het aanbod ook de vraag creëert. Zeker in de welzijnssector is dit het geval. Dat betekent dat hoe beter en omvangrijker het aanbod is, des te groter ook de vraag wordt, of dat er zogezegde noden zijn. Dingen die mensen vroeger informeel of helemaal niet oplosten, worden nu ’noden’ en de overheid moet daar in tussen komen om die noden op te lossen. Daarom moet je steeds heel erg voorzichtig zijn als je over noden spreekt. Een ander voorbeeld: wat enkele decennia geleden luxegoederen waren, zijn nu basisbehoeften geworden: centrale verwarming, TV, radio, auto,… Dus nogmaals: het aanbod creëert de vraag en de perfecte consumptiemaatschappij.

 

Moeten er beperkingen opgelegd worden met betrekking tot die flexibele opvang?

 

Vroeger had ik het idee dat kinderen niet meer dan bijvoorbeeld 38 uur opgevangen zouden mogen worden, maar ik ben daar van teruggekomen. Ik denk dat als ouders hun kinderen, naar ons aanvoelen, op een onbeperkte manier naar de opvang brengen, er misschien iets mis loopt in het huishouden. Misschien is het dan niet slecht of zelfs beter dat die kinderen opgevangen worden en niet thuis zijn. De opvang die we hebben, is kwalitatief zeer hoogstaand. We bewijzen de kinderen, en niet de ouders, een dienst door ze in de opvang te laten. Het is een absolute kleine minderheid die op deze manier misbruik maakt van de opvang. Misschien is het dan beter om ze er misbruik van te laten maken als dat in het voordeel van de kinderen is. Het is natuurlijk wel aan de verantwoordelijke van de kinderopvang om de ouders daarop aan te spreken. Dit hoofd van de kinderopvang moet proberen te ontdekken waarom de kinderen zo lang en zo vaak in de opvang zitten en er iets aan proberen te doen. Je mag dat niet zomaar toelaten, maar ik zou zeker niet reglementair tussenkomen. Een maximumduur per week gaan bepalen voor kinderen in de opvang, daar doe je meer kwaad dan goed mee denk ik. In principe ben ik voor zo weinig mogelijk beperkingen, maar wel voor het aanspreken van de ouders op dit gedrag.

 

Wat zijn de pijnpunten/knelpunten in het opvangaanbod?

 

Ik vind dat we ons goed moeten realiseren dat de kinderopvang in België één van de beste ter wereld is en dat er eigenlijk, als we eerlijk zijn, geen echte pijnpunten zijn. De kwaliteit is zeer goed. De kwantiteit ook, maar nooit voldoende. In vergelijking met andere Europese landen is ze zeer hoog[107]. De overheid doet haar best op dit domein.

 

Er zijn altijd punten waar aan kan worden gewerkt. Voor een aantal mensen is het echt moeilijk dat de kinderopvang al om 18u sluit. Onthaalmoeders werken echter flexibeler en zijn beter geschikt voor vroege of late opvang. Ook de kostprijs is voor sommige mensen een probleem. Denk maar aan de gezinnen met een laag inkomen of aan alleenstaande ouders. Als zij de afweging moeten maken tussen de werkloosheidsuitkering die ze krijgen en wat ze kunnen verdienen, maar moeten betalen aan opvang en andere kosten, dan is de rekening snel gemaakt.

 

Zou u pleiten voor gratis opvang voor deze groep?

 

Er zijn twee mogelijkheden in dit geval. Je kan de opvang gratis maken, maar misschien is het een betere manier om de kinderbijslag te verhogen. Op deze manier geef je ouders een meer reële keuze. Ze kunnen dan kiezen om hun kind naar een formele vorm van opvang te brengen of naar bijvoorbeeld hun ouders en die daarvoor al dan niet betalen. Als je de opvang gratis maakt, duw je de ouders in één richting, namelijk de georganiseerde opvang. Persoonlijk ben ik meer te vinden voor de optie waar je ouders de keuze laat en ze dus meer geld geeft zodat ze zelf kunnen kiezen.

 

Zoals ik al zei, kan de kinderbijslag bijvoorbeeld verhoogd worden. Zoals er nu reeds op 6, 12 en 18 jaar een leeftijdsbijslag wordt toegekend, kan dat misschien ook ingevoerd worden voor kinderen tussen 0 en 2,5 jaar. Ouders kunnen zo de kosten van opvang dekken of er iets anders mee doen. Op die manier wordt de vrije keuze gegarandeerd. Ik zie het als een soort van Persoonlijk Assistentiebudget (PAB) of ‘kindercheques’. In plaats van subsidies te geven aan de instellingen, geef je dat geld aan de ouders van de gebruikers. Dit ligt in de lijn van de tijdsgeest waar mensen veel liever zelf de keuze maken hoe ze willen worden geholpen. De hele filosofie van de kinderopvang moet dan wel omgekeerd worden zoals nu in de gehandicaptenzorg het geval is. Er moet een klik worden gemaakt. Gezinnen moeten ondersteund worden en niet de diensten/instellingen.

 

Tijdens de vergaderingen van de Staten-generaal werd het verlengen van het ouderschapsverlof als een manier aangehaald om het ouderschap te ondersteunen. Wat vindt u hier van?

 

Daar is iets voor te zeggen ja. In Zweden kan men bijvoorbeeld één jaar ouderschapsverlof opnemen. Een andere optie is om de uitkering van het ouderschapsverlof te verhogen. Als alleenstaande moeder kan je niets aanvangen met het ouderschapsverlof omdat de uitkering te laag is voor een alleenstaande. De overheid moet zich bezinnen over al die verloven die bestaan. Meestal gaan ze uit van heel normale, traditionele gezinnen en zijn ze helemaal niet aangepast aan de situatie van de alleenstaande ouder. We leven in een heel sociale samenleving, maar je moet met twee zijn om ervan te kunnen profiteren.

 

Een ander voorstel was het thuiswerk op te waarderen om op die manier een betere combinatie tussen werk en gezin te bewerkstelligen. Bent u hier voor te vinden?

 

Thuis werken heeft absoluut niets te maken met een betere combinatie tussen werk en gezin. Om het heel cru te stellen: ofwel werk je thuis, ofwel zorg je voor je kind. Het is complete onzin om te denken dat je thuis kan werken met een baby aan je voeten. Je moet die dingen compleet van elkaar loskoppelen. Als je als overheid thuiswerk wil stimuleren, dan doe je dat om het mobiliteitsprobleem op te lossen. Als bedrijf probeer je op die manier te zorgen dat je minder huur moet betalen omdat niet al je werknemers gelijktijdig aanwezig zijn of omdat het voor de mensen zelf productiever is om thuis te werken. Het heeft niets te maken met de opvang van kinderen.

 

Moet de wetgever bedrijven verplichten om kinderopvang te voorzien op de werkvloer?

 

Om economische redenen ben ik hier absoluut tegen. Bedrijven hebben het nu al zo moeilijk om zichzelf staande te houden in de geglobaliseerde wereld. Hoe meer verplichtingen je een bedrijf gaat opleggen, hoe groter de kans dat zij delokaliseren naar andere landen.

 

Kinderopvang behoort trouwens niet tot de kernactiviteiten van de bedrijven. Bedrijven hebben steeds meer de neiging om alles wat niet tot hun core-business behoort uit te besteden. Kinderopvang is geen taak van het bedrijf en moet er niet door georganiseerd worden. Wat wel kan, is dat een bedrijf contracten afsluit met onthaalmoeders of met crèches zoals in Nederland. Bedrijven kopen een paar plaatsen in de kinderopvang die ze aan werknemers met kinderen kunnen bieden. Dat zie ik perfect mogelijk, maar kinderopvang op de werkplek zelf is zowel economisch, als sociaal niet nuttig.

 

In de Universiteit Hasselt hebben wij een onderzoek gedaan bij het personeel naar de behoefte aan kinderopvang. Het antwoord was heel duidelijk. Werknemers verlangen daar niet naar. Zij hebben nood aan kinderopvang dicht bij de woonplaats. Je kan ook moeilijk je kinderen mee op de trein nemen of in de auto zetten als je bijvoorbeeld van Hasselt naar Brussel moet pendelen. Dat ga je je kind toch niet aandoen.

 

Nu, het is wel zo dat in sommige bedrijven en organisaties, en vooral daar waar veel vrouwen met flexibele uurroosters werken, er opvang georganiseerd wordt. Een ziekenhuis heeft vaak een crèche en daar is het ook heel makkelijk te organiseren. Laat dus de organisaties en bedrijven zelf beslissen of het kinderopvang al dan niet organiseert.

 

Vindt u dat een kind ook slechts voor enkele uren naar de kinderopvang mag gaan zodat de moeder bijvoorbeeld inkopen kan gaan doen?

 

Indien dit praktisch organiseerbaar is, waarom niet. Dit moeten de diensten of onthaalmoeders zelf beslissen. Ik vrees alleen voor de administratieve rompslomp.

 

Moet de ouder die beslist om te stoppen met werken om bij de kinderen te blijven ook een loon uitbetaald krijgen?

 

Via fiscale vrijstellingen krijgt de ouder die niet werkt in de praktijk een loon uitbetaald. Zo is het huwelijksquotiënt een vrij grote compensatie voor huisvrouwen (en –mannen). Bovendien is er het systeem van de werkloosheid voor alleenstaande moeders die onbeperkt in tijd een uitkering ontvangen als gezinshoofd. Dit is geen riante uitkering, maar wel voldoende om werkincentives voor deze vrouwen erg te verminderen. Daarnaast is er nog het ouderschapsverlof, de loopbaanonderbreking,… Er bestaat wel degelijk een loon voor de persoon die thuisblijft, alleen wordt het zo niet genoemd.

 

Natuurlijk kan je zeggen dat het bedrag van het ouderschapsverlof hoger moet zijn, dat het langer moet duren in de tijd. Als je met een tiener in huis zit, zou je de mogelijkheid moeten kunnen krijgen om een jaar thuis te blijven, het palliatief verlof zou uitgebreid moeten worden. Dat is allemaal bespreekbaar, maar de vraag op zich is eigenlijk pervers. De thuisblijvende moeder wordt al enorm ondersteund in het Belgische systeem.

 

Je moet ook de sociaal-economische realiteit voor ogen houden. België heeft één van de laagste werkzaamheidsgraden in Europa. Willen we onze welvaart behouden, dan is het absoluut noodzakelijk om de werkzaamheidsgraad te verhogen, met name van de moeders en de ouderen.

 

Wat vindt u van het idee van Walter Van Dongen om de dagopvang om te vormen tot volwaardig (gratis) dagonderwijs voor kinderen jonger dan drie jaar?

 

In combinatie met het verlengen van het ouderschapsverlof zou dit een oplossing kunnen zijn. Voor kinderen uit een minder gunstig thuismilieu zou dit ook goed zijn. Veel kinderen groeien op in armoedige omstandigheden. Doordat de bestaande voorzieningen vooral gericht zijn op de traditionele gezinnen, worden de kinderen die in precaire omstandigheden opgroeien vergeten. Dit legt een hypotheek op de maatschappij waar later de tol voor betaald wordt in de vorm van werkloosheid en criminaliteit. Een verhoging van het kindergeld kan een antwoord zijn op dit probleem.

 

Of het inrichten van dagonderwijs voor kinderen jonger dan drie jaar een realistische oplossing is, is een andere vraag. Kinderen jonger dan 2,5 jaar vragen een heel andere begeleiding dan zij die starten in de kleuterschool.

 

Ik pleit voor een écht kindvriendelijk beleid: daarom moet de overheid vooreerst de gezinnen ondersteunen om een behoorlijk inkomen te verwerven. Daarvoor is het noodzakelijk dat beide partners betaald werk verrichten. Daarnaast moet de overheid ervoor zorgen dat de combinatie arbeid-gezin leefbaar en aangenaam is. Dit kan ze enerzijds via een sociale wetgeving die allerhande (betaalde) verlofvormen mogelijk maakt en anderzijds door een kwaliteitsvolle, laagdrempelige en goedkope kinderopvang. Kijken we naar Europa dan zien we dat de Noord-Europese landen een hoger geboortecijfer kennen dan de Zuid-Europese landen. Het noorden moedigt de deelname aan de arbeidsmarkt (van mannen én vrouwen) en de kinderopvang is er zeer goed uitgebouwd. Daar wordt een echte familiale politiek gevoerd.

 

Riet Bulckens


 

De familiale omgeving en de beslissing om vervroegd met pensioen te gaan

GAILLARD, Mathieu

Centre de Recherche Interdisciplinaire pour la Solidarité et l’Innovation Sociale (CERISIS), Université catholique de Louvain (UCL)

 

DESMETTE, Donatienne

Centre de Recherche Interdisciplinaire pour la Solidarité et l’Innovation Sociale (CERISIS), Université catholique de Louvain (UCL)

 

Inleiding

De lage werkgelegenheidsgraad van 50-plussers, doorgaans ‘oudere werknemers’ genoemd, die de laatste jaren in België wordt opgemerkt[108], zet de federale regering aan om haar beleid betreffende (vervroegd) pensioen te wijzigen opdat mensen langer aan het werk zouden blijven. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het Generatiepact dat de Eerste Minister in 2005 voorstelde[109].

 

Om een doeltreffend beleid te kunnen voeren, is het echter noodzakelijk vooraf de redenen te begrijpen die werknemers aanzetten om vervroegd met pensioen te gaan. Naast de bedrijfsreorganisatie waarbij het vervroegde pensioen aan de werknemers kan worden opgelegd, kan het ook gaan om een bewuste keuze van de werknemer. Anderzijds kan een werknemer die een gelijkaardige baan uitoefent ook beslissen zo lang mogelijk aan het werk te blijven. Wat weten we van de redenen die een werknemer ertoe kunnen brengen om vrijwillig voor vervroegd pensioen te kiezen?

De factoren die aan de basis liggen van de beslissing om vervroegd met pensioen te gaan

Sommige studies over de factoren die aan de basis liggen van de beslissing om vervroegd met pensioen te gaan, houden rekening met de kenmerken van de individuen die al met vervroegd pensioen zijn. Andere studies, die uitgaan van de empirische vaststelling van een sterk verband tussen de intentie om met vervroegd pensioen te gaan (“ik ben van plan om vervroegd met pensioen te gaan”) en het daadwerkelijk met pensioen gaan enkele jaren later, onderzoeken de processen die aan de beslissing van vervroegd pensioen voorafgaan[110]. Zij hebben tot doel de keuze te voorspellen die de werknemers zullen maken op basis van een aantal kenmerken en gedragingen van de werknemers zelf.

 

Het meest systematische resultaat dat uit dit tweede type studies naar voor komt, is dat de houding van de zogezegd oudere werknemer ten opzichte van een eventueel vervroegd pensioen gunstiger is naarmate hij zich in slechte gezondheid voelt en hij weinig financiële moeilijkheden verwacht wanneer hij zijn loopbaan zou stopzetten[111]. De professionele omgeving van de werknemer is een andere betekenisvolle verklarende factor: moeilijke werkomstandigheden, meer bepaald op fysiek vlak en beperkte autonomie bij het uitvoeren van beroepstaken bevorderen een vervroegd vertrek[112]. Naast de factoren met betrekking tot de oudere werknemer zelf en zijn beroepsleven, geeft de traditionele benadering van de beslissing tot vervroegd pensioen aan dat de familiale omgeving een derde categorie factoren vormt waarmee we rekening moeten houden.

De familiale omgeving en de beslissing tot vervroegd pensioen

In het algemeen blijkt uit studies dat het belangrijk is rekening te houden met de gezinssamenstelling wanneer de familiale omgeving een rol speelt bij de intentie om vervroegd met pensioen te gaan. Het feit dat het huishouden veel hulpbehoevende personen telt bijvoorbeeld, is een rem op de intentie om met vervroegd pensioen te gaan[113]. Sommige studies geven aan dat de trend om zo lang mogelijk aan het werk te blijven om financieel tegemoet te komen aan de behoeften van het gezin, sterker is bij mannen dan bij vrouwen[114]. Het loon van mannen wordt immers traditioneel beschouwd als de voornaamste bron van inkomsten voor het huishouden.

 

In ditzelfde opzicht kan de gezondheidstoestand van de gezinsleden een belangrijke invloed uitoefenen op de keuze in verband met het loopbaaneinde. Zo blijkt dat vrouwen indien nodig stoppen met werken om voor naaste familieleden te zorgen (man, kinderen, maar vaak ook zieke ouders,…), terwijl mannen, in een gelijkaardige situatie, hun loopbaan voortzetten om voor voldoende inkomsten te zorgen[115]. Het ziet er dus naar uit dat, naast loonverschillen - het loon van de vrouw kan als bijkomstig worden beschouwd – ook verschillen in de sociale rollen opduiken bij de beslissing om de beroepsactiviteit al dan niet voort te zetten.

 

Naast variabelen verbonden aan pragmatische behoeften, handelt het koppel vanuit een andere, even fundamentele invalshoek, namelijk de norm en het gemeenschappelijke levensproject.

 

De zeldzame studies die aandacht schenken aan de impact van de sociale druk vanwege de partner wijzen op het aanzienlijke gewicht van de echtgenoot op de beslissing van de oudere werknemer om met pensioen te gaan. Zo stemmen echtgenoten het moment om met pensioen te gaan op elkaar af, omdat ze liever rond dezelfde tijd hun loopbaan stopzetten[116]. Deze trend om de loopbaan gelijktijdig stop te zetten, is des te meer uitgesproken wanneer de echtgenoten gemeenschappelijke hobby’s of plannen hebben[117]. Bovendien blijkt dat de intentie van een werknemer om met pensioen te gaan wordt versterkt wanneer hij regelmatig met zijn partner[118] spreekt over zijn vervroegd pensioen en wanneer deze laatste voorstander is voor een dergelijke beslissing[119].

 

De impact van de familiale omgeving op de beslissing om met vervroegd pensioen te gaan, kan ook het gevolg zijn van moeilijkheden met betrekking tot het gelijktijdig beheren van de professionele en familiale rollen, met andere woorden het gevolg van conflicten tussen privé- en beroepssfeer[120]. Hoe meer een baan de taken en projecten in het privé-leven verstoren, hoe groter de volledige of gedeeltelijke intentie om met vervroegd pensioen te gaan. Het ziet ernaar uit dat het vervroegd pensioen gaan een mogelijke oplossing is om een einde te maken aan familiale problemen die door professionele verplichtingen kunnen ontstaan zijn. Al deze resultaten, verkregen bij Amerikaanse en Europese werknemers, geven dus aan dat het belangrijk is rekening te houden met de familiale omgeving van de werknemer wanneer we de beslissing bestuderen om vervroegd op pensioen te gaan. Om na te gaan welke impact de familiale omgeving heeft op de intentie van de Franstalige Belgische werknemers om met vervroegd pensioen te gaan, hebben wij in het kader van de werkzaamheden van het CERISIS, empirisch onderzoek verricht tussen oktober 2004 en januari 2005.

Empirisch onderzoek[121]

 

Methodologie

De gegevens werden ingezameld aan de hand van een vragenlijst met gesloten vragen bestemd voor werknemers tussen 50 en 60 jaar. Deze mensen waren aan de slag bij Belgische organisaties die beschikten over een collectieve arbeidsovereenkomst die eindeloopbaanregelingen zoals vervroegd pensioen mogelijk maakte en die geen financiële problemen hadden (geen ‘gedwongen’ vervroegd pensioen). De uiteindelijke steekproef bestond uit 352 personen, waarvan 58% mannen en 42% vrouwen waren. 60% van de deelnemers was tussen 50 en 54 jaar oud en 40% was tussen 55 en 59 jaar oud. 77% van de deelnemers leeft met een partner en 23% zonder. De steekproef bestond uit 55% bedienden en 45% arbeiders.

 

Naast de intentie van de werknemers om volledig met vervroegd pensioen te gaan, werd ook de intentie onderzocht om de arbeidsduur te verminderen of met gedeeltelijk vervroegd pensioen te gaan.

 

Onder de verklarende factoren voor de eindeloopbaanbeslissing die in de vragenlijst zijn opgenomen, vinden we meer bepaald variabelen met betrekking tot het individu zelf en zijn familiale omgeving[122]. Op statistisch vlak werden multiple regressieanalyses uitgevoerd om de intentie om met vervroegd pensioen te gaan of de arbeidsduur te beperken, te voorspellen.

 

Resultaten

Met betrekking tot de persoonlijke kenmerken bevestigen de resultaten de rol van de opvattingen van een werknemer over zijn gezondheid en zijn financiële toestand bij zijn beslissing in verband met het loopbaaneinde. Zo blijkt dat een werknemer meer geneigd is om volledig of gedeeltelijk met vervroegd pensioen te gaan wanneer hij zich in slechte gezondheid voelt en weinig financiële problemen verwacht als hij zijn loopbaan vroegtijdig zou stopzetten.

 

Wat de rol van de familiale omgeving betreft, geven de analyses vooral aan, in tegenstelling tot wat de literatuur gewoonlijk weergeeft over de beslissing tot vervroegd pensioen, dat de intentie om met vervroegd pensioen te gaan of de arbeidstijd te beperken, los staat van het aantal hulpbehoevende personen in het huishouden. Mannen en vrouwen houden ook geen rekening met de gezondheidstoestand van de partner wanneer ze overwegen om met vervroegd pensioen te gaan of hun arbeidstijd te beperken. Hoe meer de werknemer echter spreekt van volledig of gedeeltelijk vervroegd pensioen met zijn partner en hoe meer hij meent dat de partner hem steunt in de beslissing, hoe meer hij geneigd zal zijn met vervroegd pensioen te gaan of zijn arbeidstijd te beperken. Wanneer er bovendien moeilijkheden zijn om familiale taken en projecten te verwezenlijken wegens professionele verplichtingen, heeft de werknemer de intentie om zijn arbeidstijd te beperken met de bedoeling zijn privé- en beroepsleven beter te combineren. Bijkomende analyses brengen aan het licht dat conflicten tussen de familiale en de beroepssfeer ook de intentie tot volledig vervroegd pensioen kunnen aanwakkeren, maar dan alleen bij vrouwen.

 

Net als in de literatuur benadrukken onze onderzoeksresultaten de noodzaak om rekening te houden met de familiale omgeving om de beslissing in verband met het loopbaaneinde te verklaren. Ook al speelt de aanwezigheid van hulpbehoevende personen in het gezin geen beslissende rol bij de beslissing om de loopbaan vervroegd stop te zetten, toch toont de invloed van de mening van de partner aan dat de beslissing tot vervroegd pensioen of arbeidsduurvermindering een beslissing is met een familiale dimensie. Aangezien bovendien de invloed van de familiale omgeving op deze beslissing zich ook uit via de interactie met de professionele activiteiten van de werknemer, lijkt het relevant aan te nemen dat deze beslissing steunt op een dynamisch proces dat niet enkel factoren omvat die betrekking hebben op de werknemer zelf en zijn professionele en privé-omgeving, maar ook op de manier waarop deze factoren onderling gecombineerd zijn. De traditionele benadering van het loopbaaneinde, ook al kunnen hiermee tal van factoren worden aangereikt die leiden tot deze beslissing, bevat weinig factoren met betrekking tot de problematiek van de vergrijzing van de werknemers.

 

Sinds enkele jaren worden werknemers die ouder zijn dan 50 jaar, een groep werknemers die langer aan het werk moeten worden gehouden, door de overheid en de organisaties weergegeven als ‘ouderen’. Daardoor kan de vergrijzing worden opgevat als een sociale constructie in die zin dat het gaat om sociale processen die bijdragen tot het vastleggen van grenzen tussen jong en oud en daardoor ook van de waarde die aan de groep ‘ouderen’ wordt gehecht in de maatschappij. In dit opzicht hebben wij de rol van deze sociale processen bestudeerd, en in het bijzonder de sociale identiteit van de ‘oudere werknemer’, bij de beslissing om met vervroegd pensioen te gaan[123].

De sociale identiteit van de oudere werknemer en de beslissing om vervroegd met pensioen te gaan

Werknemers van meer dan 50 jaar ‘oudere werknemers’ noemen, is niet zonder gevolgen voor het imago van deze mensen in de maatschappij. In België, net als in andere westerse landen, bestaan er immers heel wat stereotypen met betrekking tot de oudere werknemers[124]. Hoewel ervaring en professioneel inzicht gelden als positieve eigenschappen van de oudere werknemer, zijn de negatieve kenmerken overheersend: de oudere werknemer wordt bestempeld als werkmoe, wachtend op zijn (vervroegd) pensioen, weinig dynamisch, weinig flexibel en met een beperkt aanpassings- en innovatievermogen. Uitgezonderd de ervaring en het professioneel inzicht hebben oudere werknemers dus een eerder negatief imago in termen van professionele bekwaamheid.

 

In ons onderzoek komen sommige werknemers tussen 45 en 60 jaar sterker naar voor dan anderen in de groep van oudere werknemers. Welnu, het zijn net de personen die zichzelf zien als een ‘oudere werknemer’ die een houding aannemen in overeenstemming met het negatieve cliché van demotivatie dat wordt gekoppeld aan oudere werknemers waaronder de intentie om met pensioen te gaan. Dus hoewel de uitdrukking ‘oudere werknemers’ werd ingevoerd om een groep werknemers te identificeren die langer aan het werk moet worden gehouden, willen zij die zichzelf definiëren op basis van dit sociaal etiket net de wereld van de arbeid vroegtijdig vaarwel zeggen.

 

Op basis van dit resultaat lijkt het relevant de traditionele benadering van de beslissing tot vervroegd pensioen, die factoren bevat met betrekking tot de werknemer zelf en zijn professionele en familiale omgeving, aan te vullen met psycho-sociale processen, die zoals de identificatie van de oudere werknemers verband houden met de sociale constructie van de professionele veroudering.

Conclusies

Het multidimensionele karakter van de processen die een rol spelen bij de beslissing tot vervroegd pensioen getuigt van de noodzaak om het loopbaaneinde als een complexe problematiek te bekijken. Want zowel de invloed van de familiale omgeving, als de rol van psycho-sociale processen met betrekking tot de sociale constructie van de professionele veroudering tonen aan dat de beslissing tot vervroegd pensioen niet louter vanuit een individuele hoek moet worden onderzocht.  Bovendien benadrukt de impact van de moeilijkheden bij het gelijktijdig beheer van professionele en familiale verantwoordelijkheden op de beslissingen met betrekking tot het loopbaaneinde, het interactieve en dynamische aspect van de processen die een rol spelen.

 

In dit kader zouden de voorstellen om het systeem van het vervroegd pensioen te wijzigen minder moeten zijn ingegeven door een beginsel van uniformiteit van het loopbaaneinde. In een streven naar eerbied voor de levenskwaliteit van de werknemer zouden deze voorstellen eerder rekening moeten houden met zijn persoonlijke, organisatorische en familiale situatie en met de manier waarop hij/zij, meer bepaald in termen van identificatie, het vooropstellen van leeftijd als criterium voor de differentiatie van de werknemers beleeft.


 

Het is niet eenvoudig voor een vrouw om te werken als zelfstandige…

Interview met:

LEDOUX, Kathleen

Juridisch adviseur, sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen, Union des Classes Moyennes (UCM)

&

VOISIN, Françoise

Juridisch adviseur, Union des Classes Moyennes (UCM)

 

Wat is het huidige profiel van de zelfstandige vrouw?

 

Volgens de statistieken van het RSVZ[125] vertegenwoordigen vrouwen minder dan 30% van de Belgische ondernemers, als zelfstandige of meewerkende echtgenote. Uit deze resultaten blijkt dat 90% van deze vrouwen leven met een partner en kinderen hebben: zelfstandig zijn staat dus de organisatie van een gezinsleven niet in de weg. Verder stellen we vast dat de zelfstandige onderneemster veel tijd besteedt aan haar beroepsleven: sommige zelfstandige vrouwen besteden tot 60 uur per week aan hun beroepsactiviteit. In tegenstelling tot een wijdverspreide opvatting zou het statuut van zelfstandige dus geen toverformule zijn om arbeid en gezin beter te kunnen combineren.

 

Werkende moeders ondervinden grote moeilijkheden om beroep en gezin op elkaar af te stemmen. Hoe zit dat met de moeders die werken als zelfstandige?

 

Het hebben van kinderen is één van de specifieke moeilijkheden waarmee zelfstandige vrouwen kampen. Er is immers een alarmerend tekort aan opvangstructuren buiten de schooluren of voor kinderen die nog niet naar school kunnen (crèches). De openingsuren van de bestaande structuren en het aantal opvangplaatsen beantwoorden niet aan de behoeften van zelfstandige moeders. Een zelfstandige onderneemster heeft nood aan een structuur die het kind langer opvangt, ‘s morgens en/of ‘s avonds, omdat zij meer uren kloppen dan vrouwen die in loonverband werken of omdat zij op onregelmatige tijdstippen werken. Eén van de mogelijke oplossingen is volgens ons een prioriteit maken van fulltime[126] crèches of er plaatsen voorbehouden voor kinderen van zelfstandige vrouwen. In onvoorziene omstandigheden, bijvoorbeeld een ziek kind, kan de zelfstandige onderneemster haar bedrijf niet verlaten zonder de werking ervan te verstoren. Een werkneemster kan echter een dag verlof vragen – een recuperatiedag of zelfs een verlofdag zonder wedde – om deze moeilijke situaties het hoofd te bieden.

Een reflectie die tot een trieste vaststelling leidt: de moeilijkheid om gezin en onderneming te combineren heeft soms tot gevolg dat de ondernemingszin van de vrouw wordt afgeremd of dat ze haar onderneming niet kan uitbreiden, soms is ze zelfs genoopt haar bedrijf stop te zetten.

 

Kan de zelfstandige moeder een beroep doen op faciliteiten om gezin en beroep makkelijker te combineren?

 

Een zelfstandige onderneemster kan haar uren makkelijker aanpassen en haar werkplaats verlaten om familiale verplichtingen te vervullen (bijvoorbeeld om haar kinderen naar buitenschoolse activiteiten te brengen). Zij kan zelf haar arbeidstijd indelen, natuurlijk rekening houdend met de eisen van haar klanten (een makelaar die hoofdzakelijk ’s avonds tijd moet maken voor de huisbezoeken is daar een perfecte illustratie van). De zelfstandige onderneemster kan ook doorgaans makkelijker van thuis uit werken. Naar het voorbeeld van telewerk voor loontrekkers beschikken zelfstandigen over deze bijzonder geschikte mogelijkheid bij sommige beroepen of in sommige omstandigheden. Tot slot, kunnen de kinderen aanwezig zijn op de werkplaats van de ouder, ook al is dit uitzonderlijk.

 

In de recente persmededelingen van de UCM is er sprake van talrijke nieuwe beslissingen om het welzijn van de zelfstandigen te bevorderen (verhoging van de pensioenen, integratie van kleine risico’s…). Er werden ook andere maatregelen genomen op het gebied van ouderschapssteun en een betere afstemming van arbeid en gezin. Hoe zit het daarmee?

 

De voornaamste vooruitgang bij deze nieuwe bepalingen is de invoering van een sociaal statuut voor de meewerkende partner. Vóór de invoering van dit sociaal statuut had de meewerkende echtgenoot twee mogelijkheden: ofwel koos de partner vrijwillig voor een ministatuut, dat dekking bood voor ziekte- en invaliditeit, betreffende uitkeringen en moederschap, maar daar bleef het bij. Voorts genoot de partner een aantal afgeleide rechten, maar hij of zij had bijvoorbeeld geen enkel recht op pensioen. Ofwel koos de partner niet vrijwillig voor dit statuut. De meewerkende partner wordt dan beschouwd als iemand zonder beroep en geniet dus geen eigenlijke sociale bescherming. Bij een overlijden, een echtscheiding of het uiteenvallen van de gezinskern, was de meewerkende partner niet beschermd. Hij of zij belandde in een erg kwetsbare positie. Onder druk van de EU kregen deze meewerkende partners – waaronder 90% vrouwen – eindelijk een verplichte bescherming. Sinds 1 juli 2005 wordt iemand die gehuwd is of wettelijk samenwoont met een zelfstandige ondernemer en die geen rechten geniet in een ander statuut automatisch een meewerkende echtgenoot. Zij geniet dus dezelfde rechten als haar echtgenoot. In termen van gendergelijkheid is dit een hele stap vooruit.

 

Waar heeft een koppel recht op bij de komst van een kind?

 

Het moederschapsverlof voor zelfstandige moeders is opgetrokken van 3 naar 6 weken. Het ziekenfonds betaalt een moederschapsuitkering aan de moeders die deze 6 weken bevallingsrust daadwerkelijk opnemen. In dat geval ontvangt de moeder 2041 euro en 340 euro extra bij de geboorte van meerlingen. Momenteel bestaat er nog altijd geen adoptieverlof of daaraan verbonden uitkeringen. Deze maatregelen zullen echter binnenkort van kracht worden. De zelfstandige moeder heeft dus momenteel recht op 6 weken vergoede moederschapsrust. Er is geen vraag naar nog meer verlof, want zij is verplicht de moederschapsrust af te stemmen op de hervatting van haar activiteit.

 

Met betrekking tot de kinderbijslag wordt ook kraamgeld (en adoptiegeld) uitbetaald door het sociaal verzekeringsfonds. Dit kraamgeld bedraagt evenveel als voor loontrekkers. Sinds 1 januari 2006 komt de zelfstandige werkneemster ook in aanmerking voor gezinshulp in de vorm van dienstencheques die worden toegekend na de periode van de bevallingsrust. Deze dienstencheques zijn bedoeld voor huishoudelijke hulp. Wanneer zij haar beroepsactiviteit hervat, kan zij 70 dienstencheques aanvragen. Daarmee kan zij 70 uur vrijmaken om voor haar kind te zorgen. Deze dienstencheques moeten worden opgebruikt binnen de 8 maanden en onder dezelfde voorwaarden als de ‘gewone’ dienstencheques. Deze moederschapshulp zal binnenkort worden uitgebreid tot adoptiemoeders.

 

Wat vindt u van deze maatregel van moederschapshulp?

 

Deze maatregel is afgestemd op de behoeften van de zelfstandige onderneemster. Zij vraagt immers niet om meer moederschapsverlof, omdat zij dan het risico loopt klanten te verliezen. Wanneer zij naar huis gaat, hoopt zij wel meer tijd te kunnen doorbrengen met haar kind. Sinds december 2005 ontvingen de sociale verzekeringsfondsen veel aanvragen voor dienstencheques. Deze maatregel is dus een echt succes. Bovendien is de aanvraagprocedure niet te ingewikkeld: de aanvrager moet enkel beschikken over een erkenningsnummer van de dienstenchequeonderneming, de aanvraag binnensturen bij het sociaal verzekeringsfonds en een bewijs leveren van de geboorte van het kind. Deze stappen zijn ook nodig om recht te hebben op de wettelijke kinderbijslag. De optrekking van het moederschapsverlof van 3 naar 6 weken gaat met andere woorden gepaard met interessante compensaties (in de vorm van dienstencheques en financiële stimuli).

 

Hoe moet de zelfstandige haar 6 weken moederschapsrust dan organiseren?

 

De zelfstandige onderneemster moet voorbereidingen treffen voordat haar moederschaprust ingaat. Zij loopt natuurlijk altijd het risico dat een collega klanten afsnoept. Bovendien kan de klant altijd overstappen naar een concurrent wanneer de zaak niet meer open is. Hoe dan ook moet de zelfstandige onderneemster haar afwezigheid nauwgezet organiseren om de economische gevolgen van haar moederschap zoveel mogelijk te beperken. Deze organisatie staat echter niet in de weg dat zij een kind wenst en een gezin wil stichten.

 

Welke pistes zijn er om de combinatie van arbeid en gezin voor zelfstandige ouders te verbeteren?

 

Wat de professionele situatie van de zelfstandige vrouw betreft, beantwoordt het voorstel om de moederschapsrust te verlengen niet aan de realiteit waarmee deze vrouwen te maken krijgen op het terrein! Een langer verlof kan nadelig zijn voor de onderneming. Maar bij sommige beroepen kan de vervanging van de zelfstandige door een interimkracht (via dienstencheques) worden overwogen. Bovendien hebben de functies die vallen onder het stelsel van de dienstencheques bijna uitsluitend betrekking op huishoudelijk werk. Volgens ons is het dus nodig om in het precieze geval van moederschap de waaier aan mogelijkheden uit te breiden (kinderopvang, tuinonderhoud,…)

 

Wat zijn de eisen van de UCM met betrekking tot de gelijkschakeling van de uitkeringen die aan zelfstandigen worden uitbetaald?

 

Dit staat centraal in het debat. Het eerste kind van een zelfstandige krijgt minder kinderbijslag dan het kind van een loontrekker. Bovendien krijgt het jongste kind of het enige kind van een zelfstandige, in tegenstelling tot de kinderen van loontrekkers, geen leeftijdbijslag. De UCM eist dus deze gelijkschakeling en correcties, zonder echter de budgettaire impact ervan te onderschatten. Het kind van een zelfstandige krijgt dus niet dezelfde behandeling als het kind van een loontrekker…. Deze discriminatie valt niet objectief te rechtvaardigen. De beslissing om bij het begin van het schooljaar een tegemoetkoming uit te betalen, werd onlangs genomen met ingang op 28 augustus 2006. Was deze maatregel echt prioritair als we weten dat de gelijkschakeling van de gezinsuitkering nog altijd niet op de agenda staat? Het statuut van loontrekker waarborgt ruimere sociale rechten dan het statuut van zelfstandige. Wanneer het gezin uitbreidt, is het natuurlijk ideaal wanneer één van beide partners loontrekker is. In de meeste gevallen neemt de vrouw deze rol op zich. Het is jammer dat het vaak de vrouw is die, ondanks haar ondernemingszin, ‘verplicht’ wordt haar statuut van loontrekker te behouden.

 

Zijn er ook andere pistes?

 

Een zwangere werkneemster in loondienst kan worden verwijderd als haar werk een gevaar inhoudt. Maar een zwangere zelfstandige geniet deze bescherming niet. Dit is nog een grote discriminatie. Om komaf te maken met deze discriminatie, stelt de UCM voor om vervanging mogelijk te maken via het systeem van de dienstencheques of via een interimkracht, wanneer een zwangere zelfstandige gevaar loopt tijdens haar werk.

 

Aan al deze maatregelen hangt natuurlijk een kostprijs. Hoe kunnen ze worden gefinancierd?

 

De UCM is gekant tegen het idee om het plafond af te schaffen voor de bijdragen die zelfstandigen betalen. Bovendien heeft een dergelijke maatregel, die de kans op succes ondermijnt, waarschijnlijk een negatieve invloed op de inkomsten van het sociaal statuut. Als zelfstandigen die er goed voor staan voortaan bijdragen zouden moeten betalen op al hun inkomsten om de behoeften te financieren van de zelfstandigen die er minder goed voor staan, uit solidariteit, dan krijgt het economisch dynamisme en het persoonlijke succes een negatieve bijklank. Een dergelijke maatregel, die voornamelijk wordt gesteund door een bepaalde meerderheidspartij, is bovendien in strijd met ieders bereidheid om het Waals gewest dynamischer te maken. Tot slot kan de maatregel een communautaire crisis uitlokken.

 

Alle aangehaalde maatregelen ten gunste van de gezinsorganisatie moeten de professionele organisatie vergemakkelijken en dus de economische bloei van het land en de werkgelegenheid bevorderen. Het is een geheel. Het is niet de directe kostprijs die telt, het gaat om de ontwikkeling en aanmoediging van de ondernemerszin. In juni 2003 wilde de regering 200 000 banen creëren. Nu, in 2006, zijn we nog ver van die eindstreep. De kleine ondernemingen staan voor het gros van de economische opleving in het Waals gewest: 90% van de economische productiviteit van het gewest komt van deze ondernemingen. De ondernemingszin van vrouwen mag niet worden genegeerd, integendeel, hun ondernemingszin moet worden gestimuleerd.

 

Caroline Simaÿs


 

Een panoramische blik op gezinnen en de overheid

Niet alleen demografische en sociale ontwikkelingen hebben een impact op het gezin, ook de overheid heeft door het gevoerde gezinsbeleid invloed op de vorming en het functioneren van gezinnen. De ondersteuning die ze geeft, kan van tel zijn op het uiteindelijke kinderaantal. De inkomensbelasting kan mogelijk een beslissende factor zijn in de arbeidsverdeling binnen een gezin. Door de verschillende graad van bescherming tussen partners bij overlijden naargelang de samenwoonvorm, kan de stap om te trouwen/wettelijk samen te wonen misschien sneller gezet worden. In België stelt de overheid zich tot doel om elk gezin te beschermen en een gelijk niveau van welvaart te geven, ongeacht de aard van de gezinsvorm (Federale Overheid, 2006).

 

De verschillende technologische, sociale, culturele en politieke veranderingen in de samenleving zorgden ervoor dat naast het traditionele gezinstype (heteroseksuele huwelijksrelatie met een vader, moeder en kind(eren)) andere samenleeftypes, zoals éénoudergezinnen, samengestelde gezinnen of samenleefvormen zoals ongehuwd samenwonen en alleen wonen, zijn ontstaan. Hierdoor wijzigde ook de taakverdeling binnen een gezin. De overheid wil deze diversiteit politiek ondersteunen zodat elke burger in alle vrijheid kan kiezen voor een bepaalde manier van leven.

 

In dit hoofdstuk geven we een breed overzicht van enkele meer technische domeinen die gezinnen aanbelangen. Meer bepaald zullen we het hebben over ’de sociale zekerheid, de fiscaliteit en het burgerlijk recht. Hoewel we met deze onderwerpen veelvuldig in aanraking komen in het dagelijkse leven, zijn de discussies hieromtrent niet zo toegankelijk en worden zeer specifieke en domeingebonden termen gebruikt. Om die reden gebruiken we in dit hoofdstuk een andere opbouw dan in de andere hoofdstukken. Eerst geven we een kort historisch overzicht van enkele belangrijke ontwikkelingen en vervolgens wordt de huidige wettelijke situatie besproken. Op deze manier kan enig inzicht verworven worden in de bestaande wetgeving. Daarna volgen een aantal cijfergegevens waarin duidelijk wordt op welke manier deze regelingen een invloed hebben op het alledaagse leven. Tot slot volgt een kort overzicht met de belangrijkste discussiepunten binnen elk thema. Dit debat wordt gesitueerd aan de hand van stellingen die gebaseerd zijn op de vergaderingen van de Staten-generaal. Deze manier van werken geeft ons de mogelijkheid om op een overzichtelijke manier een uitgebreid en vaak technisch debat aan te snijden. De techniciteit van het debat maakt ook dat we onmogelijk alle finesses en uitzonderingen in het bestek van dit hoofdstuk kunnen behandelen. We kozen er heel duidelijk voor om enkel algemene lijnen duidelijk te maken in een breed kader dat als het ware de omgeving vormt voor de expert-hoofdstukken erna. Wie geïnteresseerd is in de exacte juridische achtergronden, verwijzen we door naar meer gespecialiseerde boeken over sociale zekerheid, fiscaliteit of burgerlijk recht.

De sociale zekerheid

Wie sociale zekerheid zegt, denkt aan bestaanszekerheid van zowel het individu als het gezin. Bij het ontstaan van het Belgische sociale zekerheidssysteem rond 1880 lag de nadruk vooral op het behoud van de levensstandaard van de burgers. De laatste jaren komt de gezinsdimensie echter steeds meer op de voorgrond. Via uitkeringen en verlofregelingen probeert de overheid de gezin/werk-balans in evenwicht te houden. Er worden maatregelen genomen om het welvaartsverlies ten gevolge van het hebben van kinderen te beperken.

 

We starten met een overzicht van de ontstaansgeschiedenis en de strijd die is geleverd voor de rechten waar we vandaag de dag allemaal van kunnen genieten. Wellicht het bekendste voorbeeld (dat sinds 1930 bestaat) is het recht op kinderbijslag. Van recentere aard zijn de (verlof)regelingen met betrekking tot het ouderschap en hulp aan familieleden, die vanaf de tweede helft van de jaren 1990 in het leven geroepen zijn. De verschillende soorten gezinsbijslagen en andere hulp vanuit de sociale zekerheid aan gezinnen worden kort overlopen. Naderhand reconstrueren we het maatschappelijk debat dat gevoerd wordt over de kinderbijslag.

Het Belgische systeem van sociale zekerheid

De basis van het huidig sociaal beleid in België werd in 1944 gelegd door de ondertekening van het ‘Sociaal Pact’. Het was de technische vastlegging van de wildgroei aan wetten rond sociale bescherming voor werknemers. ‘Sociale vrede’ tussen werkgevers en werknemers en ‘solidariteit’, zowel horizontaal als verticaal, waren de achterliggende gedachten bij deze overeenkomst. Horizontale solidariteit duidt op de herverdeling van geld tussen burgers die veel en zij die weinig risico lopen. Mensen met een handicap bijvoorbeeld hebben meer nood aan financiële ondersteuning door de overheid dan andere personen. Hoewel ze beide evenveel bijdragen aan de sociale zekerheid, krijgt deze eerste groep er meer van terug. Verticale solidariteit gaat om de herschikking van inkomsten tussen zij die veel verdienen en zij die zich in de lagere inkomenscategorieën bevinden (Deleeck, 2001; FOD Sociale Zekerheid, 2006a).

 

De kerntaak van de sociale zekerheid is, volgens Herman Deleeck, de burgers behoeden voor inkomensverlies wanneer er zich sociale risico’s voordoen. Hiermee bedoelt hij (1993; 2001) dat deze organisatie bescherming moet bieden tegen pensionering, werkloosheid, ziekte en/of ongeval. Daarnaast heeft zij ook een inkomensaanvullende functie. Door gezinsomstandigheden (kinderlast, gezinslid met functiebeperking) of sociale risico’s (ziekte) kunnen gezinnen aanspraak maken op financiële extra’s (Van Haegendoren, 1995).

 

In de meeste Europese landen kan het sociale zekerheidsstelsel herleid worden tot twee grote ideaaltypen: het Bismarckiaans of het Beveridgiaans systeem, genoemd naar de (vermeende) grondleggers. In het systeem ‘Bismarck’ krijgt de werknemer die geen inkomen uit arbeid meer heeft een vervangingsinkomen om dezelfde levensstandaard te kunnen behouden. Om dit systeem te bekostigen, moet de werknemer tijdens zijn actieve jaren een bijdrage aan de staat betalen. In de filosofie van Beveridge kan elke burger genieten van bestaanszekerheid en niet enkel de werknemers (Deleeck, 2001; FOD Sociale Zekerheid, 2006b; Marquet & Plaideau, 2004).

 

BISMARCK was een Pruisische kanselier die op het eind van de 19de eeuw leefde. Hij introduceerde als één van de eerste staatshoofden in Europa een vorm van sociale verzekering. Er was evenwel een beperking: enkel de werkende bevolking kon aanspraak maken op deze inkomensgarantie. Pensioenen werden gefinancierd door werknemers en werkgevers die een bijdrage betaalden aan de staat. De uitkering was gekoppeld aan het loon zodat de levensstandaard van de werknemer gegarandeerd kon blijven indien een bepaald risico zich voordeed.

 

LORD BEVERIDGE vond dat heel de bevolking recht had op bestaanszekerheid. Deze Britse econoom, die voor de Eerste Wereldoorlog moet gesitueerd worden, pleitte voor eenzelfde forfaitaire uitkering voor elke burger. Deze werd toegekend bij werkloosheid, ziekte en pensionering.

 

Bronnen: (Deleeck, 2001; FOD Sociale Zekerheid, 2006b).

 

In de Belgische sociale zekerheid zien we de ideeën van beide grondleggers terugkomen. Een Bismarckiaans element is bijvoorbeeld dat de hoogte van de pensioenuitkering gekoppeld is aan de (duur van de) loopbaan en het inkomen van de persoon. Er is eveneens een Beveridge-inslag merkbaar. De terugbetaling van ziekenhuiskosten voor iedereen is hier een voorbeeld van (Cantillon, 1999a; FOD Sociale Zekerheid, 2006b; Marquet & Plaideau, 2004).

 

Ons sociaal zekerheidsstelsel is ontstaan in de marge van de opkomende industrialisering. Het hoofddoel was eerder gericht op de verbetering van de werk- en leefomstandigheden en het welvaartsniveau van de arbeiders dan om het gezin te beschermen. Soms hadden de genomen maatregelen als bijkomstigheid een positieve uitwerking op gezinsvlak. De organisatie van arbeid wijzigde door de industriële revoluties op het einde van de 18de en 19de eeuw. Mannen, vrouwen en kinderen werkten niet meer thuis, maar verplaatsten zich elke dag naar een fabriek. De omschakeling van een agrarische naar een industriële samenleving zorgde ervoor dat veel mensen in de stad, dicht bij de fabrieken, gingen wonen. De arbeidersklasse was geboren. De overheid zag dat de arbeiders sociale problemen kenden en in armoede leefden, maar reageerde amper. Het was wachten tot de Waalse arbeidersopstanden in 1886 tot ook zij rechten kregen. Er kwamen wetten die betrekking hadden op de arbeidsvoorwaarden, arbeidsverhoudingen en sociale verzekering. Deze sociale verzekering was echter niet verplicht[127] zoals in Duitsland of Engeland en werd voornamelijk vanuit het privé-initiatief aangemoedigd. Hierdoor ontwikkelden zich de zuilen, organisaties die als basis een bepaalde wereldbeschouwelijke visie hebben.

 

Tussen de twee wereldoorlogen, in de periode 1918-1940, kende de democratie een doorbraak. Koning Albert I voerde het algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen in en hervormingen maakten dat de levensomstandigheden van de arbeiders drastisch verbeterden: de lonen werden aangepast aan de levensduurte (1920) en aangevuld met kinderbijslag (1930)[128], de ziekteverzekering dekte meer kosten, de pensioenverzekering voor werknemers werd verplicht (1924)[129],… Voor de uitbetaling van deze uitkeringen zorgden de mutualiteiten of de vakbonden die door de overheid ruim gesubsidieerd werden.

 

Door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog (1940), werd de denkoefening naar het hoe en wat van een verplichte ziekte- en werkloosheidsuitkering onderbroken. In 1944 pikte men de draad weer op met het ontwerp van een sociaal pact, dat de basis legde voor het huidige systeem van sociale bescherming. Een verplichte verzekering met een centrale bijdrage-inning en veralgemeende patronale bijdrage zag het levenslicht. Deze verzekering had betrekking op vijf sectoren: gezinsvergoedingen, ziekte en invaliditeit, werkloosheid, rust- en overlevingspensioenen en jaarlijkse vakantie. De keuze voor bijdragen in plaats van belastingen zorgde ervoor dat arbeid als productiekost zwaar belast werd (Deleeck, 2001; Witte e.a., 1997). Deze sectoren kunnen tot op de dag van vandaag opgesplitst worden in maatregelen die verband houden met ‘arbeid’ en ‘gezin’. Door aanpassingen doorheen de tijd bestaan er naast deze klassieke sociale zekerheid, ook residuaire regelingen: het leefloon, de inkomensgarantie voor ouderen, de gewaarborgde gezinsbijslag en de tegemoetkoming aan personen met een handicap zijn hier voorbeelden van (Deleeck, 2001; FOD Sociale Zekerheid, 2006a).

 

De verschillende statuten

 

Werknemers die verbonden zijn aan een werkgever door een arbeidsovereenkomst, zoals bedienden en arbeiders, vallen onder het sociale zekerheidsstelsel voor werknemers. Ambtenaren, personen die werken aan het statuut van de openbare dienst, behoren tot het ambtenarenstelsel. In het stelsel van de zelfstandigen ten slotte, zitten alle mensen die een beroepsactiviteit uitoefenen zonder aangeworven te zijn met een arbeidscontract of statuut. Er bestaan tussen deze drie stelsels kleine en grotere verschillen in rechten en uitkeringen.

 

Bronnen: (Deleeck, 2001; FOD Sociale Zekerheid, 2006a).

 

Gezinnen met kinderen kunnen rekenen op een aantal tegemoetkomingen van de overheid. Zo hebben ouders recht op een aantal verloven specifiek verbonden aan het ouderschap[130]. Om de levensstandaard te behouden, worden fiscale voordelen toegekend. Gezinnen krijgen een aantal kosten terugbetaald (studiebeurs) of kunnen rekenen op een vermindering (gebruik van het openbaar vervoer). Er zijn ook geldelijke uitkeringen voorzien bij de geboorte (kraamgeld) en voor de opvoeding van het kind (kinderbijslag) (Cantillon e.a., 1996). In bijlage[131] zijn alle bestaande tegemoetkomingen voor gezinnen opgenomen. 35% van de gezinnen in België zou zonder dit systeem in kansarmoede leven (Deleeck, 2001). Ons land kent zeer lage armoedecijfers en inkomensongelijkheden al bevestigen studies (D'olieslager & De Boyser, 2005) dat de ongelijkheid in ons land tussen 1985 en 2002 toegenomen is.

Gezinsbijslagen

Het idee achter de gezinsbijslagen is dat een kind in een gezin extra kosten meebrengt. Om hieraan het hoofd te kunnen bieden, ontvangen ouders een extra toelage die hen in staat moet stellen een gedeelte van deze meerkost op te vangen (Doublet, 1990). Iedereen maakt aanspraak op de gezinsbijslagen indien men voldoet aan een aantal voorwaarden. Er moet een rechtgevend kind in het gezin zijn. Dit wil zeggen dat het kind verwant moet zijn met de persoon die het recht op gezinsbijslag geopend heeft. Deze persoon wordt de rechthebbende genoemd. Tot 18 jaar heeft ieder kind wettelijk gezien recht op kinderbijslag. Deze grens komt overeen met de leerplicht en kan, onder bepaalde voorwaarden, uitgebreid worden tot 25 jaar. Een kind met een handicap heeft steeds tot 21 jaar recht op kinderbijslag. Het rechtgevend kind moet in België worden opgevoed. Door internationale overeenkomsten en verordeningen van de EU, wordt dit criterium steeds soepeler gehanteerd. Het bedrag wordt uitgekeerd aan de bijslagtrekkende, dit is meestal de moeder of het meest naaste familielid (Cantillon e.a., 1996; FOD Sociale Zekerheid, 2006a; Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting, 2001).

 

Er bestaan zes soorten gezinsbijslagen: de gewone kinderbijslag, de wezenbijslag, de forfaitaire bijslag voor kinderen die geplaatst zijn bij een particulier, het kraamgeld en de adoptiepremie en de sociale bijslagen.

 

Gewone kinderbijslag

Door financiële steun van de overheid in de vorm van kinderbijslag krijgt elk kind de mogelijkheid om zich maximaal te ontplooien en te ontwikkelen op basis van zijn/haar individuele capaciteiten. Dit geld wordt niet belast.

 

Er wordt nauwelijks gekeken naar het gezinsinkomen of –type bij de toekenning van dit bedrag. Er bestaat wel een verschil naargelang het beroepsstatuut van de rechthebbende, de rang van het kind ten opzichte van de andere kinderen in het feitelijke gezin (1e kind = rang 1, 2e kind = rang 2,…), de leeftijd en de gezondheidstoestand. Als een kind geen recht meer geeft op kinderbijslag, schuiven de rangen op (1e kind = geen recht meer, 2e kind = rang 1,…). Bij nieuwsamengestelde gezinnen wordt de rang van een kind bepaald door ze te groeperen rond de bijslagtrekkende. Het gewaarborgd kinderbijslagfonds keert de bijslag uit aan die gezinnen die het recht op kinderbijslag niet kunnen openen. (FOD Sociale Zekerheid, 2006a).

 

Werknemers en ambtenaren ontvangen ongeveer dubbel zo veel kinderbijslag per maand voor een kind van rang 1 in vergelijking met zelfstandigen. De regering heeft de intentie om de kinderbijslag voor het eerste kind van zelfstandigen vanaf midden 2007 op te trekken tot ongeveer het niveau van de werknemers. Vanaf rang 2 en hoger is er geen onderscheid meer naargelang het beroepsstatuut van de ouders.

 

De kinderbijslag wordt afhankelijk van de leeftijd van het kind verhoogd. De drie leeftijdscategorieën zijn: 6 tot 11 jaar, 12 tot 17 jaar en vanaf 18 jaar. Zelfstandigen krijgen geen leeftijdsbijslag voor hun enig kind of het jongste kind.

 

Door het bedrag per kind in een huishouden te laten stijgen, houdt de overheid rekening met de stijgende kosten van een groter gezin. Dit is de rangprogressiviteit van de kinderbijslag. Grote gezinnen hebben onder andere nood aan een groter huis of een grotere auto. Voor het eerste kind (rang 1) krijgt de bijslagtrekkende het minste kindergeld. Dit bedrag wordt verhoogd voor het tweede kind. Vanaf het derde en volgende kind geldt een maximumbedrag.

 

Kinderen die een aandoening of handicap hebben, krijgen tot hun 21 jaar een bijkomende bijslag. Voor zij die geboren zijn voor 1 januari 1996 wordt een procentuele schaal en een zelfredzaamheidschaal gebruikt om te bepalen of een kind recht heeft op deze bijslag. De kinderen die na 1 januari 1996 geboren zijn, worden beoordeeld op basis van een medisch-sociale schaal. In functie van de ernst van de gevolgen van de aandoening krijgen ze meer financiële middelen. Deze vaststelling gebeurt op het gebied van lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid (pijler 1), graad van activiteit en participatie (pijler 2) en familiale omgeving (pijler 3)[132] (FOD Sociale Zekerheid, 2006b).

 

Wezenbijslag

Indien één van de ouders overlijdt, ontvangt de overlevende ouder of iemand anders een extra bedrag per maand zolang er geen nieuwe partner bij het gezin inwoont (FOD Sociale Zekerheid, 2006b).

 

Forfaitaire bijslag voor kinderen geplaatst bij een particulier

Als een kind geplaatst wordt, krijgt de persoon die het kind opvoedde voor de plaatsing een vast bedrag. Zo zijn (een deel van) de financiële kosten gedekt die noodzakelijk zijn om een band met het kind te onderhouden en een terugkeer voor te bereiden. Dit bedrag kan ingehouden worden indien er geen regelmatig contact meer is tussen de ouder en het geplaatste kind of als er geen blijk van belangstelling meer is voor het kind (FOD Sociale Zekerheid, 2006b).

 

Kraamgeld

Bij de geboorte van ieder kind dat recht geeft op kinderbijslag krijgen de ouders kraamgeld. Onder bepaalde voorwaarden hebben ouders van een kind dat dood geboren is, recht op kraamgeld. Bij de geboorte van het eerste kind ontvangt men het meest, voor elk kind dat daarna volgt, is de toegekende uitkering lager. Bij meerlingen krijgt de bijslagtrekkende voor elk kind het maximumbedrag, wat gelijk is aan het bedrag van de geboorte van een kind van rang 1 (FOD Sociale Zekerheid, 2006b).

 

Adoptiepremie

Onder bepaalde voorwaarden krijgen ouders die een kind adopteren deze premie. Het bedrag is gelijk aan het kraamgeld voor een kind van rang 1 (FOD Sociale Zekerheid, 2006b).

 

Sociale bijslagen

Pensioengerechtigden, volledig uitkeringsgerechtigde werklozen en arbeidsongeschikte werknemers, hebben vanaf de zevende maand van de werkloosheid of de arbeidsongeschiktheid recht op een sociale bijdrage indien een bepaald maximuminkomen niet overschreden wordt. Het maximaal toegelaten bedrag schommelt naargelang het gezinslid een gezinshoofd is of niet en het soort inkomen waarover deze persoon beschikt (vervangings- of beroepsinkomen) (FOD Sociale Zekerheid, 2006b).

Verloven verbonden aan gezinnen

Elk koppel en elk individu moet op een vrije en verantwoorde manier kunnen beslissen over het aantal kinderen dat zij wensen en de geboortespreiding (X, 2004). Ouderschap mag geen reden zijn voor discriminatie of een belemmering vormen voor de carrière. Tijdens de Staten-generaal van het Gezin lag de nadruk op de ontplooiing van de kinderen en de gelijkheid tussen man en vrouw bij de geboorte van een kind. Mannen maken namelijk minder gebruik van verloven die hieraan verbonden zijn.

 

Vrouwen genieten een moederschapsbescherming. Deze gaat in vanaf het moment dat ze haar werkgever inlicht over haar zwangerschap. Het doel is om de moeder in zo gunstig mogelijke arbeidsomstandigheden te laten werken zodat de gezondheid niet geschaad wordt. De moederschapsbescherming houdt een ontslagbescherming in, die geldt tot een maand nadat de moeder terug is beginnen te werken. Vrouwen kunnen van een inkomensgarantie genieten zodat een zwangerschap hen geen financiële kater bezorgd (FOD Sociale Zekerheid, 2006b; FOD Werkgelegenheid Arbeid en Sociaal Overleg, 2006).

 

Daarnaast biedt de wetgeving verschillende verlofregelingen aan om als ouder de nodige tijd te kunnen vrijmaken om bij het kind te zijn: moederschapsverlof, moederschapshulp, vaderschapsverlof, adoptieverlof, ouderschapsverlof, tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de prestaties tot een deeltijdse betrekking. Ook kan verlof aangevraagd worden in geval van bijstand of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid of voor een persoon die aan een ongeneeslijke ziekte lijdt. In dit laatste geval moet het niet om een familielid gaan (FOD Werkgelegenheid Arbeid en Sociaal Overleg, 2006).

Debat

In het voorgaande situeerden we heel breed de verschillende vormen van gezinsbijslagen en verloven die bestaan voor de Belgische gezinnen. Nu gaan we dieper in op een aantal smeulende kwesties binnen deze thema’s. Na een korte situering van de problemen die gesteld worden, worden de voornaamste discussiepunten behandeld. Dit gebeurt aan de hand van stellingen die gebaseerd zijn op de debatten die plaatsvonden binnen de Staten-generaal.

 

Gewone kinderbijslag

Een overheid kan op drie verschillende manieren omgaan met gezinnen met kinderen. Ten eerste is er de idee dat het hebben van kinderen een keuze is van het koppel. Volgens deze denkwijze moet de gemeenschap niet tussenkomen in de meerkost die deze beslissing veroorzaakt. Een andere zienswijze stelt dat elk kind een gelijke behandeling verdient en dus recht heeft op eenzelfde bedrag. Gelijke herverdeling staat hier centraal. Ten slotte kan de maatschappij de kosten voor levensonderhoud en opvoeding van kinderen op zich nemen. Het is immers in het belang van het voortbestaan van de staat (Staten-generaal van het Gezin cyclus II, 2006).

 

In België zijn de laatste twee visies van belang in de discussie rond het systeem van kinderbijslag in zijn huidige vorm. Twee vragen komen steeds terug: aan wie behoort het recht op kinderbijslag? En welke kosten moet de kinderbijslag dekken? Om hierop een antwoord te kunnen geven, moeten we nagaan of kinderbijslag een recht is dat gekoppeld is aan het bestaan van het kind, een recht van het kind of van de ouders. Deze vraag verwijst naar de breuklijn tussen individu en gezin en hangt samen met de tweede vraag: de kosten van een kind. Ook hier moet een afweging gemaakt worden tussen een universalistische benadering waarbij de kinderbijslag voor elk kind even hoog is ongeacht de achtergrondsituatie en een selectieve benadering waarbij kinderbijslag gezien kan worden als een middel om armoede te bestrijden. Onderzoek heeft immers uitgewezen dat voor 10,7% van de gezinnen de aanvulling van het gezinsinkomen door kinderbijslag noodzakelijk is. Het aantal gezinnen dat arm is zonder het inkomen uit kinderbijslag in rekening te brengen, bedroeg 13,6% in 1997. Door het kindergeld wel mee te tellen, halveert het percentage gezinnen dat in armoede leeft tot 6,7%. Vooral in grote huishoudens heeft de kinderbijslag een invloed: 30,0% is bestaanszeker door de kinderbijslag (Cantillon e.a., 2003; Cantillon e.a., 1996).

 

Cantillon, e.a. (1995) becijferden dat de kostprijs van alle gezinsbijslagen in België minimaal 3,3 miljard euro bedroeg in 1992. 77,3% van dit bedrag werd uitbetaald door de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers (RKW), 9,5% door het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen voor Zelfstandigen (RSVZ) en 13,1% door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de Provinciale en Plaatselijke Overheidsdiensten (RSZPPO) (Cantillon e.a., 2006). Over de jaren heen varieerde het percentage van het Bruto Binnenlands Product (BBP) dat besteed werd aan gezinsbijslagen. Waar dit in 1961 3% bedroeg, steeg dit tot 6,5% in 1985. Daarna daalde het weer en in 1997 bedroeg dit nog 4,5% van het BBP (Deleeck, 2001). Het aantal gezinnen dat kinderbijslag ontvangt, daalt ook: van 43,7% in 1985 tot 36,1% in 1997 (Cantillon e.a., 2003). Dit is te verklaren door het dalend aantal kinderen waar we het in het demografisch hoofdstuk al uitgebreid over hadden.

 

We zien de spreiding van het aantal rechtgevende kinderen per rang en het aantal gezinnen dat kinderbijslag krijgt uitgekeerd naargelang het stelsel dat voor de uitbetaling zorgt.

 

Tabel 6 Spreiding van het aantal rechtgevende kinderen per rang en het aantal gezinnen voor het stelsel van provinciale en plaatselijke overheidsdiensten (RSZPPO) - cijfers voor 2e kwartaal 2005 – het stelsel van zelfstandigen (RSVZ) en het stelsel voor werknemers (RKW), - beide cijfers 1e kwartaal 2005 -, procentueel.

 

Rang 1

Rang 2

Rang 3 en +

N kinderen

N gezinnen

RSZPPO

58,5

29,2

12,3

189 392

109 894

RSVZ

52,8

31,7

15,5

210 843

113 293

RKW

56,5

30,5

13,0

1 868 328

 1 025 292

Bronnen - bewerkt: (RKW, 2006b; RSVZ, 2005; persoonlijke brievwisseling RSZPPO)

 

Zowel bij de zelfstandigen als bij de werknemers en ambteren zijn meer dan de helft van de kinderen die recht geven op kinderbijslag van rang 1. Dit is niet verwonderlijk aangezien elk koppel met rechtgevende kinderen automatisch in rang 1 belandt. Slechts wanneer er meer rechtgevende kinderen in het gezin zijn, kan rang 2 of meer van toepassing zijn. Het uitgekeerde basisbedrag dat afhankelijk is van de rang van het kind stijgt naarmate er meer kinderen in het huishouden zijn. Er zijn nog weinig gezinnen die 3 of meer kinderen tellen. Volgens Deleeck (2001) zijn 2 of meer kinderen in een huishouden een voorrecht van de hogere inkomens.

 

Tabel 7 Aantal rechtgevende kinderen per leeftijdsklasse voor het stelsel van provinciale en plaatselijke overheidsdiensten (RSZPPO), zelfstandigen (RSVZ) en werknemers (RKW), procentueel, eerste kwartaal 2005.

 

- 6 jaar

6-12 jaar

12-18 jaar

+ 18 jaar

N

RSZPPO

22,9

26,4

31,5

19,1

186 990

RSVZ

17,6

26,5

32,1

23,7

210 843

RKW

28,2

28,1

28,3

15,4

1 868 328

Bronnen - bewerkt: (RKW, 2006b; RSVZ, 2005; RSZPPO, 2005).

 

Afhankelijk van de leeftijd van het kind wordt een leeftijdstoeslag toegekend. Vanaf de leeftijd van 18 jaar is het recht op kinderbijslag aan voorwaarden verbonden waardoor het aantal rechtgevende kinderen daalt in vergelijking met de andere leeftijdscategorieën. Een veelgehoorde kritiek is dat er een Matteüseffect[133] optreedt. Hiermee wordt verwezen naar gezinsondersteunende maatregelen die het onbedoelde effect hebben om de hogere inkomenscategorieën te bevoordelen. In het hoger onderwijs gebeurt dit door de ongelijke onderwijsparticipatie naargelang de socio-culturele achtergrond van de studenten. Er is een verschil in instroom naar hogere studies, duur van de studies en keuze van de studierichting. Vooral kinderen waarvan de ouders tot de hogere inkomenscategorieën behoren, studeren vaker en langer. Aangezien kinderbijslag een universeel recht is en uitbetaald wordt zolang het kind voltijds onderwijs volgt (tot maximum 25 jaar), gebeurt er een herverdeling van de lagere naar de hogere inkomensklassen (Cantillon, 1999b).

 

In Europees perspectief is België één van de landen die het meest uitgeeft aan kinderbijslagen. Gezinnen met kinderen kunnen daarnaast ook aanspraak maken op fiscale voordelen. In 2001 bekleedde België de derde plaats in financiële tegemoetkomingen voor gezinnen indien er enkel gekeken werd naar de toegekende belastingsvoordelen en gezinsbijslagen. Wanneer de vergoedingen verbonden aan huisvesting, kinderopvang, onderwijs en gezondheid in rekening werden gebracht, zakte België naar de 5e plaats (Cantillon e.a., 2003).

 

 

Het debat over de kinderbijslag is samen te vatten in drie stellingen. Ten eerste wordt er nagedacht over de toekenning van de kinderbijslag en of deze al dan niet afhankelijk moet zijn van de professionele status van de ouders. Vervolgens wordt besproken of de kinderbijslag al dan niet een recht is van het kind en welke implicaties dit heeft op het gebied van de toekenning ervan. Tot slot wordt aandacht besteed aan de kost van een kind. Elke van deze pistes wordt gepresenteerd met behulp van een stelling waarna de voor en tegenstanders hun plaats krijgen.

 

Stelling 1: Kinderbijslag is een recht gekoppeld aan het bestaan van het kind

Hoewel het vanzelfsprekend lijkt dat de opvoeder van elk kind kan beschikken over kinderbijslag, wordt dit niet automatisch uitbetaald. Eerst moet er een rechthebbende toegewezen worden. Door zijn/haar beroepssituatie opent deze persoon het recht op kinderbijslag. Een probleem is dat niet iedereen de beroepsloopbaan kan reconstrueren. Bij stopzetting van de betaling van sociale bijdragen, wat vooral bij zelfstandigen voorkomt, kan de uitbetaling stopgezet worden (FOD Sociale Zekerheid, 2006a). Door een verandering van sociaal statuut, bijvoorbeeld een werknemer die zelfstandige wordt, kan er een betalingsonderbreking optreden (Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting, 2005). Ondanks het bestaan van een stelsel van gewaarborgde kinderbijslag hebben de ouders van een aantal kinderen geen recht op kinderbijslag (Staatssecretariaat voor Gezinnen en Personen met een handicap, 2004).

 

Zowel Herman Deleeck (1994) als de Gezinsbond (Pas, 2005) stellen dat het bestaan van het kind het basiscriterium moet zijn voor het recht op kinderbijslag. Door het staatsburgerschap heeft elk kind recht op deze ondersteuning. Afhankelijk van de (financiële) gezinssituatie en eigenschappen verbonden aan het kind zoals leeftijd, gezondheidstoestand en handicap pleiten zij voor een aangepast bedrag.

 

Als we het recht koppelen aan het bestaan van het kind wil dit indirect zeggen dat het om een recht van de ouders gaat. De ouders staan immers in voor de besteding van dit geld. Een recht voor het kind is dus niet noodzakelijk ook een recht van het kind (Fierens, 1992). Deze discussie staat centraal in de volgende stelling.

 

Stelling 2: Kinderbijslag is een recht van het kind

Als kinderbijslag een recht van het kind is, is het onlogisch dat het ontvangen bedrag verschilt naargelang het beroepsstatuut van de aanvrager en de rang van het kind in het feitelijke gezin.

 

In een eenheidsstelsel zou elk kind hetzelfde bedrag ontvangen onafhankelijk van het arbeidsstatuut van de ouders, de gezinssituatie en de rang van het kind. Dit houdt een erkenning in van de rechten van het kind[134]. Een aantal middenveldorganisaties delen deze mening, maar vinden dat er toch rekening moet worden gehouden met de financiële situatie van het gezin en de leeftijd van het kind (Nederlandstalige vrouwenraad v.z.w., 2001; Pas, 2005; Staten-generaal van het Gezin cyclus II, 2006).

 

Financieel zorgt een gelijkschakeling tussen de verschillende systemen waarbij het bedrag van een kind van rang 1 bij zelfstandigen opgetrokken wordt naar het niveau van de andere stelsels voor een meerkost van ongeveer 125 miljoen euro. Door de bijdrage die zelfstandigen betalen te verhogen, kan deze extra kost minder hoog zijn (Cantillon, 2005; Deleeck, 2001). De vertegenwoordigers van de zelfstandigen zien dit echter niet zitten. Volgens hen moet er voorrang verleend worden aan de pensioenbijdrage. Gelijkschakeling door een verlaging van het basisbedrag van de kinderbijslag zien veel middenveldorganisaties niet zitten. Het kindergeld dekt volgens deze groeperingen nu reeds te weinig kosten (zie verder) (Staatssecretariaat voor Gezinnen en Personen met een handicap, 2004). Hoe dan ook heeft een hervorming van zowel de rang van het kind als de leeftijdsbijslag altijd een financieel kostenplaatje tot gevolg.

 

Bij  de idee van een ontkoppeling van de kinderbijslag met de socio-professionele situatie van de ouders, moet er ook nagedacht worden over de financiering. Deze gebeurt nu door de sociale bijdragen die de rechthebbende betaalt, maar kan ook gefinancierd worden door belastinggelden. Dit kan op termijn leiden tot een communautarisering.

 

Kinderbijslag als een recht van het kind bekijken, is een individualistische manier om over gezinsrelaties en de bescherming van het kind te denken (Pas, 2005). Een meer holistische visie houdt in kinderbijslag als een recht van de ouders te beschouwen. Door kinderbijslag als recht van de ouders te zien, kan deze financiële steun beschouwd worden als een manier om ouders hulp te bieden bij de investeringen in de opvoeding en opleiding van hun kind. Dit is noodzakelijk, want we zien dat kinderbijslag voor veel gezinnen een onmisbare bron van inkomsten is (Staten-generaal van het Gezin cyclus II, 2006; Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting, 2005).

 

Walter Van Dongen van het voormalige Centrum voor Bevolkings- en Gezinsstudie (CBGS) werkte een model uit waarin gezocht wordt naar een modus vivendi tussen kinderbijslag als recht van de ouders en als recht van het kind. Hij spreekt over een kindervergoeding gekoppeld aan een (para)fiscaal statuut van het kind. Het bedrag is bedoeld om de kosten verbonden aan onderwijs en kinderopvang op te vangen. Daarnaast krijgen gezinnen meer financiële verantwoordelijkheid in gebruik van diensten. Tot het kind de leeftijd van 18 jaar bereikt, zijn de ouders mee verantwoordelijk voor de besteding van dit geld, daarna zijn de jongeren volledig zelfstandig. Door sociale bijdragen en belastingen af te houden, begint iedereen vanaf zijn kindertijd al mee te sparen voor collectieve voorzieningen (Leysen, 1993).

 

Stelling 3: De kinderbijslag moet de minimumkost dekken van de opvoeding van een kind

Het is onmogelijk om alle kosten die een kind met zich meebrengt te dekken. Gezinnen hebben vanuit maatschappelijk, ethisch  en welvaartseconomisch oogpunt recht op een minimale inkomensbescherming (Pas, 2005). De vraag is echter welke kosten moeten worden gedekt en hoe kan je die berekenen?

 

De kost van een kind kan op verschillende manieren berekend worden. Een expert kan de noden en behoeftes van een kind op het gebied van voedsel, kledij, speelgoed, schoolkosten,… vaststellen. De kost van een kind is de totaalsom van al deze goederen en diensten. Een andere manier bestaat erin rekening te houden met het feitelijke uitgavenpatroon van gezinnen. Of aan gezinnen te vragen te schatten hoeveel geld zij nodig hebben om juist rond te komen. Het is duidelijk dat de vaststelling van de kost van een kind afhankelijk is van de gebruikte methode (Cantillon e.a., 1996).

 

Hoewel de kinderbijslag in België hoog is in vergelijking met andere landen, dekken ze de minimumkosten van een kind niet, zelfs niet indien rekening gehouden wordt met de (maximale) fiscale verminderingen (RKW, 1995). De kosten worden wel steeds beter benaderd naargelang het gezin groter is en de kinderen ouder, maar hoe meer kinderen, hoe hoger de (on)rechtstreekse druk op het huishoudbudget. Een mogelijke verklaring is dat in gezinnen met meerdere kinderen vaak één ouder ervoor kiest om thuis te blijven om voor de kinderen te zorgen. Hierdoor valt een inkomen weg. Kroostrijke gezinnen hebben ook meer kosten omdat ze in een ruimere woning en infrastructuur moeten voorzien (Cantillon e.a., 2003; Gezinsbond, 2004; Van den Bosch, 1997).

 

Het middenveld is verdeeld over de vraag of enkel de directe of ook de indirecte kosten moeten worden gedekt. Tijdens de vergaderingen van de Staten-generaal gingen er stemmen op om enkel de directe kosten te dekken. In deze visie moeten ouders zelf de indirecte kosten dragen omdat ze voor kinderen gekozen hebben. Tegenstanders werpen echter op dat gezinnen met lage inkomens ook recht hebben op kinderen, maar deze indirecte kosten niet altijd kunnen dragen. Zij pleiten voor een voldoende hoge kinderbijslag zodat de kosten van levensonderhoud, opleiding en opvoeding gecompenseerd worden (Pas, 2005; RKW, 1995).

 

De hoogte van de kinderbijslag koppelen aan het inkomen van de gezinnen is een optie, maar werkt de ongelijke behandeling van kinderen in de hand. Dit geldt ook voor het voorstel om het Franse stelsel van kinderbijslag toe te passen in België. Dit stelsel maakt een onderscheid tussen de verschillende gezinstypes. Eénoudergezinnen en huishoudens waar slechts één kostwinner aanwezig is, krijgen meer kinderbijslag dan gezinnen die gevormd worden door twee werkende partners. Er wordt met andere woorden een zekere selectiviteit doorgevoerd in het stelsel van kinderbijslagen om tegemoet te komen aan de specifieke prioritaire behoeften van de verschillende leefvormen. Concreet zou dit in het Belgische recht toegepast kunnen worden door een fiscale correctie in te voeren door kinderbijslag bij het belastbaar inkomen te voegen (Deleeck, 1993; Lamote, 1995; RKW, 1995).

Fiscaliteit

Door het heffen van belastingen kan de overheid meer gelijkheid in de samenleving creëren (Deleeck, 2001). Ze streeft er naar om alle gezinnen op een evenwaardige manier te behandelen ongeacht de burgerlijke staat of het vermogen om belastingen te betalen. Het Staatssecretariaat voor Gezinnen en Personen met een handicap stelt dat de fiscaliteit eenvoudig, rechtvaardig en doeltreffend moet zijn (Staten-generaal van het Gezin cyclus II, 2006). Net als bij de sociale zekerheidsregelingen voor gezinnen, kijken we in dit deel in eerste instantie naar de fiscale regelingen die in het leven geroepen zijn voor de Belgische gezinnen waarna dieper wordt ingegaan op het debat rond de individualisering van belastingen.

Gezinnen en fiscaliteit in België

 

Inleiding

In België is het gezin de basiseenheid voor de opbouw van de personenbelasting. Een gezin kan bestaan uit een man en een vrouw, twee mannen of twee vrouwen die samenleven, eventueel aangevuld met kinderen. Om als een gezin beschouwd te worden, moet dit wettelijk vastgelegd zijn door een huwelijk of samenleefcontract[135]. Feitelijk samenwonenden en éénoudergezinnen worden als alleenstaanden beschouwd. Ook de uitgebreide familie wordt niet in rekening genomen (Valschaerts, 2005).

 

Eén van de basisprincipes van de personenbelasting is de rechtstreekse progressiviteit. Hiermee wordt bedoeld dat personen/gezinnen die over een hoger inkomen beschikken, meer belastingen betalen dan zij in lagere inkomensschalen. Dit beeld moet wel genuanceerd worden door het bestaan van belastingsvrije sommen en belastingaftrek. Er wordt in de realiteit rekening gehouden met het inkomen, het vermogen en de gezinssamenstelling (Deleeck, 2001; Van Haegendoren, 1996). Om het fiscale beleid gezinsvriendelijk te maken, kan de overheid kiezen uit vier technieken: belastingsaftrek en -verminderingen, belastingskrediet, de belastingsvrije som en het voordelig belastingstarief (Cantillon e.a., 2003).

 

Toen het belastingssysteem in 1944 werd uitgetekend, stond het kostwinnersmodel centraal. Dit houdt in dat een gezin (over)leeft met één beroepsinkomen dat meestal door de man verdiend wordt. Vanaf de jaren 1960 veranderde dit traditionele arbeidspatroon. Tweeverdienersgezinnen kwamen op en werden langzaam maar zeker het standaard gezinstype. In de jaren 1950 ging men er echter nog vanuit dat de vrouw door het huwelijk economisch afhankelijk werd van haar partner. De overheid kende daarom afgeleide sociale en fiscale rechten toe. Concreet werden door dit systeem de thuiswonende meerderjarige kinderen of de huwelijkspartner beschermd door het inkomen van één van de partners. De hoogte van de uitkeringen was afhankelijk van de gezinssituatie (Cantillon, 1999a; Jepsen e.a., 1997).

 

Personenbelasting

In 1962 werden de inkomsten van gehuwden volledig samengeteld voor de berekening van de belasting (cumul). Rekening houdend met de progressiviteit van het belastingsstelsel, was de belastingsdruk voor gehuwde tweeverdieners groter dan voor andere gezinstypes. Trouwen was fiscaal niet aantrekkelijk. Toch werd dit ingevoerd met als achterliggend idee dat tweeverdieners relatief minder zware kosten hadden dan alleenstaande of ééninkomensgezinnen. In 1976 keurde de regering een wet goed waardoor gehuwde koppels vanaf het aanslagjaar 1977 recht hadden op een beperkte vorm van decumul. Er bestond nu de mogelijkheid om het gezinsinkomen op te splitsen en afzonderlijk te belasten tot een vooraf vastgesteld maximum. Als de bedragen hoger waren dan dit plafond, dan bleef de cumul behouden. Om de belastingsdruk voor tweeinkomensgezinnen te verlichten, werd een onderscheid gemaakt tussen gezinnen waar beide partners werken en deze waar slechts één partner werkt. Vanaf het aanslagjaar 1985 bepaalde het aantal werkende partners in een gezin de gebruikte aanslagvoet. In 1988 werden het geplafonneerde huwelijksquotiënt (HQ) en de onbeperkte decumul ingevoerd die vanaf het aanslagjaar 1990 in werking traden. Dit zorgde voor een verlichting van de belastingsdruk voor de meeste gehuwde koppels. Met deze veralgemening werd de individualisatie van de fiscaliteit een feit (Cantillon & Verbist, 1999; Gezinsbond, 2004; Valschaerts, 2005).

 

De nieuwe belastingshervorming in 2001 had onder andere tot doel een aantal discriminaties met betrekking tot het gezinsbeleid te beperken of op te heffen. Zo is bijvoorbeeld de belastingsvrije som voor personen ten laste voor iedereen gelijk ongeacht de burgerlijke staat. Sinds het aanslagjaar 2005 worden gehuwden en wettelijk samenwonenden gelijk behandeld in fiscale aangelegenheden (FOD Financiën, 2006). Personen die feitelijk samenwonen worden als alleenstaanden beschouwd dit om neutraal te blijven tegenover de individuele keuze van de burgers. Indien zij als ‘gezin’ beschouwd willen worden, kunnen zij huwen of een samenleefcontract afsluiten. Morele bezwaren buiten beschouwing gelaten, is het ook praktisch moeilijk te bewijzen of iemand samenwoont zonder dat de overheid zich in de privé-aangelegenheden van de burgers mengt. Er bestaan echter nog een aantal ongelijkheden tussen de verschillende gezinstypes. Schulden van de ene partner kunnen op de andere verhaald worden bij gehuwden en wettelijk samenwonenden. De partners moeten hun aangiftes gemeenschappelijk indienen (Valschaerts, 2005). De fiscale kloof tussen tweeverdiener- en éénverdienergezinnen wordt echter steeds groter. Vereeck becijferde dat ééninkomensgezinnen 16% meer belastingen betalen op hetzelfde inkomen voor het aanslagjaar 2006. De invoering van de onbeperkte decumul voor gehuwden wordt als oorzaak gezien van dit verschil (Gorle, 2006; Standaert, 2006).

 

Belastingaftrek

Bij de berekening van de personenbelasting wordt rekening gehouden met de burgerlijke staat en het aantal beroepsinkomens waarop een gezin aanspraak kan maken. Officieel samenwonende tweeverdieners en gehuwden moeten gebruik maken van de regel van decumul of individualisatie. Dit wil zeggen dat de beroepsinkomsten afzonderlijk belast worden. Daarnaast kunnen gezinnen met kinderen jonger dan 12 jaar die naar de opvang gaan bij een erkende dienst, kinderdagverblijf, zelfstandig opvanggezin of een opvangvoorziening verbonden aan een school of inrichtende macht een bepaald bedrag fiscaal aftrekken. De redenering hierachter is dat ook kinderen die reeds naar school gaan, behoefte hebben aan opvang tijdens de schoolvakanties, periodes van ziekte,… (FOD Financiën, 2006).

 

Eéninkomensgezinnen, zowel gehuwden als wettelijk samenwonenden, kunnen gebruik maken van het huwelijksquotiënt (HQ). Als slechts één van de partners een beroepsinkomen heeft, kan 30% van dit inkomen fictief toegekend worden aan de niet-werkende partner. Er geldt wel een maximumbedrag dat overgeheveld kan worden. Bij uitzondering kunnen ook tweeinkomensgezinnen gebruik maken van deze maatregel. Hiervoor moet het beroepsinkomen van minstens één persoon onder een bepaald maximumbedrag blijven. Om tegemoet te komen aan de belastingsaftrek voor kinderopvang bij tweeverdieners, wordt er voor ééninkomensgezinnen een extra belastingsvrije som voorzien voor kinderen jonger dan 3 jaar die niet naar een formele vorm van opvang gaan[136] (FOD Financiën, 2006).

 

Het huwelijksquotiënt (HQ) vs individualisatie

De invoering van het huwelijksquotiënt (HQ) in 1988 moest de personenbelasting gezins- en kindvriendelijker maken. Hierdoor verlaagt de fiscale druk in gezinnen waar slechts één beroepsinkomen is. Eén van de ouders kan in alle vrijheid kiezen om niet te gaan werken en in te staan voor de opvoeding van de kinderen. De thuisblijvende partner, meestal de vrouw, wordt via de afgeleide rechten beschermd tegen risico’s (Cantillon, 1999a; Jepsen e.a., 1997). In het licht van de demografische evolutie waarbij 7 op de 10 huwelijken vroeger eindigt dan de dood van één van de partners, bieden deze rechten niet meer de beste sociale bescherming. Men kan er geen aanspraak meer op maken als de persoon die het recht opende zelf zijn (directe) sociale rechten verliest. Ook als de band met deze persoon verdwijnt door echtscheiding of dood, valt de bescherming weg (Eurostat, 2006b). Wettelijk samenwonenden kunnen in België vooralsnog geen beroep doen op afgeleide rechten (FOD Financiën, 2006).

 

Radicaal tegenovergesteld aan het HQ is de individualisatie van de belastingen: de personenbelasting wordt op basis van het individuele arbeidsinkomen van elke persoon berekend zonder rekening te houden met de burgerlijke staat, de gezinssituatie en bestaansmiddelen. Doorgedreven individualisatie leidt tot de afbouw van afgeleide rechten, want iedere persoon staat in voor de opbouw van zijn eigen rechten. Dit gebeurt door sociale bijdragen te betalen aan de sociale zekerheid (Jepsen e.a., 1997).

 

© Pierre Kroll, 2004

 

Personen ten laste

Zeer algemeen geldt dat hoe hoger het inkomen is, hoe hoger de aanslagvoet is die gebruikt wordt om te bepalen hoeveel belastingen iemand moet betalen. Hiervoor is het belangrijk te weten hoeveel personen de belastingplichtige fiscaal ten laste heeft. De belastingsvrije som, waar elke persoon recht op heeft, wordt namelijk verhoogd per persoon ten laste.

 

De partner kan nooit als ten laste beschouwd worden. Wel kan dit belastingsvoordeel, onder bepaalde voorwaarden, gebruikt worden voor kinderen, ouders en broers of zussen. Deze personen moeten deel uitmaken van het gezin gedurende het aanslagjaar, geen eigen inkomen hebben dat hoger is dan een vooraf bepaald bedrag of een loon hebben dat voor de belastingsplichtige een aftrekbare beroepskost is (Beghin & Van De Woesteyne, 2003). Het plafond van dit maximumbedrag verschilt naargelang de burgerlijke staat. Kinderen die ten laste van een alleenstaande vallen, mogen meer verdienen dan zij die ten laste vallen van iemand die gehuwd of wettelijk samenwonend is (FOD Financiën, 2006).

 

De belastingsvrije som

De extra belastingsvrije som is, net zoals de kinderbijslag, een maatregel om de lasten voor het onderhoud en/of de opvoeding van personen te compenseren. Het bedrag waar elke persoon recht op heeft, mag verhoogd worden per kind ten laste. Ook hier geldt, zoals bij de kinderbijslag, een rangprogressiviteit. Hoe meer kinderen ten laste, hoe hoger de belastingsvrije som. Kinderen onder de 3 jaar geven recht op een bijkomende verhoging indien er geen kosten voor kinderopvang worden ingebracht. Kinderen met een handicap[137] tellen voor twee. Dit wil zeggen dat naast de eigen rang, ook de belastingsvrije som van de volgende rang afgetrokken mag worden. Een alleenstaande met kinderen ten laste mag rekenen op een verhoogde toeslag op de belastingsvrije som. Voor andere personen die als ten laste beschouwd worden, geldt een vast bedrag wat gelijkgesteld is aan de belastingsvrije som voor kinderen van rang 1 (Beghin & Van De Woesteyne, 2003).

 

Het belastingskrediet

Gezinnen die niet ten volle gebruik kunnen maken van fiscale voordelen, hebben sinds 2001 recht op een belastingskrediet. Personen waarvan het inkomen onder een bepaalde belastingsdrempel liggen, moeten immers geen belastingen betalen, maar kunnen ook niets aftrekken. Deze maatregel komt voornamelijk de armere gezinnen ten goede (Valschaerts, 2005). Enkel personen met kinderen ten laste die dit recht opeisen, kunnen hier gebruik van maken. De overheid heeft namelijk geen zicht op de personen die hier aanspraak op kunnen maken. Sinds 1994 moeten belastingplichtigen die geen beroepsactiviteit uitoefenen geen belastingsaangifte meer invullen indien hun inkomen onder een bepaalde drempel ligt.

 

De bedrijfsvoorheffing

Ook bij de berekening van de bedrijfsvoorheffing, dit is de voorafbetaling van de persoonlijke belastingen, is het noodzakelijk te weten hoeveel personen iemand ten laste heeft. Naargelang het jaarinkomen en de gezinstoestand wordt een bedrag maandelijks afgetrokken van het brutoloon. De som van deze maandelijkse bedragen wordt jaarlijks afgetrokken van de te betalen belastingen. Hoe meer gezinslasten, hoe hoger dit bedrag. Op sociale uitkeringen moet ook bedrijfsvoorheffing worden betaald.

 

Hoewel er op fiscaal vlak geen onderscheid meer is tussen gehuwden/wettelijk samenwonenden en alleenstaanden met betrekking tot de belastingsvrije inkomensbedragen, blijft dit onderscheid wel bestaan bij de bedrijfsvoorheffing. Gehuwde/wettelijk samenwonende ouders ontvangen minder voorheffingsvermindering dan alleenstaande ouders. Ook is er een verschil tussen gescheiden ouders die als alleenstaande belast worden en weduwe(naren)/alleenstaande ouders die nooit huwden. Alle ouders die als alleenstaanden belast worden, hebben recht op een bijkomende belastingsvrije som. Bij de berekening van de bedrijfsvoorheffing wordt echter geen rekening gehouden met de feitelijke toestand van de persoon in kwestie. Zodoende moeten gescheiden ouders die niet opnieuw huwen of wettelijk gaan samenwonen doorgaans twee jaar wachten op deze financiële ondersteuning.

Debat

Door uiteenlopende situaties en levensomstandigheden waarin de gezinnen leven, is het debat rond gezinsfiscaliteit een uiterst complexe materie. De discussie over het te voeren beleid situeert zich rond de tegenstelling ‘oriëntatie naar het gezin of naar het individu’. Er is steeds aandacht voor het solidariteits- en gelijkheidsbeginsel (Staten-generaal van het Gezin cyclus II, 2006). We geven eerst meer achtergrondinformatie over de verschillende thema’s om daarna dieper in te gaan op een aantal onbeantwoorde vragen in dit debat.

 

Huwelijksquotiënt (HQ) vs individualisatie

Uit onderzoek blijkt dat slechts  een derde van de huishoudens die gebruik maken van het HQ gezinnen met kinderen zijn. Drie vierden van de koppels die gebruik maken van het HQ zijn gepensioneerd. Vaak nemen grootouders die gebruik maken van het HQ de opvang van de kleinkinderen op zich. Op deze manier draagt het HQ bij tot de opvoedende en verzorgende taak in een aantal gezinnen. 77% van de gezinnen waar beide partners uit gaan werken, maar één inkomen zodanig laag is zodat ze toch in aanmerking komen voor het HQ, maken ook gebruik van de aftrekbaarheid van opvangkosten. Ongeveer 90% van de ééninkomensgezinnen met kinderen jonger dan drie jaar maken gebruik van de belastingsvrije som voor kinderen onder de drie jaar (Staatssecretariaat voor Gezinnen en Personen met een handicap, 2004).

 

Kritische geluiden hebben betrekking op het vrouwonvriendelijk karakter van het HQ, de werkloosheidsval en de ongelijkheden tussen burgers die het zou veroorzaken. Hoewel in de wetgeving geen verwijzing naar geslacht staat, blijkt de vrouw in 98% van de gezinnen die gebruik maken van het HQ thuis te blijven. Dit komt omdat in de realiteit het loon van de mannen vaak hoger ligt dan dat van  de vrouw. Als beide partners gaan werken, worden zij belast op hun individuele inkomen. Gezinnen die gebruik maken van het HQ moeten niet enkel rekening houden met extra kosten verbonden aan het gaan werken (vervoerskosten, uitbesteding huishoudelijke arbeid), maar ook met het wegvallen van het HQ als de thuisgebleven partner besluit te gaan werken (Staatssecretariaat voor Gezinnen en Personen met een handicap, 2004). De ongelijkheden die voortkomen uit het gebruik van het HQ hebben betrekking op de verschillen tussen gezinnen die gebruik (kunnen) maken van het HQ en verschillen tussen inkomenscategorieën. Het bedrag dat overgedragen mag worden aan de partner door het HQ wordt procentueel uitgedrukt. Dit heeft voor gevolg dat de niet-beroepsactieve partner naargelang het inkomen van de werkende partner fiscaal meer of minder gewaardeerd wordt (Nederlandstalige vrouwenraad v.z.w., 1996). Gezinnen die tot de lagere en de middelste inkomenscategorieën behoren, halen het meeste voordeel uit het HQ. De hogere inkomensklassen moeten rekening houden met de plafonnering. De allerlaagste inkomens kunnen maar een zeer laag bedrag overdragen en als het totale inkomen in zo’n gezin onder een bepaalde benedengrens ligt, betalen ze geen belastingen. Hierdoor kunnen ze ook geen aanspraak maken op het fiscale voordeel. Dit wordt deels gecompenseerd door het belastingskrediet (Cantillon & Verbist, 1999). Uit demografische analyses blijkt dat het aantal alleenstaanden met kinderen stijgt, terwijl het aantal gehuwde koppels met kinderen daalt (FOD Economie, 2006c). Eénoudergezinnen en feitelijke gezinnen kunnen echter geen beroep doen op het HQ (Cantillon & Verbist, 1999). De Gezinsbond vindt dat éénoudergezinnen op een andere manier dan het HQ financieel moeten worden ondersteund. Feitelijke gezinnen kunnen gebruik maken van het HQ door zich te laten registreren als wettelijk koppel (Gezinsbond, 2004).

 

De vraag kan gesteld worden in welke mate het solidariteitsbeginsel boven het verzekeringsprincipe gerechtvaardigd is. Aan de hand van stellingen worden de verschillende argumenten bekeken. Allereerst wordt dieper ingegaan op een aantal beperkingen van het HQ en hoe deze kunnen worden opgelost. In de volgende twee stellingen komt het gelijkheidsprincipe aan bod. Leidt individualisering tot gelijkheid tussen mannen en vrouwen en tussen verschillende gezinsvormen? De laatste twee stellingen handelen over een eventuele hervorming van individualisering of van het HQ zodat het fiscaal stelsel gezinsvriendelijker wordt.

 

Stelling 1: De beperkingen van het huwelijksquotiënt moeten opgeheven worden

In de huidige regeling mag 30% van het inkomen van de werkende partner overgedragen worden op de niet of weinig werkende partner. Voor de verdeling van schuldvorderingen, erfenissen, scheidingen en huwelijkscontracten gaat de overheid echter altijd uit van een 50-50-verdeling. Zowel de Nederlandstalige vrouwenraad (1996), als de Gezinsbond (2004) pleiten ervoor om deze verhouding tot 60/40 te brengen zodat deze maatregel beter overeenkomt met de werkelijkheid en kan concurreren met de onbeperkte decumul bij tweeverdieners. Ook de discriminatie voor het jaar van samenwonen moet worden opgeheven. Koppels moeten de keuze krijgen om in het jaar dat ze wettelijk gaan samenwonen of huwen als een fiscaal koppel geregistreerd te staan of als alleenwonend beschouwd te worden.

 

Stelling 2: Individualisering is een middel om gelijke rechten voor mannen en vrouwen te bekomen

Gelijke rechten betekent dat mensen, ongeacht hun leefsituatie en levenswijze, eenzelfde uitkering of loon krijgen. Elke persoon zorgt zelf voor de opbouw van rechten door zelf bijdragen aan de sociale zekerheid te betalen. Op deze manier wordt de werkloosheidsval omzeild en een evenwicht bereikt tussen sociale verzekering en solidariteit: iedereen draagt in gelijke mate bij en krijgt hetzelfde bedrag uitgekeerd. De sociale bescherming geldt voor de hele bevolking en niet enkel voor zij die aanwezig zijn op de arbeidsmarkt. Zo zal zowel de man als de vrouw bij een eventuele echtscheiding aanspraak kunnen maken op een uitkering die ze zelf hebben opgebouwd. Hierdoor zijn ze niet op bijstand aangewezen en verkleint de kans om in kansarmoede te vervallen door het gebrek aan eigen inkomsten of uitkeringen. Met het individu als basiseenheid moeten de beslommeringen over het verlies van rechten en uitkeringen bij de keuze om thuis te blijven of om te gaan werken niet meer in overweging worden genomen.

 

Er moet echter ook betaald worden voor deze rechten, maar niet iedereen heeft een eigen inkomen, denk bijvoorbeeld aan de niet-werkende partner of de thuiswonende, meerderjarige student. De hoogte van de bijdrage kan niet bepaald worden omdat er geen inkomen is. Omdat niet iedereen een partner heeft, kan dit ook niet berekend worden op het hele of gedeeltelijke inkomen van die partner. In een maatschappij waar een hoog percentage huwelijken voortijdig stopgezet worden, is het niet haalbaar het bedrag van de bijdrage te koppelen aan het voortbestaan van het koppel. Het is ook in strijd met het principe van individualisatie waar iedereen zelf voor zijn rechten zorgt (Jepsen e.a., 1997).

 

Stelling 3: Doorgedreven individualisatie leidt tot ongelijkheid tussen verschillende gezinsvormen (Het HQ afschaffen)

Als elke persoon, ongeacht de huishoudelijke situatie, eenzelfde uitkering krijgt, zullen de kosten van de sociale uitkeringen stijgen en de bedragen inefficiënt uitgekeerd worden. Deze geldsom mag niet zo laag zijn dat de lage inkomenscategorieën of alleenstaanden in de problemen komen, maar voor huishoudens die bestaan uit tweeverdieners zullen deze uitkeringen waarschijnlijk te hoog zijn. Een oplossing is om een basisuitkering vast te leggen die voor iedereen geldt. Enkel zij die kunnen bewijzen dat een verhoging gerechtvaardigd is, kunnen een hogere uitkering krijgen. Deze manier van werken is niet zo privacy-bedreigend en omslachtig, en voorkomt misbruik (Deleeck, 1993; Van Haegendoren, 1995).

 

Indien in België de personenbelasting geïndividualiseerd wordt, levert dit 1,8 miljoen euro extra op voor de schatkist. Met betrekking tot de verschillende gezinstypes winnen de gezinnen met een hoog inkomen het meest. Ondanks verschillende compensatieschikkingen en overgangsregelingen[138] verliezen de gezinnen die nu gebruik maken van het HQ en gezinnen met één inkomen steeds. Overgangsmaatregelen buiten beschouwing gelaten, zijn vrouwen met een laag loon of een onvolledige loopbaan de dupe (Staatssecretariaat voor Gezinnen en Personen met een handicap, 2004).

 

Stelling 4: Er moet gestreefd worden naar individualisatie met gezinsmodulatie

Door rekening te houden met de behoeftes van de verschillende gezinsvormen, kan er een variatie zijn met betrekking tot de uitgekeerde sociale bijdragen. Het doel is dat alle personen hun levensstandaard moeten kunnen aanhouden bij het verlies van een inkomen. In deze visie krijgen ééninkomensgezinnen en alleenstaanden hogere uitkeringen dan meerinkomensgezinnen, wordt de hoogte van de uitkering tijdens een loopbaanonderbreking in functie van het gezinsinkomen bepaald en wordt de rangorde van de kinderen in rekening gebracht om het bedrag van de kinderbijslag te bepalen. In de huidige regeling ondervinden meerinkomensgezinnen immers een inkomensval van 5% ten opzichte van 20% bij ééninkomensgezinnen indien er een arbeidsloon wegvalt (Deleeck, 1993).

 

Bij gezinsmodulering wordt er op een positieve of negatieve manier gediscrimineerd. Hiervoor moeten de gezinnen die de voordelen krijgen duidelijk onderscheiden kunnen worden van de andere gezinnen. Dit is echter niet altijd het geval: in een huishouden dat over één inkomen beschikt, kan dit inkomen zowel hoog als laag zijn. Er speelt ook een generatie-effect: voornamelijk ouderen maken gebruik van het HQ. Een gezin is daarenboven een dynamisch gegeven. Een alleenstaande kan feitelijk gaan samenwonen, dit laten officialiseren, een jaar later scheiden en verder door het leven gaan als alleenstaande ouder (Van Haegendoren, 1995).

 

Stelling 5: Het huwelijksquotiënt moet omgevormd worden tot een gezinsquotiënt. Het moet m.a.w. rekening houden met het aantal kinderen en personen ten laste

Door bij de bepaling van de aanslagvoet alle beroepsinkomsten van een huishouden samen te tellen en te delen door het aantal personen dat fiscaal ten laste is, kan er meer rekening gehouden worden met de aanwezigheid van kinderen in een gezin (Staatssecretariaat voor Gezinnen en Personen met een handicap, 2004).

 

In de ogen van de Gezinsbond (2004) heeft deze omschakeling als voordeel dat de zorgende en opvoedende taak in het gezin fiscaal ondersteund is. Zij pleiten voor een uitdoving van de reeds verworven rechten en het HQ enkel door die koppels te laten gebruiken die een zorgende of opvoedende taak op zich hebben genomen.

 

Personen ten laste

Hoewel de uitgaven voor fiscale voordelen van kinderen ten laste beperkt zijn ten opzichte van de gezinsbijslagen (respectievelijk 720 miljoen en 3,3 miljard euro), zijn ze in Europees perspectief niet te verwaarlozen. België komt op het gebied van gezinspolitieke maatregelen op de vierde plaats na Noorwegen, Luxemburg en Frankrijk. Volgens de EG-normen waren 1,2% van de gezinnen bestaanszeker in 1992 door toegekende belastingsverminderingen. Vooral éénoudergezinnen en ééninkomensgezinnen hebben er baat bij (Cantillon e.a., 1995).

 

Op basis van de burgerlijke staat kunnen de verschillende gezinsvormen met hetzelfde aantal kinderen en hetzelfde inkomen aanspraak maken op een uiteenlopende fiscale aftrek. Hoewel zowat alle ééninkomensgezinnen een beroep doen op kinderopvang, is de aftrek van deze kosten niet variabel naargelang het inkomen. Ook het systeem van dienstencheques geeft aanleiding tot discriminaties tussen wettelijk en niet-wettelijk samenwonenden en tussen alleenstaanden en feitelijke koppels. Voor de berekening van de belastingsaftrek wordt immers gekeken naar de burgerlijke staat. Het maximaal aftrekbare bedrag is geplafonneerd voor wettelijke gezinnen. Feitelijke gezinnen, die in se als alleenstaanden beschouwd worden, kunnen deze kosten twee keer aftrekken. Families die onder een bepaalde inkomensdrempel vallen, kunnen daarenboven niet altijd aanspraak maken op alle fiscale voordelen (Staatssecretariaat voor Gezinnen en Personen met een handicap, 2004).

 

Stelling 1: Er moet een voorkeur gegeven worden aan rechtstreekse sociale tegemoetkomingen in plaats van fiscale voordelen

Door directe subsidies (door de gewesten en gemeenschappen) of belastingverlagingen (door de federale overheid) toe te kennen, ondersteunt de overheid gezinnen. Voor de burger is het vaak voordeliger om een rechtstreekse subsidie te ontvangen. Via fiscale weg duurt het ongeveer twee jaar alvorens gezinnen financieel worden geholpen, tenzij het voordeel in de bedrijfsvoorheffing wordt opgenomen. Het is voor de meeste gezinnen belangrijk om geld ter beschikking te hebben als het nodig is, maar niet alle families komen in aanmerking voor alle fiscale voordelen omdat hun inkomen onder de belastingdrempel ligt en ze hierdoor geen belastingen moeten betalen.

 

Een stelsel van rechtstreekse uitkeringen is beter te controleren dan belastingsverlagingen. Het is ook makkelijker om hulp te bieden aan gezinnen die er echt nood aan hebben. Dit vereist wel dat de doelgroep duidelijk en objectief omschreven kan worden. Niet alle belastingvoordelen lenen zich er toe om omgezet te worden in directe uitkeringen. Daarom is het noodzakelijk om steeds na te gaan welke techniek de doeltreffendste, eenvoudigste en goedkoopste is (belastingskrediet versus fiscale aftrek versus subsidie). Op deze manier kan de kwetsbaarheid van zwakkere personen worden ingeperkt (Staatssecretariaat voor Gezinnen en Personen met een handicap, 2004).

 

(Burgerlijk) recht

Om een samenleving in goede banen te leiden, gebruikt de overheid een geheel van gedragsvoorschriften. Als deze niet nageleefd worden, kan de overheid een sanctie opleggen. Via het rechtssysteem kan een overheid dus invloed uitoefenen op haar burgers. Concreter, in een land waar het niet mogelijk is om te scheiden, zullen er officieel ook geen gescheiden mensen leven. In dit derde deel gaan we dieper in op rechtsregels die het gezin aanbelangen. We bespreken eerst de mogelijke samenleefvormen die toegestaan zijn in het Belgische recht. We zullen zien dat de beschermingsgraad tussen deze leefwijzen verschilt, wat onder andere gevolgen heeft wanneer een koppel besluit om uit elkaar te gaan. Daarna gaan we dieper in op het ouderschap en de ouderlijke verantwoordelijkheden. Om af te sluiten, geven we als achtergrond een aantal cijfergegevens mee en bespreken we een aantal hete hangijzers binnen dit thema.

Samenleefvormen

In België kunnen meerderjarige personen, ongeacht het geslacht, op drie verschillende manieren samenwonen. Wanneer personen gaan samenwonen zonder dit aan een officiële instantie te melden, woont men feitelijk samen. Als ze dit wel laten registreren, woont men wettelijk samen. Om te kunnen samenwonen, moet er geen sprake zijn van een liefdesrelatie, ook broers en zussen mogen hun samenwoning laten officialiseren. Een derde samenleefvorm is het huwelijk. De graad van bescherming tussen de partners verschilt naargelang de gekozen samenleefvorm (Senaeve, 2004).

 

In het Belgische recht is het huwelijk de oudste vorm om een relatie tussen twee personen te institutionaliseren. Sinds 2003 kunnen ook personen van hetzelfde geslacht trouwen. Bij het aangaan van een huwelijk belooft men lief en leed te delen, maar ook bezittingen en schulden. Hoe dit verdeeld moet worden na de scheiding of bij de dood van één van de partners is wettelijk vastgelegd (Federale Overheid, 2006).

 

Sinds 1 januari 2000 is het ook mogelijk om samen te wonen zonder te trouwen. Hiervoor moet een verklaring van wettelijke samenwoning afgelegd worden voor een gemeentelijke ambtenaar van de burgerlijke stand. Via deze weg hebben samenwonenden meer juridische zekerheid: de financiële situatie en de huisvesting van het koppel wordt geregeld. Op het gebied van erfenis of overlijden van één van de partners is er echter niets geregeld (Ministerie van Binnenlandse Zaken, 1999).

 

Koppels kunnen ook opteren voor het feitelijk samenwonen. Bij deze vorm hebben de partners geen wettelijke verplichtingen tegenover elkaar, maar kennen ze ook geen enkele graad van bescherming  als ze uit elkaar gaan of  als één van de partners overlijdt (Senaeve, 2004).

 

Enkel koppels die wettelijk samenwonen of gehuwd zijn, worden beschouwd als een wettig gezin dat door de wet geregeld en beschermd wordt (Senaeve, 2004).

Uit elkaar gaan

 

Het uit elkaar gaan naargelang de samenleefvorm

Afhankelijk van de samenleefvorm, gelden er andere regels als een koppel besluit om uit elkaar te gaan.

 

Koppels die feitelijk samenwonen moeten, net zoals bij het aangaan van de verbintenis, geen specifieke regels volgen. Ze beslissen zelf hoe ze hun goederen, inkomsten,… onderling verdelen. Een koppel dat wettelijk samenwoont en uit elkaar gaat, is verplicht dit te melden aan de gemeentelijke ambtenaar van de burgerlijke stand. Een partner kan op elk ogenblik van de samenwoning de relatie eenzijdig verbreken. De afhandeling van de scheiding gebeurt zoals overeengekomen in het samenlevingscontract (art.1476 GerW).

 

Koppels die gehuwd zijn, kunnen drie wegen bewandelen om uit elkaar te gaan: echtscheiding op grond van bepaalde feiten of wegens schuld; echtscheiding met onderlinge toestemming (EOT); en echtscheiding op grond van feitelijke scheiding van meer dan twee jaar. De echtscheidingswetten voor gehuwden die vandaag bestaan, zijn in feite heel oud en gaan terug tot de Franse ‘Code Civil’ van 1804. Aan deze oude Code Civil werd in de loop der jaren gesleuteld om die beter af te stemmen op de maatschappelijke ontwikkelingen.

 

Scheiden op grond van bepaalde feiten of omwille van schuld is één van de oudste echtscheidingsprocedures. Met bepaalde feiten worden gewelddaden, mishandeling of grove beledigingen van één van de echtgenoten naar de andere toe bedoeld. Als overspel de oorzaak van scheiding is, is er sprake van scheiding omwille van schuld. De partner die ‘schuldig’ bevonden wordt, kan verplicht worden onderhoudsgeld te betalen. Dit schuldvermoeden kan worden weerlegd. Als er geen schuldige kan worden vastgesteld, moet er geen alimentatie worden betaald (art.229-231 BW).

 

De echtscheiding op basis van onderlinge toestemming (EOT) in haar huidige vorm, werd grondig hervormd in 1994. Voorwaarde is dat beide partners minimum 20 jaar zijn en hun huwelijk twee jaar geduurd heeft. Als beide partners instemmen om te scheiden en een gedetailleerde overeenkomst uitwerken waarin alle gevolgen van de scheiding beschreven staan, kunnen ze, na twee maal voor de rechter te zijn verschenen, uit elkaar gaan. In het totaal duurt deze procedure ongeveer zes maanden (art.233, 275, 276 BW).

 

Sinds 1974 is het mogelijk om te scheiden op basis van feitelijke scheiding van 2 jaar. Deze manier van scheiden wordt meestal voorafgegaan door een scheiding van tafel en bed (art. 1309-1310 GerW). De wetgever gaat er van uit dat het beter is een slecht huwelijk te laten eindigen dan dit te laten aanslepen. Diegene die de scheiding aanvraagt, wordt verantwoordelijk geacht voor de scheiding, maar het vermoeden van schuld kan worden weerlegd. De ‘schuldige’ van de scheiding kan verplicht worden tot het betalen van onderhoudsgeld aan de partner. Deze echtscheidingsvorm kan ook gebruikt worden als één van de partner geestesziek is (art.232 BW; Gerlo, 2003).

 

Onderhoudsgeld / alimentatie

Er bestaat een onderhoudsverplichting tussen bloedverwanten, ouders en kinderen, maar ook tussen echtgenoten en wettelijk samenwonenden. Tijdens de samenwoonrelatie dragen ze elk naar eigen vermogen bij in de kosten. Als ze uit elkaar gaan, blijft deze plicht gelden. Wettelijk samenwonenden die dit hebben laten vastleggen in hun samenlevingscontract en in bepaalde gevallen ook gehuwden, kunnen onderhoudsgeld eisen van hun ex-partner (Gerlo, 2003). Dit is een bedrag dat op regelmatige basis wordt uitgekeerd aan een persoon die geen deel uitmaakt van het eigen huishouden (Valschaerts, 2005). Het idee achter het onderhoudsgeld is dat de echtgenoot die de scheiding ‘gewonnen’ heeft, een bepaalde levensstandaard kan aanhouden na de scheiding. De hoogte van het onderhoudsgeld wordt vastgesteld door een onderzoek naar de inkomsten van beide partners en de levensstijl ten tijde van het huwelijk. De ex-partner kan, indien hij/zij niet samenwoont, tot het einde van zijn/haar leven aanspraak maken op dit geld (Gallus, 2006). Onder bepaalde voorwaarden moet ook voor kinderen onderhoudsgeld betaald worden zolang ze minderjarig of student zijn (Mortelmans e.a., 2007).

 

Bemiddeling

Sinds oktober 2002 kunnen scheidende koppels een beroep doen op bemiddeling. De bemiddeling kan vrijwillig gebeuren (vrijwillige bemiddeling) of worden opgelegd door een rechter (gerechtelijke bemiddeling), maar met instemming van beide partners. Het doel is om ouders via bemiddeling van een derde op een constructieve manier te laten werken aan de reorganisatie van het ouderschap (alimentatiegelden, verblijfregeling en ouderlijk gezag) na een echtscheiding. Hierdoor hoopt de overheid dat het aantal vechtscheidingen daalt en de gemaakte afspraken beter worden nageleefd. De uiteindelijke oplossing wordt schriftelijk vastgelegd in een bemiddelingsakkoord. Iedereen kan bemiddelen, maar enkel de akkoorden afgesloten bij erkende bemiddelaars hebben een gerechtelijke waarde (FOD Justitie, 2006b).

 

Verblijfplaats van de kinderen na een scheiding

De controle over het lot van kinderen na een scheiding, is moeilijk, zeker bij niet getrouwde koppels. De rechter beslist hoe het verblijf van de kinderen geregeld wordt als een scheidend koppel er niet uit komt. Vroeger werd meestal aan één ouder het hoederecht toegekend en aan de andere ouder het bezoekrecht. Het kind verbleef bij de moeder en ging één weekend op twee, soms op woensdag en tijdens de helft van de vakanties naar de vader. Toch kon de rechter ook een andere verblijfsregeling opleggen. Indien de ouders niet akkoord gingen met de opgelegde regeling, kon dit aangevochten worden, wat een verveelvoudiging van gerechtelijke procedures inhield en kon leiden tot een verergering van de conflictsituatie.

 

Getuigenissen, Dag van het Gezin, 19 juni 2005:

 

“Ik ben zelf geen moeder, maar mijn partner heeft twee meisjes die hij één weekend op twee ziet. Dat is veel te kort voor de kinderen en wij voelen ons beperkt in deze situatie, maar het verblijfsco-ouderschap aanvragen, staat gelijk aan de oorlog verklaren aan de moeder.”

 

“Ik ben een kind van gescheiden ouders: mijn hoofdverblijfplaats was bij mijn moeder en mijn vader had bezoekrecht (één weekend op twee, de woensdagen en de helft van de vakanties). In de praktijk lijkt me het verblijfsco-ouderschap moeilijk te organiseren voor de ouders: ze moeten dicht bij de school van de kinderen wonen, ze moeten beiden een woning hebben die voldoende kamers telt zodat er een gezin kan leven. Het is ook verwarrend voor de kinderen omdat ze geen ‘hoofdverblijfplaats’ hebben waar ze bereikbaar zijn voor hun vrienden, elke week hun kledij, toiletzak,… alles wat dierbaar is voor een kind (niet alles kan dubbel gekocht worden) moeten verhuizen.”

 

 

“Na al meer dan 3 jaar gescheiden te zijn en met verblijfsco-ouderschap voor de kinderen (4), ben ik een grote voorstander van deze regeling. De kinderen zijn zeer ontspannen en gelukkig bij beide ouders. De schoolresultaten blijven goed.”

 

Doordat het kind aan één van de ouders werd toegekend, was de uitoefening van het ouderlijke gezag door beide ouders soms moeilijk. Om ouders op hun blijvende verantwoordelijkheden te wijzen, werd in 1995 de wet op het gezagsco-ouderschap ingevoerd (zie verder). Van meer recente datum is de wet op het verblijfsco-ouderschap. Sinds eind 2006 wordt de voorkeur gegeven aan een gelijkmatig verdeelde huisvesting van een kind na een scheiding, het zogenaamde verblijfsco-ouderschap of de bilocatie. Als de ouders zelf tot een akkoord komen over de verblijfsregeling van de kinderen na de scheiding, wordt dit goedgekeurd door de rechter, tenzij de regeling niet in het belang van het kind is. Indien de ouders het niet eens geraken, zal de rechter, op vraag van minstens één van de ouders, onderzoeken of bilocatie mogelijk is. Na dit onderzoek, kiest de rechter de meest passende verblijfsregeling (FOD Justitie, 2006a). Een kind kan aan de rechter vragen om ‘gehoord’ te worden. De rechter is verplicht hierop in te gaan als het kind ouder is dan 12 jaar. Zo kan rekening gehouden worden met de mening van het kind. Ouders kunnen na de scheiding de verblijfsregeling wijzigen door bij de jeugdrechter aan te kloppen.

 

Kinderen van wettelijk of feitelijk samenwonende koppels ontsnappen aan deze controle. De ouders bepalen zelf hoe de verblijfsregeling geregeld wordt. Zij moeten niet langs een rechtbank passeren. Uit eigen beweging kunnen de ouders wel naar de jeugdrechtbank gaan om de verblijfsregeling te laten officialiseren. Zo zijn ze juridisch beschermd als er later problemen opduiken over de woonplaats van de kinderen (Staatssecretariaat voor Gezinnen en Personen met een handicap, 2004).

Ouderschap

Wie de ouderlijke verantwoordelijkheden en het ouderlijke gezag uitoefent ten aanzien van een kind, is gebaseerd op de juridische afstamming. Deze is meestal gelijk aan de biologische afstamming, de band tussen ouder en kind, maar valt er niet altijd mee samen. Er wordt namelijk ook rekening gehouden met de feitelijke opvoedingssituatie: wie zorgt voor het kind? Hoe wordt voor het kind gezorgd? Door een rechterlijke uitspraak kan een band gecreëerd worden tussen twee personen. Er is dan sprake van adoptie. Dit heeft ongeveer dezelfde rechtsgevolgen als een afstammingsband (Senaeve, 2004).

 

Tot 1987 werd er een strikt onderscheid gemaakt tussen wettige en natuurlijke kinderen. Buitenechtelijke kinderen werden gediscrimineerd op het gebied van vaststelling van het ouderschap (erkenning van de biologische ouder als buitenechtelijk kind krijgen, was moeilijk) en de gevolgen (o.a. beperkt erfrecht). Dit verschil in behandeling is nu volledig weggevallen. Juridisch gezien is er sprake van afstamming als een kind geboren is tijdens het huwelijk of erkend is door de vader, maar deze moet niet noodzakelijk de echtgenoot/partner zijn (Gerlo, 2003).

 

Het hebben van het ouderlijke gezag houdt in dat de ouders recht hebben op persoonlijk contact met het kind, gezag hebben over de persoon en het beheer van de goederen van de minderjarige, het vruchtgenot hebben van deze goederen en ouderlijke bevoegdheid hebben in verband met de staat van de persoon van de minderjarige (Senaeve, 2004). Slechts als de beide ouders die het ouderlijke gezag uitoefenen, overleden zijn of afstand gedaan hebben van hun ouderlijke plichten, kan iemand anders de voogdij over het kind en het ouderlijke gezag overnemen (Gerlo, 2003).

 

Door de wet op het gezagsco-ouderschap van 1995, wijzigt er na een scheiding strikt genomen niets aan de ouderlijke plichten en rechten. Dit geldt zowel voor feitelijk en wettelijk samenwonenden als voor gehuwden. Ouders zijn blijvend betrokken bij en verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kinderen. Ze oefenen gezamenlijk het ouderlijke gezag uit, beheren de goederen van de kinderen en dragen bij in de kosten van onderhoud, opvoeding en opleiding naar eigen kunnen. In theorie is er een gelijke uitoefening van het ouderlijk gezag, maar in bepaalde gevallen kan ook slechts één ouder beslissingen nemen.

 

Grootouders en derden die een bijzondere, affectieve band met het kind hebben, kunnen via deze wet ook persoonlijk contact opeisen. Dit recht kan niet ingeroepen worden door het kind zelf om contact te houden met bepaalde volwassenen (Gerlo, 2003; Hertecant e.a., 2004; Senaeve, 2004).

Debat

De wetgeving op zich leert ons weinig over de praktijk. Daarom geven we eerst wat achtergrondgegevens over de huidige situatie om vervolgens dieper in te gaan op een aantal hangende zaken in de vorm van stellingen die gebaseerd zijn op de gespreksrondes van beide cycli van de Staten-generaal.

 

Samenleefvormen

Sinds de jaren 1970 komen er steeds meer verschillende leefvormen bij. Het traditionele huwelijk verliest aan populariteit ten koste van het, al dan niet wettelijk, ongehuwd samenwonen. Waar in 2003 nog 21% van de koppels kozen voor wettelijke samenwoning en 79% voor het huwelijk waren deze cijfers voor 2005 respectievelijk 42% en 58% (Justaert, 2006). Er zijn geen officiële statistieken over het aantal feitelijk samenwonenden in België. Corijn (2006) heeft op basis van het Rijksregister wel een schatting proberen te maken. Zo komt zij tot de bevinding dat 3% van de huishoudens in 1992 uit ongehuwd samenwonenden bestond, al dan niet met kinderen. Dit steeg tot ongeveer 83 000 koppels of 7% in 2003.

 

Echtscheiding

België kent één van de hoogste echtscheidingscijfers in Europa. In 2006 was er voor het eerst een daling na een lange periode van onafgebroken groei: het aantal echtscheidingen daalt, per 1000 inwoners waren er in 2005 2,95 echtscheidingen, in vergelijking met 3,02 het jaar ervoor (FOD Economie, 2006c). Het lijkt er op dat de cijfers zich stilaan op een (hoog) niveau zullen stabiliseren. Deels is dit plafond te wijten aan de verschuiving bij de jongere cohorten die in toenemende mate feitelijk samenwonen en niet meer terecht komen in de echtscheidingsstatistieken. We zien dit ten dele aan het aantal samenlevingscontracten dat verbroken wordt waar nog steeds een duidelijk stijging in op te tekenen valt. Van alle afgesloten contracten sinds 2000 is één vijfde, dit komt neer op 21083 contracten, al ontbonden. Dit cijfer zal in realiteit nog hoger liggen omdat niet elk koppel dat uit elkaar gaat, dit meldt aan de burgerlijke stand.

 

In 2002 en in 2003 was de echtscheiding met onderlinge toestemming (EOT) (71%) het ‘populairst’, gevolg door echtscheiding op grond van bepaalde feiten (17%) en scheiding op grond van feitelijke scheiding (12%). Bij twee op de drie echtscheidingen zijn er kinderen betrokken. Koppels met kinderen gebruiken vaker de optie om te scheiden met onderlinge toestemming. Er zijn echter veel meer kinderen die een scheiding van hun ouders meemaken omdat deze cijfers enkel gebaseerd zijn op koppels die gehuwd zijn (Corijn, 2005). Ruim één op vijf  Vlaamse kinderen tussen 0 en 17 jaar had in 2004 een scheiding[139] meegemaakt. De kans om een scheiding van de ouders mee te maken, stijgt met de leeftijd en is ook groter als de ouders ongehuwd samenwoonden (Lodewijckx, 2005).

 

In de volgende stellingen gaan we eerst dieper in op de nieuwe echtscheidingsgrond die de overheid wil creëren. Naderhand wordt de vraag gesteld of bemiddeling verplicht moet worden. Tot slot wordt de berekeningswijze van het onderhoudsgeld in vraag gesteld.

 

Stelling 1: De echtscheiding door schuld moet afgeschaft worden

In het regeerakkoord 2003-2007 werd gesproken om een vierde echtscheidingsvorm in te voeren naast de drie reeds bestaande echtscheidingsprocedures. De schuldloze echtscheiding heeft slechts één echtscheidingsgrond, namelijk duurzame of onherstelbare ontwrichting van het huwelijk. De schuldvraag wordt niet gesteld, maar het is wel noodzakelijk om deze te beantwoorden als één van de ex-partners onderhoudsgeld vraagt. De procedure om te scheiden zou sneller, eenvoudiger en doeltreffender moeten zijn dan de andere drie echtscheidingsprocedures. Hierdoor verwacht de wetgever dat deze manier van scheiden snel veralgemeend zal worden wegens makkelijker uitvoerbaar. Het verschil met EOT is dat niet alle gevolgen van de echtscheiding moeten zijn vastgelegd op het moment van de scheiding. De wetgever gaat er vanuit dat het moeilijk is om een volledig akkoord te bereiken op een moment dat de ex-partners niet meer overeenkomen. De vraag is of dit op termijn niet tot meer conflicten leidt (Federale Overheid, 2006; Kinderrechtencommissariaat, 2005).

 

Stelling 2: Bemiddeling moet verplicht worden

In de Belgische wetgeving is bemiddeling niet verplicht. De overheid argumenteert dat de kern van bemiddeling erin bestaat dat beide partijen dit uit vrije wil doen. Het is echter een ideale manier om familiale conflicten uit de juridische sfeer te halen. Een akkoord dat beide partners zelf hebben onderhandeld en waar ze zich in kunnen vinden wordt in de regel beter nageleefd dan een opgelegde regeling door de rechtbank. Tijdens de bemiddeling kan ook aandacht worden besteed aan de mening van het kind. Ouders zouden de belangen van hun kinderen moeten beschermen, maar in een (v)echtscheiding kijken de ouders soms niet verder dan hun eigen belangen.

 

In Noorwegen en Canada wordt bemiddeling aangemoedigd. De overheid biedt een infosessie aan en betaalt een aantal bemiddelingssessies. In België zou een verplichte kennismaking met bemiddeling kunnen worden ingevoerd. Er moet wel een duidelijke opleiding en erkenning voorzien worden voor de bemiddelaars, het al dan niet slagen van bemiddeling is ook afhankelijk van de kwaliteit van de aangeboden bemiddeling (Federale Overheid, 2006; Kinderrechtencommissariaat, 2005).

 

Stelling 3: Het onderhoudsgeld moet op basis van sociaal-economische noden toegekend worden

Vanuit de Staten-generaal werd er gestreefd naar een objectievere methode om het onderhoudsgeld te bepalen. Duidelijk definieerbare criteria zoals leeftijd van de partners, ziekte, tenlasteneming van de kinderen, maar ook de mogelijkheid om het werk te hervatten indien één van de partners de loopbaan heeft onderbroken, gemaakte keuzes tijdens het samenleven,… kunnen als basis dienen om het onderhoudsgeld te berekenen. De sociaal-economische noden blijven niet altijd dezelfde over de jaren heen. Na verloop van tijd moet de persoon zelf in zijn eigen levensonderhoud kunnen voorzien waardoor het onderhoudsgeld beperkt kan worden in tijd. Om te bepalen wie recht heeft op alimentatie moet de schuldvraag niet gesteld worden, maar moreel gezien zou er wel rekening mee kunnen gehouden worden (Staten-generaal van het Gezin cyclus II, 2006).

 

Ouderschap

De natuurlijke ouders zijn de personen die het ouderlijke gezag uitoefenen en de ouderlijke verantwoordelijkheid hebben over hun kind, maar wat in nieuwsamengestelde gezinnen? Door de juridische erkenning van steeds nieuwe gezinsvormen wonen sommige kinderen bij hun biologische ouder en diens partner. Ongeveer 12% van de Vlaamse kinderen groeide in 2003 op in een nieuwsamengesteld gezin (Kinderrechtencommissariaat, 2005). De vraag die zich in deze gezinsvormen stelt is of de stiefouder ook ouderlijke verantwoordelijkheid moet krijgen.

 

Dezelfde vraag duikt ook op bij pleeggezinnen. Zij voeden een kind op dat niet tot hun biologische gezin behoort. Pleegouders hebben wettelijk gezien geen statuut en ook geen ouderlijke verantwoordelijkheden ten opzichte van het kind. Toch mag men het fenomeen van pleegouders niet verwaarlozen. In Vlaanderen blijft het aantal pleegzorgsituaties stijgen. In 2005 werden er door 3656 pleeggezinnen 5051 kinderen opgevangen. Drie vierden van deze kinderen was minderjarig (Federatie Pleegzorg VZW, 2006).

 

Stelling 1: Het ouderlijke gezag mag slechts aan twee personen toegekend worden

Bij het toekennen van het ouderlijke gezag, moet het welzijn van het kind steeds voorop staan. Om het kind stabiliteit en zekerheid te bieden wordt het ouderlijke gezag best niet versnipperd over (te veel) verschillende personen. In nieuwsamengestelde en in holebi-gezinnen bestaat echter de situatie waarin kinderen worden opgevoed door één biologische ouder en hun (nieuwe) partner. Deze partner heeft geen juridische verantwoordelijkheid ten aanzien van de kinderen. Hierdoor kan hij/zij bij overlijden van de biologische ouder de kinderen niet verder opvoeden en geldt er ook geen alimentatieverplichting naar de kinderen toe als hij/zij besluit om het gezin te verlaten (Kinderrechtencommissariaat, 2006a). De vraag is echter wie in aanmerking mag komen voor ouderlijk gezag en wanneer. Mag elke persoon die instaat voor de opvoeding van het kind aanspraak maken op de ouderlijke verantwoordelijkheden? En mag dit recht toegekend worden als beide biologische ouders nog leven?

 

Ook pleeggezinnen opereren op dit vlak in een juridisch vacuüm. De biologische ouders van het pleegkind blijven beschikken over het ouderlijke gezag. Toch schaden biologische ouders soms de belangen van het kind door in gebreke te blijven met betrekking tot een aantal praktische zaken. In deze situatie vragen de deelnemers van de Staten-generaal om voorrang te verlenen aan het pleeggezin zonder de band tussen de biologische ouders en het kind te schaden. Dit probleem kan opgelost worden door een overeenkomst tussen de biologische ouders en het pleeggezin op te stellen waarbij een gedeelte van het ouderlijke gezag wordt overgedragen. De pleegouders kunnen ook via juridische weg laten bepalen wie over het ouderlijke gezag beschikt wanneer de vraag zich stelt. Dit zorgt echter voor een versnippering van het ouderlijke gezag en kan bijkomende conflicten veroorzaken (Staten-generaal van het Gezin cyclus II, 2006).

 

Familierechtbank

Tijdens de eerste cyclus van de Staten-generaal werd de idee geopperd om een rechtbank op te richten voor alle gezinsaangelegenheden. Omdat het hier enkel om een voorstel gaat, wordt deze samengevat in volgende stelling:

 

Stelling 1: Alle discussies rond gezinsaangelegenheden moeten door dezelfde rechter beslecht worden

In de bestaande regelgeving zijn verschillende rechters bevoegd voor gezinsaangelegenheden. Voorlopige maatregelen bij scheidende koppels vallen onder de bevoegdheid van de rechter in kortgeding of van eerste aanleg. Een ruzie tussen niet-gescheiden echtgenoten komt voor de vrederechter. De jeugdrechter bekrachtigt de verblijfsregeling van een kind van samenwonenden na de scheiding,… Dit onderscheid in bevoegdheid in familiekwesties is achterhaald. Door alle geschillen door één rechter te laten afhandelen, ongeacht de echtelijke situatie van de ouders, kan er meer uniformiteit bekomen worden. Via deze weg valt ook het verschil in behandeling tussen samenwonenden en gehuwden weg met betrekking tot de verblijfsregeling van kinderen. Deze familierechter kan op verschillende manieren geïnstalleerd worden.

 

Er kan een extra afdeling bij de rechtbank van eerste aanleg gecreëerd worden. Een voordeel hiervan is dat er een Openbaar Ministerie (OM) aanwezig is. Hierdoor is het mogelijk om een maatschappelijk onderzoek in te stellen naar de gezinssituatie om neutrale informatie te verkrijgen. Door slechts een beperkt aantal rechters over deze zaken te laten beslissen, zullen alle geschillen via dezelfde rechtspraak uitgesproken worden, kunnen magistraten zich specialiseren en zal de onevenwichtige spreiding van de werklast tussen verschillende rechters beperkt blijven. Een nadeel is dat de hoven en rechtbanken nu al te kampen hebben met een grote gerechtelijke achterstand. Een familierechter installeren zou ook voor het OM een overbelasting betekenen.

 

Een alternatief is om de bevoegdheden van de vrederechter uit te breiden. Deze rechter heeft praktijkervaring, want hij regelt nu al de geschillen tussen niet-gescheiden echtgenoten en is bevoegd voor alle familiale geschillen, met uitzondering van de echtscheiding en de verdeling van de goederen en vereffening van schulden. Het is ook de rechtbank die het dichtst bij de mensen staat. Door de bevoegdheidsuitbreiding zal de jeugdrechtbank geen bevoegdheid meer hebben op burgerlijk vlak en zal ook de rechter in kortgeding een aantal bevoegdheden moeten afstaan.

 

Een tussenoplossing is om de familierechtbank in eerste aanleg op te richten, maar om overbelasting te vermijden, moeten de geschillen eerst via een vrederechter passeren (Staten-generaal van het Gezin cyclus II, 2006).

 

Bijlage: Overzicht van de overheidstegemoetkomingen aan gezinnen met kinderen.

Bron – herwerkt: (Cantillon e.a., 1996).


 

Inzoomen op de relatie tussen gezinnen en de overheid

In het vorige deel werd een zeer breed beeld geschetst van de sociale zekerheid, fiscaliteit en het recht in België. Een beeld dat noodzakelijk ruw en onscherp bleef, niet in de eerste plaats omwille van de hoge techniciteit van deze materie. In dit hoofdstuk laten we een aantal deskundigen aan het woord uit de academische en politieke wereld en het middenveld met hun visie op enkele specifieke thema’s op de eerder behandelde domeinen. De bijdragen, die de structuur van het vorige deel volgen, geven hun persoonlijke mening, visie of standpunt weer.

 

Yves Coemans, attaché van de studiedienst van de Gezinsbond, pleit voor een betere financiële ondersteuning van de gezinnen. Kinderen kosten handenvol geld, maar de minimumkost wordt niet gedekt door de overheid, zelfs niet indien alle ondersteunende maatregelen in beschouwing genomen worden.

 

In een debat rond het huwelijksquotiënt werden drie tegengestelde visies samengebracht. Prof. Jurion, Thérèse Meunier van de FOD Financiën en Hedwige Peemans-Poullet van de Université des femmes discussieren over het nut en de toekomst van deze fiscale maatregel.

 

Samen met Ankie Vandekerckhove, kinderrechtencommissaris in Vlaanderen, worden de verschillende fasen van een echtscheiding overlopen. Hierbij wordt speciale aandacht besteed aan het welzijn van het kind en worden mogelijke aanpassingen besproken die het kind ten goede komen.

 

Het Belgisch recht volgt de ontwikkelingen in de maatschappij. Prof. Swennen overloopt de evoluties van zowel de verbintenissen die koppels aangaan (huwelijken en scheidingen), als de veranderingen op het gebied van voortplanting en ouderschap. Hij besteedt ook aandacht aan toekomstige ontwikkelingen op deze vlakken.

 

Ook Cathy Herbrand, FWO-aspirante, gaat dieper in op het ouderschap. Het ontstaan van nieuwsamengestelde gezinnen leidde tot vragen over wie drager is van de ouderlijke verantwoordelijkheden en het ouderlijk gezag ten opzichte van kinderen. Zij vraagt zich af of het zorgouderschap een antwoord kan bieden op deze vragen.

 

Prof. Fierens besteedt aandacht aan de wettelijke basis en de valkuilen van maatschappelijke bijstand. Het ontvangen van bijstand helpt gezinnen om makkelijker te integreren in de maatschappij, maar om dit te krijgen moet aan bepaalde voorwaarden voldaan worden. Hij bespreekt de moeilijke afweging tussen de plicht van de overheid om haar burgers te helpen en de solidariteit die vanuit het gezin komt.


 

Gezinnen financieel beter ondersteunen

COEMANS, Yves

Attaché studiedienst, Gezinsbond

 

Kosten van kinderen.

 

Elk kind kost een huis

Kinderen grootbrengen kost geld. Veel geld. De Gezinsbond berekende onlangs[140] dat op 1 oktober 2004 de minimumkost van een kind tussen de geboorte en de 25ste verjaardag gemiddeld 377,63 euro/maand bedroeg. Geïndexeerd momenteel zelfs al: bijna 400 euro. Onder de minimumkost van een kind verstaat de gezinsorganisatie het extra inkomen dat een gezin met kinderen en een netto basisinkomen van ongeveer 1 800 euro gemiddeld per kind meer moet verdienen om dezelfde levenstandaard te behouden als een koppel zonder kinderen met hetzelfde inkomen. Minimumkosten bevatten alle basiskosten om kinderen groot te brengen, zoals voeding, kleding en huisvesting. Maar ook vervoer, communicatie en ontspanning. De minimumkost stijgt met de leeftijd van het kind en schommelt begin 2007 tussen 270,03 euro (kind van 0 tot 5 jaar) en 513,49 euro (jongere van 18 tot 24 jaar). Bovenop deze minimumkosten komen nog de specifieke kosten die niet voor alle kinderen gelijk zijn. Zoals kinderopvang, studiekosten en extra (medische) kosten. De kost van kinderopvang in de reguliere sector is afhankelijk van het inkomen. Ouders betalen een inkomensgekoppelde ouderbijdrage. Hoge inkomens betalen veel, lage inkomens weinig. Studiekosten zijn onafhankelijk van het gezinsinkomen. De kosten stijgen naarmate het kind onderwijs volgt in een hogere cyclus. Op 1 januari 2007 bedroeg de gemiddelde jaarlijkse studiekost in Vlaanderen per cyclus: 230 euro (kleuteronderwijs), 409 euro (lager onderwijs) en 967 euro (secundair onderwijs). De kost van hoger onderwijs hangt af van het type: 2 248 euro (hoger onderwijs korte type), 2 715 euro (hoger onderwijs lange type) en 1 960 euro (universiteit). Voor een kotstudent komt daar nog eens 1 749 tot 2 071 euro bij. Als je minimumkosten én specifieke kosten tijdens een volledige jeugd samen telt, kom je snel aan 150 000 euro. Of de prijs van een huis. De oude volkswijsheid “elk kind kost een huis” klopt dus als een bus. Terwijl het inkomen hoogstens stabiel blijft, lopen de kosten torenhoog op. Een mondje meer moet immers gevoed en gehuisvest worden. Wie kiest voor kinderen, lijdt dus ongetwijfeld een welvaartsverlies.

 

Overheidssteun

De overheid komt vandaag al tussen in de kosten van kinderen. Gelukkig maar. Want kiezen voor kinderen, is kiezen voor de toekomst. Zonder kinderen, sterft onze generatie op termijn uit. En stort onze oerdegelijk sociale zekerheid als een kaartenhuisje in elkaar. Alleen is de overheidstussenkomst vandaag nog veel te laag. Gemiddeld[141] dekken kinderbijslagen én fiscale voordelen voor kinderen ten laste in de personenbelasting samen amper één derde (gezin met één kind), niet ééns de helft (gezin met twee kinderen) en twee derden (gezin met drie kinderen) van de minimumkost. Dat moet dringend verbeteren. De Gezinsbond heeft een waaier aan voorstellen om gezinnen financieel beter te ondersteunen. Dat kan langs de fiscale weg, maar ook via de kinderbijslagen. Wij verkiezen dat laatste.

 

In onze visie moet de overheid ook blijvend tussenkomen in de specifieke kosten via de bestaande kanalen. Kinderopvang via de inkomensgerelateerde ouderbijdragen én de fiscale aftrek van de opvangfactuur. Extra medische kosten via de Maximumfactuur en het Bijzonder Solidariteitsfonds. Onderwijs zou in principe kosteloos moeten zijn. Althans zolang de leerplicht van toepassing is. Zolang het basis- en secundair onderwijs niet kosteloos  zijn, moeten gezinnen kunnen rekenen op toegankelijke studietoelagen. Wie verder studeert, kan zich beroepen op de studiefinanciering. De Gezinsbond rekent erop dat de overheid al deze bestaande kanalen behoudt, verfijnt en verruimt. De kinderbijslagen daarentegen zien wij als tegemoetkoming in de minimumkosten, niet in de specifieke kosten.

 

Gelijkheidsbeginsel

Voor de Gezinsbond zijn alle kinderen gelijk. Zij hebben dus elk recht op een gelijke overheidsondersteuning. Ongeacht de rang (1ste, 2de of 3de kind) en ongeacht het beroepsstatuut én het inkomen van hun ouders. De gezinsorganisatie berekent trouwens de minimumkosten aan de hand van een basisgezinsinkomen van ongeveer 1 800 euro[142]. Met andere woorden voor een bescheiden inkomen.

De Gezinsbond is van mening dat de overheid moet tussenkomen in de kosten van kinderen. Tot hoever? Moet de overheid alle kosten van kinderen te haren laste nemen? Neen, zeker niet. Daarom ontwikkelde de Gezinsbond het begrip ‘minimumkost’. Volgens de gezinsorganisatie moet de overheid minstens de minimumkosten dekken.

Uiteraard geven gezinnen met hogere inkomens méér uit aan hun kinderen. Maar dat is hun verantwoordelijkheid. In die meerkost moet de overheid niet meer tussenkomen.

 

Kinderwens realiseren

Met de eis van minimumkostendekkende kinderbijslagen wil de Gezinsbond geen nataliteitspolitiek nastreven. De overheid moet gezinnen wel helpen om hun kinderwens te realiseren. Vandaag stellen wij nog altijd een hemelsbrede kloof vast tussen woord en daad. Gemiddeld schommelt de kinderwens[143] rond 2,27 kinderen. Ruim 60 % van de koppels schuift twee kinderen als kinderwens naar voor. Bijna een kwart vindt drie kinderen ideaal. In werkelijkheid ligt het kindertal een flink stuk lager. Het totale vruchtbaarheidscijfer[144], het gemiddeld aantal kinderen per vrouw, bedroeg in 2003: 1,62 voor België en slechts 1,57 voor het Vlaamse gewest. Recent onderzoek van professor doctor Jan Van Bavel[145] toont echter een trendbreuk aan. Volgens hem steeg het totale vruchtbaarheidscijfer in Vlaanderen in 2005 opnieuw tot 1,69. In ieder geval steeg het aantal geboorten in 2005 voor het derde jaar op rij tot 63 906[146]. Recente jaarcijfers van het Studiecentrum voor Perinatale Epidemiologie tonen aan dat deze trend zich in 2006 met 64 092 geboortes voortzet. Daarmee blijven we een stuk onder de noodzakelijke 2,1 kinderen die nodig zijn om een generatie te vervangen. De kinderwens daalt nog lichtjes. De bijkomende kosten van een extra kind en de onzekerheid over de toekomst duiken in zowat alle Europese landen op als reden voor de tanende kinderwens. In ons land vrezen koppels vooral dat ze niet langer op dezelfde manier van het leven kunnen genieten. M.a.w. ze vrezen de onherroepelijke daling van hun levenstandaard. Naast de financiële kost vormt natuurlijk ook de moeilijke opdracht om gezin en arbeid op een harmonieuze wijze te combineren een bijkomende hinderpaal.

Fiscaliteit

Via de fiscaliteit verzamelt de overheid de noodzakelijke algemene middelen voor collectieve voorzieningen en sociale maatregelen. Fiscaliteit is het middel bij uitstek om de welvaart verticaal te herverdelen: tussen hoge en lage inkomens. Daarbij moet ze tevens rekening houden met de draagkracht van de belastingplichtigen. Op basis van het inkomen. Maar ook volgens het aantal gezinsleden, dat van dat inkomen moeten leven. Het scheelt immers een slok op de borrel als je met vijf van een inkomen moet leven of slechts met twee. Natuurlijk hebben grote gezinnen schaalvoordelen. Zo kunnen ze in de supermarkt grotere verpakkingen aankopen. Grote colli’s zijn een stuk goedkoper. Maar zij ondervinden evengoed schaalnadelen. Hun woning en infrastructuur moeten voldoende ruim zijn en aangepast aan het aantal kinderen. Dat betekent dan weer een hogere kost. Ook de gezinswagen moet groot genoeg zijn. De nieuwe Verkeerswet laat immers niet langer toe dat er meer dan drie kinderen de achterbank delen. Grote gezinnen worden dus verplicht om een duurdere monovolumewagen te kopen, meestal gaat dit gepaard met een hoger brandstofverbruik. En dus een tweede keer duurder.

 

Belastingvrij minimum

Iedere belastingplichtige (gehuwd, wettelijk samenwonend of alleenstaand) beschikt over een individuele belastingvrije som. Dat betekent concreet dat voor het inkomstenjaar 2007 de eerste schijf van 6 040 euro belastingvrij is. Deze belastingvrije som wordt verhoogd voor gezinnen met kinderen ten laste. De verhoging hangt af van het aantal kinderen: 1 280 euro (1 kind), 3 310 euro (2 kinderen) of 7 410 euro (3 kinderen). Voor vier kinderen: 11 770 euro. Voor méér dan vier kinderen komt daar 4 570 euro per bijkomend kind bij. Zo betaalt een tweeverdienersgezin met vijf kinderen geen belastingen tot een netto belastbaar inkomen van 28 630 euro. Alleenstaanden met kinderen ten laste krijgen daar bovenop nog een bijkomende belastingvrije som van 1 280 euro ongeacht hun kindertal. Een maatregel die vroeger voorbehouden was voor weduwen en weduwnaars én alleenstaande ouders die nooit eerder huwden. De belastinghervorming van 10 augustus 2001 verruimde deze maatregel ook naar gescheiden ouders op voorwaarde dat ze niet opnieuw hertrouwen of wettelijk samenwonen.

 

Minder belastingen

Via de verhoogde belastingvrije sommen voor kinderen ten laste betalen gezinnen minder belastingen. De fiscale tegemoetkoming hangt af de burgerlijke staat van de ouders, het aantal kinderen én de toegepaste gemeentebelasting.

Gehuwde ouders besparen fiscaal jaarlijks: 343,26 euro (1 kind), 991,17 euro (2 kinderen) of 2 619,53 euro (aan gewogen gemiddelde gemeentebelasting van 7,27 % voor Vlaanderen en Brussel). Omdat de belastingvrije sommen stijgen naarmate de rang van het kind en als gevolg van ons progressief belastingstelsel varieert het belastingvoordeel per kind naargelang zijn rang: 343,26 euro (1ste kind), 647,91 euro (2de kind) en 1 628,36 euro (3de kind). Alleenstaande ouders besparen fiscaal jaarlijks: 749,82 euro (1 kind), 1 409,53 euro (2 kinderen) of 3 168,76 euro (3 kinderen). Voor hen bedraagt het belastingvoordeel per kind: 749,82 euro (1ste kind), 659,71 euro (2de kind) en 1 759,23 euro.[147]

De Gezinsbond wil vanuit het gelijkheidsprincipe de belastingvrije sommen voor kinderen gelijkschakelen. Niet nivelleren, maar stelselmatig verhogen tot op het niveau van het derde kind, te beginnen met die van het eerste en tweede kind.

 

Bedrijfsvoorheffing

Het belastingvoordeel voor kinderen ten laste wordt aangerekend bij de meestverdienende ouder: grotendeels via een gezinskorting op de bedrijfsvoorheffing, dat is het voorschot op de eindbelasting dat de werkgever onmiddellijk inhoudt op het loonbriefje. De gezinskorting stemt echter niet volledig overeen met het belastingvoordeel, vooral bij gezinnen met twee of drie kinderen. Op het saldo moeten de gezinnen dan anderhalf tot twee jaar wachten tot zij het aanslagbiljet ontvangen. Gescheiden ouders moeten even lang wachten op hun bijkomend belastingvoordeel als alleenstaande ouders. Zij krijgen immers de extra gezinskorting van 29 euro op de bedrijfsvoorheffing niet, die niet hertrouwde weduwen en weduwnaars én nooit gehuwde ouders wel maandelijks genieten. Een vergetelheid van de wetgever? Neen, een bewuste keuze: om budgettaire redenen. De regering verplicht deze éénoudergezinnen, die het meestal financieel al moeilijk hebben, om een extra inspanning te leveren om het begrotingsevenwicht te realiseren. De Gezinsbond klaagde deze onrechtvaardigheid al herhaaldelijk aan. Maar ook dat alle gehuwde en wettelijk samenwonende partners door de regering worden gedwongen om een renteloze lening toe te staan. Zij krijgen immers niet de extra maandelijkse korting van 20 euro op de bedrijfsvoorheffing die alleenstaanden nog altijd genieten. Ook niet nadat de regering de belastingvrije sommen voor deze koppels gelijkschakelde met die voor alleenstaanden. Bovendien zijn de schalen van de bedrijfsvoorheffing onvoldoende afgestemd op de uiteindelijk verschuldigde belasting. De Gezinsbond eist dat de regering de bedrijfsvoorheffing dringend beter afstemt op de eindbelasting althans voor die elementen die zij perfect hoort te kennen: o.a. burgerlijke staat en kinderlast.

 

Ook op een ander terrein gebruikt de regering gezinnen als goedkope financieringsbron. Begin 2004 voerde de regering een bedrijfsvoorheffing in op alle sociale uitkeringen. Zelfs als deze de genieter geen meerbelastingen bezorgen. Een pure budgettaire maatregel. Onze studiedienst berekende dat deze bedrijfsvoorheffing volledig onterecht is voor voltijdse loopbaanonderbreking, voltijds tijdkrediet, ouderschapsverlof en zorgverlof. Ook niet bij moederschapsverlof en bij ziekte of invaliditeit althans als het normale jaarlijkse beroepsinkomen lager ligt dan 20 048 en 21 942,96 euro. De bedrijfsvoorheffing is alleen verantwoord op uitkeringen voor deeltijdse loopbaanonderbreking, deeltijds tijdkrediet, ouderschapsverlof en zorgverlof. Maar in die situaties is het ingehouden percentage van 17,15 % schromelijk overdreven. 11,11 % zou ruimschoots volstaan.

 

Lage inkomens

Om het belastingvoordeel voor kinderen ten laste volledig te genieten, moet het gezin voldoende inkomsten hebben. Lage inkomensgezinnen die hun belastingvrije sommen voor kinderen niet volledig kunnen uitputten, krijgen sinds inkomstenjaar 2002 mede dankzij het aandringen van de Gezinsbond een terugbetaalbaar belastingkrediet. Deze negatieve belasting is gelijk aan het niet opgebruikte gedeelte van de belastingvrije sommen voor kinderlast vermenigvuldigd met het tarief van de corresponderende inkomensschijf met een maximum van 250 euro (te indexeren, 370 euro na indexatie voor AJ2008/INK2007). Deze gezinnen krijgen deze tegemoetkoming pas nadat zij hun aanslagbiljet ontvangen. Met een vertraging van gemiddeld anderhalf tot twee jaar. De Gezinsbond dringt dan ook aan om de bedragen van dit belastingkrediet dringend te verdubbelen, zodat deze gezinnen beter financieel worden ondersteund.

 

Huwelijksquotiënt

Het huwelijksquotiënt hevelt een gedeelte van het inkomen van de meestverdienende over naar de minstverdienende partner. Bij gehuwden én bij wettelijk samenwonenden. De regeling is volledig genderneutraal. Net zoals het hele fiscale wetboek, dat nergens verwijst naar man of vrouw, maar alleen naar de meest- en de minstverdienende partner.

 

Door deze regeling bespaart een éénverdienergezin of een gezin waarvan één van de partners een bescheiden inkomen geniet op twee manieren belastingen: door een gedeelte van het inkomen te verschuiven van een schijf met een hoge naar een schijf met een lage belastingvoet. Bovendien put het gezin op die manier ook de belastingvrije som van de minstverdienende optimaal uit. Het huwelijksquotiënt was destijds een compensatie voor de invoering van de decumul. Alleen is de decumul onbeperkt en het huwelijksquotiënt begrensd tot 30 % van het gezinsinkomen met een maximum van 8 720 euro (inkomsten 2007).

De Gezinsbond wil deze regeling behouden en beter afstemmen op zorg- en opvoedingsarbeid door het maximaal over te hevelen plafond met 10 % per kind en hulpbehoevend familielid te verhogen. En door het splitsingspercentage van 30 % te verhogen tot 40 %.

Kinderbijslagen

Kinderbijslagen herverdelen de welvaart horizontaal om alle gezinnen met een vergelijkbaar inkomen, maar een verschillend kindertal, toch een evenwaardig welvaartspeil te verzekeren.

 

Huidig stelsel

Ons land kent momenteel vier kinderbijslagstelsels. Elk stelsel heeft zijn specifieke kenmerken en bedragen. Het beroepsstatuut van de ouders bepaalt welk kinderbijslagstelsel van toepassing is: werknemer, zelfstandige of ambtenaar. Wie onder geen van de vorige drie beroepsstatuten valt, krijgt kinderbijslag in het gewaarborgde stelsel. De voornaamste verschillen situeren zich tussen de stelsels van de werknemers en de zelfstandigen.

 

Basisbedrag plus leeftijdstoeslag

Kinderbijslag bestaat uit twee elementen: een basisbedrag en een leeftijdstoeslag. Binnen elk stelsel bepaalt ook de rang van het kind de hoogte van het bedrag. Momenteel[148] bedraagt de basiskinderbijslag: 78,59 euro (eerste kind), 145,43 euro (tweede kind) en 217,13 euro (derde kind). Het eerste kind van zelfstandigen krijgt maar 39,97 euro[149]. Naarmate kinderen ouder worden hebben ze recht op een leeftijdstoeslag. Deze toeslag wordt toegekend telkens het kind een scharnierleeftijd bereikt: 6, 12 of 18 jaar. Ook de leeftijdstoeslagen verschillen naargelang de rang. Kinderen van de tweede of derde rang krijgen cumulatief een toeslag van 27,30 euro (op 6 jaar), 14,42 euro (op 12 jaar) en 11,33 euro (op 18 jaar). Een eerste kind krijgt telkens amper de helft: 13,69 euro (op 6 jaar), 7,16 euro (op 12 jaar) en 6,46 euro (op 18 jaar). Dat is een maatregel uit het federale besparingsplan uit 1996. Dat voerde ook een aantal overgangsmaatregelen in, die onze kinderbijslag hertekenen in een ingewikkeld kluwen.

 

Grondige hervorming

De Gezinsbond wil de bestaande kinderbijslagstelsels grondig hervormen. Daartoe hebben wij vier kernvoorstellen. Ons uitgangspunt is kinderbijslag als recht van het kind. Omdat volgens ons alle kinderen gelijk zijn, moet elk kind een gelijke kinderbijslag krijgen, los van het beroepsstatuut én van het inkomen van zijn ouders. De Gezinsbond streeft dan ook naar een eenheidsstelsel voor alle kinderen. Daarin variëren de bedragen alleen nog volgens karakteristieken van de kinderen zelf: leeftijd én mogelijke handicap.

 

Substantieel verhogen

De huidige bedragen van de kinderbijslagen dekken onvoldoende de minimumkosten van kinderen. De dekkingsgraad van de kinderbijslag alleen bedraagt amper een kwart van de minimumkost van één kind, 35 % van twee kinderen en 45 % van drie kinderen. Dat is veel te weinig. Daarom moet de overheid dringend de bedragen van de kinderbijslagen substantieel optrekken. Zodat op termijn basiskinderbijslag en leeftijdstoeslag samen minstens de minimumkosten van kinderen dekken. Uiteraard is er nog een lange weg af te leggen. Een degelijk uitgebouwd stappenplan dringt zich op. Het wordt hoog tijd dat de regering daarvan de eerste stap zet. Vooral daar waar het nodig is: bij het eerste kind én bij de 18-plussers. Voor hen is de kloof tussen minimumkost en kinderbijslag immers het grootst. Maar koken kost geld. Daarom moet de regering dringend extra middelen vrijmaken om de kinderbijslagen structureel te verhogen. De regering moet dringend keuzes maken. Ze moet kiezen voor gezinnen. En voor kinderen. De overheid moet hun koopkracht stelselmatig opkrikken. Niet alleen focussen op de vergrijzing, maar ook de ontgroening aanpakken.

 

De afgelopen jaren zijn de minimumkosten forser gestegen dan de indexcijfers. Sterker dan de gezondheidsindex. Ja, zelfs méér dan de gewone index. Gezinnen verliezen daardoor een extra stuk welvaart. Dat moet de overheid veiligstellen. Kinderbijslagen moeten daarom net zoals de andere sociale uitkeringen regelmatig welvaartsvast worden gemaakt.

 

Discriminaties wegwerken

De bestaande discriminaties in de huidige stelsels staan een eenheidsstelsel in de weg. De Gezinsbond pleit er dan ook voor om alle discriminerende regels dringend weg te werken. Het onderscheid volgens rang moet verdwijnen. De Gezinsbond verzet zich echter tegen elke nivellering naar beneden toe. Dat zou vooral nadelig zijn voor grote gezinnen. Neen, de bedragen van de basiskinderbijslag moeten stapsgewijze verhogen: eerst om de eerste rang gelijk te stellen met de tweede, daarna om de kloof tussen tweede en derde rang te dichten. Ook wil de Gezinsbond dat de besparingsmaatregel uit 1996 dringend wordt tenietgedaan zodat in het werknemersstelsel kinderen van de eerste rang opnieuw dezelfde leeftijdstoeslagen krijgen als de tweede en derde rang. Bovendien mogen kinderen van zelfstandigen niet langer worden gediscrimineerd. De overheid moet de basiskinderbijslag optrekken tot op het niveau van de kinderen van werknemers. Ook enige, jongste én oudste kinderen van zelfstandigen moeten voortaan de leeftijdstoeslagen krijgen. Vandaag hebben deze kinderen geen of minder leeftijdstoeslag. Ten slotte moet de hervorming van de verhoogde kinderbijslag voor kinderen met een handicap dringend uitgebreid worden naar alle kinderen. Momenteel komen alleen kinderen geboren na 1 januari 1993 in aanmerking voor de evaluatie aan de hand van de medisch-sociale schaal. Deze is rechtvaardiger dan de vroegere hakbijlprocedure die minstens een 66 % medische handicap oplegde als voorwaarde om in aanmerking te komen voor de verhoogde kinderbijslag. De regering moet dringend een duidelijk stappenplan met een bindende timing uitwerken zodat snel alle kinderen tot het nieuwe stelsel kunnen toetreden.

 

Vereenvoudigen

Het huidige kinderbijslagstelsel is véél te complex. De Gezinsbond wil kinderbijslagen sterk vereenvoudigen. Eén basiskinderbijslag voor alle kinderen: 270,03 euro per maand. En drie leeftijdtoeslagen: 78,97 euro op 6 jaar, 78,96 euro op 12 jaar en 85,52 euro op 18 jaar. Eenvoudig en transparant.

 

Financiering uit algemene middelen

Kinderbijslagen vormen momenteel een tak binnen de sociale zekerheid. Een werkgeversbijdrage van 7 % op de loonmassa financiert de uitgaven. Jaarlijks boekt de overheid in de kinderbijslagen een overschot van méér dan 2 miljard euro. Als gevolg van het globale beheer in de sociale zekerheid wendt de overheid deze overschotten aan om de putten te delgen: om pensioenen en gezondheidszorg te financieren. Het hebben van kinderen kan je moeilijk bestempelen als een arbeidsrisico. Bovendien zijn kinderbijslagen geen inkomensvervangende maar kostencompenserende tegemoetkomingen. Daarom wil de Gezinsbond de kinderbijslagen voortaan op een andere manier laten financieren: uit de algemene middelen (bestaande belastinggelden) en niet langer uit sociale bijdragen. Het onttrekken van de kinderbijslagen aan de sociale zekerheid, zien vele politici als een eerste stap om de kinderbijslagen over te hevelen van het federale naar het regionale niveau. Een aloude eis van de Gezinsbond.

Conclusie

Kinderbijslag is het middel bij uitstek om de kost van kinderen te compenseren. Gezinnen voelen deze financiële steun in de rug onmiddellijk én integraal in hun budget. Iedere maand stort de overheid het maandelijkse bedrag op de gezinsrekening. Fiscale voordelen voor kinderen ten laste voelen gezinnen slechts gedeeltelijk in hun loonbriefje: via de gezinskorting op de bedrijfsvoorheffing. Deze korting wordt onvoldoende doorgerekend in de bedrijfsvoorheffing zodat gezinnen vaak op het saldo anderhalf tot twee jaar lang moeten wachten. Bovendien genieten gezinnen met lage inkomens niet het volledige belastingvoordeel. Zij moeten even lang wachten op het terugbetaalbare belastingkrediet van maximum 370 euro per kind. Kinderbijslagen zijn voor alle gezinnen gelijk. Tenminste als alle bestaande discriminaties zijn weggewerkt.

 

Omwille van de hogere efficiëntie verkiest de Gezinsbond kinderbijslagen als de optimale weg voor de overheid om gezinnen te ondersteunen. Kinderbijslagen moeten evolueren tot het recht van het kind. Er moet dringend een stappenplan komen om de kinderbijslagen de minimumkosten van kinderen beter te laten dekken. Zolang kinderbijslagen echter niet minimumkostendekkend zijn, blijven wij daarnaast ook pleiten voor meer kindvriendelijke personenbelastingen.


 

Het debat over het huwelijksquotiënt

Interview met:

JURION, BERNARD (BJ)

Universtié de Liège (ULg)

&

MEUNIER, Thérèse (TM)

FOD Financiën

&

PEEMANS-POULLET, Hedwige (HPP)

Université des femmes

Lid van de Raad voor Gelijke Kansen

 

Het huwelijksquotiënt (HQ) in het Belgische fiscale systeem is een thema dat onderwerp is van verschillende debatten. De drie deskundigen die rond de debattafel zitten, namen alle drie deel aan de werkgroep ‘Fiscaliteit’ van de Staten-generaal van het Gezin (SGG). Zij delen niet dezelfde mening en gingen in op de uitnodiging om aan dit interview en debat over de netelige kwestie van het HQ deel te nemen en zodoende denkpistes vrij te exploreren en gedachten uit te wisselen.

 

Wat was de bedoeling van het HQ op het moment dat deze maatregel werd ingevoerd?

 

BJ: Tenzij we de toenmalige memorie van toelichting kunnen nalezen, is het moeilijk te achterhalen wat de bedoeling was van de wetgever. Misschien streefde de wetgever naar meer gelijkheid bij de belastingberekening tussen koppels en alleenstaanden. De belastinghervorming van 1989 maakte immers ook een einde aan de cumulatie van de beroepsinkomsten van gehuwden. Alle huishoudens met twee beroepsinkomens winnen hierbij. Het is niet uitgesloten dat men ook een voordeel wilde toekennen aan de huishoudens die niet profiteerden van de decumulatie omdat ze slechts over één beroepsinkomen beschikken. Het HQ valt in ieder geval te rechtvaardigen op basis van het criterium van het vermogen om belastingen te betalen.

 

TM: Er wordt vaak beweerd dat het HQ toegekend wordt wegens de kinderen, maar dat is zeker niet het geval. Het gaat eerder om een afgeleid recht van het huwelijk, dat los staat van de kinderlast. Misschien was aanvankelijk één van de verborgen doelstellingen de progressiviteit van de aanslagvoet voor éénverdienergezinnen af te vlakken, door hen een aanzienlijke vermindering toe te kennen.

 

HPP: Los van de reeds aangehaalde bekommernissen mogen we niet vergeten dat de werkloosheid op het moment van de invoering van het HQ groot was. Dit is trouwens nog steeds het geval. Ik denk dat het HQ indirect bedoeld was om het arbeidsaanbod van de vrouwen te beperken.

 

Dankzij het HQ betalen gezinnen die er gebruik van maken minder belastingen. Welke redenen rechtvaardigen deze vermindering als ze niet gekoppeld is aan een kinderlast?

 

TM: Men is steeds van mening dat er een vermindering gegeven moet worden wanneer de echtgenote of wettelijk samenwonende partner, het gaat immers bijna uitsluitend om vrouwen, niet werkt omdat de werkende echtgenoot dan minder belastingvermogen heeft. Eigenlijk is deze redenering volledig verkeerd: de vrouw die ervoor kiest om thuis te blijven, om het huishouden te doen en voor de kinderen te zorgen, verhoogt daarmee het belastingvermogen van deze belastingplichtige. In plaats van een belastingvermindering te krijgen, zou het gezin echter meer belastingen moeten betalen, want ze beschikken over een afgeleid inkomen. Dezelfde redenering geldt ook wanneer u eigenaar bent van een woning: het kadastraal inkomen wordt aan het gezinsinkomen toegevoegd louter omdat u geen huur hoeft te betalen. Het afgeleide inkomen van de echtgenoot dat tot uiting komt via besparingen op uitgaven zou, net als de huurbesparing, moeten worden toegevoegd aan het inkomen van de belastingplichtige. In plaats daarvan kent de wetgever een belastingvermindering toe die absoluut niet gegrond noch gerechtvaardigd is.

 

BJ: Bij een koppel zijn er ‘twee monden te vullen’, terwijl dat er maar één is bij een alleenstaande belastingplichtige. Het belastingvermogen bij een bepaald inkomen is dus beperkter. Daartegen wordt geargumenteerd dat een persoon die geen beroep uitoefent huishoudelijke taken kan verrichten (opvoeding van de kinderen, onderhoud van de woning, tuinonderhoud, opknapwerkjes,…) waarvoor meestal een beroep wordt gedaan op bedrijven of externe personen wanneer beide partners werken. Het komt er dan op aan de kostprijs van deze huishoudelijke taken in te schatten. Dat is niet eenvoudig. Brengt de thuisblijvende partner een afgeleid inkomen voort dat hoger is dan wat hij/zij het gezin kost aan consumptie? Ik denk het niet. Ik ben ervan overtuigd dat, bij een gegeven inkomen, een koppel minder koopkracht heeft dan een alleenstaande belastingplichtige. We mogen ook niet vergeten dat de belastingplichtigen enerzijds momenteel van een aantal fiscale voordelen kunnen genieten (verlaging van het belastbaar inkomen of belastingverminderingen) als tegenprestatie voor de kinderopvangkosten of, op sommige voorwaarden, voor de indienstneming van huishoudelijk personeel. Deze bepalingen hebben voornamelijk betrekking op gezinnen met twee beroepsinkomens. Anderzijds beperkt het plafond van het HQ het voordeel voor een koppel met slechts één beroepsinkomen. Wegens de progressiviteit van de inkomstenbelastingen kan het zijn dat twee gezinnen met hetzelfde inkomen een verschillend belastingbedrag betalen afhankelijk van de onderlinge verdeling van het inkomen. Als we de gezinslast niet meerekenen, betaalt een gezin waarin beide partners elk een belastbaar inkomen van 50 000 euro hebben minder belastingen dan een gezin waarin beide partners respectievelijk een belastbaar inkomen van 70 000 en 30 000 euro hebben. Het belastingsvoordeel dat uit het HQ gehaald wordt, moet bekeken worden in het licht van dit voorbeeld.

 

TM: Laten we de zaken bekijken hoe ze zijn: de vermindering die voortvloeit uit het HQ houdt in dat een thuisblijvende vrouw wordt gelijkgesteld aan minstens 6 kinderen ten laste. Ik vind dat een echte schande voor de waardigheid van de vrouw om een thuisblijvende vrouw te beschouwen als een last voor haar man, een last die overeenstemt met 6 kinderen ten laste of 3 kinderen met een handicap. Zij lijkt mij eerder een inkomen voort te brengen, terwijl ze daarentegen wordt beschouwd als een zware last.

 

Alleenstaanden en éénoudergezinnen komen niet in aanmerking voor het HQ. Nochtans wordt de financiële kwetsbaarheid van deze laatsten vaak onderstreept. Maakt het HQ het leven van de gezinnen die het het moeilijkst hebben echt makkelijker?

 

BJ: Dat is niet het doel van het HQ. We moeten trouwens vermijden dat verschillende instrumenten hetzelfde doel nastreven. Het herverdelingseffect van de inkomstenbelasting vloeit voort uit de progressiviteit en het gebruik van belastingkredieten. Eénoudergezinnen genieten overigens specifieke voordelen. Het HQ streeft, zoals reeds gezegd, een ander doel na.

 

HPP: Ik zou in herinnering willen brengen dat de laatste belastinghervorming neutraal beweerde te zijn ten opzichte van de ‘gekozen levenswijze’ van de belastingplichtigen, maar alleen een gezin dat uit een gehuwd of samenwonend koppel bestaat, komt in aanmerking voor het HQ, ook als er geen kinderen zijn (in 98% van de gevallen is de begunstigde een man), terwijl een gezin bestaande uit één persoon of een alleenstaande ouder met kinderen ten laste (in bijna 90% van de gevallen is dit een vrouw) er niet voor in aanmerking kan komen. De levenswijze ‘als koppel’ wordt dus aangemoedigd. Een deel van de beroepsinkomsten van deze koppels ontsnapt aan de progressiviteit van de belastingen wat niet het geval is voor éénoudergezinnen. Het belastingvermogen van een gezin wordt alleen geanalyseerd uitgaande van het aantal verbruikers die ten laste zijn van de beroepsinkomsten. Er wordt geen rekening gehouden met het aantal uren gezinswerk die gepaard gaan met het aantal afhankelijke personen die moeten worden onderhouden en dit ongeacht het soort gezin: tweeverdieners, éénverdieners, éénoudergezinnen,… Het HQ houdt evenmin rekening met de beroepsinkomsten van de echtgenoot. Een ‘thuisblijvende vrouw’ wordt aangegeven als ‘ten laste’ ook als zij over aanzienlijke vermogensinkomsten beschikt, wat vaak het geval is voor thuisblijvende vrouwen in de hogere inkomensdecielen, die van de hoogste belastingsverminderingen van het HQ kunnen genieten.

 

Wat moet het uitgangspunt van de belastingen zijn?

 

BJ: Er zijn twee verschillende opvattingen over de gezinsfiscaliteit. Volgens sommigen zou de inkomstenbelasting voor ieder individu moeten worden berekend los van de levenskeuze. Dit is verdedigbaar aangezien het moeilijk is om het samenwonen van sommige belastingplichtigen te verifiëren. Als we echter coherent willen zijn, zouden we deze houding ook moeten aannemen bij de toekenning van sommige sociale overdrachten (pensioenen, werkloosheidsuitkeringen,…) door geen onderscheid meer te maken tussen samenwonenden en andere rechthebbenden (de sociale zekerheid mag dan wel hoofdzakelijk worden gefinancierd via specifieke bijdragen, het gaat net zoals bij de belastingen om verplichte stortingen). Volgens anderen zou het belastingvermogen beter worden geëvalueerd via het gezinsinkomen (zonder de gezinslast te vergeten en rekening houdende met de vermindering van sommige lasten zoals de kosten voor huur, verwarming of verlichting wanneer men als koppel leeft). Vandaar de noodzaak om een onderscheid te maken tussen gezinnen bestaande uit één of twee belastingplichtigen (ook als één van beiden geen beroepsactiviteit uitoefent).

 

HPP: We hebben hier te maken met een mengeling tussen twee verschillende fiscale systemen. In feite vormt het huishouden de grondslag van de belastingen voor koppels terwijl het individu de grondslag vormt voor alleenstaande personen en ouders. Dit is volkomen onrechtvaardig. Bovendien zou de progressieve fiscale voorheffing op individuele basis de kloof tussen de hoogste en de laagste inkomens kleiner maken. Dit betekent indirect  dat de kloof kleiner wordt tussen het inkomen van mannen en het inkomen van vrouwen. Dit is één van de redenen waarom belasting op individuele basis de voorkeur zou moeten krijgen.

 

Een veel gehoorde kritiek op het HQ is dat de heffingsgrondslag op basis van het gezin een belemmering vormt voor de beroepsactiviteit van de minst verdienende partner. Hoe zit het met deze werkloosheidsval?

 

TM: Als een thuisgebleven vrouw beslist om opnieuw professioneel aan de slag te gaan, zal haar inkomen belast worden alsof het door de man verdiend werd, dus aan de marginale aanslagvoet van de inkomsten van het huishouden. De echtgenoot heeft immers via het HQ niet alleen recht op een belastingvrije som op zijn eigen inkomen, maar ook op een afgeleid recht: hij geniet van een extra belastingvije som op zijn eigen inkomen doordat zijn vrouw niet werkte. Wanneer de echtgenote beslist een beroepsactiviteit uit te oefenen, lijkt het alsof ze geen eigen recht had op deze belastingvrije som aangezien ze al wordt toegekend aan de man. Wanneer zij opnieuw professioneel aan het werk gaat, merkt ze geen voordeel van de gescheiden inkomstenbelasting en de aanslagvoet die geldt voor haar inkomen zal haar ontmoedigen. Eigenlijk is dit hetzelfde effect als de cumulatie van de inkomsten van gehuwden. Er moet dus een aanzienlijk inkomen worden verdiend om niet alleen deze ontmoedigende aanslagvoet te overstijgen, maar ook om andere bijkomende uitgaven en ongemakken te compenseren als gevolg van haar beslissing om opnieuw een beroep uit te oefenen (kosten voor vervoer, kleding, kinderopvang, huishoudelijke uitgaven, minder beschikbaarheid,…).

 

HPP: Deze maatregel geldt als compensatie voor gezinnen waarin de vrouw niet werkt en zou de toegang van een aantal vrouwen tot de arbeidsmarkt afremmen. Deze kritiek wordt vaak herhaald in het kader van het werkgelegenheidsbeleid. Europa heeft België al meermaals gevraagd vrouwen op de arbeidsmarkt niet te ontmoedigen via zijn fiscale en sociale wetgeving. De vermindering van de progressiviteit van de belasting, wanneer er verschillen zijn binnen het koppel, is als een subsidie voor de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. Hoe groter het verschil binnen het koppel – de vrouw heeft geen of een erg klein inkomen – hoe meer het HQ de progressiviteit van de belastingen afremt. Het HQ subsidieert de ongelijkheid en dat is totaal onaanvaardbaar.

 

De Ligue des Familles stelt voor om de afschaffing van het gezinsquotiënt te compenseren met een aanzienlijke verhoging van de belastingverminderingen voor kinderen ten laste, meer bepaald voor het eerste en tweede kind. Is dit haalbaar?

 

HPP: Dit is eindelijk een kindgerichte maatregel. Ik verkies sociale tegemoetkomingen boven belastingverminderingen omdat ze forfaitair zijn. We waren het binnen de SGG vrij eens om een forse stijging van de kinderbijslag voor het eerste kind te vragen: bij de komst van het eerste kind (maar ook bij het tweede) worden ouders armer aangezien kinderen de kosten van het kind het bedrag van de kinderbijslag overstijgen. Het miljard dat ‘verloren’ gaat door het HQ zou beter worden besteed aan de uitbouw van collectieve voorzieningen voor de kinderen, maar ook voor de ouders. Het HQ is eerder een politieke maatregel die de staatshulp privatiseert in plaats van een collectieve maatregel die deze hulp socialiseert.

 

BJ: De fiscale wetgeving biedt belastingplichtigen belastingverminderingen (verlaging van het belastbaar inkomen of belastingvermindering) aan. Deze fiscale uitgaven zijn bedoeld als aanmoediging. Dit doel kan ook worden bereikt via de toekenning van directe subsidies. De belastingverminderingen voor gezinslast hebben uiteindelijk hetzelfde effect als de toekenning van kinderbijslag. Persoonlijk vind ik dat we meer gebruik moeten maken van sociale tegemoetkomingen dan van belastingen (in het institutionele kader van België is het bevoegde beleidsniveau niet altijd hetzelfde) om een hele reeks doelen te bereiken. In ieder geval mogen we ons niet buigen over de belastingvrije sommen voor kinderen ten laste zonder ook na te denken over de berekeningswijze van de kinderbijslag.

 

Moet het HQ plaats ruimen voor een gezinsquotiënt om meer rekening te houden met de kinderen?

 

TM: In slechts enkele Europese landen bestaat een systeem van gezinsquotiënt, maar ik denk dat het interessanter zou zijn de heffingsgrondslag te herzien. Eigenlijk hebben nog maar vier Europese landen een gezamenlijk aanslagsysteem. Alle andere landen kozen voor een individuele aanslag of een individuele benadering. Ik ben volledig tegen een gezinsquotiënt omdat het om een variant van de cumulatie van de inkomsten van de echtgenoten gaat met erg nadelige gevolgen voor het werk van gehuwde vrouwen. Dergelijk systeem houdt geen rekening met het respectievelijke bijdragevermogen van iedere partner tot het gezinsinkomen. Aangezien mannen statistisch gezien meer verdienen dan vrouwen zouden mannen in een progressief belastingstelsel meer belastingen moeten betalen dan vrouwen. De invoering van een gezinsquotiënt zou het tegenovergestelde resultaat geven. Een belastingsysteem waarbij beide partners worden gecumuleerd om vervolgens opgedeeld te worden op grond van de gezinssamenstelling is onrechtvaardig omdat dit voordeliger is voor de partners met het hoogste inkomen en nadeliger is voor de partners met het laagste inkomen. Een gezinsquotiënt verscherpt dus het inkomensverschil tussen mannen en vrouwen in plaats van het te verkleinen. In het huidige belastingstelsel van gezamenlijke aanslag worden de verminderingen voor kinderen ten laste van rechtswege en bij voorrang toegekend aan de partner met het hoogste inkomen, dus bijna altijd aan de vader. We hebben gemerkt dat, zelfs wanneer de belastbare inkomsten van beide echtgenoten volledig gelijk zijn, de totale vermindering voor kinderen ten laste systematisch naar de vader gaat. Dit betekent dat bij een gelijk belastbaar inkomen het netto-inkomen na belasting van de vader hoger zal zijn dan dat van de moeder. Het huidige aanslagsysteem voor de inkomsten draagt dus niet bij tot de herverdeling van de inkomsten, maar eerder tot de verscherping van het verschil in inkomen tussen mannen en vrouwen. Om deze situatie te verhelpen zou een systeem van belastingvermindering moeten worden ingevoerd dat voor beide ouders gelijk is en los staat van het niveau van hun inkomen.

 

BJ: Het is gewoon een probleem van belastingberekening. Wanneer de vrouw meer verdient dan de man (dit komt ook voor) worden de belastingvrije sommen van haar inkomen afgetrokken. We moeten ook voor de duidelijkheid een onderscheid maken tussen de berekening van de bedrijfsvoorheffing die door de werkgever volgens specifieke regels wordt ingehouden en de berekening van de belasting. Er zit twee jaar tussen de ontvangst van het inkomen (en dus de betaling van de voorheffing) en de vaststelling van de belasting (vergezeld van een eventuele terugbetaling). Op het moment van de bepaling van de voorheffing kunnen er onrechtvaardigheden zijn, maar daarom moeten we het hele belastingsysteem niet in vraag stellen. We moeten gewoon nadenken over een juistere berekening van de bedrijfsvoorheffing.

 

HPP: Vanuit het oogpunt van de wet vloeit een indirecte discriminatie voort uit de statistische wanverhouding tussen de twee begunstigde of niet-begunstigde partijen. Een ander belangrijk aan te kaarten gegeven is dat de belasting op basis van het huishouden de illusie schept dat het geld van het huishouden op een correcte en gelijke of op zijn minst zo gelijk mogelijke manier circuleert tussen de gezinsleden. Daar is echter niets van aan of, om eerlijk te zijn, daar weten wij niets van. Studies over het individuele gebruik van het gezinsinkomen zouden welkom zijn.

 

Deze maatregel werd genomen in 1988. Rechtvaardigt de huidige evolutie een aanpassing?

 

HPP: Enerzijds wel omdat vrouwen steeds talrijker aanwezig zijn op de arbeidsmarkt, maar anderzijds neemt het aantal personen dat in aanmerking komt voor een HQ toe nu wettelijk samenwonen op gelijke voet staat met het huwelijk.

 

BJ: Het klopt dat de gezinnen die gebruik maken van het HQ voornamelijk relatief oude gezinnen zijn die geen kinderen meer ten laste hebben. Ze weerspiegelen een gezinsbeeld dat drie tot vier decennia geleden nog overheerste. Zij hebben een keuze gemaakt waarvan ze de voordelen en kosten kenden. Het zou onrechtvaardig zijn een fiscale maatregel te schrappen die deze keuze heeft kunnen beïnvloeden. Moeten we het HQ behouden voor de jonge gezinnen die dezelfde keuze zouden maken? Persoonlijk ben ik daar voorstander van wegens de argumenten die ik zonet heb uiteengezet.

 

TM: Vandaag de dag beslissen vrouwen later om te trouwen, meestal op een moment dat ze al actief zijn op de arbeidsmarkt. De vraag of ze hun beroepsactiviteit al dan niet voortzetten rijst bij de komst van het tweede en vooral derde kind. Het verschil tussen het inkomen van beide echtgenoten maakt dat in de meeste gevallen de vrouw haar beroepsactiviteit zal opschorten voor de opvoeding van de kinderen. We mogen nooit vergeten dat het HQ een belastingvermindering is die naar de meest verdienende partner gaat, doorgaans de man. En als de man beslist te vertrekken, zal de echtgenote geen cent meer terugzien van die belastingvermindering.

 

Is het mogelijk te evolueren naar de individualisering van de rechten op fiscaal vlak en naar de afschaffing van het HQ, zoals o.a. de vrouwenverenigingen eisen?

 

BJ: De overstap naar een totale individualisering van de belastingen is logisch, ook al houdt ze geen rekening met het lot van gezinnen met slechts één inkomen. De sociale tegemoetkomingen zouden dan ook moeten worden berekend zonder rekening te houden met het inkomen van de man of samenwonende partner. We kunnen niet het pensioen en de werkloosheidsuitkering berekenen op basis van de gezinssituatie, terwijl de berekening van de belastingen op een andere manier gebeurt. De persoon die binnen het koppel geen beroepsactiviteit heeft, zou dan een soort sociale uitkering moeten kunnen krijgen, ongeacht het inkomen van de man of samenwonende partner. Ik ben er niet van overtuigd dat de maatschappij hiervoor openstaat. Ik blijf erbij dat een gezamenlijke belasting verschillende voordelen biedt. We moeten ze aanpassen en rekening houden met de elementen die in deze discussie aan bod kwamen. Het huishoudelijke werk dat verricht wordt door de thuisblijvende partner bijvoorbeeld maakt dat het koppel geen uitgaven heeft die het anders wel zou hebben. Sommige van deze uitgaven maken dat de belastingplichtige in aanmerking kan komen voor belastingverminderingen. Dan zijn er ook de besparingen (schaalvoordeel) door samen te wonen. Het gaat om de kosten voor de huur, verwarming, verlichting, duurzame zaken die worden gedeeld. We kunnen ons ook afvragen of het belastingbedrag dat een koppel betaalt, moet afhangen van de onderlinge verdeling van het gezinsinkomen. In de veronderstelling van een gezamenlijke belasting en één belastingeenheid, namelijk het huishouden, valt het HQ volledig te rechtvaardigen.

 

HPP: Iedereen is gechoqueerd wanneer vrouwenbewegingen spreken van de ‘afschaffing’ van het HQ. Deze organisaties stellen altijd een geleidelijke schrapping van het HQ voor die op twee manieren kan gebeuren: hetzij via een vermindering van dit fiscaal voordeel bij de hoge inkomens, hetzij via een afschaffing van het HQ per leeftijdsgroep. Het is belangrijk erop te hameren dat het woord ‘afschaffing’ samengaat met het bijvoeglijk naamwoord ‘progressief’. Momenteel is dit nog een politiek taboe. Zowel in de sociale zekerheid als in het belastingwezen schrijven sommige partijen vage algemeenheden over individualisering neer in hun programma, maar het is duidelijk dat dit zeker geen deel uitmaakt van de onderhandelingen bij de uitwerking van een regeringsprogramma.

 

TM: Politiek gezien zal een afschaffing er niet komen. Het is taboe! Het moet op een progressieve en bewuste manier gebeuren. Koppels zouden de mogelijkheid moeten hebben, zoals nu al het geval is bij het overlijden van een echtgenoot, om voor een afzonderlijke belasting of voor een gezamenlijke belasting te kiezen. Als zij eenmaal hebben gekozen voor een individuele belasting kunnen ze niet meer terug. We zouden er ook voor kunnen zorgen dat het interessanter is om voor een individuele belasting te kiezen en zo zouden we op een progressieve manier komen tot een individualisering. Zodra een kritische massa voorstander wordt van de individualisering kunnen we de beweging versnellen door het HQ geleidelijk aan af te schaffen.

 

U bent geen voorstander van de afschaffing?

 

BJ: Het gekozen belastingstelsel moet coherent en makkelijk toepasbaar zijn. Dat is zeker en vast het grootste voordeel van een individualisering van de belastingen. Maar er zijn nog lacunes. Het HQ is een manier om sommige van deze lacunes op te vangen in een kader dat vandaag de dag ruimschoots geïndividualiseerd is.

 

Marie-Thérèse Casman


 

Kinderen en echtscheiding

Interview met VANDEKERCKHOVE, Ankie

Kinderrechtencommissaris Vlaanderen

www.kinderrechten.be

 

Het ‘Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind' werd in 1991 door België ondertekend en geratificeerd. Het bevat dwingende rechtsregels over de omgang met kinderen en jongeren. Het bekendmaken van dit verdrag en het toezicht op de naleving ervan wordt door de Vlaamse overheid toevertrouwd aan het Kinderrechtencommissariaat. Ankie Vandekerckhove staat aan het roer van deze onafhankelijke paraparlementaire instantie. Zij geeft tekst en uitleg bij de plaats van het kind in een echtscheiding. Het interview vond plaats in mei 2006 temidden van de discussies over de invoering van de schuldloze echtscheiding en de stemming van het wetsvoorstel over het verblijfsco-ouderschap.

 

Algemeen kan een echtscheidingsproces opgesplitst worden in drie fases: voor, tijdens en na de echtscheiding. Centrale vraag daarbij is wat er voor het welzijn van het kind gedaan wordt en welke verbetering er aangebracht kunnen worden.

 

Wat kan er voor kinderen gedaan worden in de fase die voorafgaat aan een echtscheiding?

 

Vooral het recht op informatie van kinderen en jongeren is belangrijk. Hier moet meer vorm aan gegeven worden. Vanuit het ministerie van Jeugd (van de Vlaamse gemeenschap) wordt er gewerkt aan drie infogidsen en samenhangende websites voor kinderen, tieners en jongeren. Deze brochures zullen verspreid worden via scholen of jeugdorganisaties. Uit een kleinschalig onderzoek met kinderen van gescheiden ouders blijkt dat een deel van de kinderen niet weet wat er te gebeuren staat. Kinderen stellen zich vragen over de situatie waarin ze zitten, ook al is deze nog niet problematisch. Het gaat om dingen die hun directe leefwereld aanbelangen. Kinderen komen op dat moment zelf heel moeilijk naar buiten met vragen. Enerzijds durven ze niets aan hun ouders vragen omdat ze ook wel doorhebben dat hun ouders het heel moeilijk hebben. De ouders zelf zitten in een moeilijke situatie waardoor het niet altijd mogelijk is om heel rustig en doordacht de korte en lange termijn gevolgen uit te leggen. Anderzijds omdat kinderen niet weten waar ze terecht kunnen. Het informele circuit waarin kinderen belanden, werkt doorgaans wel, maar is soms niet voldoende. Er is nergens een duidelijk aanwezig aanbod. Toch denk ik niet dat we naar een ‘infopunt echtscheiding’ moeten. Feit is dat één op vier kinderen met een scheiding te maken krijgt, dus informatie over echtscheiding mag wel tastbaarder ter beschikking liggen. Idealiter zou er in elk dorp een informatiepunt moeten zijn, kinderen zijn immers veel minder mobiel. Er is ook nood aan informatie over acties die kinderen zelf kunnen ondernemen. Zeker omdat kinderen, hoewel ze geen juridische partij zijn, meer nog dan hun ouders de echtscheiding ondergaan. Partners kunnen uit elkaar gaan en de rest van hun leven niets meer met elkaar te maken hebben. Kinderen en ouders kunnen dit niet. Ook over de positie van het kind en de manier waarop dat aan hun ouders duidelijk gemaakt kan worden, is meer uitleg en informatie nodig.

 

 

Is er nood aan inspraak voor kinderen tijdens de echtscheidingsprocedure? Hoe zou u die willen realiseren?

 

Idealiter houden ouders bij het regelen van hun echtscheiding rekening met het welzijn en de rechten van de kinderen. Het vertrekpunt is dat ouders in elke eigen gezinssituatie, en dus ook in elke specifieke scheidingssituatie, weten wat hun kinderen belangrijk en minder belangrijk vinden. De wensen, de behoeftes en de belangen van de kinderen moeten ze meenemen in de regeling zowel op zakelijk vlak (verblijf, school en omgang) als op het vlak van de vrijetijdsbesteding. Als ouder moet je er wel bij stilstaan op zo een moeilijk moment in de relatie.

 

In een minder ideale situatie, waarbij de communicatie tussen ouders ver zoek is, moet er meer gebruik gemaakt kunnen worden van het spreekrecht in de rechtbank. Wegens het ontbreken van wetenschappelijk onderzoek is het moeilijk om hier een zicht op te krijgen. De wetgeving brengt evenmin duidelijkheid op dit vlak. Na de echtscheidingsprocedure en wanneer ouders de verblijfsregeling willen veranderen, is de jeugdrechtbank bevoegd. In deze rechtbank worden kinderen verplicht opgeroepen vanaf 12 jaar. Tijdens de echtscheidingsprocedure, in kortgeding of eerste aanleg, hangt dit af van de discretie van de rechter. Uit de praktijk weet ik dat sommige rechters kinderen vanaf relatief jonge leeftijd (ongeveer zeven jaar) uitnodigen, terwijl anderen dit niet doen. Als een kind echter vraagt om gehoord te worden, zou de rechter daar ons inziens op moeten ingaan, maar zelfs dan nog doen ze dat niet allemaal. Probleem is ook dat kinderen hierover niet geïnformeerd zijn. Dat brengt ons terug bij het eerste punt: het belang van informatie.

 

Met betrekking tot de verbetering van de positie van kinderen in deze situatie zijn er een paar wetsvoorstellen hangende rond onder andere het spreekrecht, jeugdadvocaten en eigen rechtsingang. Deze maatregelen zijn soms echt noodzakelijk omdat de ouders, de wettige vertegenwoordigers van het kind, niet opkomen voor hun belangen en rechten op dat moment. Als kinderen in verdragen rechten krijgen, moeten ze ook praktisch en procedureel in de mogelijkheid zijn om die rechten autonoom uit te oefenen. Deze oplossing moet in de uiterste gevallen voorhanden zijn, ook al is het voor kinderen heel moeilijk om ze te gebruiken.

 

Komt er op die manier niet te veel druk bij de kinderen te liggen?

 

Kinderen die in zware vechtscheidingen hebben gezeten en niet de kans hebben gehad om naar de rechtbank te gaan of wel gehoord zijn geweest, maar nergens hun verhaal herkennen in de regelingen, zonder enige motivering van de rechter, zijn gefrustreerder. Kinderen vinden dat de rechter zijn of haar beslissing moet motiveren als die afwijkt van wat de kinderen zelf willen. Op die manier is het ook meteen duidelijk dat het de rechter is die bij zulke conflicten beslist en niet het kind. Magistraten moeten leren dat ze via vragen over school en vriendjes kunnen ontdekken wat de vaste waarden zijn voor het kind, wat hun levensritme is. Rechters moeten hun uitspraak in de mate van het mogelijke daaraan aanpassen.

 

Kan hier een bemiddelaar zijn intrede doen?

 

Ja, maar kinderen moeten ook betrokken worden bij de bemiddeling. Doorgaans gebeurt de bemiddeling nu zonder kinderen, maar als het belang van de dialoog dan toch centraal staat, waarom hen er dan niet bij betrekken? Spreken met een bemiddelaar is een minder bedreigende setting voor kinderen. Kinderen moeten terecht kunnen bij een infodienst of voorziening die heel laagdrempelig is en niet meer problemen ziet dan er eigenlijk zijn.

 

In welke mate moet het kind betrokken worden bij de echtscheiding?

 

De huidige regeling is niet slecht op één klein detail na, het spreekrecht. Op dit moment kan de rechter het kind in kwestie uitnodigen of kan het kind aan de rechter vragen om gehoord te worden. Er zijn kinderen die niet weten dat ze dit spreekrecht hebben of niet weten hoe ze er concreet mee om moeten. Wij zouden graag een oproepplicht in het leven roepen, geen verschijningsplicht. Concreet kan een informatieve brief verspreid worden waarin beschreven staat hoe het zit met dat spreekrecht, bij wie kinderen terecht kunnen en waarover het gesprek zal gaan. Er kan aangegeven worden dat de beslissing over de verblijfsregeling niet bij het kind zelf ligt, maar uitgelegd worden dat zowel vader als moeder hun verhaal aan de rechter vertellen en dat je als kind ook het recht hebt om jouw verhaal te brengen. Artikel 12 van het kinderrechtenverdrag[150] is ingebed in onze wetgeving door het spreekrecht, maar het is veeleisender dan dat het nu vertaald is. Vandaag de dag is het in de praktijk eerder een spreekmogelijkheid dan een spreekrecht. In het nieuwe wetsvoorstel staat onder andere dat de rechter moet ingaan op de vraag om gehoord te worden van elk kind onder de 12 jaar. Dat zijn technische ingrepen in de nieuwe ontwerpen die van de spreekmogelijkheid een effectief spreekrecht kunnen maken.

 

Wat zijn volgens u de voordelen van bemiddeling?

 

We stellen vast dat scheidingen waarbij partners zelf hun eigen leven mogen regelen en dit niet door een rechter wordt opgelegd, beter aflopen op lange termijn. Een meerwaarde van bemiddeling is dat er naast het juridische ook gekeken wordt naar het welbevinden en het relationele aspect. Die multidisciplinariteit is belangrijk. Het afhandelen van een huwelijk is meer dan enkel een contract ongedaan maken waarvoor een rechter bevoegd is. Een bemiddelingsovereenkomst is ook flexibel. Er kunnen afspraken in opgenomen worden over hoe problemen in de toekomst opgelost gaan worden door bijvoorbeeld op te nemen dat er opnieuw naar bemiddeling gegaan wordt. Dit is in het belang van het kind, want zij hebben vooral last van de conflicten rond de scheiding en niet per definitie van de scheiding zelf. Als ouders elkaar bekogelen, vallen de brokken neer op de kinderen die er de hele tijd tussen blijven staan. In Noorwegen, waar ze een verplichte informatiesessie rond bemiddeling hebben, worden steeds meer huwelijken via bemiddeling afgerond.

 

Denkt u dat het een goed idee is om bemiddeling verplicht te maken?

 

De bemiddeling verplicht maken is moeilijk omdat je niemand kan verplichten om in dit systeem te stappen. Het sterke aan bemiddeling is net dat twee mensen vrijwillig gaan onderhandelen over hun situatie. Op het moment dat iemand zich daartoe verplicht voelt, zit je al bijna in een rechtbanksysteem waarbij de ene, ‘gedagvaard’ wordt om te gaan bemiddelen. Wat wij wel verplicht willen maken, is een kennismaking met dat circuit. Een informatieve sessie over dit bemiddelingscircuit en alle voordelen die dit meebrengt voor de partijen, en vooral voor de kinderen.

 

Vindt u dat samenwonenden die uit elkaar gaan ook een beroep moeten kunnen doen op bemiddeling?

 

Ja, want als het aanbod er is vanuit een welzijnsvoorziening, moeten zij er gebruik van kunnen maken, zelfs al kunnen wij hen hiertoe niet verplichten. De stap naar de rechtbank moeten zij niet zetten, net zoals ze ook niet naar de burgerlijke stand gaan bij het gaan samenwonen. Koppels met kinderen die een tijd hebben samengewoond moeten zeer zeker toegang krijgen tot het bemiddelingscircuit. In ieder geval moeten zij, als ze er niet uitkomen, ook naar de jeugdrechtbank om de verblijfsregeling van de kinderen te regelen.

 

Pleit u voor een opleiding van de bemiddelaars?

 

Ja, zeer zeker, een multidisciplinaire opleiding, zelfs voor advocaten en notarissen, die nu zelf hun eigen opleidingen hebben. We hebben ook nood aan een goedkeuringssysteem. Bemiddelen is een heel andere manier van werken en kijken naar mensen en vooral naar conflicten dan je als bijvoorbeeld advocaat gewoon bent. Er moet één uniforme opleiding zijn, ongeacht het diploma dat de deelnemers al hebben. Een commissie is nu aan het bepalen hoe deze opleiding het beste kan worden ingericht [151].

 

De inbreng van verschillende disciplines in één dossier is heel belangrijk, maar een jurist moet geen psycholoog worden en een psycholoog moet geen jurist worden. Ieder zijn ding, maar wel in een gezamenlijk aanbod. Je kan het naar het publiek ook niet maken om verschillende soorten bemiddeling aan te bieden.

 

Een ander onderwerp dat veel in de media verschijnt is de ‘schuldloze echtscheiding’. Hoe staat u hierover met betrekking tot het welzijn van het kind?

 

In het wetsontwerp zit een achterpoortje om toch weer over de fout te discussiëren. Het ontwerp is dus niet schuldloos en je gaat ook niet conflictverminderend werken. Naar de kinderen toe maakt dat ontwerp niet zo veel uit. Wat erger is, is dat de wetgever afstapt van de Echtscheiding met Onderlinge Toestemming (EOT). In dat systeem nemen ouders zelf hun echtscheiding in eigen handen en moeten ze zorgen dat alles geregeld is vooraleer ze naar de rechtbank gaan. Bij de schuldloze echtscheiding kan je al met een gedeeltelijk akkoord naar de rechtbank gaan en na verloop van tijd nog een keer om de rest te regelen. Op die manier wordt het risico op aanslepende scheidingen en conflicten groter. Voor kinderen, die voornamelijk last hebben van de conflicten, is dit erg. Ik vind het EOT-model niet slecht. Voor mensen die er op die manier niet uitgeraken, gaat er altijd een gerechtelijke procedure nodig zijn. Ik zou de fout uit de scheidingsregeling halen en als uitweg voor mensen die niet via onderlinge toestemming kunnen scheiden ook een gerechtelijke procedure mogelijk maken vanuit de onherstelbare onverenigbaarheid en duurzame ontwrichting. Wanneer één van de twee partners niet meer gehuwd of samen wil zijn, dan houdt het op, zelf al blijf je dan nog samen omdat de wet het niet mogelijk maakt om te scheiden.

 

Tijdens de debatten in de Staten-generaal van het Gezin is het idee geopperd om het huwelijk na één jaar te kunnen laten ontbinden. Hoe denkt u hierover?

 

Ik begrijp de ratio van die twee jaar en minimumleeftijd van 20 jaar die op dit moment geldt alvorens te scheiden. Ik denk dat bemiddeling wel nuttig kan zijn, alsook bedenktijden, maar ik stel me vragen bij verplichte bedenktijden. Als je wil scheiden en voor de eerste keer naar een notaris, een bemiddelaar of een advocaat gaat, moet die de juiste vragen stellen zodat je gaat beseffen dat je misschien te impulsief gereageerd hebt. Een bedenktijd en stap voor stap de echtscheiding inzetten, vind ik niet slecht. Een opgelegde bedenktijd van 2 jaar schiet zijn doel dan weer voorbij. Als één van de twee er mee wil stoppen, dan heeft het nogal weinig zin om het te blijven rekken, want dan rek je ook de mogelijke risico’s op conflicten en problemen.

 

Uit de cijfers blijkt dat er voor elke vier huwelijken die jaarlijks worden afgesloten er drie worden ontbonden en daar worden de samenwonenden nog niet eens in meegerekend. Ik onderschat de symboliek van het huwelijk niet, maar ik denk dat we wel realistisch moeten zijn. Als er dan toch zo veel ontbindingen zijn, ondersteun dan als wetgever de positieve krachten die aan de gang zijn en niet de negatieve. Daar draait het allemaal rond bij bemiddeling.

 

Het wetsvoorstel over verblijfsco-ouderschap moet enkel nog in de senaat gestemd worden. Hoe staat u daar tegenover?

 

Ik heb geen enkel probleem met het fenomeen verblijfsco-ouderschap, vooral niet omdat het een recht van het kind is om een goede (affectieve) relatie te onderhouden met beide ouders. Het is echter niet verstandig om het in de wet als ‘het grote voorkeursmodel’ naar voren te schuiven, geen enkel model trouwens. Via amendering is dat iets verminderd: het is nu één van de mogelijkheden voor de verblijfplaats van het kind na de scheiding. Het is goed dat de rechter een reeds bereikt akkoord tussen beide ouders niet meer terzijde kan leggen. Ik stel me wel vragen bij de juridische meerwaarde, want dit is al sinds 1995 mogelijk[152]. De vrijheid om alternatieve verblijfsregelingen te voorzien naast de traditionele twee weken bij één ouder en een weekendje bij de andere ouder, zit al elf jaar in de wet en die wordt ook al gebruikt door heel veel rechters. Naar de publieke opinie toe is het een groot probleem om uit te leggen wat het verschil is tussen verblijfsco-ouderschap en gezagsco-ouderschap. Het publiek is ook verwarrend geïnformeerd. Het probleem is dat door die foute mediaverspreiding het idee gegroeid is dat het week/week-model de verplichte verblijfsregeling bij echtscheidingen is. Hierdoor wordt de verblijfsregeling bij echtscheidingen die al jaren geleden beslist zijn, opnieuw ter discussie gesteld. Ouders trekken terug naar de rechtbank om de verblijfsregeling te herbespreken. Bij echtscheidingen die nu aan de gang zijn, is een andere verblijfsregeling gewoon geen optie meer.

 

Moet het verblijfsco-ouderschap als één van de opties aangeboden worden?

 

Ik denk dat vooral ouders gestimuleerd moeten worden om na te denken over het welzijn van hun kinderen in hun specifieke geval. Ze blijven ouders en hun kinderen hebben hen nodig. De vraag is hoe ze hiermee omgaan. Kinderen van  2 en  4 jaar hebben heel andere noden dan kinderen van 14 en 16 jaar. Op basis van de juiste vragen, die een bemiddelaar doorgaans beter kan stellen dan een rechter, kom je automatisch tot een systeem dat werkt. Aanpassingen kunnen altijd aangebracht worden als er veranderingen gebeuren in het dagdagelijkse leven van de kinderen of ouders. Sommige ouders geven ook toe dat ze een week/week-systeem niet zouden aankunnen. Ik denk dat de verblijfsregeling echt van gezin tot gezin moet worden bekeken en dat er rekening moet worden gehouden met de mening van de kinderen.

 

Psychologen zeggen dat kinderen liever een keer meer verhuizen omdat ze anders één van hun ouders te weinig zien.

 

Het blijkt dat het kind in het traditionele model (twee weken bij één ouder en één weekend op twee bij de andere ouder) evenveel verhuist. Het is vooral het gevoel dat kinderen hebben van continu uit hun koffer te leven. Bij verblijfsco-ouderschap is het voor kinderen van belang dat bijvoorbeeld enkel het schoolgerief meeverhuist en niet de kledij en het speelgoed. Dan is de regeling redelijk hanteerbaar. Kinderen zijn ook waanzinnig flexibel. Als zij dat van kleins af aan zo doen, kan het evengoed zijn dat de ouders er meer problemen in zien dan de kinderen.

 

Op zich heeft verblijfsco-ouderschap zeer veel voordelen voor kinderen en voor de betekenis van relaties die kinderen kunnen onderhouden met de twee ouders. Ik vind het zeker een mooi ideaal als de kinderen het zelf ook leuk vinden. Als ouder moet je echter goed weten of je het aankunt. Eigenlijk moet je na het huwelijk al beter overeenkomen dan tijdens het huwelijk om dat tot een goed einde te brengen. Heel veel verblijfsco-ouderschappen sneuvelen binnen de twee à drie jaar.

 

Wat wel zwaar problematisch is binnen het wetsvoorstel over verblijfsco-ouderschap is dat de gedwongen afgifte van het kind via de achterdeur naar binnen is gekomen. Dat is een stuk waar we ons tegen blijven verzetten. Wanneer in de voorbije tien jaar zowel het Hof van Cassatie als deurwaarders zeggen geen manu militari-optredens van kinderen in die context uit te voeren, dan moet je als wetgever niet weer de deur openzetten. Dat artikel moet er uit, dat is een stap te ver. Meer nog, het is weer het kind dat moet lijden en de gevolgen dragen van een verplichting die hij/zij niet zelf aangegaan is, maar wel de ouders.

 

Ik heb heel veel begrip voor al die vaders of moeders die hun kinderen al jaren niet meer zien en ook voor die kinderen zelf. Ouders zeggen soms ook “Moest het ooit zo ver komen, ik zou het niet doen. Ik zie mijn kinderen veel te graag om ze dat te moeten aandoen, dan misschien nog liever een jaar wachten of toch via bemiddeling nog een keer proberen.” Puur psychologisch en pedagogisch vind ik het onvoorstelbaar voor kinderen om dat te moeten meemaken. Ook juridisch ligt het moeilijk. Kinderen zijn geen verbonden partij van de afspraak die tussen hun ouders is afgesloten. Ik denk dat we daarom moeten blijven investeren in bemiddeling en bezoekruimtes en in al die conflicthanterende systemen in plaats van nog meer olie op het vuur te gaan gooien. Het kind gaat daar nooit beter van worden.

 

Bent u wel tevreden over de andere maatregelen zoals het betalen van dwangsommen?

 

Dwangsommen, dat moet kunnen. Ik snap dat er een signaal moet gegeven worden, maar je moet steeds het welzijn van het kind in het achterhoofd houden. Als je jezelf begint voor te stellen wat dat concreet zou opleveren, dan kom je van een heel kale reis terug. Wij blijven, misschien tegen beter weten in, pleiten voor bemiddeling vanaf het begin. Het moet meer gestimuleerd worden en betaalbaarder en toegankelijker zijn.

 

Wat is volgens u de beste regeling op termijn?

 

De beste regeling is de regeling die vanuit het gezin komt en waar rekening wordt gehouden met de mening van de kinderen. Ze moet flexibel genoeg zijn om met wisselende omstandigheden rekening te houden of overleg als eerste optie zien in plaats van meteen naar de rechtbank te stappen. Naast de inhoudelijke aspecten moeten ook de procedures worden vastgelegd om probleemoplossend te werken. Het zou ideaal zijn, mocht dit gebeuren via de bemiddelaar. Bemiddelaars houden rekening met lange termijn veranderingen. Hij of zij is iemand die er buiten staat, die onpartijdig is. Dat is het grote voordeel van bemiddeling: de niet-betrokkenheid bij elk aspect van de echtscheiding, zowel financieel als emotioneel.

 

Om wettelijk de bemiddeling op poten te zetten, zal het nog een hele zoektocht worden. Zowel welzijn (een gemeenschapsbevoegdheid), als justitie (een federale materie) zijn bevoegd.

 

Riet Bulckens


 

Zorgouderschap: een antwoord op de gezinsdiversiteit

HERBRAND, Cathy

Aspirant van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek,
Université Libre de Bruxelles (ULB)

 

Een andere kijk op de ouderlijke band

Van éénoudergezinnen naar nieuwsamengestelde gezinnen, over adoptie of medisch begeleide voortplanting,… vandaag de dag spelen heel wat personen een rol in het leven van het kind. Deze toenemende verscheidenheid aan gezinsvormen leidde de laatste jaren tot een nieuwe specifieke woordenschat. Zo deed de term ‘zorgouderschap’ geleidelijk aan zijn intrede in de gezinssociologie, in de politiek, maar ook in de Belgische wetgeving, met de bedoeling er een juridisch statuut van te maken. Deze recente uitdrukking, met een nog vage afbakening, wordt doorgaans gebruikt om het soort ouderlijke relatie weer te geven die ontstaat tussen een volwassene en een kind – vaak het kind van de partner – waarvoor die volwassene dagelijks instaat, zich gevoelsmatig en zelfs materieel investeert, zonder de biologische of wettelijke ouder te zijn. De term komt dus overeen met ‘feitelijke’ situaties, waarin de affectieve en diepgaande band alsook de dagelijkse belevenissen het mogelijk maken het ouderschap en het gezin van vandaag te herdefiniëren. Het komt er immers op aan de gebruikelijke opvatting over de ouderlijke relatie uit te breiden, door andere dimensies dan de biologische band toe te voegen en bijkomende partijen binnen het gezinsnetwerk te erkennen. Het begrip zorgouderschap is ook nauw verbonden met het begrip ‘meerouderschap’, aangezien zorgouderschap vaak het bestaan veronderstelt van één of meer personen naast de wettelijke en/of biologische ouders. Talrijke gezinnen die immers niet langer overeenstemmen met het kernmodel – vader, moeder en kinderen – koppelen voortplanting, ouderschap, seksualiteit en echtelijk verbintenis immers geheel of gedeeltelijk los van elkaar. We krijgen ook nieuwe soorten ‘ouders’, soms ‘co-ouders’, ‘stiefouders’ of ‘opvangouders’ genoemd, die niet de biologische ouders van het kind en niet noodzakelijk de partner van één van de ouders zijn en ook niet als dusdanig erkend zijn in de ogen van de wet. Toch hebben zij in vele opzichten een relationele band met het kind, wat sommigen ertoe gebracht heeft al deze situaties onder te brengen onder de noemer ‘zorgouderschap’, met het oog op erkenning op wettelijk vlak. Dit begrip, dat steeds vaker wordt gebruikt, blijft echter dubbelzinnig. Het dekt immers diverse gezinssituaties en heeft soms veranderlijke of zelfs tegenstrijdige betekenissen, naargelang de gesprekspartners en de context waarin het wordt gebruikt. De betekenis van ‘zorgouderschap’ kan dus voor verwarring zorgen en het begrip vrij ondefinieerbaar maken. Vermits het de bedoeling is om er een juridisch statuut van te maken, rijzen er meerdere vragen: wat houdt zorgouderschap eigenlijk in? Waartoe dient het en op welke situaties is het van toepassing? Waar eindigt de doeltreffendheid van zorgouderschap binnen de maatschappij? En wat zijn de uiteindelijke voordelen vanuit het ‘belang van het kind’? Vooraleer we deze vragen grondiger bekijken, is het nodig even terug te blikken op de oorsprong van deze uitdrukking en de intrede ervan op politiek en juridische vlak.

Een politieke zorg

Enkele jaren terug, in 2000, leek het thema ‘zorgouderschap’ zijn intrede te doen in de Belgische politiek, tijdens interministeriële vergaderingen. De uitdrukking werd al gebruikt door een aantal sociologen om te verwijzen naar de niet-biologische ouder(s) van het kind in het kader van gezinnen met ouders van hetzelfde geslacht. In die tijd ging het de ministers algemener om de erkenning van iedere persoon, ongeacht de seksuele geaardheid, die het kind van zijn of haar partner opvoedt en er dagelijks voor zorgt, maar zonder te beschikken over rechten of verplichtingen ten opzichte van het kind. Het was dus de bedoeling de affectieve en opvoedkundige band te beschermen en op te waarderen, door de ‘zorgouder’ een reeks rechten en plichten ten opzichte van het kind te geven, onder meer om te voorkomen dat het kind bij een scheiding of het overlijden van de wettelijke ouder plots zou worden afgesneden van de persoon die hem of haar heeft opgevoed en jarenlang liefdevol heeft bijgestaan. In België, net als in enkele andere westerse landen, past de bereidheid om dit soort situaties op één of andere manier te verhelpen in een context die door twee gedeeltelijk verbonden fenomenen wordt gekenmerkt: enerzijds het toenemend aantal nieuwsamengestelde gezinnen waarin sommige stiefouders zich aanzienlijk investeren voor het kind en anderzijds de strijd tegen de discriminatie van homoseksuele personen, die met verschillende eisen gepaard gaat, waaronder meer bepaald de wettelijke erkenning van de co-ouder in de gezinnen waarbij de ouders van hetzelfde geslacht zijn. Dit verzoek gaat hoofdzakelijk uit van lesbische koppels die steeds meer een beroep doen op kunstmatige inseminatie, die in België sinds het begin van de jaren 1980 wordt toegepast, maar waarbij de partner van de wettelijke moeder geen enkele band heeft met het kind in de ogen van de wet.

 

Sinds 2001 werden verschillende wetsvoorstellen ingediend in de Kamer, waaruit het tweeledige doel blijkt om tegelijkertijd tegemoet te komen aan de gevallen waarbij een ‘stiefouder’ betrokken is en de gevallen betreffende een ‘co-ouder’ van een kind dat door een homoseksueel koppel wordt opgevoed. De eerste teksten, uitgaande van politieke fracties met uiteenlopende beleidslijnen[153], stelden voor het ouderlijk gezag toe te kennen aan een ‘derde persoon’ – doorgaans de partner van de wettelijke ouder – wanneer deze laatste alleen instaat voor het kind. Het ging dus om een poging om sommige verantwoordelijkheden te geven aan de partner van de wettelijke ouder, maar binnen de logica van ‘twee ouders’, waarbij enkel twee personen het ouderlijke gezag over het kind kunnen uitoefenen. Enkel een voorstel in 2002 van de groene partijen voorzag in een mogelijkheid om de ouderlijke verantwoordelijkheid door drie of vier personen gezamelijk te laten uitoefenen. Een nieuwigheid duikt op in het wetsvoorstel dat werd ingediend door de Vlaamse Christen-Democraten, in die zin dat er voor het eerst sprake is van ‘zorgouderschap’ en dat het wetsvoorstel de idee veronderstelt om een specifiek statuut uit te werken voor ‘de persoon die zorgt voor het kind zoals een ouder doet of in de plaats van die ouder’[154].

 

In mei 2003 geeft de regering Verhofstadt II een betekenisvolle impuls aan de legislatieve hervormingen betreffende gezinsaangelegenheden, door van deze problematiek een prioriteit te maken tijdens de nieuwe regeerperiode en de strijd voort te zetten tegen discriminaties op basis van de seksuele geaardheid. Deze bereidheid uit zich concreet in de oprichting van een Staten-generaal van het Gezin (SGG) die bedoeld is om, na een debatronde, suggesties te doen over een aantal ontwerpen die betrekking hebben op het gezin. Er wordt ook een subcommissie gezinsrecht opgericht in de Kamer, om de behandeling van de vele dossiers rond dit thema te versnellen. In het kader van deze subcommissie zullen verschillende nieuwe wetsvoorstellen worden ingediend over het ‘zorgouderschap’[155]. De behandeling van deze wetsvoorstellen werd aanzienlijk versneld door een arrest van het Arbitragehof van oktober 2003. Het Arbitragehof had de wetgever immers aangemoedigd een aangepaste oplossing te vinden om de bestaande relatie tussen een kind en de partner van de wettelijke ouder waarmee het dagelijks leeft, te erkennen en te beschermen, naar aanleiding van het geval van een kind dat van de tweede moeder werd afgesneden na de scheiding van beide vrouwen. De kwestie van het zorgouderschap wordt daarnaast ook besproken tijdens de eerste SGG, die zich schaart achter de toekenning van rechten en plichten aan de partner van de wettelijke ouder, maar ervoor pleit dat het ouderlijk gezag niet wordt toegekend aan meer dan twee personen om een zekere continuïteit te behouden en enige zekerheid te waarborgen[156].

 

In de loop van 2005 werd het dossier eindelijk behandeld samen met het dossier over het adoptierecht voor homoseksuele koppels. Alle wetsvoorstellen beogen op z’n minst gedeeltelijk de plaats te definiëren van de co-ouder wanneer beide partners hetzelfde geslacht hebben. Het statuut van ‘zorgouder’ wordt dus beperkter en krijgt een connotatie die eerder verbonden is aan de verdediging van de belangen van holebi’s. Deze indruk werd nog sterker wanneer in juli 2005 amendementen werden ingediend die nieuwe vormen van zorgouderschap[157] voorstellen als alternatief voor de adoptie, om te voorkomen dat adoptie mogelijk wordt voor homoseksuele koppels. Het grote verschil ligt in het feit dat zorgouderschap geen afstammingsband creëert tussen het kind en de ‘zorgouder’. Daarom wordt het zorgouderschap in de ogen van sommigen beschouwd als een tweederangsoplossing en vaak aldus voorgesteld, zonder echt grondig te zijn besproken en uitgediept, tenzij buiten het parlement, in het kader van de tweede SGG waar hiertoe een speciale werkgroep werd opgericht. Ondanks het feit dat adoptie eind 2005 ook mogelijk werd voor homoseksuele koppels, dook het dossier rond zorgouderschap in maart 2006 opnieuw op in de subcommissie gezinsrecht, waar verschillende hoorzittingen plaatsvonden alvorens het dossier werd uitgesteld tot het volgende parlementair jaar.

Een moeilijk te definiëren statuut

Hoewel zorgouderschap steeds meer een onoverkomelijke zaak lijkt te worden in het gezinsrecht, verloopt de uitwerking van een wettelijk statuut niet probleemloos. Het statuut van ‘zorgouder’, dat trouwens niet bestaat in het buitenland, is immers een nieuwigheid op juridisch vlak. Het moet dus volledig worden gedefinieerd, zowel qua inhoud, als qua voorwaarden, draagwijdte en grenzen.

 

Voor wie en voor wat?

Allereerst moeten we ons afvragen voor wie het zorgouderschap in de eerste plaats is bedoeld en of de voorstellen die in het parlement werden ingediend een passend antwoord bieden op de verwachtingen en de problemen waarmee de betrokken personen in het dagelijkse leven kampen.

 

Een gedeeltelijk antwoord voor de gezinnen waarbij de ouders van hetzelfde geslacht zijn

De kwestie werd aanvankelijk gestuwd door homoseksuele bewegingen in een periode waarin adoptie voor hen nog onaanvaardbaar leek, maar intussen is de situatie veranderd. Nu adoptie mogelijk is voor koppels van hetzelfde geslacht, lijkt zorgouderschap niet langer een eis voor een deel van de homoseksuele personen, die nu het kind van hun partner kunnen adopteren als zij de enige twee zijn die het kind opvoeden (bijvoorbeeld na een inseminatie met sperma van een onbekende donor of een éénouderadoptie). Sommige militanten, die erg gevoelig zijn voor het gelijkheidsprincipe, zien zorgouderschap echter als een tweederangsoplossing die moet worden vermeden. Aangezien zorgouderschap geen afstammingsband met het kind creëert, is het in hun ogen een minderwaardig statuut dat niet leidt tot ‘volwaardig’ ouderschap, zoals dat van de biologische of adoptieouders. Andere homoseksuele ouders zien zorgouderschap dan weer als een interessante oplossing, vooral bij situaties waarin meer dan twee personen als ouder betrokken zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval voor gezinnen waarbij doorgaans een homo – soms een koppel – een beroep doet op een lesbisch koppel om samen een kind te verwekken en groot te brengen. In dergelijke situaties bestaan vanuit wettelijk oogpunt alleen de biologische ouders, terwijl hun respectievelijke partners geen enkel recht hebben ten opzichte van het kind. De tot nu toe ingediende voorstellen voorzien nochtans in niets voor deze laatsten aangezien het ouderlijke gezag volgens deze wetsvoorstellen niet kan worden verdeeld onder meer dan twee personen.

 

Een mogelijkheid die miskend is onder de nieuwsamengestelde gezinnen

Met betrekking tot de nieuwsamengestelde gezinnen waarbij een (hetero- of homoseksuele) stiefouder een rol speelt, is het verbazingwekkend dat de wetsvoorstellen en zelfs de idee van zorgouderschap op zich, weinig gekend zijn bij het grote publiek. De voorstellen lijken trouwens ook weinig belangstelling te krijgen in de media, noch van de rechtstreeks betrokken partijen,  namelijk de stiefouders en hun partners. Naast een miskenning van de parlementaire werkzaamheden, rijzen echter twee fundamentele vragen. Ten eerste, beantwoorden de voorstellen aan de door de stiefouders beleefde situaties? Ten tweede, voelen de stiefouders en hun partners zich betrokken bij het zorgouderschap? Met andere woorden willen zij wel echt dat de plaats die wordt ingenomen door een derde persoon wettelijk wordt erkend? Zonder verder in te gaan op deze vragen, kunnen we toch suggereren dat ondanks de sterk uiteenlopende standpunten en doorleefde situaties, het gezinsbeeld verbonden aan het traditionele model sterk aanwezig blijft, zelfs bij mensen die in gezinssituaties leven die ver verwijderd zijn van dit model of die veranderingen op dit vlak verdedigen. Hoewel verschillende ouders als feitelijke ouders optreden, ligt het idee van de toekenning van een wettelijke plaats en rechten, hoe beperkt ook, aan meer dan twee personen dus nog moeilijk, vooral aan iemand die geen biologische band heeft met het kind en die geen deel uitmaakt van het oorspronkelijke gezinsproject. Gezien de weinige gegevens waarover wij beschikken, moeten de antwoorden helaas worden gezocht in een beter begrip van de manier waarop deze situaties worden beleefd.

 

Hoe kunnen we dit statuut definiëren?

Naast deze fundamentele vragen, rijzen ook verschillende juridische moeilijkheden. De concrete uitwerking van een coherent statuut voor zorgouderschap is namelijk uiterst ingewikkeld, zo blijkt duidelijk uit de debatten tijdens de tweede SGG. Het is immers de bedoeling een statuut uit te werken dat flexibel genoeg is om de soms sterk verschillende situaties te dekken en tegelijkertijd een aantal institutionele bakens respecteert, zoals het bestaande afstammingssysteem en de regels die daaruit voortvloeien[158]. Daardoor blijven de verschillende wetsvoorstellen en amendementen die tot nu toe werden ingediend weinig vernieuwend met betrekking tot vele elementen, waarvan de grenzen zich op verschillende vlakken laten voelen. Zo zou de door het nieuwe statuut ingevoerde band bijvoorbeeld alleen van toepassing zijn op het kind en zijn ‘zorgouder’ en niet worden uitgebreid tot de rest van het gezin. Daardoor zouden de successierechten in de eerste graad worden beperkt, dit wil zeggen dat het kind niet zal kunnen erven van zijn ‘zorg’grootouders. Het kind zal ook niet de naam kunnen dragen van zijn tweede ouder. Hoewel de procedures rond het zorgouderschap enigszins flexibel zijn, wat als een voordeel kan worden beschouwd, brengt die flexibiliteit een risico op juridische instabiliteit mee voor het kind en zijn ‘zorgouder’. Bij problemen zouden hun rechten en plichten bruusk kunnen worden ontbonden als één van de partijen ze wil stopzetten. Tot slot zijn er naast de linguïstische moeilijkheden om de juiste termen te gebruiken en te vertalen in beide talen, een reeks details die moeten worden geregeld rond de voorwaarden en de concrete toepassing van het statuut.

Een oplossing in de maak?

Doorheen de verschillende wetsvoorstellen en amendementen blijkt zorgouderschap een constante bekommernis die de laatste jaren steeds terugkeert. Nu het gezin niet langer overeenstemt met één enkel model uitgaande van de biologische voortplanting, is het belangrijk de verschillende bestaande gezinsvormen te erkennen en te begeleiden via aangepaste instrumenten, in de eerste plaats om de rechten te vrijwaren van de kinderen die in deze gezinnen worden grootgebracht. De wetgever probeert dus nieuwe wegen te bewandelen betreffende ouderschap, om beter tegemoet te komen aan een realiteit die het wettelijke kader steeds meer te buiten gaat. Zorgouderschap biedt ook de mogelijkheid nieuwe ouderschapsbanden te integreren, die biologisch of adoptieouderschap (alleen deze twee zijn erkend in het recht) vervolledigen of aanvullen. Hiertoe is het nodig het bestaande verschil te benadrukken tussen de afstamming die van rechtswege ontstaat tussen een ouder en het kind en de uitoefening van de ouderlijke functie via de opvoeding en de dagelijkse zorgen voor het kind. Zorgouderschap lijkt hier tussenin te zitten. Het is immers de bedoeling een niet-biologische ouderlijke band te legaliseren, zonder echter te raken aan de afstamming van het kind, dit wil zeggen dat de band van het kind ten opzichte van zijn beide wettelijke ouders behouden blijft. Door de plaats te erkennen die sommige personen innemen, reflecteert zorgouderschap de huidige zorg om de hedendaagse gezinsrealiteit van het kind zo goed mogelijk weer te geven. Het is ook de bedoeling dat de relatie met de ouders mogelijke echtelijke scheidingen kan overstijgen.

 

Hoewel de idee van zorgouderschap veelbelovend lijkt, is dit delicate en bijzonder ingewikkelde project niet vrij van problemen en blijven heel wat vragen openstaan. De tot nu toe geboekte vooruitgang blijft op verschillende vlakken erg beperkt. Zo bleef de kwestie van het ‘meerouderschap’ zo goed als onaangeroerd in het merendeel van de voorstellen, aangezien de geformuleerde voorstellen geen verdeling van het ouderlijk gezag over meer dan twee personen mogelijk maken. Het lijkt nochtans nodig om deze mogelijkheid te legaliseren voor heel wat nieuwsamengestelde gezinnen waarbij ouders en stiefouders de rol van ouders feitelijk vervullen en geconfronteerd worden met de dagelijkse zorg voor het kind. Het zou dus interessant zijn meerouderschap te integreren bij de behandeling van zorgouderschap of er een juridisch instrument van te maken, zoals in Frankrijk met zijn ‘delegatie van de volledige of gedeeltelijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan een derde’[159]. Daarnaast moeten we nog bepalen welke rechten en plichten worden gekoppeld aan zorgouderschap en onder welke voorwaarden. De grootste moeilijkheid is het vinden van een coherente juridische oplossing die kan worden toegepast op de vele vormen van zorgouderschap en op een doeltreffende manier kan tegemoetkomen aan de situaties die dagelijks door de betrokken personen worden beleefd, door ze niet in een te strikt statuut onder te brengen. We kunnen verschillende suggesties onthouden die resulteerden uit de tweede SGG, hoewel ze niet altijd het voorwerp uitmaakten van een consensus onder de deelnemers. Zo lijkt het interessant een statuut van zorgouderschap uit te werken op vrijwillige basis eerder dan systematisch, dat kan worden toegekend op verzoek van de ‘zorgouder’, met de toestemming van de wettelijke ouder(s), of zelfs van het kind. Voorts lijkt een oplossing met rechten ‘à la carte’ verstandiger dan een strikt model dat op voorhand vastligt. Zo kunnen de ‘zorgouders’ beslissen in welke mate ze zich willen engageren ten opzichte van het kind, door hen een zekere flexibiliteit te laten afhankelijk van hun respectievelijke mogelijkheden en situatie (wanneer ze nog andere kinderen hebben bijvoorbeeld). Niettemin moet het statuut, in het belang van het kind, zeker onherroepelijk zijn en blijven voortbestaan bij een eventuele scheiding van het koppel, behalve in ernstige omstandigheden. Het gaat natuurlijk om enkele suggesties die verdere aanvulling en bespreking verdienen. Alvorens enige beslissingen te nemen, moeten de besprekingen worden voortgezet die werden opgestart in het kader van de parlementaire werkzaamheden en de SGG, om de openstaande vragen uit te werken en te verdiepen. Bij een zo complex en gevoelig thema als zorgouderschap is het nodig de inspanning voort te zetten om deze ideeën zo wijd mogelijk te verspreiden en een diepgaand debat mogelijk te maken met kennis van zaken waarbij de expertises van specialisten uit verschillende domeinen naast elkaar worden gelegd.


 

Gezinsrecht: gisteren, vandaag… en morgen?

Swennen, Frederik

Faculteit Rechten, Universiteit Antwerpen

 

1. Wat een gezin is, wordt in het gezinsrecht nergens gedefinieerd. Toch wordt het gezin in bepalingen van diverse mensenrechtenverdragen als fundamentele maatschappelijke eenheid of cel beschermd[160]. Aan de ene kant wordt het recht gewaarborgd om te huwen en een gezin te stichten[161]. Aan de andere kant wordt vervolgens de beleving van tot stand gekomen gezinsleven beschermd[162]. Met die doeleinden wordt een brede invulling aan het gezinsbegrip gegeven. Personen vormen een gezin als tussen hen bloedbanden of wettelijke banden (zoals een huwelijk) bestaan of als ze feitelijk een relatie beleven alsof er dergelijke banden bestaan[163]. Historisch, sociologisch en juridisch is het gezin geen vastgeroest gegeven[164].

 

Sommige van de genoemde mensenrechtelijke bepalingen hebben in België rechtstreekse werking. Ze impliceren voor de Belgische overheid enerzijds de negatieve plicht zich te onthouden van ongeoorloofde inmenging in de uitoefening van deze rechten. Anderzijds rusten op haar ook positieve plichten om de uitoefening ervan daadwerkelijk mogelijk te maken.

 

Aldus moet een moeilijke evenwichtsoefening worden gemaakt tussen de eerbiediging van het gezin als ‘maatschappelijk middenveld’ zonder staatsinterventie enerzijds en het voeren van een gezinsbeleid door staatsinterventie anderzijds[165].

 

 

2. Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt[166]. Het (gezins)recht is slechts een deelsysteem van het maatschappelijke systeem; de inhoud van het (gezins)recht wordt mee aangestuurd door andere deelsystemen zoals zeker het biologische, economische, sociologische en filosofische. In dat opzicht geeft het (gezins)recht (slechts) vorm aan een vooraf bestaande werkelijkheid.

 

Uiteraard beschrijft het (gezins)recht niet alleen wat in andere deelsystemen kan, maar schrijft het ook voor wat mag, zoals bv. in de Wet betreffende het onderzoek op embryo’s in vitro[167].

In de sociobiologie zijn zeer interessante ijkpunten voor het gezinsrecht uiteengezet[168].

 

Het gezin: de sociale basiseenheid waarbinnen een paar of een beperkt aantal volwassenen zorgt draagt (over elkaar en) over (hun) kinderen die van de eenheid deel uitmaken. De basisfunctie van het gezin is volgens de sociobiologie de socialisering van de kinderen die erin worden geboren. Ik noem dit de verticale (generatieoverschrijdende) functie van het gezin; zij omvat de voortplanting en het ouderschap.

 

In functie van de goede socialisering van het kind neigen zijn genitores naar duurzame paarvorming. Hun levensgemeenschap omvat persoon en vermogen. Ik noem dit de horizontale functie van het gezin; zij omvat de seksualiteit en de paarvorming.

 

 

3. Het Belgische gezinsrecht organiseerde seksualiteit en paarvorming enerzijds en voortplanting en ouderschap anderzijds tot in 1987 in één gecombineerde instelling: het burgerlijke huwelijk. Ook in de meeste geciteerde internationale bepalingen worden huwelijk en gezin in die zin gekoppeld.

 

Aan het huwelijk kwam zowel horizontaal als verticaal een legitimerende werking toe. Horizontaal was enerzijds (hetero)seksualiteitsbeleving buiten het huwelijk ongeoorloofd. Anderzijds werd met het huwelijksrecht de stabiliteit van de paarvorming bevorderd. Via vorm- en grondvoorwaarden over de toegang tot het huwelijk werd de instelling voorbehouden voor personen voor wie het mogelijk en wenselijk was een duurzame levensgemeenschap te vormen. Tijdens het huwelijk werd de stabiliteit nagestreefd door persoonlijke (getrouwheid, samenwoning, bijstand) en vermogensrechtelijke (gezinswoning, hulp, bijdrage in de lasten) geboden en verboden. Ten slotte was de ontbinding van het huwelijk door echtscheiding slechts onder sterke vormelijke en inhoudelijke beperkingen mogelijk.

 

Verticaal leverde enkel de geboorte van het kind binnen het huwelijk het een wettig statuut op. Enerzijds waren de regels over de totstandkoming van de afstammingsband verschillend – en ongunstiger – voor buitenhuwelijkse en (erger) overspelige kinderen. Anderzijds was ook de inhoud van het ouderschap (gezag en goederenbeheer, alimentatie en erfrecht) ongunstiger geregeld voor buitenhuwelijkse en overspelige kinderen.

 

 

4. De grondslagen waarop het net beschreven Napoleontische gezinsrecht van 1804 rustte, zijn fundamenteel gewijzigd door ontwikkelingen in andere deelsystemen[169]. Vooreerst valt te wijzen op de industriële revolutie en daarop volgende groei, die tot gevolg had dat aan de familie en het gezin een minder belangrijke economische functie toekwam en de leden ervan economisch onafhankelijker werden. In samenhang hiermee moet worden gewezen op de opkomst van het liberalisme, die met name de emancipatie van de vroeger aan de man-vader ondergeschikte vrouw en kinderen tot gevolg had en geleid heeft tot individualisering. Op medisch gebied heeft ongetwijfeld de loskoppeling van seksualiteit en voortplanting door de ontwikkeling van anticonceptiva een belangrijke rol gespeeld. De laatste decennia heeft de biotechnologische revolutie een grote impact op de grondslagen van het gezinsrecht[170]. De aangehaalde ontwikkelingen hebben uiteraard ook hun impact op de gezinssociologie.

 

Over de juiste gezinsrechtelijke ‘vertaling’ van de aangehaalde ontwikkelingen bestaat grote onzekerheid. Het gezinsrecht van de afgelopen 30 jaar kenmerkt zich door een aanhoudende desintegratie die ik hierna kort beschrijf. Ik pleit nadien voor een ontkokering van het gezinsrecht.

 

 

5. De eerste en meest fundamentele verkokering in ons gezinsrecht heeft plaatsgevonden in 1987[171] door de juridische loskoppeling van huwelijk en afstamming. Kort gezegd werden ook de buitenhuwelijkse (overspelige) voortplanting en ouderschap wettig.

 

Aan de ene kant zijn de voortplanting en de met de afstamming gelijkgestelde adoptie ‘onthuwelijkt’[172]. Voor de afstamming staat de biologische band als grondslag voorop, zij het aangevuld met de wil en de sociale werkelijkheid. De moeder van het kind is als regel de vrouw die van het kind bevalt, ongeacht haar huwelijkse staat. Ten aanzien van de echtgenoot van de moeder geldt een ‘vaderschapsvermoeden’, dat echter sinds een wetswijziging van 2006[173] door alle belanghebbenden kan worden weerlegd. Tot 2006 kon de verwekker niet de huwelijkse stabiliteit in gevaar brengen door het vaderschap van de echtgenoot te betwisten[174]. De oplossing was anders als het huwelijk al wankel was. Buiten het huwelijk kan het vaderschap worden gevestigd door erkenning of door een gerechtelijke vaststelling. In geval van overspelige afstamming wordt het huwelijkse gezin beschermd, al blijft de vaststelling van de afstammingsband mogelijk. De adoptie door een paar is pas onthuwelijkt door een wetswijziging van 2003[175]. Sindsdien is gezamenlijke adoptie of stiefouderadoptie ook mogelijk door respectievelijke binnen een wettelijk samenwonend of stabiel feitelijk samenwonend paar[176].

 

Aan de andere kant geldt voor het ouderschap sinds 1987 als regel dat huwelijkse en buitenhuwelijkse kinderen gelijk worden behandeld. Voor overspelige kinderen werden hierop meteen een aantal uitzonderingen bepaald, die door een wetswijziging van 2006[177] echter grotendeels worden opgeheven. Tot 1995 waren huwelijk en ouderschap bovendien in die zin gekoppeld dat na echtscheiding het ouderlijk gezag in de regel uitsluitend toekwam aan de ouder die de echtscheiding had verkregen. Sinds 1995[178] wordt het ouderlijk gezag als regel altijd gezamenlijk uitgeoefend. Sinds 2006 wordt als regel ook het verblijf van het kind gelijkmatig tussen de ouders verdeeld[179].

 

De juridische organisatie van voortplanting en ouderschap gebeurt dus niet meer op de maat van een ‘couple conjugal’ maar op de maat van een ‘couple parental[180].

 

 

6. De loskoppeling van het verticale en het horizontale gezinsrecht is gevolgd door een verkokering binnen beide pijlers afzonderlijk. In het verticale gezinsrecht worden voortplanting en ouderschap van elkaar losgekoppeld. In het horizontale gezinsrecht worden seksualiteit en paarvorming ontkoppeld.

 

 

7. Na de ‘onthuwelijking’ ervan, bleef het verticale gezinsrecht op zich een geïntegreerd systeem: voortplanting en ouderschap waren aan elkaar gekoppeld. De vaststelling van de afstamming (ten opzichte van de genitores) of de adoptie was immers een voldoende maar noodzakelijke voorwaarde opdat ouderschapsrechten zouden ontstaan. De genitores of adoptanten, en enkel zij, waren automatisch ook de opvoeders. Sindsdien zijn voortplanting (afstamming en adoptie) en ouderschap ontkoppeld: voortplanting kan zonder ouderschap bestaan terwijl ouderschap ook zonder voortplanting (of adoptie) ontstaat.

 

Wat betreft de voortplanting stemt de principieel biologische vooronderstelling van de afstamming – een man bevrucht door geslachtsgemeenschap een vrouw die het kind ook draagt en baart – niet meer overeen met biotechnologische ontwikkelingen. Die ontwikkelingen worden ook in de wetgeving vertaald. Het gaat hierbij vooral om de aanknoping van ouderschapsrechten (via afstamming of adoptie) aan personen die niet de genitores zijn van het kind. Sinds 1987 bevat het Burgerlijk Wetboek een bepaling op grond waarvan de echtgenoot van de moeder zijn vermoede vaderschap onweerlegbaar kan maken door in te stemmen met (kunstmatige of natuurlijke) inseminatie met donorzaad van zijn echtgenote[181]. Recenter is in 2006 een Wetsontwerp betreffende de medisch begeleide voortplanting goedgekeurd waarin in verband met de afstamming voorrang wordt gegeven aan de wensouders-ontvangers van gameten of embryo’s boven de genitores-donoren van gameten of embryo’s[182]. Ook zijn in de wetgevende kamers nu diverse wetsvoorstellen in verband met draagmoederschap in bespreking, waarin in verband met afstamming of adoptie voorrang wordt gegeven aan de wensouders boven de draagouders. De Raad van State is zo een regeling niet ongenegen[183]. In de drie aangehaalde voorbeelden is de wil een sterkere grondslag voor de afstamming dan de biogenetische band.

 

Ouderschapsrechten worden in toenemende mate uitgeoefend door personen die met het kind geen afstammingsband of band van adoptie (kunnen) hebben. De wetgever tracht hierop via twee wegen in te spelen. Aan de ene kant staat de wetgever toe dat – met het oog op de beleving van het ouderschap – de afstamming of adoptie ook wordt vastgesteld in situaties waarin de ouder(s) niet de genitores kan/kunnen zijn van het kind. Zo staat de medisch begeleide bevruchting ook open voor alleenstaande vrouwen of voor lesbische paren. Zo is adoptie ook door een alleenstaande en sinds 2006[184] ook door of binnen paren van gelijk geslacht mogelijk. Het is duidelijk dat daardoor de traditioneel sterk biologische grondslag van afstamming en adoptie wordt verlaten[185]. Aan de andere kant organiseert de wetgever in toenemende mate ouderschapsrechten en – plichten in hoofde van personen die geen band van afstamming of adoptie hebben met het kind. In het bijzonder gaat hierbij aandacht naar (lesbische) mee-, zorg- en stiefouders. Een sprekend voorbeeld in Vlaanderen is de successierechtelijke gelijkstelling van zorg- of stiefkinderen met afstammings- of geadopteerde kinderen[186]. Het Arbitragehof[187], daarin bijgevallen door de Raad van State[188], lijkt de juridische verankering van een soort van quasi- of semi-ouderschap zonder voorafgaande vaststelling van de afstamming of adoptie aan te bevelen. Diverse wetsvoorstellen zijn in dat verband in bespreking in de wetgevende kamers. Het is echter onduidelijk (a) voor welke en hoeveel personen deze nieuwe vormen van ouderschap zouden openstaan, (b) welke rechten en plichten in verband met persoon en vermogen van het kind ze zouden inhouden en (c) wat de verhouding van de quasi- of semi-ouders met de afstammings- of adoptiefouders zou zijn.

 

Samengevat is duidelijk dat voortplanting en ouderschap steeds meer worden ontkoppeld en verder evolueren als zelfstandige pijlers waarbinnen verdere verkokering zal plaatsgrijpen.

 

 

8. Na de ‘onthuwelijking’ van het verticale gezinsrecht, bleef het horizontale gezinsrecht in eerste instantie ongewijzigd. Na het tenietgaan van de afstammingsrechtelijke functie van het huwelijk, heeft de desintegratie van het relatierecht echter niet lang op zich laten wachten en zijn seksualiteit en paarvorming losgekoppeld. Seksualiteit bestaat zonder paarvorming; paarvorming is ook niet meer enkel monogaam, heteroseksueel en niet-incestueus, maar kan ook aseksueel of andersseksueel zijn.

 

De evoluties die ik onder nrs. 4 en 6 heb besproken, hebben de vrije seksualiteitsbeleving buiten het huwelijk vergemakkelijkt en juridisch ook aanvaardbaar gemaakt. Deze seksualiteitsbeleving gaat ook ruimer dan het monogame, heteroseksuele en niet-incestueuze model dat via het huwelijk als norm werd voorgesteld; zij omvat bv. ook de homoseksualiteit. Op zich staat de seksualiteitsbeleving buiten het gezinsrecht. Voor zover zij echter buiten het huwelijk plaatsvindt en aanleiding geeft tot geoorloofde buitenhuwelijkse paarvorming[189], kan er nood bestaan aan rechtsregels over deze nieuwe gezinnen.

 

Wat betreft de paarvorming bleef het huwelijk na 1987 nog even de enige geoorloofde paarvorm. De groei van het aantal paren dat niet wilde of mocht huwen, heeft echter een crisis in het huwelijksrecht veroorzaakt en aanleiding gegeven tot drie evoluties waarvan ik geschiedenis en toekomst kort aanstip.

 

(a) Vrij snel na de loskoppeling van huwelijk en afstamming is de buitenhuwelijkse en zelfs overspelige paarvorming als geoorloofd beschouwd[190], nu zij immers voor eventuele kinderen geen nadelig statuut meer impliceerde. Bij gebrek aan wettelijke bescherming voor buitenhuwelijkse paren zijn eerst geleidelijk aan algemene juridische leerstukken op deze paren toegepast, om bv. tot het bestaan van een stilzwijgende overeenkomst te besluiten in verband met de kosten van de huishouding. Sindsdien gebruiken steeds meer wettelijke bepalingen niet meer het juridische gegeven van het huwelijk maar het ruimere feitelijke gegeven van de paarvorming als regelmaatstaf, bv. in verband met partnergeweld[191] of nog in verband met successierechten tussen paren[192]. Door een beroep op leerstukken als het discriminatieverbod (ten opzichte van gehuwden en wettelijke samenwoners) of de toepassing per analogie (van bepalingen in verband met huwelijk en wettelijke samenwoning) wordt de bescherming voor buitenhuwelijkse paren gestaag uitgebreid[193]. Naargelang de omstandigheden bleef deze bescherming niet beperkt tot paren die zoals gehuwde paren als man en vrouw samenleefden, maar werd zij ook uitgebreid tot aseksuele of andersseksuele (homoseksuele, polygame,…) relatievormen. Het zou wenselijk zijn een meer coherent basispakket van rechten en plichten automatisch van toepassing te verklaren op feitelijke samenwoners – eventueel met een mogelijkheid om van deze bescherming gedeeltelijk af te zien. De wetgever moet dan wel zoeken naar een rechtszeker beoordelingscriterium voor het bestaan van een paar.

 

(b) Door de incoherente bescherming van buitenhuwelijkse paren ontstond de behoefte om voor hen toch in een geïnstitutionaliseerde regeling te voorzien. Logischerwijze had deze bescherming kunnen worden beperkt tot paren die niet mochten huwen – voor anderen stond het huwelijk immers open. De wetgever heeft met de wettelijke samenwoning echter een instelling tot stand gebracht waarvan het hoogst onduidelijk is welk beleid hij ermee wil voeren[194]. De wettelijke samenwoning is duidelijk gegroeid vanuit de idee een quasi- of semi-huwelijk voor homoparen te creëren. Onder verwijzing naar zijn schroom om te peilen naar de seksuele aard van de relatie, heeft de wetgever uiteindelijk een aseksueel beschermingsstatuut tot stand gebracht. Dit staat niet enkel open voor alle soorten ‘seksuele’ paren, maar ook personen met een zuiver familiale, vriendschappelijke,… relatie. Vanuit dat opzicht is het bevreemdend dat de bescherming beperkt blijft tot tweerelaties en bv. niet van toepassing is op de samenwoning tussen drie meerderjarige broers en zusters of nog tien kloosterlingen. Het ruime toepassingsgebied van de bescherming verklaart mijns inziens ook waarom de geboden bescherming zeer algemeen blijft. De wettelijke samenwoning (tussen niet-incestueuze paren) wordt op steeds meer plaatsen in onze wetgeving gelijkgeschakeld met het huwelijk. Daaruit blijkt dat de instelling geen toekomst heeft. Het huwelijk is immers opengesteld voor paren van gelijk geslacht. Het huwelijk is voor alle paren vrijblijvender geworden, zodat ook paren van ongelijk geslacht nog weinig reden hebben om te vluchten in een wettelijke samenwoning (wat ook niet steeds wenselijk is).

 

(c) Juridisch heeft het huwelijk zijn monopolie als relatierechtelijke instelling verloren na de afkoppeling van de afstammingsrechtelijke functie ervan. Zoals vermeld, grijpen steeds meer regels terug naar het feitelijke bestaan van een relatie als maatstaf veeleer dan het juridische bestaan van een huwelijk. De opeenvolgende liberale ontwikkelingen hebben verdergaand tot gevolg dat personen (economisch) onafhankelijk worden van om het even welke relatie. Dit ‘emanciperende’ liberalisme heeft ook als gevolg dat staats- of familiale interventie in verband met het huwelijk steeds minder wordt aanvaard: de regels over aangaan, inhoud en einde van het huwelijk worden almaar minder stringent[195]. Vooral vermeldenswaard is de versoepeling van de grondvoorwaarden van het huwelijk, via welke oorspronkelijk de voortplanting binnen stabiele koppels werd gewaarborgd. Door de afkoppeling van de afstammingsrechtelijke functie van het huwelijk, is de grondvoorwaarde dat aanstaande echtgenoten van verschillend geslacht moeten zijn, in 2003 vervallen[196]. Een huwelijk kan ook worden aangegaan door paren van gelijk geslacht. Dat het huwelijk geen afstammingsrechtelijke functie meer heeft, rechtvaardigt naar mijn oordeel echter niet noodzakelijk de openstelling van het huwelijk voor paren van gelijk geslacht. Hun beschermingsbehoefte loopt niet geheel gelijk met die van andere paren[197]. Misschien had de wetgever daarom beter naar Scandinavisch voorbeeld een afzonderlijk statuut voor paren van gelijk geslacht gecreëerd. Hoewel vanuit de openstelling van het huwelijk voor homoparen bezwaarlijk de versoepeling van de andere grondvoorwaarden voor het huwelijk kan worden bepleit[198], is toch duidelijk dat in het bijzonder monogamie en monoandrie en het incestverbod in toenemende mate in vraag (zullen) worden gesteld.

 

Samenvattend zijn seksualiteit en koppelvorming ontkoppeld. De seksuele revolutie(s) en de loskoppeling van huwelijk en afstamming hebben fundamentele wijzigingen in het relatierecht veroorzaakt. De feitelijke paarvorming institutionaliseert richting huwelijk, terwijl het huwelijk contractualiseert[199] richting feitelijke paarvorming. De wettelijke samenwoning houdt het midden tussen beiden, vervult een onduidelijke functie en heeft daarom geen toekomst.

 

 

9. Tot 1987 waren seksualiteit, paarvorming, voortplanting en ouderschap geïntegreerd in één gezinsrechtelijk systeem: het huwelijk. Sindsdien grijpt een onstuitbare desintegratie plaats en evolueren de vier genoemde bestanddelen van het gezinsrecht zelfstandig van elkaar in uiteenlopende richtingen. Het gezin ontsplitste zich in de gezinnen. Op die manier kan uiteraard veel moeilijker een coherent gezinsbeleid worden gevoerd.

 

Gemeenschappelijk aan de evoluties in de vier gezinsrechtelijke bestanddelen is de groeiende contractualisering: individuen beslissen in toenemende zelf of, met wie en in welke mate gezinsverhoudingen tot stand komen. Zelfs in het horizontale gezinsrecht, waar het gaat om toestemmende volwassenen, wordt de wilsvrijheid nochtans in vraag gesteld. Liefde maakt blind; wie blind in een relatie stapt, zou van overheidswege toch aanspraak moeten kunnen maken op een minimale dwingende bescherming. Maar zeker in het verticale gezinsrecht kan bezwaarlijk worden toegelaten dat volwassenen vrij afspraken maken over voortplanting en ouderschap. Kinderen kunnen hun belangen niet vrijwaren; die vrijwaring moet door de overheid gebeuren bij gebreke van coherente gezinsstructuren die als middenveld kunnen fungeren. In het algemeen zou contractualisering als gevaar in zich dragen dat personen niet meer leren functioneren in structuren die ze niet als individu onder controle hebben. Wat de gezinsleden op microniveau niet leren, kunnen ze dan ook op macroniveau (de maatschappij) moeilijk toepassen.

 

In het verticale gezinsrecht zijn de regels over ouderschap gericht op de socialisering van kinderen. De ouderschapsrechten en –plichten moeten aan de best mogelijke ouders worden vastgeknoopt. Dit gebeurt in de rechtsregels over afstamming (voortplanting) en, bij gebreke van (goed functionerende) afstamming, adoptie. De ene regels staan bijgevolg in functie van de andere. Het is daarom niet wenselijk dat regels over afstamming en adoptie enerzijds en ouderschap anderzijds los van elkaar zouden evolueren. In ouderschapsregels moet de wetgever eenvormig vastleggen wat een goede opvoeding inhoudt. In afstammings- en adoptieregels moet hij vastleggen wie die opvoeding best kan verstrekken. Hij mag die twee vragen niet verwarren. Enkel in functie van het wat, moet hij eenvormig antwoorden wie mag opvoeden. Daarbij moet hij een eenvormige en vooral stabiele keuze maken tussen de biologie, de wil en feitelijke situatie als mogelijke grondslagen.

 

In het horizontale gezinsrecht moet in elk geval een duidelijker afbakening worden gemaakt tussen de drie soorten relatievormen. Naar mijn smaak moet de wetgever zich in het relatierecht beperken tot seksuele relaties; andere relaties kunnen contractueel worden vormgegeven. In de huidige stand van zaken zou het aanbeveling verdienen de wettelijke samenwoning af te schaffen en aan alle feitelijk samenwonende paren een minimale dwingende bescherming te bieden. De meeste gezinnen ‘gebruiken’ nog een huwelijk: dat moet de wetgever ertoe aanzetten de verdere afbouw van het huwelijk te vermijden.

 

Tot slot kom ik even terug op het kruispunt tussen verticaal en horizontaal familierecht. Regels over stabiele paarvorming hebben lang in functie gestaan van de beschermingsbehoefte van paren met kinderen. Deze behoefte is niet dezelfde als deze van paren zonder kinderen. De wetgever zou aan dit gegeven aandacht moeten besteden wanneer hij de gezinsrechtelijke puzzel terug zou samenstellen. Die hersamenstelling ligt niet voor de hand. Niet enkel hetero, maar ook homoseksuele paren kunnen sinds de ontkoppeling van 1987 immers ook feitelijk en juridisch ouders zijn. Alle ouders zouden door de overheid tot stabiele paarvorming moeten worden gestimuleerd; alle ouders hebben immers nood aan bescherming.

 

Samengevat verdient een verregaande(re) contractualisering van het gezinsrecht geen aanbeveling; ook morgen is er dus nog nood aan gezinsrecht. Dat zou minstens binnen de verticale respectievelijke horizontale pijler minder ontkokerd moeten worden. Verdergaand zouden de twee pijlers terug op elkaar kunnen worden afgestemd in de mate de socialisering van kinderen stabiele paarvorming vooronderstelt.


 

Gezin en maatschappelijke bijstand (Jacques FIERENS)

 

Bij alle onderlinge betrekkingen van de burgers slaat de wetgever acht op hun lijden, hun genot en op alle uitingen van zinnelijke liefde en hij zorgt er met behulp van de wetten voor dat laakbaar gedrag wordt gestraft en prijzenswaardig gedrag wordt beloond.

Plato, De Wetten, I, VI, 631e-632a.

 

FIERENS, Jacques

Advocaat

Hoogleraar aan de Facultés Notre-Dame de la Paix,
 Namen (FUNDP) en aan de Université de Liège, Luik (Ulg)

 

De twee wetten die de basis vormen van het recht van personen en gezinnen op bijstand vanwege de gemeenschap, wanneer zij leven in mensonwaardige omstandigheden, zijn de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. Na een aantal facelifts in 1974, 1976 en 2002 heeft onze goede ouwe sector van het maatschappelijk welzijn een nieuwe jeugd gevonden door absolute voorrang te verlenen aan de ‘activering’ van de aanvragers en aan ‘contracten’ met de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Het kenmerk van esthetische chirurgie en cosmeticaproducten is de creatie van een illusie van een in werkelijkheid verloren jeugd. De huidige trends in de maatschappelijke welzijnssector zijn minder nieuw dan op het eerste gezicht blijkt. Bijstand ondergeschikt maken aan de bereidheid om te werken en min of meer te goeder trouw stellen dat de rechthebbende vrij is om zijn afhankelijkheid van de openbare instelling te aanvaarden of te weigeren, zijn kenmerken van het maatschappelijk welzijn op het moment dat de steden vorm begonnen te krijgen, wat ons terugbrengt naar de 17de en 18de eeuw[200].

 

Meer dan driehonderd jaar geleden had Rousseau het al over werkovervloed en contracten als voorwaarden voor maatschappelijke integratie en we weten wat het liberale denken, dat vandaag in alle programma’s van om het even welke partij onuitroeibaar is, aan hem te danken heeft wanneer het gaat om het zoeken naar een remedie tegen armoede[201].

 

Waarom willen we echter jong lijken terwijl ouderdom en ervaring respect afdwingen? Zou het echte probleem liggen bij de eerbiedwaardige instellingen die geen wijsheid meer kunnen putten uit hun verleden, wijsheid dat als gids dient voor de toekomst van onze kinderen? De maatschappelijke bijstand bekommerde zich, afhankelijk van de periode, soms met meer, soms met minder aandacht en gezond verstand om de gezinnen. Is de maatschappelijke bijstand echter in staat om, net zoals enkele senioren nog doen, de tv uit te zetten, zich neer te zetten op een bank, de horizon te bekijken om oude, goede of minder goede herinneringen te doen herleven, om stil te bedenken te midden van kindergelach dat morgen uiteindelijk nog beter kan zijn dan gisteren? Wil de maatschappelijke bijstand denken aan de gezinnen, of beter nog, ze idealiseren? Om het met de woorden van Jacques Brel te zeggen: “De zilveren pendel, die ja zegt, die nee zegt en die op ons wacht en die ook zegt dat de ouderen niet meer spreken.” Nochtans weten de ouderen, ook al dreigen ze daardoor voor ouderwets door te gaan, dat de familiale relaties, in de gegeven familie of in de geïdealiseerde familie, de relaties zijn die personen het diepst tekenen en die de eerste sociale band, of het eerste sociale gemis van iedereen vormen.

Gezin en het recht op maatschappelijke bijstand

Artikel 57 van de wet van 8 juli 1976 draagt discrete sporen van de familiale zorg van de sociale bijstand door te stellen dat “het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn tot taak heeft aan personen en gezinnen de dienstverlening te verzekeren waartoe de gemeenschap gehouden is”. Artikel 47 legt de maatschappelijke werker op “de personen en gezinnen te helpen bij het opheffen of verbeteren van de noodsituaties waarin zij zich bevinden”. Het lezen van deze tekst maakt ons niet veel wijzer, maar deze twee zinspelingen geven aan dat ondanks de bereidheid om de maatschappelijke bijstand zoveel mogelijk te individualiseren, de wet in 1976 niet volledig vergeten is dat armoede of onzekerheid, net als rijkdom trouwens, allereerst een gezinsaangelegenheid is.

 

Voorts wordt in de organieke wet betreffende de OCMW’s alleen impliciet rekening gehouden met het gezin. Er is de vermelding van onderhoudsplichtigen, naar wie de aanvragers van maatschappelijke bijstand kunnen worden doorverwezen vóór financiële hulp wordt toegekend, of tot wie het OCMW zich zelf kan richten na iemand te hebben geholpen[202]. De onderhoudsplichtigen bij wie geld kan worden teruggeëist, zijn zij die als dusdanig worden aangewezen door het Burgerlijk Wetboek. Na een snelle blik op de relevante bepalingen blijkt dat het gaat om naaste familieleden: vader en moeder, echtgenoot of ex-echtgenoot, meer algemeen voorouders en nakomelingen, met inbegrip van adoptieouders, stiefouders en –kinderen, biologische vader[203]. Napoleon en zijn juristen waren niet van mening dat broers en zussen onderling onderhoudsplichtig zijn. Dat gold nog minder voor ooms, tantes, neven en nichten of neven vanaf de vierde graad. Dit is onder meer voor Afrikanen erg verbazingwekkend, maar in de tijd waarin het Burgerlijk Wetboek werd uitgewerkt, was er al een duidelijke trend naar gezinsvernauwing.

 

Het is wellicht verdedigbaar om aan te nemen dat gezinssolidariteit primeert op staats- of gemeentesolidariteit, ook al kunnen we de wetgever, of op zijn minst de toepassing van de wet op het terrein, er soms van verdenken zich de familiale omgeving van de bijstandsvrager te herinneren wanneer geld moet worden teruggevorderd en hem in de kou te laten staan wanneer hij om hulp vraagt die zijn integriteit zou vrijwaren. Denk maar aan de tegemoetkomingen onder voorwaarden, waarbij echtgenoten of samenwonenden worden aangezet om uit elkaar te gaan (“hij drinkt en slaat u, mevrouw, bent u wel zeker dat u van hem houdt?”), of zelfs ouders en kinderen (“de voorgestelde plaatsing is tijdelijk, mevrouw, u kan wat tot rust komen, ga toch akkoord”).

 

Ook is het een verschrikkelijke zaak om het gezinsleven van vreemdelingen die hier illegaal verblijven op losse schroeven te zetten via de toekenning van maatschappelijke bijstand die doorgaans beperkt blijft tot dringende medische hulp. Het Arbitragehof zat wel goed verveeld met een zeker arrest nr. 51/94 van 29 juni 1994, toen het twee totaal tegenstrijdige doelstellingen moest verzoenen: enerzijds, de beperking van de maatschappelijke bijstand om sommigen aan te sporen het land te verlaten en anderzijds het behoud van de menselijke waardigheid die plechtig is bekrachtigd in de organieke wet betreffende de OCMW’s. Het hof koos helaas voor een menselijke waardigheid met twee snelheden en legde zelf de basis voor een eindeloze juridische, ethische en politieke discussie, die tot vandaag op een chaotische manier wordt voortgezet. Het grondwettelijk hof, dat zelf in de val van de wetgever liep, heeft immers moeten instemmen met uitzonderingen op de uitzondering, dus de toekenning van normale bijstand aan een aantal illegale vreemdelingen. Eerst aan vreemdelingen die beroep aantekenden voor de Raad van State, in naam van het recht op een eerlijk proces[204], vandaar dus dat de Raad van State overladen is met werk. Vervolgens aan de vreemdelingen die om medische redenen onmogelijk gevolg konden geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten[205] en ten slotte aan de kinderen van wie de ouders illegaal verblijven, in naam van de eerbied voor het belang van het kind dat we moeilijk kunnen straffen voor de administratieve situatie van zijn ouders[206]. De aangelegenheid is uiterst ingewikkeld geworden en het einde is zeker nog niet in zicht[207]. Deze onmogelijke synthese leidde tot het huidige artikel 57, § 2, van de wet van 8 juli 1976 dat vier of vijf keer werd gewijzigd sinds zijn afkondiging, een kenmerkend voorbeeld van de ontkenning van de fundamentele rechten van illegale vreemdelingen en van het recht op eerbied voor het gezinsleven in het bijzonder: de ouders hebben alleen recht op dringende medische hulp, terwijl het kind, dat hier ook illegaal verblijft, recht heeft, hou u vast, op bijstand die onontbeerlijk is voor zijn ontwikkeling, maar die alleen materieel kan zijn, alsof het immateriële recht om te spelen, te leren of zich gewoonweg niet te bevinden achter tralies en afsluitingen in gesloten centra niet onontbeerlijk is. Kinderbijstand wordt namelijk exclusief verleend in een federaal opvangcentrum, waar de ouders sinds kort met hun kind naartoe kunnen. Dus ofwel blijft het gezin verenigd buiten een centrum en krijgt het kind in de praktijk niets, ofwel gaan de ouders ermee akkoord het kind te volgen naar een centrum, met de strop om de nek, want dit is meteen een bekentenis van illegaal verblijf, om hun kinderen te zien eten terwijl zij vasten, in afwachting dat zij eventueel allemaal op een vliegtuig worden gezet.

 

Merken we niettemin op dat het Arbitragehof in heel deze oneindige controverse over de beperkte maatschappelijke bijstand opnieuw de noodzaak heeft bevestigd om rekening te houden met de familiale dimensie van de bijstand. De wettelijke aberraties beperken immers momenteel de bijstand aan illegale ouders tot dringende medische hulp terwijl hun eventuele Belgische kinderen recht hebben op normale bijstand[208].

 

Onlangs bevestigde het Arbitragehof in een gelijkaardige situatie dat aangezien de maatschappelijke bijstand rekening moet houden met alle behoeften van het kind, bij de vastlegging van de aan dit kind toe te kennen bijstand moet worden gekeken naar de familiale situatie van dit kind, alsook naar de omstandigheid dat het recht op maatschappelijke bijstand van zijn illegaal verblijvende ouders beperkt is tot dringende medische hulp.[209] Het zou met andere woorden mogelijk zijn de gevolgen van de wettelijke weigering om de ouders te helpen goed te maken via de hulp aan het kind…

 

Deze surrealistische wetgeving werd veroorzaakt door het feit dat het Arbitragehof in 1994 aanvaardde dat de maatschappelijke bijstand, die de menselijke waardigheid moet vrijwaren, door de wetgever wordt gebruikt om vreemdelingen die hier illegaal verblijven te dwingen terug naar huis te keren. Hannah Arendt had goed gezien dat de rechten van de mens tot niets dienen als het juridisch systeem hen niet erkent als volwaardige personen[210].

 

De enige oplossing is stoppen met alles door elkaar te halen. Maatschappelijke bijstand is een zaak voor de minister van Maatschappelijke Integratie, die de taak heeft de verworvenheden te vrijwaren van de organieke wet betreffende de OCMW’s, die ieder individu wil beschouwen als een gelijke van de andere. De vreemdelingenpolitie valt onder de verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse zaken, die overigens zijn beleid zou moeten bepalen, gekoppeld aan grondige reflectie over de hulp aan de arme landen. Al bijna 30 jaar belooft België minstens 0,7% van zijn BBP af te staan in de vorm van hulp aan de ontwikkelingslanden zonder deze belofte na te komen, maar België verdraagt niet dat de bewoners uit het zuiden aan hun ellende willen ontsnappen door te emigreren naar het noorden of het westen.

Gezin en recht op integratie

De wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie is explicieter over de familiale implicaties van het regime dat ze invoert. Deze implicaties hebben vooral betrekking op het leefloon, het vroegere bestaansminimum, dat slechts een van de mogelijke vormen meer is van maatschappelijke integratie[211]. Het arrest nr. 5/2004 van 14 januari 2004 van het Arbitragehof – nogmaals het Arbitragehof, maar de materie van de maatschappelijke bijstand bleek discriminaties in te houden – bracht een onrechtvaardigheid aan het licht tussen de gezinnen, doordat het bedrag van het leefloon al dan niet varieerde op grond van de aanwezigheid van minderjarige kinderen in het huisgezin[212]. De huidige bedragen en categorieën, die misschien opnieuw zullen worden teniet gedaan aangezien al maandenlang een ander beroep loopt[213], zijn de volgende:

 

Het leefloon bedraagt:

   4 400 EUR voor elke persoon die met één of meerdere personen samenwoont. Onder samenwoning wordt verstaan het onder hetzelfde dak wonen van personen die hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen.

 

   6 600 EUR voor een alleenstaande persoon.

 

   8 800 EUR voor een persoon die uitsluitend samenwoont met een gezin te zijnen laste[214].

 

Dit recht wordt geopend van zodra er ten minste één minderjarig ongehuwd kind aanwezig is.

 

Het dekt meteen het recht van de eventuele echtgeno(o)t(e) of levenspartner.

 

Onder gezin ten laste wordt verstaan, de echtgenoot, de levenspartner, het ongehuwd minderjarig kind of meerdere kinderen onder wie minstens één ongehuwd minderjarig kind.

 

De levenspartner is de persoon met wie de aanvrager een feitelijk gezin vormt[215].

 

Deze bepalingen vergen natuurlijk uitvoerige verklaringen. Ze moeten bovendien worden gekoppeld aan artikel 68quinquies van de organieke wet betreffende de OCMW’s dat stelt dat het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn belast is met het toekennen van specifieke hulp voor het betalen van onderhoudsgelden ten gunste van kinderen. We beperken ons hier tot enkele voorbeelden van de impact van deze wetgeving op het gezinsleven.

 

Allereerst is het evident dat het systeem volwassenen niet aanmoedigt om een koppel te vormen. Het verschil tussen twee leeflonen aan het alleenstaand tarief en twee leeflonen aan het samenwoningstarief maakt dat de betrokkenen er voordeel uit halen of denken uit te halen door alleen te wonen of dit te laten uitschijnen. Om de echte gezinssituatie van de rechthebbenden te bepalen, raakt het maatschappelijk onderzoek trouwens aan uiterst gevoelige privé-zaken, omdat het OCMW moet weten of er al dan niet sprake is van een feitelijk huishouden… Het verschil tussen het bedrag voor samenwonenden en het bedrag voor alleenstaanden valt natuurlijk te verklaren door het feit dat samenwonenden verondersteld zijn hun lasten te delen. De wet veronderstelt dat leven met twee tweemaal minder kost dan alleen leven. Ook al mocht dit waar zijn, wat te betwijfelen valt, moeten we dan dit economisch voordeel voor 100% doorrekenen ten hoofde van de armsten, dit wil zeggen inkomsten, waarvan iedereen vindt dat ze toch ontoereikend zijn om een fatsoenlijk leven te leiden, aftrekken van het volledige veronderstelde voordeel van samenwonen?

 

Bij sommige categorieën van alleenstaanden houdt de wet rekening met de gezinslast, vooral bij categorie drie, terwijl voor de samenwonenden het bedrag hetzelfde blijft, ongeacht of zij al dan niet minstens één minderjarig kind ten laste hebben. Het aantal kinderen ten laste verandert niets aan het bedrag van het leefloon, de kinderbijslag wordt verondersteld de bijkomende kosten te compenseren. Nochtans weet iedereen, en het Arbitragehof heeft dit bevestigd, dat het slechts om een gedeeltelijke compensatie gaat.

 

Zo kunnen we nog uren voortgaan, met onze excuses aan de lezer omdat we hem of haar wat verwarren, maar de bescherming van de gezinnen en hun kwetsbaarheid verloopt eveneens langs dit soort labyrint: als een alleenstaande persoon, een gehuwde persoon of iemand met een levenspartner minimum één kind ten laste heeft, dan behoort hij tot categorie drie en krijgt hij 8800 € per jaar. Als deze persoon beslist om bijvoorbeeld zijn oude vader in huis te nemen, dan verlaat hij categorie drie, omdat hij niet meer uitsluitend samenleeft met zijn gezin ten laste en belandt hij net als zijn vader in categorie twee. De beide volwassenen en de kinderen krijgen dan samen twee keer 4400 €, dus nog altijd 8800 € in totaal. Door een bijkomend familielid in huis te nemen, verliest de persoon die het gezinstarief van het leefloon kreeg dus de toegekende verhoging wegens de kinderlast.

Het systeem moet worden vereenvoudigd. De twee leeflonen voor samenwonenden moeten in totaal hoger zijn dan het tarief voor de alleenstaande. In ieder geval moet het leefloon worden opgetrokken op grond van de kinderlast en het aantal kinderen.

 

De andere gevolgen van de gezinssamenstelling voor de toekenning van het leefloon vloeien voort uit het in aanmerking nemen van de inkomsten van de al dan niet gehuwde medebewoners[216]. Als u met iemand gaat samenwonen, wordt het deel van zijn/haar inkomsten dat het leefloon overschrijdt afgetrokken van uw leefloon. Als de nieuwe medebewoner 8800€ of minder per jaar verdient, heeft u er dus geen enkel economisch voordeel bij om een nieuw huishouden te stichten. We hadden voor de allerarmsten toch op een beetje aanmoediging gehoopt…

 

Er is nog de mogelijkheid, zoals bij de maatschappelijke bijstand, om het leefloon te recupereren dat aan onderhoudsplichtigen werd toegekend. Deze aangelegenheid is nauwkeuriger gereglementeerd dan in de organieke wet betreffende de OCMW’s[217].

 

***

 

Het recht is een eigenaardige taal, maar het is en blijft een taal, de taal van de macht. Het recht van de maatschappelijke bijstand hanteert een autoritair woord tegen de meest kwetsbare gezinnen die leven in België. Dit woord ondervindt de gevolgen van de constante individualisering van de sociale contacten, waardoor het feit naar de achtergrond verschuift dat een gezin meer is dan de som der individuen die het gezin samenstellen. De leden van gezinnen die afhangen van het OCMW worden eigenlijk in het slechtste geval beschouwd als ongewenste individuen of als te vullen monden en in het beste geval als potentiële financiële bijdragers.

 

Rechtstreeks of onrechtstreeks is raken aan de gezinsbanden altijd al een gevaarlijke zaak geweest voor de wet, vooral wanneer het er zoals bij de maatschappelijke bijstand om gaat deze band (her)op te bouwen in een gezin, een wijk, een gemeente, een regio of een staat.

 

Als het resultaat niet bemoedigend is, zoals we vaststellen, dan komt dat omdat de wetten betreffende maatschappelijke dienstverlening, ondanks alle verslagen, debatten met de verenigingswereld, Staten-generalen van het Gezin, meestal van dag tot dag worden uitgewerkt in ministeriële kabinetten, zonder een milde blik naar de gezinnen, zonder echt te luisteren naar die gezinnen die beweren dat de wetgever of de overheid die verordeningen uitvaardigt, geen zin heeft om te luisteren.

 

De mooie verwijzing naar menselijke waardigheid, die achter elk systeem zou moeten schuilgaan, verwijst in de praktijk enkel naar de noodzaak om in noodgeval te worden verzorgd en, voor de geluksvogels, naar de noodzaak om te eten, een dak boven het hoofd te hebben en niet te sterven van de kou. Wanneer de wetgever en het Arbitragehof de maatschappelijke bijstand dan nog eens willen instrumentariseren om operaties van de vreemdelingenpolitie te ondersteunen of de budgetten te verlichten, vinden ouders hun kinderen niet meer terug en zien de kinderen van arme mensen niet meer in waarom ze ooit zelf een gezin zouden stichten.


 

Een panoramische blik op gezinnen en de samenleving

Onze samenleving en haar waarden beïnvloeden de gezinnen, hun relaties met de werksfeer alsook hun perceptie van de fiscaliteit of van de wetgeving. Soms helpen en steunen gezinnen elkaar (financieel en affectief), dan weer kibbelen of verscheuren ze elkaar. Kinderen gaan naar school, jongeren volgen hogere of universitaire studies of overwegen die aan te vatten. Tijdens de vrije tijd komen gezinnen met al hun behoeftes en verlangens in aanraking met vrijetijdsvoorzieningen. Gezinsleden doen aan sport of genieten van culturele activiteiten, sommigen zijn lid van een vereniging, voeren actie of zetten zich op regelmatige basis in voor een zaak die hen na aan het hart ligt. Kortom een gezin kan op vele manieren in contact staan met de samenleving. Deze twee sferen zijn zo in elkaar verstrengeld dat het bijna onmogelijk is enkele – onvermijdelijk onvolledige – algemene lijnen te trekken. Omdat een volledig overzicht van alle dwarsverbindingen onmogelijk is, worden we in dit hoofdstuk gedwongen om enkele heel specifieke connecties tussen het gezin en de samenleving te belichten. We kozen er dan ook voor om enkele belangrijke beleidsgerelateerde domeinen aan bod te laten komen. Zo bekijken we in de eerste plaats de externe hulprelaties tussen het gezin en de naaste familie. Daarbij hebben we oog voor zowel de formele als de informele hulpstromen en de intergenerationele solidariteit. Op de tweede plaats hebben we het over geweld. Zoals gezegd loopt niet altijd alles op wieltjes binnen het gezin of tussen het gezin en de samenleving. We hebben in dat tweede deel zowel aandacht voor het geweld binnen het gezin als het ‘institutioneel geweld’ waarbij de meeste aandacht zal gaan naar processen van uitsluiting en armoede. We sluiten dat tweede deel af met een korte terugkoppeling naar eerdere hoofdstuikken en meer bepaald de gevolgen echtscheiding en de problematiek van de éénoudergezinnen. Een derde en laatste deel in dit hoofdstuk is van een heel andere aard. Hierin bekijken we het maatschappelijke debat over de gelijkheid tussen mannen en vrouwen en de inspanningen die in onze samenleving gedaan worden om tot gelijke kansen voor mannen en  vrouwen.

Families met meerdere generaties

In het begin van de 20ste eeuw wisten grootouders dat ze hun kleinkinderen amper enkele maanden of, in het beste geval, enkele jaren zouden kennen. Tegenwoordig, dankzij de langere levensverwachting, kunnen in éénzelfde familie, ouders, kinderen en hun grootouders en vaak zelfs overgrootouders gedurende enkele jaren, van elkaars gezelschap genieten.

 

Door de aanwezigheid en contacten met hun kleinkinderen plaatsen grootouders die kleinkinderen in een stamboom en dragen ze zo bij tot de opbouw van hun identiteit. Grootouders liggen niet alleen aan de basis van identiteitsvorming van jongeren, maar zijn ook getuigen van vorige generaties en van gebeurtenissen die een stempel hebben gedrukt op de gemeenschappelijke geschiedenis. Die getuigenissen helpen het kind te beseffen dat een leven evolueert en dat ouderdom verschillende fases kent. De pensioenleeftijd valt immers niet meer samen met het einde van het ‘actieve’ leven.

 

Tabel 8 Antwoord op de vraag: “Wat is voor u teken van ouderdom?”, procentueel.

 

%

N

Verlies van cognitieve vaardigheden (geheugen,…)

67,2

4754

Opname in een rusthuis

64,2

4763

Afhankelijkheid van derden in de dagelijkse activiteiten

56,2

4749

Fysisch uizicht

40,3

4753

Vanaf een bepaalde leeftijd

37,8

4692

Onmogelijkheid om nog een wagen te besturen

32,5

4764

Verstarde ideeën en weigering moderne ideeën te aanvaarden

25,3

4751

Ander element

11,2

4769

Einde loopbaan

6,3

4769

Grootouder worden

4,7

4764

Bron: (PSBH, 1992-2002, golf 10, 2001).

 

Zoals uit de PSBH-enquête blijkt, wordt ‘grootouder worden’ of ‘het einde van de beroepsloopbaan’ niet meer beschouwd als een teken van ouderdom. Het verlies van zelfstandigheid daarentegen wel. Zowel ‘het verlies van de cognitieve vaardigheden’ (67,2%) en ‘afhankelijkheid van derden voor het verrichten van dagelijkse taken’ (56,2%) scoren hoog. Het is dan ook logisch dat men de opname in een rusthuis, wat gewoonlijk gepaard gaat met dit verlies van autonomie, aanvoelt als een duidelijke indicator van oud zijn (64,2%) (Casman, 2002). Tegenwoordig wordt iemand die nog zelfstandig kan leven eigenlijk niet beschouwd als oud.

 

Duizend-en-een soorten grootouders

Door de hoge levensverwachting maken grootouders langer deel uit van het gezinsleven. Ze hebben een symbolische rol, zijn levende getuigenissen van de tijd die voorbijgaat en treden soms op als bemiddelaar. Grootouders hebben een unieke en specifieke plaats in het leven van hun kleinkinderen. Het kind ziet zijn grootouders als ‘speciale’ volwassenen. Voor hen zijn ze meestal minder veeleisend en, als ze geen beroepsactiviteit meer uitoefenen, vaker beschikbaar. De persoonlijkheid van grootmoeders wordt dikwijls karakteriserend omschreven: men ziet een gezette vrouw die jam maakt en heel goed kan koken, of een dynamische dame die zich als vrijwilligster inzet voor een goed doel. Grootouders vormen evenwel geen homogene groep. Ze verschillen onder andere in leeftijd. Ze hebben, meer dan vroeger, een verschillend profiel: beroepsactief, verschillende activiteiten of leiden een rustig bestaan… Het begrip ‘grootouder’ dekt vele ladingen (Casman & Jamin, 2006).

 

Grootouders worden op het einde van de beroepsloopbaan dikwijls ingeschakeld om het gebrek aan opvangplaatsen voor jonge kinderen tegemoet te komen door ze deel- of voltijds op te vangen. Nu de toekenning van het brugpensioen in de toekomst steeds moeilijker zal zijn, wordt die gewilde of opgelegde vrije tijd handig herbesteed in de solidariteit tussen de generaties.

Hulp binnen de familie?

Intergenerationele solidariteit wordt op vele manieren zichtbaar en intergenerationele zorg en ondersteuning wordt zowel van de kinderen aan de ouders gegeven, als omgekeerd. Naargelang de behoeftes en wensen van de gezinsleden, de periodes van werken, het (brug)pensioen en het overlijden van de ouders verandert de organisatie van gezinnen. De solidariteit die ontvangen en gegeven wordt, past zich aan.

 

Tabel 9 Richting van de stromen huishoudelijke hulp, verzorging (1993, procentueel) en financiële hulp (1999, procentueel) volgens de leeftijd van de ouders.

 

60-69 jaar

70-79 jaar

80 jaar en +

Huishoudelijke hulp

 

 

 

Dalend

48,0

23,0

2,3

Wederzijds

23,6

15,3

4,6

Stijgend

29,0

61,9

93,2

Verzorging

 

 

 

Dalend

45,0

16,4

6,9

Wederzijds

11,0

10,9

0,0

Stijgend

44,0

72,7

93,1

Financiële hulp

 

 

 

Dalend

88,0

90,2

87,5

Wederzijds

1,3

3,9

0,0

Stijgend

10,7

5,9

12,5

Bron: (Gauthier, 1999).

 

Financiële transfers geschieden meestal in neerwaartse richting, wat eigen is aan de leeftijd van de ouders. Zij hebben de tijd gehad om te sparen, hebben meestal een huis dat reeds afbetaald is, terwijl hun kinderen nog met dit alles moeten beginnen. De andere vormen van solidariteit wisselen gedurende het hele leven. Als ouders jong-gepensioneerd zijn (60-69 jaar), helpen ze hun kinderen in de organisatie van hun dagelijks leven. Die beweging wordt geleidelijk aan omgekeerd naargelang de ouders meer op leeftijd komen, de autonomie vermindert of meer verzorging en huishoudelijke hulp in het dagelijks leven nodig is.

 

Familiale solidariteit is belangrijk, maar heeft beperkingen. De afstand tussen familieleden belet de mogelijkheid om steun tussen generaties te leveren. Intrafamiliale solidariteit wordt daarenboven dikwijls beschreven als ‘een selectieve solidariteit die men enkel geeft aan hen waarmee men zich verbonden voelt’. Anders gezegd, om te bepalen of men hulp verleent, kijkt men niet naar de hulpbehoevendheid van de persoon, maar wel of men deze persoon graag heeft of niet. Het begrip ‘solidariteit’ heeft niet voor iedereen dezelfde betekenis.

 

De familiale solidariteit heeft echter zwaar te lijden onder de beroepsactiviteit. Ze moet het hoofd bieden aan de groeiende behoeften van steeds meer mensen die geen zelfstandig leven meer kunnen leiden door de langere levensverwachting. In vele gevallen is deze hulp ontoereikend. Om tegemoet te komen aan die eisen, heeft men na de Tweede Wereldoorlog diensten voor thuishulp en –zorg opgericht. Die diensten waren eerst bestemd voor gezinnen met kinderen, maar veranderden geleidelijk aan naar steun voor oudere mensen.

 

Getuigenis, Dag van het Gezin, 19 juni 2005:

 

“Mijn oma (82 jaar) woont in een appartement waar er een grote solidariteit is tussen de buren. Dankzij de thuiszorg die ze krijgt, kan ze daar blijven wonen. Wij helpen vrijwillig, maar zonder externe hulp kunnen wij de hulp die zij nodig heeft, niet voorzien.”

 

De collectief verstrekte formele hulp dringt binnen in de familiale sfeer. De professionele helpers vullen vaak de hulp die door verwanten wordt geboden aan, of omgekeerd. Men doet een beroep op die twee soorten hulpverlening, de formele en de informele zodat de oudere die zijn zelfstandigheid heeft verloren, zolang mogelijk thuis kan blijven wonen.

Formele hulp

Alle generaties verlangen naar zelfstandigheid, maar de wisselvalligheden van het leven dwingen de ouderen vaak een beroep te doen op een (gedeeltelijke) buitenhuisopname of op formele en informele hulp en zorg. De vraag naar hulpverlening aan gezinnen en ouderen  stijgt al een tiental jaar. Naar alle verwachting zal deze trend zich doorzetten omdat de ‘babyboom-generatie’ vergrijst.

 

Flash-back

Op het einde van de jaren 1940 hebben veranderingen in het gezin samen met algemene maatschappelijke evoluties geleid tot de oprichting van sociale hulp in België. Net zoals de sociale zekerheid, wil die hulpverlening de mantelzorgers in het gezin bijstaan. Dit werd ingegeven door de inkrimping van de gezinsomvang. Deze werd langzaam herleid tot het kerngezin. Ook het groot aantal oorlogsslachtoffers had zijn aandeel. Hierdoor moesten steeds meer moeders de last van het gezin alleen dragen. In deze periode begon ook de babyboom en na verloop van tijd betraden vrouwen in groten getale de arbeidsmarkt.

 

In eerste instantie gebeurde deze hulpverlening door vrijwilligers. Hun doel was om - afhankelijk van de inkomsten - materiële en financiële hulp te verlenen aan moeders en kinderen (Masuy, 2006). Zo verleenden zij onder andere hulp aan moeders die ziek waren, pas bevallen of aan het gezin bij overlijden, langdurige afwezigheid of overspanning van de moeder. De enige voorwaarde was dat ze minstens drie kinderen onder de 14 jaar ten laste had (Aide à Domicile en Milieu Rural, 2001). De sector werd snel professioneler en nam een structuur aan die hulp garandeerde. Tijdens de naoorlogse bloeiperiode (1945-1975) werd ‘de organisatie van sociale hulp’ door de overheid in een project opgenomen dat gezondheidsvoorzieningen wilde moderniseren (Masuy, 2006). Vanaf 1955, bepaalt de overheid de inhoud van de diensten en de kwalificatiegraad van het personeel. Tegelijkertijd wordt de doelgroep uitgebreid: de belangrijkste gebruiker is in die tijd nog steeds het traditionele gezin, maar ouderen in moeilijkheden wegens ziekte of eenzaamheid deden ook een beroep op de gezinshelpsters. De ingrijpende institutionele hervormingen van de jaren 1980, de federalisering, zorgde ervoor dat gezinsbeleid een gemeenschapsbevoegdheid werd. Sindsdien kennen de diensten voor hulpverlening aan de gezinnen - buiten de gezondheidszorgen[218] - een uiteenlopend verloop in het noorden en het zuiden van het land. Vlaanderen geeft de voorkeur aan het zo lang mogelijk thuis laten wonen van de oudere, terwijl Wallonië eerst de opname in rusthuizen stimuleerde om later ook voorstander te worden van het thuis blijven wonen.

 

De verschillen tussen Vlaanderen en Wallonië blijven bestaan in het kader van de hulpverlening aan gezinnen en senioren.  Het geval van de Vlaamse zorgverzekering.

 

De oprichting van de zorgverzekering was ingeschreven in de federale regeringsverklaring in 1999: “Meer dan 11% van de ouderen ouder dan 65 jaar kennen een verlies van autonomie. Het is hoogtijd dat men een geschikt antwoord geeft om het nieuwe risico van verlies van autonomie het hoofd te bieden. Dit veronderstelt een globale aanpak die tegelijkertijd uitwerking zal hebben op vraag en aanbod van de diensten en op een solidaire dekking van de kosten. In dat kader, zal de regering een overleg instellen over de zorgverzekering. Enkel de Vlaamse Gemeenschap heeft op 30 maart 1999 een decreet uitgevaardigd over de oprichting van de Vlaamse zorgverzekering’ (VZ). De VZ, die van kracht is sinds 1 oktober 2001, dekt de niet-medische zorgen gedeeltelijk. Concreet betekent dit dat elke Vlaamse burger ouder dan 25 jaar de verplichting heeft bijdragen te betalen aan een verzekeringsfonds ten voordele van zwaar hulpbehoevende personen. Door haar succes kent de VZ reeds ernstige financiële moeilijkheden. De Vlaamse regering heeft bijgevolg beslist de bijdrage te verhogen en tegelijkertijd de maandelijkse bijslagen te verlagen voor mensen in rusthuizen.

 

Bron: (Paquet, 2002).

 

De ouderen die oorspronkelijk slechts in beperkte mate gebruik maakten van de hulpverlening, zijn geleidelijk aan de belangrijkste begunstigden geworden. Ouderen maken vaker dan de andere leeftijdsgroepen gebruik van thuishulp. Terwijl geen 20% van de 60-64-jarigen een beroep doet op een gezinshelp(st)er of op de levering van maaltijden aan huis, doet meer dan de helft van de 80-84-jarigen een beroep op die diensten. Deze verhouding stijgt met de leeftijd (Leroy, 2004). Het feit dat de gebruikers van deze thuishulp meestal behoren tot de oudste ouderen, heeft tot ingrijpende veranderingen geleid: de hulp wordt nu ook 's avonds en tijdens het weekend verleend. En in de opleiding van het personeel wordt bijvoorbeeld ook aandacht besteed aan polyvalentie en ‘relationele tijd’.

 

Er bestaat een wisselwerking tussen de dienstverleners van thuishulp en –zorg en de overheid. Onder impuls van de mensen in de praktijk worden er nieuwe, innovatieve, systemen ontwikkeld. De overheid speelt hierop in door dit in de regelgeving op te nemen. Hierdoor kunnen er nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden. In deze sector vond er een evolutie plaats in drie fasen. De eerste diensten waren gebonden aan de beschermende reglementering van het ministerie van Sociale Zaken (Gilain & Nyssens, 2001). Dit gebeurde onder de normen van redelijkheid en sociale samenhang. De diensten van thuishulp, waarvan tot nu toe sprake, vallen onder deze categorie. In een tweede fase hebben integratiemaatregelen, die tot doel hadden de zwakste werklozen te activeren en tegemoet te komen aan de sociale behoeften van de bevolking op het gebied van sociale samenhang, het mogelijk gemaakt dat verschillende niet-commerciële organisaties bijkomende financieringen konden verkrijgen. Op deze manier konden nieuwe diensten ontwikkeld worden. Huishoudhulp is hier een voorbeeld van. Na meerdere pogingen zijn de dienstencheques zeer recent ten tonele verschenen op de markt van de buurtdiensten. “De invoering van dienstencheques brengt een nieuwe soort, haast commerciële, regulering in omloop die de organisatie van de buurtdiensten grondig omgooit. (…) Men verlaat het gebied van het sociaal beleid. Enerzijds gebeurt dit met een economische doelstelling voor ogen - door de financiering van de consumptie wil men bijdragen tot de structurering van een nieuwe economische sector. Anderzijds wil men de tewerkstelling bevorderen - door het scheppen van nieuwe arbeidsplaatsen wil men zwartwerk bestrijden(CERISIS, 2004). Deze nieuwkomer gooit de spelregels om op het gebied van de vereiste kwalificaties voor het personeel dat thuiszorg en –hulp verricht.

 

En vandaag?

Vandaag de dag leven de organisaties en de overheid naast elkaar. Het OCMW vormt de verbinding. Tegelijkertijd is het aanbod van thuishulp uitgebreid. Er zijn nieuwe, beter aan de doelgroep aangepaste diensten ontstaan zoals hulp in het huishouden, ziekenoppas, telebewaking[219], klusjeshulp,… Toch schuilt achter de vele vormen van hulpverlening, die elkaar in hetzelfde huis kunnen kruisen, een eigen logica zoals de volgende tabel aantoont.

 

Tabel 10 Overzichtstabel (gemaakt in samenwerking met Marie-Claire Sépulchre[220])

 

Thuisverplegings-diensten

Hulpdiensten voor gezinnen en ouderen

Buurtdiensten

Subsidiërende overheid

FOD[221] Volksgezondheid

Regionaal:

Vlaanderen: Ministerie voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

Wallonië: Gezondheid en sociale actie

FOD Tewerkstelling

Aangeboden diensten

Verpleegkundige zorgen op doktersvoorschrift

Verpleegkundige zorgen voor gezinnen, thuisoppas, hulp in het huishouden en klusjes

Hulp in de dagelijkse taken en vervoer van personen met een beperkte mobiliteit

Vereiste kwalicaties

Verpleegkundige (werknemer of zelfstandige) trend om de functie open te stellen voor hulpverle(e)n(st)ers

- Familiale helpsters

- Thuisoppas

- Huishoudhulp (Sociale Maribel[222], GECO[223] (Vlaanderen) en APE.[224] (Wallonië)

- ‘Klusjesman’ en polyvalente werkman

-…

- Hulp in het huishouden

- Was en strijk aan huis of daarbuiten

- Kleine, occasionele naaiklusjes

- Bereiding van de maaltijden aan huis

- Boodschappen

- Vervoer van personen met een beperkte mobiliteit

Doelgroep

Zieken en/of mindervaliden die thuis verblijven

Gezinnen in moeilijkheden, ouderen en mindervaliden

Autonome mensen met technische problemen

Financieringswijze

Federale financiering en Sociale Maribel

Sociale Maribel

Vlaanderen: GECO, DAC[225]

Wallonië: APE., PTP[226]

Dienstencheques

Kosten

Op doktersvoorschrift. Tarifering per uur of verminderingen op basis van het statuut ‘begunstigde van verhoogde tussenkomst’

Verbonden met het inkomen van de begunstigden

Tarifering per uur en aftrekbaar van het belastbaar inkomen

 

De mantelzorger, steunpilaar van de hulpverlening

De overgrote meerderheid van de 65-plussers wonen thuis. Toch maakt maar 15% van deze groep gebruik van formele zorg. Ondanks de zeer snelle groei van formele thuishulpdiensten blijft de rol van informele hulp – hulp geboden door de onmiddellijke omgeving – dominant. Deze mantelzorgers spelen een belangrijke rol in de levenskwaliteit van de persoon die ze helpen. In de meeste gevallen zijn ze van middelbare leeftijd, beroepsinactief en vrouw (Gilain & Nyssens, 2001).

 

De ‘sandwich’generatie.

 

Wanneer vier generaties binnen een familie leven, worden de jonge grootouders soms ‘sandwich’generatie genoemd. Het gebeurt wel vaker dat jonge grootouders tegelijk hulp bieden aan hun kinderen door op hun kleinkinderen te passen en ook zorg verlenen aan hun ouderwordende ouders. Die jonge grootouders, en in het bijzonder de grootmoeders, vervullen een scharnierfunctie tussen twee generaties. Zij bieden zowel in stijgende, als in dalende lijn hulp aan.

 

In de leeftijdsgroep 55 jaar en ouder zijn 14% van de vrouwen betrokken bij de opvang van een oudere ouder en/of partner en zorgen ze tegelijkertijd voor de opvang van hun kleinkinderen. Kijken we specifiek naar de leeftijdsgroep tussen 55 en 59 jaar dan stijgt dit percentage vrouwen tot 20%. Meestal zorgen de vrouwen voor de voorbereiding van de maaltijden, de was en het poetsen van de woning. Het toedienen van medicatie, helpen met eten en drinken of een luisterend oor aanbieden, gebeurt zowel door mannen als door vrouwen.

 

De ‘sandwichgeneratie’ vult op deze manier, minstens gedeeltelijk, de leemtes van de maatschappij op gebied van zorg aan de oudste ouderen en op gebied van  kinderopvang.

 

Bron: (Casman & Jamin, 2006; Hedebouw & Sannen, 2002).

 

Erkenning van de mantelzorger

Door de stijgende levensverwachting stijgt het aantal mensen dat voor een zieke of hulpbehoevende naaste zorgt. Er wordt echter weinig rekening gehouden met deze, meestal vrouwelijke, mantelzorger. Er zijn een aantal verloven die het mogelijk maken om zorg te verlenen[227], maar deze zijn beperkt in tijd en hebben een lage vergoeding. Indien er een belangrijke beslissing dient genomen te worden over de verzorging, wordt vaak geen rekening gehouden met de mantelzorger. “Die mantelzorger krijgt vaak weinig erkenning en waardering als belangrijke actor naast de professionele hulpverlening. In wetteksten over thuiszorg krijgen ze geen uitdrukkelijke rol toegewezen in de opbouw van begeleidingsplannen om de zorgbehoevende te helpen (…) Daarbij komt nog de vraag over de steun aan en de begeleiding van deze natuurlijke helpers in hun werk. Men moet zich ook vragen stellen over het statuut van deze helpers en de sociale bescherming waarvan ze kunnen genieten op de arbeidsmarkt” (Degavre & Nyssens, 2005, p.13). Niettegenstaande de mogelijkheid het (bestaande of nog op te richten) recht specifieke verloven op te nemen, is het noodzakelijk rekening te houden met de jaren die de naaste helper wijdde aan het bieden van hulp en de ervaring die hij/zij hierbij heeft opgedaan. Dit gebeurt wel al in Zwitserland.

 

Een loon voor de mantelzorger?

 

Vlaanderen heeft de politieke keuze gemaakt om de thuishulp van zorgbehoevende personen te bevorderen en de rol van de familie aan te moedigen. Verschillende organisaties (OCMW's, ziekenfondsen en andere lokale administraties) hebben hiertoe geleidelijk aan een lage verloning voorzien voor de mantelzorger.

 

Het principe van financiële steun geven aan mantelzorgers vormt nochtans het voorwerp van discussies. Onder andere werknemersorganisaties vinden dat het toekennen van een loon aan de mantelzorger een averechts effect kan hebben. Het gaat immers om een niet-permanent statuut en kan enkel van toepassing zijn op een tussenfase in een loopbaan. Deze periode kan in geen geval een volledige loopbaan duren. En wat met het professioneel statuut van de mantelzorger na die informele zorgperiode? Herintreden is niet gemakkelijk, dit wijst de reeds bestaande complexe problematiek hieromtrent al aan. Ook is het zo dat personen die ouderen helpen, minder tevreden zijn over hun familiale toestand dan anderen. De vraag is dan of het een goed idee is om een situatie die blijkbaar ontevredenheid veroorzaakt te officialiseren? De onstabiele en veelheid van situaties waarin de mantelzorger zich bevindt, maakt het niet makkelijker om tot een oplossing te komen in verband met de erkenning van dit statuut.

 

Bronnen: (Gilain & Nyssens, 2001; Staten-generaal van het Gezin cyclus II, 2006).

 

Adempauzes creëren…

Buiten de invloed op de professionele loopbaan bij een gedeeltelijke of definitieve onderbreking en een effect op de familiale organisatie, kan de taak van de mantelzorger emotioneel zwaar blijken, (schadelijke) fysieke inspanningen vereisen en aan beide kanten vermoeidheid en ergernis veroorzaken. Dit kan leiden tot slapeloze nachten van de mantelzorger. Zorgbehoevende personen hebben per definitie nood aan hulp bij het uitvoeren van dagdagelijkse taken. De mantelzorger is, om goede hulp te kunnen verlenen, verplicht om binnen te dringen in het intieme leven van de hulpbehoevende persoon en deze laatste moet dit wel toestaan. Daarenboven zijn de levens zodanig met elkaar verweven dat de mantelzorger een deel van zijn zelfstandigheid verliest. Ook zij hebben behoefte aan tijd voor zichzelf (Van Bael & Vankriekinge, 2004). Oververmoeide personen kunnen de hulpbehoevende persoon die zij verzorgen schade berokkenen. In extreme gevallen kan dit leiden tot een zenuwinzinking van de mantelzorger of verwaarlozing of mishandeling van de persoon waar hulp aan wordt verleend (Gilain & Nyssens, 2001).

 

Om deze risico's te voorkomen is men op zoek naar structuren die de taak van de mantelzorger kunnen verlichten. Dagcentra geven de mantelzorger een adempauze en ook gastgezinnen kunnen deze taak soms vervullen. Voor ouderen kan dagopvang de geleidelijke overgang naar een rusthuis betekenen. Desondanks is er meer nood aan passende opvang voor kinderen en volwassenen met een zware handicap. Niet iedereen beschikt echter over de nodige en juiste informatie over deze structuren waardoor ze er geen gebruik van kunnen maken. Vooral achtergestelde sociale groepen lopen deze informatie mis.

 

Waarom niet ‘baluchonnage’?

 

De ziekte van Alzheimer van een familielid heeft een, soms heel pijnlijke, impact op de hele familie. Ondanks de moeilijkheden willen de meeste families hun naaste zo lang mogelijk thuis houden. Ze sparen geen moeite om dit te doen. De mantelzorger heeft nochtans ook ‘ademmomenten’ nodig, maar wil niet altijd dat de zorgbehoevende persoon uit zijn/haar vertrouwde omgeving gehaald word. Daarom werd de vzw 'Baluchon Alzheimer' opgericht. Zij heeft tot doel de mantelzorger de mogelijkheid te geven een week of twee rust te nemen zonder dat hij/zij de hulpbehoevende ergens anders moet laten opnemen Er komt dan een ‘Baluchonneuse’ thuis wonen voor de duur van de rustpauze van de mantelzorger.

 

De baluchonneuse zal gedurende de afwezigheid van de mantelzorger 24 uur op 24 zorgen voor een omkadering. Er wordt elke dag ook een begeleidingsverslag voor de familie opgesteld. Alle activiteiten met de hulpbehoevende en opmerkingen worden genoteerd. Dit verslag wordt op het einde van de periode aan de familie overhandigd.

 

Bron: (Baluchon Alzheimer België, 2006)

De overeenstemming tussen privé en publiek

Door de institutionalisering van thuishulp was het mogelijk om de middelen ter bestrijding van de vereenzaming van ouderen te vermeerderen en de gezondheidsuitgaven van de overheid te verminderen. Dit gebeurde door een alternatief te bieden dat goedkoper is dan een verblijf in een ziekenhuis of een rusthuis (Degavre & Nyssens, 2005). De formele zorg heeft echter niet geleid tot het verdwijnen van de familiale solidariteit. “De familiale omgeving blijft aanwezig, niet alleen om te voldoen aan de behoeften die het formeel net niet op zich neemt, maar ook (…) om haar actie en aanwezigheid bij de oudere te richten op kwalitatieve en relationele aspecten van de hulp” (Du Pasquier e.a., 1995, p.254). Om efficiënt te kunnen werken is de aanwezigheid van een mantelzorger noodzakelijk. Formele en informele zorg vullen elkaar aan. De taak van de mantelzorger, die meestal door vrouwen wordt opgenomen, wordt verlicht door de bestaande diensten. Toch is deze persoon een onontbeerlijk aanspreekpunt voor de formele zorgverlening (Degavre & Nyssens, 2005). Men kan spreken van een relationele driehoek tussen de oudere, de omgeving en de professionele hulpverleners. De kwaliteit van de zorg is afhankelijk van de samenwerking tussen deze drie personen (Casman, 2005).

Als de formele hulp, de informele volledig vervangt…

 

Getuigenis Dag van het Gezin, 19 juni 2005:

 

“Wanneer een immobiele persoon het ziekenhuis verlaat en niet kan rekenen op de familie, bevindt deze persoon zich in een zeer kwetsbare situatie. Er zijn niet altijd professionele zorgverleners beschikbaar in de nabije omgeving om alle taken over te nemen. Ook de bijhorende financiële kost is moeilijk te dragen voor de meerderheid van de burgers. Thuiszorg is hypergespecialiseerd. De persoon die komt poetsen, kookt niet en de persoon die kookt, kan geen basisverzorgingen geven. Op die vlakken worden ze vergeleken met de gespecialiseerde zorg die door de vrouwen en de moeders van de familie gegeven wordt. De noden en de realiteit waarmee deze vrouwen te maken krijgen eens ze stoppen met deze niet betaalde gezinsarbeid, steken tegen.”

 

Keuze?

Als ouderen het moeilijk krijgen om hun dagelijkse taken te vervullen, doen ze eerst een beroep op formele en informele hulp om thuis te kunnen blijven. Zelfs als de wil om in een vertrouwde omgeving te blijven hardnekkig is (PSBH, 1992-2002), kan deze zorg niet beletten dat de senior ooit zijn huis zal moeten verlaten. Dikwijls wordt de beslissing van de verhuis door de omgeving op een crisismoment genomen, al dan niet in samenspraak met de oudere. In realiteit woont 87% van de 60-plussers thuis, waarbij ze eventueel hulp genieten, 6% onder hen woont bij één van hun kinderen in en 7% woont in een rusthuis (Casman e.a., 1998).

 

Getuigenis, Dag van het Gezin, 19 juni 2005:

 

“Op mijn 73 jaar ben ik absoluut tegen de afhankelijkheid van mijn kinderen. Zij hebben genoeg zorgen met hun eigen gezin en ik zie het als een plicht van de ouders om hun vrije tijd nuttig te organiseren zonder te vervreemden van hun familie. De goede verhouding heeft zijn prijs. De dag dat ik het niet meer zelf kan trekken, installeer ik mij in een rusthuis van mijn keuze. Ik wil mijn kinderen niet aandoen wat ik met mijn moeder heb meegemaakt, zelfs al ben ik goed van hart.”

 

Eens ze hun zelfstandigheid verloren hebben, geven ouderen niet de voorkeur aan het wonen bij één van de kinderen of een familielid. Het verlangen om de zelfstandigheid te behouden en de vrees een last te zijn voor de omgeving liggen aan de basis van deze terughoudendheid (Casman & Jamin, 2006). De keuze voor een rusthuis wordt echter niet altijd opgelegd aan de oudere. Meer dan 15% van de ouderen kiest vrij voor dit alternatief. 24,3% maakt deze keuze in samenspraak met het rusthuis, 40% beslist alleen. De persoon die bewust gekozen heeft voor het rusthuis past zich bijgevolg beter aan haar nieuwe levenstijl aan (Casman e.a., 1998).

 

Verandering van leven

De opname in een rusthuis kan aanleiding geven tot een breuk met het zelfbeeld of de (her)ontdekking van het leven in een gemeenschap. “In het ‘normale’ leven, slapen, werken of ontspannen mensen zich op verschillende plaatsen, komen ze in contact met diverse mensen en ontmoeten ze deze op verschillende plaatsen: in hun buurt, op het werk, in de familie, in een sportclub of in een cultureel centrum,… In het rusthuis verdwijnen deze grenzen die tussen verschillende milieus bestaan grotendeels. Eén enkele locatie wordt de plaats om te leven, om zich bezig te houden en andere mensen te ontmoeten. Deze activiteiten worden geregeld volgens een gemeenschappelijk ritme. (…) De indeling van die activiteiten volgt een strak werkrooster: een verpleegster zal een bepaald aantal bewoners gewassen hebben in de voormiddag, een verpleegassistente zal zoveel middagmalen bedienen,…” (Casman e.a., 1998, p.17-18). Het ritme en de opvolging van de momenten van de dag hangt af van de andere bewoners. Als het personeel onderbemand is, kan dit de indruk wekken dat men aan zijn lot wordt overgelaten[228].

 

Ouderen die in een rusthuis worden opgenomen, hebben dikwijls de indruk dat ze niet alleen hun zelfstandigheid verliezen, maar ook hun maatschappelijk nut. Hun huis, symbool van alles wat ze geweest zijn, hebben ze moeten verlaten voor een instelling die  dikwijls een negatief beeld oproept. Rusthuizen zijn in de ogen van het merendeel van de bevolking eenzame plaatsen waar men enkel nog op de dood kan wachten. Nochtans tonen de meeste instellingen zich voorstander van meer contact met de buitenwereld en tonen ze respect voor de zelfstandigheid van de bewoners (Sprimont, 2005).

 

Het rusthuis beweegt en innoveert

In Frankrijk heeft men zeer vroeg ingezien dat het mengen van verschillende generaties ervoor zorgt dat ouderen langer hun zelfstandigheid kunnen bewaren. België kwam echter later tot dit besef en volgende de grootse projecten van de jaren 1970 waar rusthuizen zich veelal afzonderen van de levenscentra, waardoor de bewoners vereenzamen in getto’s. Toch heeft België enkele (schaarse) initiatieven[229] die mogelijk waren dankzij de stedenbouwkundige en architectonische inrichting van de betrokken plaats, de beschikbaarheid van de buurtdiensten en de investeringen van de lokale overheid. De gehanteerde formules zijn flexibeler dan in rusthuizen en eisen niet dat de ouderen volledig ‘ontwortelt’ (Carlson e.a., 1998).

Ondanks de vernieuwingen in het rusthuis blijft de vaststelling: mensen wachten steeds langer om hun intrek te nemen in een rusthuis. Ze wachten tot hun zelfstandigheid sterk is verminderd, hun fysieke en mentale toestand zodanig is verslechterd dat het moeilijk is om zich aan te passen aan de nieuwe omgeving. Deze realiteit heeft voor gevolg dat rusthuizen moeilijk kunnen ontsnappen aan hun imago van ‘sterfhuis’. Het lijkt alsof thuis blijven wonen en een verblijf in een instelling elkaars concurrenten zijn. Zo verdwijnt elke mogelijkheid tot samenwerking, complementariteit of zelfs beurtwisseling, die nog heel zelden wordt overwogen.

De keerzijde van de rozengeur

Het leven van de gezinnen verloopt niet altijd als een langzame, rustige stroom, maar het is ook geen draaikolk. Het leven heeft zijn goede en slechte momenten en is niet vrij van problemen en beproevingen. Die lotgevallen zijn een weerspiegeling van de maatschappij waarin wij leven, van de algemene economische omstandigheden en van de stereotypes en beelden die wij hebben over dingen. In deze paragraaf zullen we het hebben over die risico's: geweld binnen het gezin of door de intieme partner, het geweld veroorzaakt door instellingen en echtscheidingen.

Intrafamiliaal geweld

Geweld binnen de familie kan verschillende vormen aannemen: echtelijk geweld, mishandeling van ouderen, kindermishandeling,… Dit geweld treft zowel het welzijn van de families zelf als de wisselwerking met de buitenwereld.

 

Echtelijk geweld

“Kwetsende woorden, scheldwoorden, paternalistische, neerbuigend en dictatoriaal autoritarisme, controle, verwijten en berispingen, vernederingen, ziekelijke jaloezie, zwartmakerij, beledigingen, tieren en dreigen, fysiek en seksueel geweld: het geweld neemt vele vormen aan (…). Het begrip echtelijk geweld, in de moderne betekenis van het woord, dekt een veelvormige realiteit die niet altijd onmiddellijk als zodanig gezien wordt, zowel door de daders als door de slachtoffers” (Jaspard, 2005, p.30-31). Dat geweld mengt zich nochtans in het echtelijk leven van veel koppels. De Universiteit Hasselt toonde in 1998 in een onderzoek aan dat één vrouw op zeven slachtoffer is van echtelijk geweld. In 1999 stierven 400 vrouwen ten gevolge van echtelijk geweld (Université des femmes, 2004).

 

Meestal is de vrouw slachtoffer van het echtelijk geweld[230]. Het lijkt wel of agressiviteit door sommigen wordt beschouwd als een noodzakelijk element om zichzelf te ontplooien (Dulac, 1997). Het gevormde maatschappelijke beeld speelt hierbij een belangrijke rol. Als men aan echtelijk geweld denkt, denkt men meestal aan de man als dader omdat dit nu éénmaal een eigenschap is die aan mannen wordt toegekend. Als de vrouw echter de dader is, wijkt ze af van het beeld dat wij over vrouwen hebben in deze maatschappij. Ze overtreedt de stilzwijgende wetten die de sociale machtsverhoudingen tussen de man en de vrouw regelen.

 

De dader van echtelijk geweld wordt gekenmerkt door een bijzonder psychologisch profiel: mannen die met de schrik leven om in de steek te worden gelaten. Als de vrouw te zelfstandig dreigt te worden, verliest de man zijn positie en verwijt hij zijn vrouw bazig te zijn en gaat liever over tot geweld dan te discussiëren. Het conflict ontstaat daar waar mannen gevangen zitten in de regels van een mannelijkheidscode en vrouwen die trachten hun eigen zelfstandigheid te doen gelden of te verdedigen. Die kloof tussen de mannelijke en de vrouwelijke verzuchtingen lijkt in bepaalde groepen nog uit te diepen wat een toename van het geweld tegen vrouwen verklaart, zowel in de private als in de openbare sfeer (Jaspard, 2005).

 

De alleenstaande vrouw…

 

De autonome, seksueel vrijgevochten, alleenstaande vrouw is meer een mythe dan een sociologische werkelijkheid. Op het werk en in hun privé-leven worden deze vrouwen meer dan andere vrouwen blootgesteld aan fysiek en seksueel geweld en betalen ze een hoge tol voor hun zelfstandigheid. Door de opeenvolging van partners door de seksuele mobiliteit van deze vrouwen zullen ze vaker in aanraking komen met echtelijk geweld. Immers, de kans op geweld van een man te moeten ondergaan stijgt met het aantal partners. Rekening houdend met alle klassieke socio-demografische criteria en vergelijkbare situaties zijn echtelijke mobiliteit en leeftijd de grootste risicofactoren.

 

Bron: (Jaspard, 2005).

 

Het opleidingsniveau van de partners heeft minder invloed op het ontstaan van echtelijk geweld, wat niet wil zeggen dat een hoog opleidingsniveau een bescherming is tegen echtelijk geweld. De positie op de arbeidsmarkt daarentegen, is wel van tel. Zo toont Jaspard aan dat een onstabiele werksituatie en een tijdelijke of definitieve uitsluiting van de arbeidsmarkt meestal de kiemen van echtelijk geweld in zich dragen. Werkloze vrouwen, vrouwen die gestopt zijn met werken, lijken vaker te lijden te hebben onder echtelijk geweld dan vrouwen die een professionele activiteit hebben. Hetzelfde ziet hij bij vrouwen wiens man werkloos is. Deze vrouwen worden vaker psychologisch lastig gevallen. Dit percentage ligt hoger als één van de partners werkloos is en geen uitkering heeft. Zowel door de werkloosheid van de man als van de vrouw, stijgt het risico met factor twee of drie. Het is vooral de opeenvolging van periodes van werkloosheid van één van de partners dat aanleiding geeft tot een verdriedubbeling van het aantal situaties van ‘zeer ernstig geweld’ (Jaspard, 2005). Echtelijk geweld behoort weliswaar tot de intieme privé-sfeer van het koppel, maar het ontstaan hiervan is verbonden met de maatschappelijke context.

 

Het is zeer moeilijk om deze problematiek te kaderen. Enerzijds zijn vrouwen meestal wel het slachtoffer van echtelijk geweld, toch is het niet zo dat de man altijd de dader is. Deze fout zou kunnen leiden tot het - ten onrechte - in vraag stellen van de rol van de vader in het gezin en van de man in het koppel. Een ‘echtelijk’ koppel is echter ook vaak een ‘ouderlijk’ koppel. Kinderen die een stormachtige echtelijke situatie meemaken bij hun ouders en ongewild getuige zijn van geweld, kunnen soms een even groot trauma oplopen als het slachtoffer (Femmes Prévoyantes Socialistes, 2006).

 

In België bestaan er maar weinig gegevens over echtelijk geweld waarbij kinderen als getuigen betrokken zijn. Deze problematiek kadert in het Nationaal Actieplan tegen Partnergeweld. Dit plan brengt de verschillende betrokken federale diensten samen met een provinciale, regionale en gemeenschapscoördinatoren die zich specifiek bezighouden met geweld op lokaal niveau en een groep van een vijftigtal experts afkomstig van verenigingen die de verwezenlijking van het actieplan volgen op het terrein. De oprichting van een ‘Netwerk ter uitschakeling van het geweld tussen partners’ bevordert de reflecties, discussies en het uitwisselen van ervaringen. Het heeft ook geleid tot een partnerschap voor gezamenlijke acties in overleg met de overheid.

 

Geweld tegen ouderen

Eén op de vijf ouderen boven de 60 jaar is vroeg of laat het slachtoffer van fysiek, seksueel, psychisch geweld of financiële uitbuiting. Net zoals bij echtelijk geweld is de dader dikwijls een persoon uit de naaste omgeving die de oudere goed kent. Ook hier zijn er verschillen naargelang het slachtoffer een man of een vrouw is. Door het feit dat vrouwen langer leven, lopen zij meer risico het slachtoffer te worden van mishandeling (Vandenberk e.a., 1998). Dit geweld is echter vaak het resultaat van moeilijke relaties en conflicten die niet opgelost raken tussen de oudere en zijn/haar omgeving (Moreau, 2004). Deze kunnen veroorzaakt worden door de vereenzaming van de oudere, een ongewenste situatie van samenwonen waarbij de private levenssfeer van de senior geschonden wordt of financiële problemen. Hoe minder de oudere fysiek, psychologisch of sociaal zelfstandig is, hoe groter het risico op mishandeling.

 

Ook in instellingen komt geweld voor, hoewel dit geweld zelden bewust is. Personeelstekort in de instelling en een minder goede inrichting van de gebouwen kan hieraan ten grondslag liggen. Gebreken op dit vlak kunnen de levensomstandigheden van de bewoners minder aangenaam maken en de taken van het personeel bemoeilijken. Het is moeilijk om een goede levenskwaliteit te bieden en mensen op een vlotte manier te verzorgen als deuren en gangen te smal zijn om een rolstoel door te laten. In gebouwen met veel trappen en gangen kunnen ouderen die weinig oriëntatievermogen hebben hun weg al snel verliezen. De kwaliteit van de dagelijkse behandeling kan verschillen naargelang er genoeg of te weinig personeel Een verzorger die op gelijke hoogte als de patiënt gaat zitten om een verband te vervangen, komt heel anders over dan de verzorger die dit rechtstaand doet. In het laatste geval kan de oudere dit zien als een vorm van minder goede behandeling, want de oudere krijgt de indruk dat de verzorger neerkijkt op hem/haar.

 

Geweld tegen kinderen

Het Franstalige SOS Enfants omschrijft kindermishandeling als “elk fysiek letsel, geestelijke aantasting, seksuele mishandeling of nalatige behandeling die niet te wijten is aan een ongeluk, maar wel het gevolg is van een handeling of het verzuim van de ouders of iedere persoon die verantwoordelijkheid draagt over het kind of een derde, die zowel fysieke als psychische gevolgen heeft die schadelijk zijn voor de gezondheid van het kind”. Vooral het concept verwaarlozing is moeilijk te definiëren. Het kan daarbij gaan om onkunde, onwetendheid of onbeschikbaarheid van de ouders. Verwaarlozing en mishandeling hebben dezelfde gevolgen, maar enkel in het eerste geval is er geen sprake van opzet. Mishandeling kan echter ook het gevolg zijn van opzettelijke verwaarlozing van het kind door de omgeving (mishandeling door verzuim). Verwaarlozing komt op verschillende vlakken aan het licht: voeding, kleding, toezicht, hygiëne, opvoeding, stimulering, beroep op gezondheidszorgen. Cijfers van SOS-enfants[231] tonen aan dat de daders in de meeste gevallen leden van de familie van het slachtoffer zijn (90%): de vader (22% van de gevallen), de moeder (18% van de gevallen) en beide ouders (18% van de gevallen). Als de dader geen deel uitmaakt van de familie, behoort hij/zij nog steeds tot de naaste omgeving van het kind – vriend of buur (Services SOS Enfants de l'ONE, 2005; Services SOS Enfants de l'ONE, 2006).

 

Ook het geweld in het opvoedingsysteem wordt regelmatig aangeklaagd. Hoewel er in Europese landen een verbod geldt op het gebruik van geweld in de opvoedingsfeer, scholen of vrijetijdsactiviteiten heeft België, als één van de weinige landen dit verbod nog niet in zijn wetgeving omgezet. In Zweden, een pilootland op dat gebied (1979) heeft deze bepaling geen aanleiding gegeven tot een vermeerdering van het aantal vervolgingen van de ouders. Er is wel een mentaliteitswijziging bij de ouders vastgesteld. 58% van de Zweedse ouders verklaarden voor de wet af en toe eens geweld uit te oefenen op hun kinderen. Dit daalde tot minder dan 20% sinds de wet van kracht is (Staten-generaal van het Gezin cyclus II, 2006).

 

De pedagogische tik

 

Laat ons wel wezen: de pedagogische tik is een contradictio in terminis. Geweld, in eender welke vorm of frequentie, kan nooit een pedagogische functie of doel hebben. Niet enkel helpt het doorgaans niet, zeker niet op termijn, het geeft ook de foutieve boodschap mee aan kinderen dat geweld soms legitiem zou kunnen zijn. Bovenal is het een inbreuk op het recht van het kind op integriteit. Zowel vanuit de VN (Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, art 19) als vanuit de Raad van Europa wordt aan de lidstaten de duidelijke boodschap gegeven dat zowel wetgeving als mentaliteit dringend moeten aangepakt worden opdat er een eind zou komen aan deze ontoelaatbare praktijk. Ook onze Grondwet stelt in art 22 bis dat het kind recht heeft op o.a. fysieke integriteit. Helaas achten velen dit verbod nog niet van toepassing op de lijfstraffen binnen de opvoeding. De tik blijft door een meerderheid van volwassenen een aanvaarbare vorm van disciplineren. De discussie over het al of niet toelaatbaar niveau van geweld, of al dan niet aanvaardbare vormen van lijfstraffen is echter een valse! Geen geweld is ooit toelaatbaar en het blijft bijzonder eigenaardig hoe we onder het mom van ‘pedagogisch effect’ (quod non!) aan kinderen minder (rechts)bescherming garanderen dan aan eender welke volwassene. Geweldloos opvoeden moet als norm gesteld worden en ouders en andere opvoeders moeten hierin ondersteund worden door reeds voorhanden zijnde positieve vormen van opvoeding en sturing en disciplinering daarin.

 

Bron: Persoonlijke briefwisseling met Ankie Vandekerkhove, kinderrechtencommissaris Vlaanderen.

 

Armoede, sociale uitsluiting en het gezin

Hoewel de Belgische wetgevende beleidslijn neutraliteit ten aanzien van de levenskeuzes  verkondigt, is dit in de realiteit niet altijd mogelijk. De economische situatie van sommige bevolkingslagen of -groepen, dat een gevolg is van zowel de samenleving, als de regels van de sociale zekerheid, kan soms een institutioneel sociaal geweld teweegbrengen. Voor sommige personen is deze kwetsbaarheid groter dan voor anderen[232]. Eigenlijk, schept die ‘wreedheid van het sociale’ voor sommige gezinnen pijnlijke en moeilijke omstandigheden die op alle niveaus gevolgen hebben

 

Op fiscaal niveau kunnen we een schending van het neutraliteitsprincipe (Staatssecretariaat voor Gezinnen en Personen met een handicap, 2004), vaststellen bij het gebruik van het huwelijksquotiënt[233]? Er bestaat een discussie over deze maatregel. De decumul van inkomsten is voor sommigen, vooral voor vrouwen, een verdoken valstrik De niet wettelijk samenwonenden of niet-gehuwde personen, de fiscale ‘alleenstaanden’, kunnen geen gebruik maken van deze maatregel. Ook op fiscaal gebied stelt men vast dat personen met een laag inkomen hun belastingsvrijstellingen niet ten volle kunnen benutten. De aftrekbaarheid van kosten voor kinderopvang bijvoorbeeld of de premie op het werk dat slechts voordelig is voor personen die een winstgevende activiteit uitoefenen, alsof “het eigen is aan fiscalisten om gezinnen die niet onderworpen zijn aan de fiscaliteit, en juist echt arm zijn, te vergeten… een gezinsbeleid dat op fiscale aftrek steunt, trekt zich niets aan van het lot van de armsten(Peemans-Poullet in Koning Boudewijnstichting, 1995, p.29-30). Het systeem van fiscale aftrekbaarheid geeft gezinnen de mogelijkheid om het hoofd te bieden aan de kosten verbonden aan de combinatie gezin en arbeid. Vooral gezinnen met een laag inkomen kunnen hier baat bij hebben. Indien dit systeem niet zou bestaan, hebben zij een groter risico om in armoede te  vallen of te stoppen met werken. Een goed voorbeeld hiervan is de aftrekbaarheid van de kosten voor kinderopvang. Elk gezin kan hiervan gebruik maken, maar voor gezinnen met een laag inkomen is het proportioneel voordeel groter[234]. In gesubsidieerde kinderopvang hangt de kostprijs van de kinderopvang samen met het inkomen van de ouders. Anders gezegd, sommige maatregelen ontwijken de werkloosheidsval.

 

Men kan zich vragen stellen over de opsplitsing in categorieën van de sociale uitkeringsgerechtigden volgens hun gezinsituatie en hun familiale banden. De keuze voor de categorie ‘officieel samenwonend’, heeft zowel gevolgen op financieel, als op familiaal vlak. Deze categorisering en  zijn eigen regelgeving, heeft beslissende gevolgen voor de keuze om al dan niet een gezin te stichten. Personen die zich in een kwetsbare toestand bevinden, zijn dan eerder geneigd om te kiezen voor een leven als alleenstaande en komt zo in een gunstigere financiële situatie terecht dan mocht hij de keuze gemaakt hebben om ‘officieel samenwonend’ te zijn. Hierdoor moet één van de samenwonende misschien fictief een woning huren, wat nog meer verwarring veroorzaakt en de familiale betrekkingen bemoeilijkt.

 

Arbeid, een bescherming tegen armoede?

Het vangnet van de sociale zekerheid tempert de stijging van het aantal personen dat in armoede leeft in tijden dat het economisch moeilijk gaat. Indicatoren wijzen nochtans op de aanwezigheid van structurele armoede, een stijgende kwetsbaarheid en verschijnselen van uitsluiting. Enerzijds, stijgt het aantal familiale risico’s door de veranderingen in gezinssamenstelling die op wetgevend vlak nog niet erkend zijn. Anderzijds worden deze risico's nog versterkt door de blijvende sociale ongelijkheid en een slechte verdeling van de rijkdom. Terwijl tot nog toe betaalde arbeid een waarborg was tegen armoede, komt hier langzaam verandering in. Ondanks het bewijs dat werkloosheid en inactiviteit een veel groter risico op armoede inhouden dan een betaalde baan, is een baan niet altijd een waarborg meer tegen armoede.

 

Beroepsactieve mensen lopen minder risico om arm te worden dan werklozen. Hoe meer beroepsactieve mensen in eenzelfde gezin, hoe lager het armoederisico. In dat opzicht is werkloosheid en meer bepaald langdurige (meer dan een jaar) of zeer langdurige (meer dan twee jaar) werkloosheid, bijzonder problematisch. In 2001 maakte ongeveer één derde van de werklozen (32%) deel uit van een huishouden dat bedreigd werd door armoede. Deze cijfers staan in schril contrast met de cijfers voor de actieve bevolking (4% waarvan 3% van de werknemers en 10% van de zelfstandigen) (POD Maatschappelijke integratie, 2005).

 

Tabel 11 Percentage armoederisico (<60% van het mediaaninkomen) naar meest voorkomende activiteitsstatuut en naar geslacht  voor de ingezetenen in België boven de 16 jaar (2001).

 

Mannen

Vrouwen

Totaal

Werklozen

40

27

32

Andere niet actieven

13

24

21

Gepensioneerden

21

22

21

Zelfstandigen

11

8

10

Werknemers

3

4

3

Bron: (POD Maatschappelijke integratie, 2005).

 

Ons land doet het beter dan het Europese gemiddelde. In de vijftien lidstaten van de EU, riskeerde 7% van de actieve bevolking (6% van de werknemers en 16% van de zelfstandigen) in 2001 in armoede terecht te komen, tegenover 38% van de werklozen. Hoewel de personen die werken minder gevaar lopen om in armoede te vervallen in vergelijking met de werklozen is hun aantal, in absolute cijfers, zeer hoog vermits er meer actieven zijn dan inactieven. Het ging om ongeveer 11 miljoen beroepsactieve mensen verdeeld over de vijftien landen van de EU in 2001. Deze cijfers bevestigen dat een laag inkomen, net zoals een lage scholingsgraad en een instabiel beroepsleven (bijvoorbeeld door te werken met interimcontracten) een belangrijke risicofactor vormen voor een groot deel van de actieve bevolking. Hoewel  vrouwen vaker in een onstabiele, slecht betaalde of deeltijdse jobs verzeilen, kennen vrouwen toch een lager armoederisico dan mannen (Soens e.a., 2005). Dit komt omdat het loon van de vrouw in een gezin vaker een aanvulling is op het loon van hun partner. Eénoudergezinnen en éénverdieners zijn daarentegen kwetsbaarder.

 

Een berg hindernissen!

Soms kan het onheil op verschillende niveaus tegelijk toeslaan. Gezinnen kunnen het moeilijk hebben om een baan en een woning te vinden, kennen gezondheidsproblemen en slagen er niet in om leefomstandigheden te creëren zodat hun kinderen een mooie toekomst tegemoet kunnen gaan. De wisselvalligheden van elk van deze factoren versterken elkaar. Deze gezinnen moeten voortdurend een afweging maken tussen verschillende uitgaven zoals schooluitgaven, gezondheidszorg, maandelijkse huur en huurlasten, rekeningen,… die nochtans allemaal even essentieel zijn om een goed leven te kunnen leiden. Hiernaast hebben ze vaak nog een groot aantal schulden (Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting, 2005). Een vervangingsinkomen, zelfs vermeerderd met de gezinsbijslagen, is te laag om een degelijk bestaan op te bouwen.

 

Vaak is de buitenwereld niet mild voor personen die in armoede verkeren. Ook de kinderen van deze gezinnen krijgen al vroeg in hun leven een achterstand (Driessens, 2003). Ze kunnen vaak niet volgen op school en hebben gemiddeld genomen een slechtere gezondheid. Voor deze gezinnen, die geen goede levensomstandigheden voor hun kinderen kunnen creëren omwille van hun kwetsbare positie, dreigt een plaatsing voor hun kinderen. De vraag is echter of een plaatsing wel een goede oplossing is omdat dit volgens Verhellen gelijk staat aan het verplaatsen van de problemen. Het gezin is eerder een hefboom in de strijd tegen armoede dan een hindernis (Koning Boudewijnstichting, 1995). Ook het Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding gaat hiermee akkoord (Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting, 2005). De Staten-generaal van het Gezin volgt deze lijn: “Wat ook de vorm en de omstandigheden van het gezin zijn, het blijft één van de beste sociale integratiefactoren: het is in het gezin dat het kind, zoals de volwassene, een houvast vindt, zich ontwikkelt, zelfstandig wordt… en groeit(Staatssecretariaat voor Gezinnen en Personen met een handicap, 2004, p.3). Het aantal geplaatste kinderen is in de Franse Gemeenschap gedaald met bijna 10% tussen 1997 en 2002. Omgekeerd zijn er meer en uitgebreidere maatregelen gekomen om gezinnen te helpen. Ook in 2002 werd in Vlaanderen het merendeel van de kinderen die zich in een risicosituatie bevonden, geholpen in instellingen (57%), maar het aanbod van hulp buiten de instelling steeg ook hier.

 

Administratieve en repressieve diensten schrikken de gezinnen af, daarom zijn er ook veel buurtacties die gezinnen die in armoede verkeren, de mogelijkheid geven hun situatie terug onder controle te krijgen. Omdat deze tussenkomsten niet door één of andere officiële instantie gebeuren, maken gezinnen er meer gebruik van. Voorbeelden van acties zijn een groep waar ouders hun kinderen kunnen ontmoeten, familievakanties, steun aan de familie, acties die in een open omgeving plaatsvinden als oplossing voor plaatsing,… De auteurs van het verslag ‘Armoede uitbannen. Een bijdrage aan politiek debat en politieke actie’  (Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting, 2005) steunen de vraag om zulke initiatieven te erkennen en ondersteunen. De personen die deze acties begeleiden, wijzen op de financiële moeilijkheden die ze ondervinden om deze projecten verder te zetten. Dit kan een oplossing zijn om deze gezinnen, en vooral hun kinderen, een betere toekomst te bieden.

 

De woonproblematiek

De toestand van de gezinswoning is een bepalend element van armoede. Door de woningnood wordt een steeds groter deel van de bevolking geconfronteerd met de onmogelijkheid een waardige woning te vinden. Sociale problemen die verband houden met onderdak zijn talrijk. Mensen zijn dakloos, wonen in onwaardige woningen, kraakpanden en garages of worden uit hun woning gezet (Martin, 2004).

 

We kunnen drie groepen onderscheiden: de personen die een sociale woning huren, zij die zich wenden tot de particuliere huursector (samen goed voor 23,1% van de bevolking) en eigendombezitters (74,4% van de bevolking[235]) (FOD Economie, 2006e).

 

De sociale huursector heeft tot taak personen en huishoudens te huisvesten die nergens anders terecht kunnen. De huurprijs is inkomensgerelateerd en de woonzekerheid is gegarandeerd. Daarom vindt men in deze sector de mensen met het zwakste sociale profiel in de samenleving terug. Er wonen vooral ouderen, weduwen, gescheidenen, éénoudergezinnen, gezinnen met één inkomen of gezinnen die leven van een vervangingsinkomen (De Decker & Laureys, 2006). Op de Belgische woningmarkt zijn 6% van de woningen sociale woningen en 16% van de huurders woont in een sociale woning. Dit is één van de laagste percentages in Europa. In Frankrijk telt de woningmarkt 17% sociale woningen, in Nederland bedraagt dit 36% en in Duitsland 26% (Rassemblement Bruxellois pour le Droit à l'Habitat, 2003). Zij die niet terecht kunnen in de sociale huursector, kunnen zich wenden tot privé-verhuurders. In deze particuliere huursector bevinden zich personen die snel een woning nodig hebben, starters op de woningmarkt en alleenstaanden. Vooral tweeverdieners en koppels bezitten een eigen woning, maar ook personen met een zwakker sociaal profiel zijn vaak eigenaar van een woning. Dit komt door de, in internationaal perspectief, goedkope woningen in België[236] en het feit dat veel mensen zelf hun huis bouwen (De Decker & Laureys, 2006).

 

Eigenaar zijn van een huis kan een bescherming bieden tegen armoede, maar is geen zekerheid. Huurders (26,7%) lopen twee keer zo veel kans om in armoede terecht te komen dan zij die eigenaar zijn van een huis (10,7%). Vooral huurders in het Waalse gewest (32,9%) lopen veel meer risico dan huurders in het Vlaamse gewest (18,1%). Het amoederisico voor huurders in België ligt hoger dan het Europese gemiddelde, maar huiseigenaars lopen minder risico.

 

Tabel 12 Armoederisico (inkomen <60% van het mediaaninkomen) volgens het statuut van eigenaar/huurder van een huis, in België, het Vlaamse en Waalse gewest en de Europese Unie in 2004 op basis van de inkomsten in 2003.

 

België

Vlaams gewest

Waals gewest

EU - 25

Eigenaar

10,7

9,3

12,6

13,0

Huurder

26,7

18,1

32,9

25,0

Totaal

14,9

11,3

17,7

16,0

Bron: (Eurostat, 2006a; FOD Economie, 2004).

 

Het is echter soms veel moeilijker eigenaar te blijven omdat men de lening moet kunnen afbetalen. Slechts de helft van de huiseigenaren hebben hun huis al volledig afbetaald.

 

Het sociaal woonbeleid kan meer initiatieven ontwikkelen dan enkel sociale woningen aan te bieden. De overheid kan huursubsidies toekennen of een huurbescherming bieden, want ook de immobiliënsector staat niet stil. In vergelijking met 20 à 30 jaar geleden zijn er meer jonge alleenstaanden op de arbeidsmarkt. Ook de babyboom-generatie, die een grote groep op de huurmarkt vertegenwoordigd, gaat  met pensioen en valt terug op een pensioenuitkering. Zij worden zonder enige bescherming overgelaten op de particuliere huurmarkt (De Decker & Laureys, 2006; Martin, 2004).

De problematiek van éénoudergezinnen[237]

Vooral vrouwen (85%) staan aan het hoofd van een éénoudergezin. Meestal is dit het gevolg van een echtscheiding en brengt dit materiële en financiële moeilijkheden met zich mee. Ondanks de groeiende vrouwelijke zelfstandigheid kunnen slechts weinig vrouwen scheiden van hun partner zonder er een hoge prijs voor te betalen (Commaille e.a., 2002). De kans op armoede na een scheiding van de partner is groter naargelang het geslacht, de leeftijd, de opleidingsgraad en het beroepsverleden (Dewilde, 2006).

 

Eénoudergezinnen zijn ook veel minder vertegenwoordigd op de arbeidsmarkt in vergelijking met andere gezinstypes. Slechts 62,6% van de alleenstaande ouders tussen 30 en 49 jaar zeggen een beroepsactiviteit van ten minste 1 uur per week te hebben. Die cijfers zijn respectievelijk 88,2% voor alleenstaanden zonder kinderen, 87,3% voor koppels zonder kinderen en 85,6% voor koppels met kinderen. Het hoofd van een éénoudergezin vindt men ook vaker terug in de categorie ‘werkzoekenden’ (22,7% tegenover 9,8% voor alleenstaanden zonder kinderen, 6,7% voor koppels zonder kinderen en 4,5% voor koppels met kinderen). Alleenstaanden met kinderen zijn ook vaker inactief (14,7% tegenover 1,9% voor alleenstaanden zonder kinderen, 6% voor koppels zonder kinderen en 9,9% voor koppels met kinderen).

 

De kwetsbaarheid van deze gezinnen wordt niet alleen duidelijk op de arbeidsmarkt. Ook op andere domeinen kunnen we dit merken. Binnen elke leeftijdscategorie zien we dat éénoudergezinnen het grootste risico lopen op objectieve (gemeten aan de hand van het inkomen) en subjectieve armoede (gemeten aan de hand van het ‘aan elkaar knopen van de eindjes’). Zo ondervinden 59% van de alleenstaande ouders moeilijkheden om rond te komen met hun budget. Het percentage van deze gezinnen dat een inkomen heeft dat lager ligt dan de armoedegrens van 60% van de mediaan[238], is hoog (56,8%). Koppels zonder kinderen zijn het best beschermd tegen armoede. Slechts 20,2% van deze gezinnen zegt moeilijk rond te komen met hun budget en slechts 2,1% zijn objectief gezien arm. Jongeren zijn het kwetsbaarst (27,7% van de jongeren jonger dan 30 jaar zijn objectief arm). Dat percentage daalt tot 20,9% voor de 30-49-jarigen en tot 11,3% voor de 50-64-jarigen en eindelijk tot 7% voor de 65-plussers).[239] 

 

Hoewel éénoudergezinnen het meeste armoede kennen, krijgt slechts een deel van deze gezinnen financiële hulp krijgen onder de vorm van alimentatie. Hoewel 40,2% van deze gezinnen recht heeft op onderhoudsgeld voor de opvoeding van de kinderen ontvangt slechts 30,7% dit bedrag werkelijk. Wat betekent dat bijna drie vierden deze lasten alleen moet dragen en 10% wacht op een tussenkomst die ze misschien nooit zullen krijgen. Bijna twee derden van de éénoudergezinnen heeft dus geen recht op alimentatie. Ten slotte leggen we er de nadruk op dat 30,3% van de kinderen in éénoudergezinnen hun vader bijna nooit of zelfs helemaal niet meer zien.

 

Getuigenis, Dag van het Gezin, 19 juni 2005:

 

“Ik zit al 14 jaar in het systeem van verblijfsco-ouderschap voor mijn kinderen. Vanaf het begin hadden we veel communicatieproblemen. Wanneer mijn kinderen bij mijn man waren, was het voor hen verboden om mijn naam te noemen, mij te begroeten, met mij te telefoneren. Meerdere keren heb ik geprobeerd om ‘communicatieboekjes’ te gebruiken, maar ze zijn allemaal verdwenen. Mijn aandeel in de kosten voor de kinderen was altijd groter. Nu de vader zelfstandige is, betaalt hij geen euro, zelfs niet die 25% van de kosten die door de rechter werd vastgelegd. Het enige antwoord van mijn advocaat is dat ik moet wachten tot mijn kinderen volwassen zijn. In afwachting daarvan zal het op het eind van de maand altijd moeilijk zijn…”

 

Tabel 13 Personen die ontevreden zijn op verschillende gebieden van hun leven, zoals hun beroepssituatie of hun belangrijkste activiteit, hun financiële toestand, hun woning, vrije tijd en sociaal leven in functie van de gezinstoestand, procentueel.

 

Koppels met  kinderen

Koppels  zonder kinderen

Alleen-staande ouders met kinderen

Alleen-staande zonder kinderen

Totale groep

Ontevredenheid over het werk

19,2

14,5

32,2

18,4

18,1

Financiële ontevredenheid

23,6

20,5

50,1

34,9

27,1

Ontevredenheid over de woning

11,0

7,6

29,1

11,7

11,0

Ontevredenheid over de beschikbare vrije tijd

36,1

15,9

38,0

17,0

24,6

Ontevredenheid over het  sociaal leven

20,0

11,6

33,6

15,4

16,7

Personen die ten minste over twee van deze types ontevreden zijn

31,1

19,0

53,6

27,1

27,3

Bron: (PSBH, 1992-2002, golf 11, 2002, Volwassen Belgen, ouder dan 16 jaar, n=4747, α>0,001).

 

Ook op het gebied van ontevredenheid over de verschillende levensdomeinen zien we dat éénoudergezinnen het meest ontevreden zijn over zowat alle gebieden van hun leven. Deze gezinnen cumuleren alle types kwetsbaarheid: ze zeggen dat ze het meeste financiële moeilijkheden hebben, maar zijn ook ontevreden over hun werk, hun woning, de beschikbare vrije tijd en hun sociaal leven in het algemeen. Koppels zonder kinderen zijn over het algemeen het meest tevreden, ongeacht het domein.

In vergelijking met andere gezinstypes zien we op basis van de Belgische Survey on Income and Living Conditions (SILC) dat grote gezinnen (drie kinderen ten laste) een armoederisico hebben dat bijna tweemaal lager ligt dan dat van de éénoudergezinnen.

 

Tabel 14 Armoederisico voor volgende categorieën, procentueel.

Totaal van de huishoudens zonder kinderen

16,3

Eén persoon

22,2

Twee volwassenen ouder dan 65 jaar

11,4

Twee volwassenen waarvan er één ouder is dan 65 jaar

20,8

Andere huishoudens zonder kinderen

6,8

Totaal van de huishoudens met kinderen

15,7

Alleenstaande ouder met minstens 1 kind

31,2

Twee volwassenen en één kind

10,8

Twee volwassenen en twee kinderen

8,6

Twee volwassenen en drie kinderen

17,4

Andere huishoudens met kinderen

12,9

Bronnen: (Bonsang e.a., 2004; FOD Economie, 2005).

 

De financiële moeilijkheden worden ook groter naarmate het kind opgroeit. Op basis van PSBH-cijfers stelt men vast dat zolang de kinderen klein zijn, gezinnen financieel rondkomen zonder teveel moeilijkheden. Pas als de kinderen tieners worden, komen ze in financiële moeilijkheden.

Gelijkheid tussen mannen en vrouwen

 

Getuigenis:

 

“Ik ben al 7 jaar huismoeder (met 4 kinderen). Zelfs indien dit voordelen heeft voor heel het gezin, vind ik deze oplossing niet volledig bevredigend. Ons ideaalbeeld van het leven toen we trouwden was een kroostrijk gezin en voor elk van ons een deeltijdse (halftijdse of drie vierden) job. Helaas, de loopbaanonderbreking of de loopbaanvermindering voor mannen die een job hebben met veel verantwoordelijkheid (mijn man is technisch-commercieel ingenieur in de electronicasector), blijkt ondenkbaar te zijn volgens de huidige mentaliteit. Ik ben gestopt met werken na de geboorte van ons derde kind. De zorg komt nu steeds vaker op mij: mijn man werkt meer om financieel niet in de problemen te komen, waardoor ik het gevoel krijg dat ik de volledige zorg voor de kinderen, het huishouden en het huis moet dragen. Hij steunt op mij en steekt geld in mij. Het zal moeilijk zijn om dit om te keren.”

 

De grote meerderheid van risico's waaraan gezinnen worden blootgesteld is geslachtsgebonden. Mannen en vrouwen kunnen, omwille van de rol waarin de maatschappij hen duwt, (nog) niet dezelfde keuzes maken in het gezin en op het werk. Vrouwen, en moeders in het bijzonder, vullen, naast hun beroepsactiviteit, de leemtes in het beleid dat gericht is op het verlenen van hulp en zorg aan hulpbehoevende personen uit de naaste omgeving[240]. Vandaag de dag moeten personen tegelijkertijd verschillende rollen vervullen, waar vroeger meestal één rol als alternatief was voor de andere. Zo bleef men bijvoorbeeld thuis of ging men werken. Toch moeten we niet denken dat vrouwen kampioen zijn in het combineren van hun verschillende rollen: een geslaagde loopbaan hebben, prachtige kinderen opvoeden, een goed uiterlijk hebben en hun partner en gezin gelukkig maken. De combinatie van die verschillende taken weegt op vrouwen. Deze realiteit versterkt de verschillen tussen mannen en vrouwen en druist in tegen het samenlevingsmodel van het ideale Europa.

 

Ook beleidsmakers vinden het niet meer evident dat bijvoorbeeld zorg verlenen aan andere personen een taak is die meestal op de schouders van de vrouwen terechtkomt. Om dit echter te veranderen, moet de overheid haar investeringen in en organisatie van solidariteit overdenken.

Wie heeft ooit dat gekke idee gehad de rollen te verdelen?

Een echte vrouw is sexy, kan koken, drinkt cola light, let op haar lijn, maakt zich op, leest vrouwenbladen, gaat al gillend op een stoel staan als ze een muis ziet, bemoedert de kinderen, kijkt naar ‘Familie’, is kwetsbaar en gevoelig,… De echte man daarentegen is galant, niet bang voor spinnen, kijkt naar het voetbal op tv, is niet bang om te vechten als zijn vrouw wordt lastig gevallen, leest automagazines, kan werken met een boormachine, verbaast zijn vrienden, is beschermend, versiert meisjes, drinkt bier,…(SIPS, 2003). Deze stereotype beelden zeggen ons iets over het verwachte gedrag en de rol van mannen en vrouwen in de maatschappij. Dat we groepen vereenzelvigen met een aantal kernmerken is normaal. Om de grote massa aan dagelijkse informatie aan te kunnen, wordt alle waargenomen informatie door onze zintuigen in leidraden en merktekens gegoten. Stereotypen zijn zulke leidraden. Dit wordt als kapstok gebruikt om typerende gedragingen, attitudes en karaktertrekken van een bepaalde groep aan vast te hangen (Lienard, 2006). Ook via de media krijgt iedereen vanaf zijn prilste jeugd gedragsmodellen voorgeschoteld. Reclame staat bol van stereotypen. “Kinderen en jongeren worden blootgesteld aan overtuigende boodschappen over harde, agressieve, zelfstandige mannen die onweerstaanbaar aangetrokken worden door knappe, vaak passieve jonge vrouwen die enkel dienen om de seksuele verlangens van mannen te bevredigen(Graydon, 1997, p.13).

 

In onze samenleving worden, alle tegenbewegingen ten spijt, modellen met mannelijke waarden nog altijd vaak voorgetrokken of hoger gewaardeerd. Ondanks de nationale en Europese waaier aan wettelijke voorschriften om ongelijkheden tussen mannen en vrouwen te bestrijden, houden deze stereotyperingen hardnekkig stand. Dit komt niet uitsluitend door de uitvergroting in de media, maar ook en vooral door de internalisering van deze mannen- en vrouwenrollen. De verwachte rollenpatronen beïnvloeden immers de keuzes die mannen en vrouwen maken in hun leven. Beslissingen worden, bewust of onbewust, genomen binnen de mogelijkheden en de beperkingen van de (persoonlijke) geschiedenis en sociale omstandigheden, waaronder de verwachtingen ten aanzien van mannelijk en vrouwelijk gedrag (Lenaers e.a., 2005). We zien bijvoorbeeld dat, hoewel vrouwen tegenwoordig even hoog opgeleid zijn als mannen, zij een achterstand kennen ten aanzien van mannen op de arbeidsmarkt. Ze werken vaker deeltijds, minder met vaste contracten en hebben een lager loon. De oorzaak hiervan wordt gezocht in de studiekeuze en gezinsvorming. Deze zijn vaak gendergerelateerd. Waar mannen eerder voor technische richtingen kiezen, die uitzicht geven op een goed betaalde baan, opteren vrouwen eerder voor zorgende en pedagogische studierichtingen. De beroepssector waar zij uiteindelijk in belanden, kent een lagere verloning. Daarenboven werken ze vaker deeltijds. Zowel hoogopgeleide als laagopgeleide vrouwen schroeven hun aantal werkuren terug eens ze kinderen hebben. Hierdoor wordt deeltijds werken als een vrouwenzaak beschouwt dat samenhangt met de verzorging en opvoeding van kinderen (Duquet e.a., 2005). In het beeld van de vrouw dat in de samenleving heerst, wordt immers verwacht dat ze kiest voor een zachte studiekeuze en beroep en in de eerste plaats een moeder is voor haar kinderen en geen carrièrevrouw.


 

Inzoomen op gezinnen in de samenleving

De expertenbijdragen van de academici, politieke actoren of vertegenwoordigers van middenveldorganisaties worden in drie grote delen onderverdeeld: intergenerationele relaties, geweld en armoede. Elke deskundige, die zijn persoonlijke mening, visie of standpunt verder toelicht, zoomt in op een segment van dit thema.

 

Intergenerationele relaties

Hulpbehoevende personen worden steeds minder vaak, later en voor kortere duur opgenomen in een voorziening van residentiële zorg, toch zijn er niet minder personen met een zorgbehoefte. Prof. Jacobs pleit daarom voor meer ondersteuning van de mantelzorgers, personen die de zorg over een derde nemen zonder daarvoor betaald te worden.

 

Ook Prof. Nyssens gaat dieper in op deze evolutie. Zij benadert deze problematiek meer vanuit het economisch perspectief van de dienstencheques, die recent hun intrede hebben gemaakt in het domein van nabijheidsdiensten. Hierdoor werden banen gecreëerd die het mogelijk maakten om voor een lage prijs iemand op een legale manier huishoudelijk werk te laten verrichten. Toch doen deze diensten ook vragen ontstaan, bijvoorbeeld op het gebied van duurzame werkcontracten. In dit interview neemt ze ons mee in de combinatie van privé en professioneel leven waarbij ze aandacht besteedt aan zorg.

 

Met Marie-Pierre Delcour, hoofd van Infor-homes Brussel, bespreken we de situatie van de Belgische rusthuizen en het beeld dat mensen hiervan hebben. De keuze voor een rusthuis kan gepaard gaan met veel leed, maar er zijn oplossingen om deze overgang gemakkelijker te maken.

 

Geweld

Geweld kan niet gerechtvaardigd worden, toch komt het meer voor dan we denken. Vrouwen worden vooral in huiselijke kring geconfronteerd met geweld. Eva Dirckx, stafmedewerkster bij VIVA-SVV, argumenteert waarom men niet vroeg genoeg kan beginnen met preventie tegen huiselijk geweld en geeft meteen mee hoe deze er uit kan zien.

 

Niet enkel vrouwen krijgen te maken met geweld, ook oudere personen worden soms mishandeld. Anne Moureau van netwerk Libr’âgé bespreekt het taboe hierrond en reikt oplossingen aan om dit te stoppen.

 

Armoede

Kinderen kosten handenvol geld, maar moet het aantal kinderen in een gezin dan beperkt worden om als gezin niet in armoede te vervallen? Prof. Van den Bosch geeft een antwoord op deze vraag in zijn bijdrage.

 

Gezinnen die in armoede leven, kennen niet enkel op financieel vlak moeilijkheden. Armoede heeft op elk aspect van het leven een invloed. Hierdoor is het niet altijd makkelijk om de menselijke waardigheid te behouden. Annette Perdaens bespreekt dit in de context van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

 

Jozef De Witte van het Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding en Françoise De Boe van het Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting, bespreken de impact die armoede op een gezin heeft.


 

De afname van residentiële zorg ten voordele van thuiszorg kan niet zonder extra ondersteuning van de mantelzorg

JACOBS, Thérèse

Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen, Universiteit Antwerpen

 

Historiek

Telkens weer worden we met de neus op de feiten gedrukt wanneer we de resultaten van de gezondheidsenquêtes bekijken: in ongeveer één op vijf huishoudens is er een persoon aanwezig die bijzondere zorg nodig heeft omwille van ouderdom, handicap of chronische ziekte. Dit cijfer vinden we niet enkel terug in ons land, maar ook in de ons omringende landen. Toch is er weinig aandacht voor in het beleid en voor het onderzoek . Een reden kan zijn omdat het zich afspeelt in gezinnen en het gezinsbeleid gecodificeerd is op opvoeding en opvang. Een andere reden is wellicht dat het fenomeen niet gelijkmatig verspreid is over de bevolking. De lager geschoolden worden significant meer geconfronteerd met verminderde zelfredzaamheid, in vergelijking met de hoogst geschoolden. Hooggeschoolde onderzoekers en politici worden minder geconfronteerd met de nood aan zorg in het eigen leefmilieu.

 

Er is echter een kentering te ontwaren, zowel in België als in Europa. Het begrip ‘mantelzorg’ verwerft langzaam maar zeker een plaats in het denken én handelen over zorg. Daarmee komen de vele inspanningen die huisgenoten, familieleden, buren en vrienden zich getroosten aan de oppervlakte; ze worden onderwerp van onderzoek, ze leiden tot zelforganisatie en mobilisatie en dat effent het pad om gepaste beleidsmaatregelen te ontwerpen.

 

In Vlaanderen kwam deze dynamiek in een hogere versnelling bij de voorbereiding en uitbouw van de Vlaamse Zorgverzekering. Het onderscheid was cruciaal tussen medische en verpleegkundige zorgen enerzijds en alle andere vormen van zorg die noodzakelijk zijn opdat iemand, niettegenstaande problemen met zelfredzaamheid, een kwalitatief behoorlijk autonoom bestaan zou kunnen leiden anderzijds. In het afzonderen en benoemen van deze ‘sociale’ zorg, ontstond er ruimte om te onderzoeken wat de aard is van deze zorg, wie deze zorg opneemt en wat de kost is van deze zorgverlening.

 

De Vlaamse Zorgverzekering werd opgestart in 2001. Vanaf 2002 kunnen personen met een langdurig en ernstig verminderd zelfzorgvermogen die thuis worden verzorgd, niet-medische kosten gedeeltelijk terugbetaald krijgen. Hier was initieel ook uitdrukkelijk sprake van een tegemoetkoming voor mantelzorg. Vanaf 2003 ruimde een gedetailleerde terugbetaling de baan voor een forfaitair bedrag. Het is dus een beleidsinitiatief van de 21ste eeuw. Betekent dit dat er voordien geen aandacht werd besteed aan de zorgen die worden gegeven binnen het kader van sociale netwerken? Het tegendeel is waar; zowel in het wetenschappelijk onderzoek, als in het beleid kwam het thema aan bod, maar wel telkens als een bijproduct, een afgeleide van een andere ontwikkeling.

Paradigmawisseling

Het belang van het sociale netwerk voor de levenskwaliteit van een persoon met verminderde zelfredzaamheid werd bijvoorbeeld groter naarmate het beleid meer aanstuurde op desinstitutionalisering in de gezondheids- en welzijnszorg. Wanneer zorgbehoevende personen (omwille van leeftijd, handicap, chronische ziekte) meer dan voorheen in hun thuissituatie worden verzorgd, bijvoorbeeld omdat ze vlugger uit een ziekenhuis worden ontslagen of omdat ze langer zelfstandig blijven wonen alvorens opgenomen te worden in een residentiële voorziening, komt de noodzakelijke ondersteuning voor het gewone dagelijkse leven in het vizier.

Waar desinstitutionalisering de geijkte term was in de jaren 1970 en 1980, werd in de jaren 1990 vooral gesproken van normalisatie, vermaatschappelijking en inclusie. De ideeën zijn zeer gelijklopend met die van de eerste fase: personen met bijzondere zorgnoden moeten zo lang mogelijk in de ‘gewone’, ‘normale’ samenleving kunnen leven, niet afgezonderd worden in een specifieke ruimte. Ze hebben bovendien recht op participatie aan wat de samenleving biedt aan opleiding, werk, cultuur, amusement, enzovoort. Ook deze invulling deed een beweging ontstaan naar het zichtbaarder worden van de hulp die nodig is om zich zelfstandig te handhaven en om deel te nemen aan de samenleving.

Een laatste relevante koerswijziging in de gezondheids- en welzijnszorg wordt gevat met empowerment. Deze idee is relatief recent, maar daarom niet minder relevant. Empowerment betekent dat elk zorgbeleid moet vertrekken vanuit en aansluiten bij wat een zorgbehoevende persoon én zijn omgeving nog zelf kunnen. Deze idee ligt in het verlengde van de ‘zorg-op-maat’ gedachte, waarbij men vertrekt  van de aanwezige capaciteiten van de zorgbehoevende persoon, én sluit aan bij het ideaal om de zorg meer te organiseren vanuit het perspectief van de zorgvrager dan vanuit het perspectief van de zorgaanbieders.

 

Al deze lijnen komen samen in één grote hoofdstroom: personen met een zorgbehoefte worden minder, later en voor kortere duur geleid naar residentiële voorzieningen. Dit geldt voor nagenoeg alle zorgsectoren, hoewel in verschillende mate. Het geldt voor de zorg voor personen met een handicap: daar worden de grenzen systematisch verlegd om zelfs zwaar zorgbehoevende personen een maximale autonomie te geven. Het geldt eveneens voor de zorg voor jongeren en ten slotte zeker ook voor de zorg voor zorgbehoevende ouderen.

 

Het terugschroeven van de residentiële zorg gaat gepaard met de uitbouw van de professionele thuiszorg. Het is precies in deze ‘paradigmawissel’ dat er lacunes ontstaan én opportuniteiten om nieuwe initiatieven te ontwikkelen.

 

Desinstitutionalisering, normalisering en empoweren leiden niet noodzakelijk tot een geringere vraag naar zorgprofessionals, wel naar een verschuiving in de aard van de noodzakelijke deskundigheid. Nemen we het voorbeeld van de ouderenzorg. Op het niveau van de beroepen is er meer werk voor thuisverpleegkundigen, voor gezinshelpers, voor huishoudelijke hulp in het algemeen en voor poetshulp in het bijzonder. Op het niveau van de voorzieningen ontstaat er een grotere vraag naar ambulante diensten van thuiszorg, gezinshulp en poetshulp én naar tussenvormen (semi-residentiële voorzieningen): dagbestedingcentra en respijtzorgvoorzieningen allerhande.

De beschikbaarheid van de mantelzorger

Naarmate de afbouw van de residentiële voorzieningen sneller gaat dan de uitbouw van de thuiszorg, rijzen er (lokale) ongedekte zorgnoden. Dit zijn de lacunes waarnaar hierboven werd verwezen. Er openen zich tegelijkertijd ‘windows of opportunities’. In dit geval gaat het over de ruimte die ontstaat om zorgactiviteiten, die tot dan toe steeds in de schaduw stonden van het professionele werk, extra te gaan benoemen en om zich af te vragen of deze activiteiten enige ondersteuning van de overheden behoren te krijgen.

 

Dit is de ruimte waarin de ‘mantelzorger’ en haar ondersteunende mantelzorgorganisaties vorm krijgen, waarin gemeentelijke en provinciale mantelzorgpremies het licht zien en waarin de reglementering voor de PAB’s wordt uitgewerkt. Dit is ook de ruimte waarin de initiatiefnemers van de Vlaamse Zorgverzekering het als vanzelfsprekend hebben ervaren om te voorzien in een tegemoetkoming voor beroepsmatige zorg én voor mantelzorg.

 

Kwatongen beweren dat de paradigmawissel hoofdzakelijk is geïnspireerd op budgettaire overwegingen. De thuiszorg zou goedkoper zijn voor de overheid en duurder voor de cliënt; bij residentiële zorg zou het omgekeerde opgaan. De overheid zou betaalde zorg inruilen voor onbetaalde zorg, verleend door het sociale netwerk. Deze stelling is vooralsnog niet onomstotelijk bewezen. Probleem is bijvoorbeeld dat de residentiële zorg voor een goed deel draaide op vrijwilligerswerk (religieuzen) en dus ook ‘teerde’ op onbetaalde arbeid. Verder is de thuiszorg eveneens een combinatie van betaalde en onbetaalde arbeid. Met de toename in het volume zorgvragen, kunnen dus de uitgaven voor beide types van zorg hoger worden. Feit is alleszins dat vele kritische reflecties pleiten voor het diversifiëren van het aanbod én voor het vermaatschappelijken van de zorg; ook enquêtes allerhande tonen aan dat zorgbehoevende personen zo lang mogelijk in de eigen omgeving wensen te blijven. Er is dus zeker een draagvlak voor deze evolutie: bij de meeste commentatoren, bij vele experts én bij de meeste cliënten.

 

Binnen wetenschappelijke kringen overheerst het hieraan tegengestelde discours: sociologen, demografen, gerontologen vrezen dat er steeds minder draagvlak komt voor thuiszorg. Daar wordt de vraag gesteld in welke mate de ontwikkeling naar meer thuiszorg realistisch is, gegeven de ontwikkelingen in de families en gezinnen. Er wordt van uitgegaan dat - zeker bij zware zorgbehoevendheid - thuiszorg niet kwalitatief kan worden geleverd als er geen ondersteunend netwerk aanwezig is. Welnu, allerlei culturele en structurele ontwikkelingen in onze samenleving zouden ertoe leiden dat deze ondersteunende netwerken dunner worden en gaten vertonen. Meer ouderwordende vrouwen (55 – 64 jaar) met een betaalde baan kunnen niet tegelijkertijd aanwezig zijn op het werk, bij hun zorgbehoevende ouder(s) én bij hun kleinkinderen; hoger geschoolden dragen een hogere opportuniteitskost als ze (deels) thuis willen blijven voor de permanentie bij een gezinslid met een zware handicap of chronische ziekte. Kleinere gezinnen en families laten minder werkverdeling toe. Uitzwermen van de gezinsleden over het hele land maakt permanente mantelzorg haast onmogelijk. Echtscheidingen en nieuwe gezinssamenstellingen doen de verwantschapslijnen vervagen. Vrouwen zetten een stap terug in hun emancipatie wanneer ze een onbetaalde of slecht betaalde zorgrol opnemen. Kortom al deze argumenten samen voeden een uitgesproken somber toekomstbeeld. Afbrokkelende netwerken zouden een halt toeroepen aan de verdere expansie van de thuiszorg, tenzij de samenleving een hoger volume aan ongedekte noden zou accepteren (bijvoorbeeld het alleen doorbrengen van een deel van dag of nacht van een bedlegerige persoon). Ook deze stellingen zijn niet onomstotelijk bewezen. Dit neemt niet weg dat er zich een onderzoekslijn uitkristalliseerde waarin onderzocht wordt of de beroepsmatige ondersteuning van de mantelzorger leidt tot een verdere verdringing van de mantelzorg, dan wel de draagkracht van de mantelzorger verhoogt. De voorlopige conclusie van dit onderzoek naar ‘crowding in/crowding out’ is dat een adequate samenwerking tussen professionele thuisverzorgers en mantelzorgers het risico op permanente uithuisplaatsing vermindert. Maar deze samenwerking, bijvoorbeeld onder de paraplu van de geïntegreerde zorg, is een onderzoeksthema waarrond tot hiertoe te weinig is gebeurd.

Wie zijn de mantelzorgers?

Mantelzorg verwerft zich bestaansrecht in de overgang van een generieke specialistische en isolerende zorg naar een meer gedifferentieerde zorg, waarbij residentiële voorzieningen worden gereserveerd voor een beperkt aantal zorgindicaties. In deze evolutie komt de zorg die wordt verleend binnen sociale netwerken op de voorgrond. Met de omgrenzing van het fenomeen ‘mantelzorg’ kan het tellen beginnen; en met het tellen komt de noodzaak om verschillende types te onderscheiden. De ene mantelzorg is inderdaad de andere niet.

 

Het CBGS (Centrum voor Bevolkings en Gezinsstudie) voerde in 2003 twee enquêtes uit om zicht te krijgen op de aantallen, om diverse types en hun determinanten te onderscheiden. Deze kennis werd vergaard met het oog op een doelgerichte ondersteuning van mantelzorgers. We beslisten bijgevolg om de mantelzorg niet te onderzoeken vanuit het standpunt van de zorgbehoevende persoon, maar wel vanuit het standpunt van diegene die zorg verleent.

De ene rondvraag was een bevraging van een representatieve steekproef van personen van Belgische nationaliteit wonend in Vlaanderen (24 - 64 jaar). We hebben deze leeftijdsgroep geselecteerd vanuit de problematiek van de spanning tussen betaalde tewerkstelling en het verlenen van mantelzorg. De andere rondvraag was een bevraging van een representatieve steekproef uit het namenbestand van mantelzorgers die in 2002 werden geregistreerd in het kader van de Vlaamse Zorgverzekering. Het betreft hier mantelzorgers van personen die zwaar zorgbehoevend zijn. In de feiten gaat het hoofdzakelijk om oudere personen die zorgen voor een partner of een ouder. Dit onderzoek staat in het licht van het onderscheiden van verschillende types van mantelzorg aan de hand van objectieve en subjectieve kenmerken.

 

Beide enquêtes waren postenquêtes; de respons lag voor deze vorm van enquêteren uitzonderlijk hoog (71% en 68%). Dit gegeven alleen al toont aan hoe nauw deze thematiek aansluit bij de leefwereld van de gewone burger.

 

Vermits de term ‘mantelzorg’ in 2003 nog niet ingeburgerd was bij de doorsneeburger, werd het mantelzorgen bevraagd via een batterij van taken. Het betreft taken op het gebied van het  socio-emotionele, het huishoudelijke en  de persoonsverzorging.

 

Net zoals vele buitenlandse waarnemers waren we verbaasd over het hoge aandeel die als intensieve mantelzorger kunnen worden gekwalificeerd. Volgens de CBGS-norm gaat het over 19% van de bevraagde personen tussen 25 en 65 jaar, dit zijn dus personen die ook worden aangesproken om betaald werk te verrichten. Deze berekeningswijze levert hogere aandelen op dan de meting van de sociaal-economische enquête: daar gaat het over 13 % in dezelfde leeftijdsgroep. Naast deze intensieve mantelzorgers zijn er ook mensen die sporadische en minder gevarieerde taken opnemen voor een persoon die zorg nodig heeft omwille van ziekte, handicap of ouderdom. Al met al hebben slechts 35% van de ondervraagde groep burgers geen enkele zorgtaak uitgeoefend in de loop van het jaar voor de bevraging.

 

De intensieve mantelzorgers vinden we hoofdzakelijk terug bij de personen die samenwonen met een zorgbehoevende; in het onderzoek noemen we deze vorm de ‘interne mantelzorg’. Het gaat daarbij over verwanten in de eerste graad: partner, kind of ouder. Binnen de groep van geregistreerde mantelzorgers wordt ongeveer evenveel interne als externe zorg verleend. Van alle sociaal-demografische evoluties die in verband worden gebracht met het al dan niet verlenen van intensieve mantelzorg is de gezinsindividualisering, namelijk het uit elkaar wonen van de generaties, de meest cruciale. Gender en emancipatie van de vrouw is minder belangrijk, omdat ook vrouwen met een betaalde baan indien nodig zelfs zeer intensieve mantelzorg combineren met hun betaalde baan. Toename in de scholingsgraad is eveneens minder belangrijk omdat hogere scholing gepaard gaat met een grotere kans om intensieve mantelzorg te verlenen. Gezinsindividualisering echter, leidt tot een lager aanbod aan intensieve mantelzorg. Dit is een probleem in het kader van de vergrijzing van de samenleving. Immers, de externe mantelzorg is hoofdzakelijk gericht naar de ouders én is verhoudingsgewijs minder intensief. De cruciale vraag is dan de volgende. Hoe kan - gegeven de afbouw van de residentiële zorg - mét de hulp van de externe mantelzorger én van de beroepsmatige thuiszorg ervoor gezorgd worden dat de levenskwaliteit van de oudere op peil blijft? Eén van de antwoorden is dat het thuiszorgbeleid expliciet rekening moet houden met  beide situaties; met andere woorden niet alleen de zelfredzaamheid van de zorgbehoevende persoon moet worden geïndiceerd, maar ook de capaciteiten van het sociale netwerk. Daarbij kan de norm van de interne mantelzorg niet als enige standaard gelden.

Ondersteuning door het beleid

De ondersteuning door het beleid van beide soorten van mantelzorg moet ook op andere vlakken aansluiten bij de context van deze zorg. In het kader van het ouderenbeleid bijvoorbeeld moet dus extra aandacht uitgaan naar (1) de partners van de oudste ouderen die hoofdzakelijk zeer intensieve, alomvattende interne mantelzorg geven en (2) naar de kinderen van de ouderen die hoofdzakelijk ondersteunend zijn voor de beroepsmatige zorg. Beide groepen hebben zeker niet dezelfde noden; maar beide groepen verdienen het om door de beroepskrachten ernstig te worden genomen in de mantelzorg die ze bieden. Voor de eerste groep kan een respijtbeleid zeer zinvol zijn, voor de tweede groep is wellicht een tijdbeleid (verlofmogelijkheden) noodzakelijk. In beide gevallen is een informatiebeleid noodzakelijk evenals een overdenken van de patronen van samenwerking. Immers, het beroepsmatig omgaan met verwanten in de externe mantelzorg kan niet op dezelfde leest geschoeid zijn als het omgaan met de partner, die permanent aanwezig is bij de hulpbehoevende persoon.

 

Deze gediversifieerde, doelgerichte ondersteuning van de mantelzorgers is nodig opdat de afbouw van de residentiële zorg niet uitmondt in een daling van de levenskwaliteit van de zorgbehoevende personen. Ze is eveneens nodig opdat de grote reserve aan mantelzorg die in onze samenleving aanwezig is, maar die niet in elke situatie even intensief kan zijn en is, niet opdroogt. En tegelijkertijd moeten we ons ervan bewust zijn dat de verwachte toename in het volume van zorgbehoevende ouderen een reële toename in plaatsen in residentiële voorzieningen met zich zal brengen[241].


 

De privé-sector en de overheid slaan de handen in elkaar voor het algemeen welzijn. Hoe kunnen we dit debat vanuit een ander perspectief bekijken?

Interview met NYSSENS, Marthe

Interdisciplinair onderzoekscentrum over solidariteit en sociale innovaties (CERISIS) Université catholique Louvain (UCL)

 

De overheidssteun aan thuishulpdiensten kende een evolutie in drie fasen. Eerst werden diensten uitgebouwd waarvan het beheer gekoppeld was aan de bevoegdheden van het ministerie van Sociale Zaken en dit namens de sociale rechtvaardigheid en de cohesie. In tweede instantie, aansluitend bij het streven naar de integratie van de meest kwetsbare werklozen en gekoppeld aan de sociale behoeften van de bevolking in termen van sociale cohesie, konden heel wat non-profitorganisaties dankzij reïntegratiemaatregelen bijkomende financieringen verkrijgen om nieuwe diensten uit te bouwen: diensten voor huishoudhulp en kinderopvang aan huis bijvoorbeeld. Ten slotte, na vele herzieningen, zijn er vandaag buurtdiensten, dienstencheques. Hier stappen we af van het sociale beleid om te evolueren naar een meer economische politieke logica. De komst van de dienstencheques vertroebelt de situatie. Professor Marthe Nyssens maakt in een interview de balans op van deze veranderingen. Zij vraagt zich af vanuit welk perspectief de debatten in het kader van de bijstand aan personen kunnen worden beschouwd.

 

 

Tot welke fundamentele veranderingen heeft de komst van de dienstencheques geleid?

 

Thuishulpdiensten zijn niet nieuw. De sector van de thuishulp kreeg steeds meer vorm na de Tweede Wereldoorlog, via de uitbouw van het zogenaamde beroep van familiehelp(st)er. Het is belangrijk te begrijpen dat deze diensten in eerste instantie werden uitgebouwd met het oog op kwaliteitsvolle familiehulp, om de sociale cohesie te bevorderen. Deze diensten werden op een vrij strikte manier door de overheid beheerd. De tarieven van de dienstverlening werden berekend op basis van het inkomen van de aanvragers volgens wettelijk bepaalde barema’s. De gewesten stonden in voor het beheer, maar de dienstverlening gebeurde al geruime tijd in samenwerking met verenigingen en overheidsinstellingen, voornamelijk OCMW’s. Deze beheersregeling geeft nog altijd de meeste structuur aan de sector, maar naar aanleiding van het probleem van de overheidsfinanciering en de werkloosheid, kreeg deze beheersregeling het gezelschap van wat we de integratieregeling noemen. Dit systeem kreeg vorm via talrijke maatregelen om de werkloosheid aan te pakken en heeft, net als de beheersregeling, tot doel de collectieve behoeften te vervullen. Dit gebeurde door deze arbeidsbetrekkingen voor te behouden voor werklozen. De functie van familiehelp(st)er blijft dan wel essentieel, maar ze kon niet tegemoetkomen aan alle behoeften, meer bepaald die van hulpbehoevende personen die meer huishoudelijke hulp of iemands aanwezigheid in huis nodig hebben buiten de gewone werkuren. In dit kader bouwden de familiehulpdiensten de diensten uit voor huishoudhulp en ziekenbewaking of kinderoppas aan huis. Deze betrekkingen werden gecreëerd om de strijd tegen werkloosheid aan te gaan. Vandaag is thuisbewaking erkend in een gewestelijk decreet, maar er is nog altijd de kwestie van de structurele financiering ervan. Dus aanvankelijk hebben deze structuren gebruik gemaakt van een integratieregeling om een nieuw soort beroep te creëren. Deze integratiemaatregelen waren voorbehouden voor diensten zonder winstbejag. Met de dienstencheques zitten we in een heel andere logica. De filosofie is dan wel dezelfde - namelijk er zijn een heleboel belangrijke oningevulde behoeften en er moeten banen worden gecreëerd - maar het huidige systeem van de dienstencheques is eigenlijk geen sociale dienstverlening, dienstverlening aan hulpbehoevende personen. De dienstencheques hebben eerder tot doel banen te scheppen in een economische sector die niet rendabel is als hij wordt aangegeven. We weten dat een aangegeven laaggeschoolde persoon ongeveer 20€ per uur kost. Geen enkele particulier is bereid dit bedrag neer te tellen voor 4 uur hulp per week. De vraag moest dus solvabel worden gemaakt. Er moesten banen ‘in het wit’ worden gecreëerd voor een gediversifieerd publiek en niet alleen voor hulpbehoevende personen. Het gaat dus in de eerste plaats om een economische regeling, bijna een handelsactiviteit, wat betekent dat de consument zelf een erkende onderneming, al dan niet uit de non-profitsector, uitkiest: OCMW, familiehulpdiensten, vzw’s, uitzendkantoren, schoonmaakfirma’s,… Met andere woorden, de federale overheid had niet tot doel specifiek tegemoet te komen aan de behoeften van de hulpbehoevende personen. Tegelijkertijd heeft de dienstencheque echter ondanks deze intentieverklaring, zijn intrede gedaan in sommige thuishulpdiensten, naast de andere regelingen.

 

 

Wat heeft dat tot gevolg?

 

Heel wat familiehulpdiensten hebben dienstencheques geïntegreerd. De door de gewestelijke overheid toegekende erkenning valt onder het sociaal beleid en wijst op een beheerslogica waarmee deze diensten hun voornaamste activiteit, namelijk familiehulp, kunnen uitoefenen. Om de uitbouw van huishoudhulp te financieren, deden deze diensten sinds de jaren 1980 een beroep op verschillende tegemoetkomingen voor werkgelegenheidsprojecten die onder de integratieregeling vallen. Het gaat om een hoofdzakelijk technische dienst die alle taken in verband met huishoudelijk werk dekt. Ten derde hebben deze diensten naar aanleiding van de invoering van de dienstencheques gekozen voor de markt om hun huishoudelijke hulp verder uit te bouwen en daarbij subsidies te genieten van de federale overheid. Binnen deze diensten bestaan dus momenteel verschillende regelingen waarbij de grens tussen de taken van de ‘dienstencheque’-help(st)er en de taken van de familiehelp(st)er niet altijd duidelijk is. De invoering van de dienstencheques heeft dan wel het economische voordeel gehad dat een deel van het zwartwerk kon worden witgewassen, maar dat neemt niet weg dat we te maken krijgen met een vermenging van het economisch en het sociaal beleid.

 

 

Vinden we de kwaliteit waarnaar bij de thuishulpdiensten wordt gestreefd ook terug bij de dienstencheques?

 

We kunnen ons de volgende vraag stellen: “Is de erkenning streng genoeg?” Volgens mij is de erkenning voor dienstencheques erg soepel en dus gemakkelijk te verkrijgen in termen van de kwalificatie van het in dienst genomen personeel, de werkomstandigheden aan huis, maar ook in termen van de bescherming van de consumenten. Het is des te ingewikkeld omdat er verschillende dienstverleners voorkomen in het systeem van de dienstencheques (dienstverleners van verenigingen met of zonder winstbejag, uit de overheids- of de privé-sector) en ook verschillende soorten consumenten die in minder of meerdere mate kwetsbaar zijn. Ook binnen de non-profitdienstverlening treffen we verschillende partijen aan: familiehulpdiensten, maar ook integratieorganen. Die hebben natuurlijk verschillende doelstellingen: de integratieondernemingen willen in de eerste plaats kwaliteitsvolle banen scheppen voor laaggeschoolde mensen, de familiehulpdiensten willen eerder tegemoetkomen aan sociale behoeften. De vraag rijst: “Zullen de gecreëerde banen en de betrokken consumenten, ten opzichte van deze officiële erkenning, die voor iedereen dezelfde is, niet verschillend zijn naargelang de erkende onderneming?”. We vergelijken appelen met peren en zelfs al zouden de consumenten alleen tweeverdieners zijn, in werkelijkheid kunnen ook oudere of hulpbehoevende personen gebruik maken van de dienstencheques. Toch heeft deze groep mensen niet dezelfde behoeften. Dat roept natuurlijk verschillende vragen op.

 

Een ander aanzienlijk probleem ligt bij het feit dat de dienstverlening ten huize van de consumenten plaatsvindt, die doorgaans niet thuis zijn. Dit roept de kwestie op van het vertrouwen tussen de consument en de onderneming, maar ook tussen de werkgever en de werknemer. Hoe kunnen we deze vertrouwensband tussen deze drie partners beheren?

 

 

Welke vraag is er momenteel naar dienstencheques?

 

De vraag rijst de pan uit. In 2005 is het aantal erkende ondernemingen met meer dan 60% gestegen. Hun aantal ligt nu op bijna 800. Het aantal werknemers is toegenomen van 15 000 tot 29 000 in 2005. Het statuut van deze werknemers is natuurlijk erg uiteenlopend wat betreft het soort contract (onbepaalde, bepaalde duur) en de arbeidsduur.

 

 

De dienstencheques werden niet toegekend voor thuisopvang van zieke kinderen of buitenschoolse opvang, terwijl hier vraag naar is. Wat is uw mening hierover?

 

De ziekenfondsen bijvoorbeeld hebben al diensten opgericht voor de opvang van zieke kinderen, lang voor de dienstencheques er waren. Sommige ziekenfondsen hadden zelfs overeenkomsten gesloten met uitzendkantoren, aangezien de vraag sterkt varieert. In Vlaanderen kunnen de dienstencheques dankzij een uitbreiding van de erkenning ook worden gebruikt voor de thuisopvang van kinderen, op voorwaarde dat de ondernemingen die hiervoor instaan door ‘Kind en Gezin’ (K&G) erkend zijn. In Wallonië is dit nog niet het geval.

 

Volgens mij is de huidige erkenning met betrekking tot de dienstencheques veel te soepel om diensten uit te bouwen die louter de huishoudelijke taken overstijgen. De vraag blijft natuurlijk of deze diensten compatibel zijn met winstbejag. We krijgen een zekere conflictsituatie tussen het streven naar rendabiliteit en diensten waarbij het relationele aspect centraal staat. Dit is een cruciale, moeilijke kwestie. Als de dienstverlening wordt uitgebreid met kinderopvang, moet er volgens mij op zijn minst een specifieke erkenning komen van het ‘Office de la Naissance et de l’Enfance’ (ONE) omdat het gaat om een beroep op zich. Een uitzendkantoor bijvoorbeeld mag geen dienst voor kinderopvang worden. Dat is totaal zinloos. Kinderopvang moet uitgaan van professionele dienstverleners uit die sector.

 

 De dienstencheque zal  nooit concurreren met structuren voor dagelijkse dienstverlening, want het is onbetaalbaar om op regelmatige basis gebruik te maken van dienstencheques. Het gebruik ervan zal zich in elk geval beperken tot welbepaalde momenten. Er kan nooit concurrentie zijn tussen beide soorten diensten.

 

 

Zullen de dienstencheques niet zorgen voor een nieuwe opsplitsing van de werknemers, aangezien de erkenningsvoorwaarden van de ondernemingen erg soepel zijn en niet berusten op duidelijke normen op het gebied van begeleiding?

 

Dat is een klassiek argument. Ik zou de vraag anders formuleren: “Kunnen we via de dienstencheques kwaliteitsvolle banen scheppen?” Het systeem van de dienstencheques kan momenteel zeker banen van slechte kwaliteit scheppen. Er zijn twee categorieën van dienstencheques: categorie A en categorie B. Mensen die voordien leefden van een sociale uitkering, moeten na een periode van zes maanden een contract van onbepaalde duur krijgen, op zijn minst deeltijds. Voor de anderen geldt dit niet, waardoor de werknemer kan worden opgeroepen om 3 uur per week te werken. We kunnen dus niet garanderen dat contracten van onbepaalde duur worden toegekend omdat we niet beschikken over informatie met betrekking tot het personeelsverloop. Er is dus momenteel zeker ruimte bij de dienstencheques om banen te scheppen van slechte kwaliteit, dat is duidelijk. Als we er echter in slagen kwaliteitsvolle banen te creëren voor laaggeschoolde mensen, hoewel sommige taken een echte kwalificatie vergen, dan is dit systeem op sociaal vlak erg zinvol en zal het zwartwerk afnemen.

 

Ik probeer echt erg voorzichtig te zijn en het kind niet met het badwater weg te gooien. De meeste koppels uit de middenstand zijn de dag van vandaag tweeverdieners. De dienstencheques beantwoorden dus voor deze personen aan echte behoeften in termen van tijdsmanagement.

 

De maatschappij staat voor een echte uitdaging wanneer het gaat om onbeschermd, illegaal zwartwerk ‘zonder papieren’. We moeten stoppen ons te verschuilen achter dat zwartwerk! De maatschappij heeft de verantwoordelijkheid om in dit essentiële domein kwaliteitsvolle banen te creëren. We moeten ons afvragen hoe we professionele, begeleide en kwaliteitsvolle banen kunnen scheppen.

 

 

Zoals gezegd kan de personenzorg door de staat worden overgenomen en dus uit de privé-sfeer worden gehaald. Zal de rol van het gezin bij de mantelzorg hierdoor wegvallen?

 

Neen, hoegenaamd niet. Mantelzorg is een erg belangrijk gegeven in die zin dat het een enorm maatschappelijk opzet is dat heel wat andere uitdagingen meebrengt. Ten eerste moeten we ons afvragen hoe we kwaliteitsvolle banen kunnen creëren? Is er ruimte voor deze kwaliteitsvolle werkgelegenheid? Ten tweede is er het feit dat het privé-domein en het maatschappelijke domein elkaar overlappen. Ik neem het typische geval van de kinderdagverblijven. Bedoeling was om de dienstverlening die vroeger voornamelijk binnen het gezin plaatsvond te ‘externaliseren’. We maken momenteel een ‘defamiliarisering’ mee. Beide partners werken, waardoor deze privé-taken door de maatschappij moeten worden overgenomen. Dit is naar mijn mening een te karikaturale kijk op het debat. Deze diensten (kinderopvang en bijstand aan hulpbehoevenden) hebben altijd een gezinskader nodig om functioneel te zijn. Ze kunnen alleen functioneel zijn als privé-leven en maatschappelijk leven kunnen worden gecombineerd. Bovendien mogen we niet vergeten dat mensen de zorg niet volledig uit handen willen geven, want mantelzorg geeft zin aan het leven. Mensen hebben zin om een bijdrage te leveren, om iets te ondernemen.

 

De privé-sfeer blijft een rol spelen en dat is ook de wens van de mensen. Vrouwen hebben ook geen zin om onmogelijke uren te kloppen wanneer ze kleine kinderen hebben en wanneer hun kind ziek is, bekommeren ook zij zich erom. Het is inderdaad problematisch dat hoofdzakelijk vrouwen zich verantwoordelijk voelen voor mantelzorg, maar we mogen daar niet uit afleiden dat zij hiertoe worden gedwongen. Het is dus met andere worden de uitdaging om privé-leven en maatschappelijk leven op elkaar af te stemmen, vaak ten huize van deze personen. Dat is de moeilijkheid.

 

Dit debat roept nieuwe vragen op met betrekking tot het sociale beleid. We vragen niet dat alles volledig privé of volledig openbaar is. Het gaat om een co-opbouw van de zorg waarbij zowel de familiale referentie, als de aanwezigheid van een bemiddelaar in de nabije openbare sfeer belangrijk zijn. Op dit vlak is nog veel werk aan de winkel!

 

 

In de debatten is er vaak sprake van een vergoeding van de mantelzorgers, hoe denkt u hierover?

 

Dat klopt. Momenteel kunnen mensen, binnen de sociale zekerheid, bijvoorbeeld ouderschapsverlof of verlof voor palliatieve verzorging nemen, maar dan duikt de moeilijke kwestie op van de vergoeding van dergelijke mantelzorgers. Sommige feministische stromingen stellen dat de vergoeding van mantelzorgers de emancipatie van de vrouw in de weg kan staan, omdat dergelijke vergoeding de integratie op de arbeidsmarkt tegenwerkt.

 

Ik vind dit een slechte manier om het debat te voeren. De verschillende etappes en levensfasen worden genegeerd. Er zijn verschillende periodes in een leven, periodes waarin ons privé-leven meer aandacht van ons vergt en periodes waarin dat minder het geval is. Het komt er dus op aan na te denken over de combinatie van mantelzorg – zowel door mannen als vrouwen – en een loopbaan, in termen van flexibiliteit, zodat het mogelijk wordt om de arbeidstijd te verminderen of zelfs eventueel afwezig te zijn op de arbeidsmarkt gedurende sommige periodes, zonder natuurlijk de rechten op de sociale zekerheid te verliezen, de bijdrage voor het wettelijk pensioen,… De loopbaan onderbreken – met alle denkbare gevolgen voor de loopbaan en het pensioen – om te zorgen voor naasten is ook een keuze, dat mogen we niet vergeten. Een keuze die voornamelijk door vrouwen wordt gemaakt en wellicht ligt daar één van de belangrijkste problemen.

 

 

Kunnen wij iets opsteken van het beleid betreffende thuishulp en de organisatie ervan in de Scandinavische landen?

 

Vast en zeker! In de Scandinavische landen is het normaal dat de kinderen tot de leeftijd van 1 jaar veel meer thuis blijven. De mensen zouden de gelegenheid moeten hebben om de tijd te nemen, om zich echt bezig te houden met het kind tijdens bepaalde levensperiodes. Ook hier moeten we nadenken over de combinatie met het werk en beseffen dat het leven uit verschillende periodes bestaat. In de Scandinavische landen nemen zowel mannen als vrouwen ouderschapsverlof. De sociale structuur van de rollen verschilt ook van de onze. Bij ons zijn we cultureel gezien in werkelijkheid nog een erg conservatieve maatschappij. Deze culturele veranderingen moeten ook door het beleid worden gedragen.

 

 

De overheid is, op zijn minst gedeeltelijk, verantwoordelijk voor het evenwicht tussen informele en formele zorgverlening via het sociale beleid inzake werkgelegenheid. Hoe kunnen we het grote onevenwicht aanpakken tussen mannen en vrouwen met betrekking tot de ‘informele’ tijd die aan een hulpbehoevende naaste wordt besteed?

 

Het gaat om veranderingen van lange adem. Een intentieverklaring is niet voldoende. Het overheidsbeleid heeft zeker een invloed op deze aspecten en moet werk maken van dit probleem van genderongelijkheid. Met betrekking tot het beleid inzake de zorg voor hulpbehoevende personen moeten we ons, volgens mij, absoluut buigen over de afstemming van de arbeidsmarkt en de zorgverlening aan personen. We moeten ons bewust zijn van de onderliggende man-vrouw problematiek.

 

Wat echt belangrijk is in de mantelzorg is dat het om een maatschappelijke uitdaging gaat die doorkruist wordt met vrij diepgaande vragen: hoe kunnen we kwaliteitsvolle banen creëren in de mantelzorg vooral omdat er nood aan is, ze een meerwaarde schept en zorgt voor sociale cohesie? Het is mogelijk om er een beroep van te maken. Dat is echter niet evident en ik denk niet dat het systeem van de dienstencheques daarvoor zal zorgen.

 

Banen in de mantelzorg zijn economisch gezien niet rendabel, maar sociaal gezien wel. Ook al worden ze rendabel gemaakt, welke zijn dan de grenzen van de concurrentielogica in de mantelzorg met betrekking tot de behoefte aan relationele tijd en aan de relatie die wordt opgebouwd? Het is niet evident dat de lucratieve sector, met zijn concurrentielogica, grenzen kan stellen aan deze winstlogica om de mantelzorg over te nemen. De staat heeft hierin onvermijdelijk een rol te vervullen.

 

Caroline Simaÿs


 

Kiezen voor het rusthuis: Tussen verdriet en een nieuw begin

Interview met DELCOUR, Marie-Pierre

Directeur Infor-homes, Brussel

 

Infor-homes is een pluralistische en onafhankelijke organisatie die meer dan 30 jaar geleden werd opgericht in de schoot van de tele-diensten. Deze organisatie biedt een antwoord op de vragen van ouderen die naar een rusthuis gaan en hun naaste omgeving. Infor-homes wil een continuüm bieden in de levensloop van de ouderen en streeft naar een algemene benadering van de ouderen door de communicatie tussen rusthuis, ziekenhuis, diensten voor thuisverpleging,… aan te moedigen.

 

De vzw Infor-homes is zowel in Wallonië als in Vlaanderen actief. Marie-Pierre Delcour maakt met ons via haar werk bij Infor-homes Brussel de balans op van de opvangsituatie van ouderwordende personen in België en de uitdagingen die ons te wachten staat.

 

 

Welke acties onderneemt Infor-homes?

 

Onze belangrijkste zorg is de verbetering van de levenskwaliteit van ouderen die in een instelling verblijven. Wij organiseren hierrond verschillende activiteiten. Allereerst hebben we een gegevensbank opgericht met gedetailleerde informatie over alle instellingen in het gewest. Deze informatie staat ter beschikking van de mensen die voor de belangrijke keuze van een rusthuis staan. Er zijn misschien wel uitzonderingen, maar volgens ons bestaat er zeker geen slecht of goed rusthuis: een rusthuis kan voor de ene persoon ideaal zijn, maar ongeschikt voor de andere. Een groot deel van ons werk bestaat uit de ontmoeting van de familie in de vorm van een gesprek. Op basis van deze gesprekken kunnen we zoeken naar oplossingen op maat. De mensen die zich tot ons wenden zijn bovendien erg bezorgd en voelen zich schuldig. Het is belangrijk hen een luisterend oor aan te bieden. Daarnaast is er het werk rond de kwaliteitsproblematiek dat wij verrichten met de professionele sector. Hiertoe brengen wij een bezoek aan ieder tehuis in het Brusselse gewest. Op een methodologische manier bespreken we samen met de directeur van de instelling zaken zoals de opvang van de bewoner, de voorbereiding van zijn komst, de organisatie van de werkploegen, het soort begeleiding dat aan de bewoners wordt aangeboden, de animaties, de ondersteuning, de palliatieve begeleiding,… Deze inlichtingen vervolledigen onze databank samen met de gegevens die we via andere bronnen inwinnen. Ten slotte buigen we ons ook over mishandeling. Soms geven wij in rusthuizen opleidingen rond dit thema. Wij werken in dit kader nauw samen met het netwerk Libr’âge.

 

Hoe ziet een Belgisch rusthuis eruit?

 

Er bestaat geen standaardrusthuis. Ieder rusthuis is verschillend en heeft iets typerends. Toch zien we de laatste jaren enkele trends. De grootte van de instellingen verandert. De laatste tien jaar krijgen kleine instellingen die met een beperkt budget moeten zien rond te komen, te kampen met grote financiële problemen, met meestal een sluiting tot gevolg. Dit is een belangrijke evolutie. De capaciteit van de instellingen verandert omdat ook de eisen van de bewoners veranderen. Deze eisen zijn anders dan 10 jaar geleden, meer bepaald op het gebied van materieel comfort. Vroeger gingen de meeste mensen akkoord met een kamer voor twee of drie personen en bestonden er geen sanitaire privé-voorzieningen. Dat is vandaag heel anders. De meeste families vragen een éénpersoonskamer voor hun familielid, met natuurlijk privé-sanitair. De verzorging vergt meer werk dan vroeger omdat de mensen op steeds latere leeftijd naar het rusthuis gaan en dus meer behoefte aan hulp hebben waardoor rusthuizen steeds meer gemedicaliseerd worden. Bovendien vinden we nu in rust- en verzorgingstehuizen mensen die vroeger op de geriatrische afdeling van het ziekenhuis zouden gelegen hebben. De ziekenhuizen hebben hun beleid veranderd, wat natuurlijk een invloed heeft op de mensen die we in de rusthuizen aantreffen.

 

We zijn overgestapt van kleine familiale rusthuizen die door de ‘vrouwe des huizes’ werd beheerd naar rusthuizen die steeds professioneler en gemedicaliseerder zijn geworden. De rust- en verzorgingstehuizen van vandaag hebben de taak de onweerlegbare voorschriften op het gebied van verzorging te combineren met de eveneens onontbeerlijke vereisten op het gebied van menselijke ondersteuning, gastvrijheid en begeleiding. Een oudere heeft dan wel nood aan verzorging, maar blijft in de eerste plaats een mens, die nood heeft aan affectie, aanmoediging en waardigheid en die als een uniek iemand wil worden beschouwd. Heel wat relationele aspecten dus, die minder te maken hebben met de loutere verzorging. Dat is een echte uitdaging.

 

 

Denkt u dat het mogelijk is beide aspecten te combineren?

 

Na de sluiting van de kleine tehuizen waren we bang dat er grote, onpersoonlijke instellingen zouden opduiken, maar onze angst was totaal ongegrond, ook al is er nog heel wat werk aan de winkel. We zien inderdaad heel wat grote instellingen opduiken, maar veel van deze instellingen zijn zo verstandig geweest om hun infrastructuur op te delen in kleine leefeenheden. Zelfs in de gemedicaliseerde eenheden neemt de oudere een centrale plaats in en wordt er voor gezorgd dat er leven rondom hem of haar is.

 

 

Wanneer een oudere te hulpbehoevend wordt, kiest de familie, met of zonder de instemming van de persoon in kwestie, voor een rusthuis. Hoe gaat dat in zijn werk?

 

Slechts 14% van de personen die bij ons langskomen voor informatie om hun overstap naar het rusthuis voor te bereiden, komt uit eigen beweging. Deze ouderen kiezen bewust voor het rusthuis om een zekere vereenzaming te doorbreken of om niet langer ongerust en bang alleen thuis te moeten zijn. Mensen die verblijven in een rusthuis zijn ook niet meer afhankelijk van hun kinderen en winnen opnieuw een stuk van hun zelfstandigheid. In 80% van de gevallen gaat de beslissing om naar het rusthuis te gaan eerder uit van de kinderen, de familie of de naaste omgeving van de oudere persoon. Het is belangrijk te benadrukken dat het meestal de dochters zijn die ouder wordende ouders opvangen. Zij nemen, ook vandaag nog, meestal de zorg voor de oudere op zich. Slechts in 6% van de gevallen neemt de echtgenoot contact op.

 

In de helft van de gevallen gaat de oudere rechtstreeks van zijn eigen woning naar het rusthuis. Sommigen gaan via het ziekenhuis naar het rusthuis. Meestal gaat het om personen die na een ziekenhuisverblijf moeten revalideren en vervolgens naar een rusthuis worden verwezen. Deze personen zullen nooit meer naar huis terugkeren. Dit zijn echt problematische situaties, omdat er geen enkele keuzemogelijkheid is. Dergelijke mensen verzwijgen liever dat de situatie verergert tot er een ongeval gebeurt. Na het ongeval worden ze in het ziekenhuis opgenomen en daar hebben ze geen keuze meer. Ze mogen niet terug naar huis en bovendien moeten ze zo snel mogelijk het ziekenhuis weer verlaten. In dergelijke gevallen gaat de familie gebukt onder schuldgevoel.

 

 

Wie vinden we terug in een rusthuis?

 

Bij ons komen vooral vrouwen om advies vragen omdat zij langer leven. De meeste mensen zijn ouder dan 80 jaar.

 

Een klein percentage is jonger dan 60 jaar. Het gaat om personen die, om goede redenen, niet meer thuis kunnen wonen. De situatie van deze mensen is sterk uiteenlopend. Heel wat onder hen werden psychiatrisch behandeld en kunnen uiteindelijk nergens meer terecht. Er zijn ook mensen bij die een autogeval hebben gehad en die nooit meer zelfredzaam zullen worden. Voor deze mensen zijn er eigenlijk geen voorzieningen. Ze kloppen uiteindelijk aan bij het rusthuis, dat niet op hen is afgestemd. Dit zorgt natuurlijk voor problemen.

 

 

De overstap naar het rusthuis gebeurt vaak in haast en spoed wanneer een snelle beslissing moet worden genomen naar aanleiding van de hulpbehoevendheid. Kan deze overstap niet op een meer serene manier worden voorbereid?

 

De beslissing om naar het rusthuis te gaan, verloopt dikwijls moeilijk. Soms wil de oudere er niets van weten. In dat geval wordt de keuze voor een rusthuis dat aangepast is aan zijn of haar specifieke behoeften doorgaans in allerijl gemaakt. Het is hoe dan ook een pijnlijke gebeurtenis. Als de vraag van de oudere zelf komt, is dit een garantie op succes.

 

Om de overstap serener te maken, zijn veranderingen nodig op verschillende niveaus. Enerzijds denk ik dat de rusthuizen zich beter kenbaar moeten maken naar de buitenwereld toe en een ander beeld moeten geven van zichzelf. Anderzijds moeten ook wij een andere blik leren werpen op de rusthuizen en kennis maken met de instellingen voor we geen keuze meer hebben. Bovendien is er een mentaliteitswijziging nodig zodat er in de buurt van een rusthuis meer interactie is tussen de omgeving en het rusthuis. Dit zal gezinnen er ook toe aanzetten openlijker te praten over de werkelijkheid. Dit alles zal ertoe bijdragen dat wanneer de 50-jarigen van vandaag 80 jaar zullen zijn, beter voorbereid zijn op het leven in een rusthuis en er een andere houding tegenover zullen aannemen.

 

 

Is er nood aan meer communicatie tussen de verschillende generaties, personen.?

 

We moeten echt barrières doorbreken. Mensen moeten elkaar ontmoeten en een andere kijk leren ontwikkelen op het rusthuis, want de grote boosdoener voor het rusthuis is het taboe dat erop rust. Er hangt een erg negatief beeld vast aan het rusthuis. In de ogen van de mensen is het rusthuis nog altijd het crepeerhok, het gesticht. Hoewel sommige rusthuizen nog op die manier functioneren, zijn er zovele andere waar het personeel opmerkelijk professioneel is.

 

Bovendien moeten we ook al beginnen nadenken over onze eigen veroudering en beslissen of we al dan niet ons eigen lot in handen nemen.

 

 

Welke rol kan Infor-homes spelen om deze overstap naar het rusthuis beter voor te bereiden?

 

Wij proberen in de mate van het mogelijke de verenigingen voor ouderen op te zoeken om de mythe rond het rusthuis te doorbreken en de ideeën hieromtrent te doen evolueren. Het is belangrijk mensen op de hoogte te brengen dat er wettelijke kaders zijn, dat er in een rusthuis niet zomaar wat met zomaar wie gebeurt, dat er eisen, normen en controles zijn. Daarnaast proberen wij de verwachtingen van de bewoners over te brengen bij de professionele begeleiders.

 

 

Oudere mensen willen graag zolang mogelijk thuis blijven wonen. Is het niet mogelijk om te opteren voor korte verblijven in het rusthuis, tussentijdse diensten zoals de dagcentra, de diensten voor thuishulp,… in plaats van een definitieve opname in een rusthuis?

 

Er wordt van de daken geschreeuwd dat de overgangsdiensten als alternatief voor een definitieve opname in een instelling vol lacunes zitten in heel België. Concreet bestaan er twee soorten dagopvangcentra: de dagcentra voor relatief valide personen die eerder voor het sociale contact komen en de dagverzorgingscentra die eerder op therapie gericht zijn aangezien ze bestemd zijn voor mensen die thuis wonen, maar hulpbehoevend zijn. Voor Alzheimer-patiënten bijvoorbeeld die thuis wonen, kunnen de dagverzorgingscentra de familieleden ontlasten en hen de kans geven even op adem te komen. Nochtans zijn er nog te weinig dagcentra terwijl ze een uiterst interessante schakel vormen in het continuüm tussen de eigen woning en de definitieve plaatsing in een rusthuis.

 

Voorts zijn er maar weinig korte verblijven in rusthuizen, bijvoorbeeld voor revalidatie. Dit is een alternatief dat echt moet worden aangemoedigd. De instellingen moeten natuurlijk wel over voldoende plaats beschikken voor een dergelijke opvang.

 

 

Kunnen deze alternatieven volgens u de keuze of de aanpassing vergemakkelijken?

 

Daarvan ben ik overtuigd. In meer dan 92% van de gevallen, komen families naar ons toe om een rusthuis of een rust- en verzorgingstehuis te kiezen. Er is eigenlijk erg weinig vraag naar een oplossing tussen de eigen woning en het rusthuis. Ook het aanbod is natuurlijk erg beperkt: er bestaan nu eenmaal weinig dergelijke alternatieven. Nochtans kunnen deze tussenstructuren de overstap van de eigen woning naar een definitieve plaatsing minder bruusk maken.

 

 

Zal het rusthuis door de komst van meer alternatieve structuren na verloop van tijd evolueren naar een opvanghuis voor mensen die steeds minder zelfredzaam zijn?

 

Inderdaad. Een combinatie van beide zou ideaal zijn. Eén plaats waar juist verschillende diensten worden aangeboden. Ik denk bijvoorbeeld aan een rusthuis voor relatief zelfredzame personen. Vanuit deze relatief lichte begeleiding zouden we een dagcentrum kunnen openen. Zo kunnen mensen van buitenaf al eens in contact komen met deze levenswijze en, waarom niet, samen activiteiten doen. Op diezelfde plaats kan ook een gedeelte worden voorbehouden voor ernstigere gevallen in de vorm van een rust- en verzorgingstehuis dat in kleine leefeenheden kan worden opgedeeld in de vorm van Cantous[242]. Tot slot kan deze plaats ook zijn deuren openzetten voor mensen van buitenaf. En waarom zouden we geen intergenerationele dimensie creëren? Zo kan er een kinderdagverblijf worden ondergebracht of een huiswerkschool worden opgericht in de buurt.

 

 

Kan een oudere,, op financieel vlak, om het even welk rusthuis kiezen?

 

Neen, absoluut niet en dat is een serieus probleem. De prijzen van de rusthuizen nemen voortdurend toe, wat te begrijpen is: het personeel moet meer en meer gespecialiseerd zijn, er moet dag en nacht permanentie zijn, het materiële comfort wordt steeds belangrijker, de veiligheidsnormen worden voortdurend bijgeschaafd,… Al deze voorzieningen worden natuurlijk altijd maar duurder. De pensioenen van de ouderen stijgen echter niet mee. In de toekomst zal het rusthuis voorbehouden zijn aan een elite, het zal een luxe-oord worden, zonder echter luxueus te zijn. Momenteel lopen de prijzen nog sterk uiteen, maar de beginprijs ligt al erg hoog: onder de 1 000 of 1 1000 euro kan je nergens nog terecht. Terwijl de meeste pensioenen een stuk lager liggen dan deze bedragen. Ik denk dat we over een twintig- à dertigtal jaar een generatie werknemers zullen krijgen die tijdens hun beroepsleven niet de kans hebben gehad veel bij elkaar te sparen of een onroerend goed te kopen en voor wie het rusthuis onbetaalbaar zal zijn. Ik denk dat de overheid meer voor haar rekening zal moeten nemen. In mijn ogen is dit een van de grootste uitdagingen.

 

 

Is het bijvoorbeeld mogelijk om de kosten te drukken?

 

Ja, door bijvoorbeeld na te denken over collectieve, participatieve woongelegenheden. Zolang we het goed stellen, gaat onze gezondheid er minder snel op achteruit. En als mensen nog van nut zijn, een nieuw sociaal en harmonieus netwerk opbouwen, een rol vervullen, opnieuw een reden om te leven hebben,… zullen ze meer zorg dragen voor hun lichaam en geest. Eventueel kunnen de mensen voor verzorging en andere diensten terecht binnen de muren van de gemeenschap waarin ze leven. Initiatieven zoals Abbeyfields[243] tonen aan dat de mensen er ‘rechtop sterven’. De mensen voelen zich goed bij hun nieuwe levenswijze, in hun participatief onderkomen en uiteindelijk worden ze minder snel ziek en sterven ze eerder in goede gezondheid. Natuurlijk is dit zeker niet gemakkelijk, ouder worden blijft een moeilijk proces.

 

Caroline Simaÿs


 

VIVA-SVV in de bres tegen huiselijk geweld

DIRCKX, Eva

Stafmedewerker Gelijke kansen en diversiteit,

VIVA-Socialistische Vrouwen Vereniging

 

Inleiding

Sinds 2005 focust VIVA-SVV zich, in haar reeds jarenlange strijd tegen geweld op vrouwen, op huiselijk geweld in Vlaanderen. Vanuit genderperspectief richt ze zich in haar campagnes in de eerste plaats op partnergeweld. Deze vorm van huiselijk geweld erkent ze als gendergeweld[244] aangezien dit geweld in de intieme relatie wordt aangewend om controle en macht te winnen over de partner (meestal het andere geslacht). Europese cijfers (2004)[245] tonen aan dat in de gehele EU één op vijf vrouwen geweld ondervindt van hun partner, waarbij in 95% van de gevallen, het voorval in het echtelijke huis plaatsvindt.

 

Via sensibiliserings- en preventiecampagnes wil VIVA-SVV slachtoffers, daders, getuigen informeren omtrent de problematiek van partnergeweld en stimulansen bieden voor gedragsverandering. In deze acties brengt VIVA-SVV bewust ook kindermishandeling en oudermishandeling onder de aandacht omdat men deze vormen van geweld niet kan loskoppelen. Jonge slachtoffers worden op latere leeftijd immers vaak slachtoffer/dader van (partner)geweld en/of ouder(en)mishandeling. Bovendien kan het genderaspect ook bij kindermishandeling en ouder(en)mishandeling een prominente rol spelen.

 

Als middenveldorganisatie wil VIVA-SVV in deze bijdrage een aantal urgente beleidsvoorstellen formuleren aan het adres van verschillende ministers. Hiervoor doet ze een beroep op haar contacten met het ‘werkveld’ (vanuit haar deelname aan het Brusselse overlegplatform partnergeweld, Staten-generaal van het Gezin - werkgroep geweld), vanuit haar ervaring met sensibiliserings- en preventiecampagnes (contacten met nuldelijnsorganisaties, slachtoffers) en vanuit haar intervisiegesprekken met de Vlaamse en Brusselse provinciale coördinator(en) geweld[246].

Meer aandacht voor vroegtijdige preventie tegen huiselijk geweld in het onderwijs

Er zijn veel factoren op te sommen die huiselijk geweld veroorzaken. Individuele (bv. relatie met moeder/vader in kinder- en jeugdjaren), relationele (bv. dominerend houding tegenover de partner)  en maatschappelijke factoren (bv: visie op mannelijkheid/ vrouwelijkheid in de cultuur) spelen hun rol. Deze bijdrage licht er enkele uit in functie van de beleidsvoorstellen.

 

Mannelijkheid versus vrouwelijkheid

In onze hedendaagse cultuur worden ‘mannelijkheid’ en ‘vrouwelijkheid’ vaak als tegengestelden gedefinieerd. Mannelijkheid staat dan voor zelfstandigheid, leidinggevend karakter, sterke wil en assertiviteit. Deze eigenschappen bestempelt men als positieve en sterke kwaliteiten. Daartegenover plaatst men de zwakkere vrouwelijke kwaliteiten: zorgzaamheid, tederheid, bescherming en volgzaamheid die een negatieve gevoelslading krijgen.

Deze dualistische visie op mannelijkheid en vrouwelijkheid voedt de maatschappij zowel op micro- (het gezin) als op macroniveau (het beleid). Onze maatschappij plaatst de man hierdoor nog steeds hoger dan de vrouw. Hier volgen enkele voorbeelden:

·         Tot nu toe wordt de ‘zachte sector’, waarin vooral vrouwen werkzaam zijn, nog ondergewaardeerd en minder verloond

·         Gelijk loon voor gelijk werk is nog steeds geen feit

·        

 

Onze maatschappij is met andere woorden nog steeds patriarchaal georiënteerd. Ze rechtvaardigt de dominerende houding van de man tegenover de vrouw. Daarnaast geeft ze jongens reeds op vroege leeftijd het signaal dat er niet gesproken mag worden over gevoelens. Dit kan bij traumatische situaties in de kinderjaren tot gevolg hebben dat het kind een vat vol angst vult dat op latere leeftijd explodeert in woede en agressie.

Deze paradoxale oorzaken (legitimatie van de dominerende houding door de maatschappij in combinatie met opgebouwde angst tijdens de kinderjaren) leiden tot agressief gedrag.

 

Ter preventie van huiselijk geweld is dus een mentaliteitsverandering noodzakelijk. Deze is reeds in beweging gezet, maar verdient nog meer ondersteuning in o.a. het onderwijs. Het is belangrijk reeds jonge kinderen zowel ‘vrouwelijke’ als ‘mannelijke’ vaardigheden bij te brengen, bv.:

·         Via taalexpressie: inoefenen van gevoelens uiten via houding/taal (kan reeds vanaf kleuterleeftijd)

·         In begeleiding van leerlingen bij studiekeuzes

·         In handboeken (voorbeelden die gegeven worden)

·         In relatievorming, lessen moraal of godsdienst: nadenken over ‘mannelijkheid’ en ‘vrouwelijkheid’. Zijn deze begrippen zo tegengesteld als we soms denken?

 

Grenzen stellen, zelfkennis en communicatietraining

Eén van dé belangrijke oorzaken van huiselijk geweld is het niet kunnen stellen van grenzen voor zowel slachtoffers als daders. In vrouwenopvangcentra is het aanleren van deze sociale vaardigheid één van de focuspunten in de begeleiding.

Je eigen grenzen stellen is een fundamentele vaardigheid die kinderen reeds vanaf jonge leeftijd zouden moeten aanleren. Het onderwijs dient hier meer aandacht aan te besteden. Dat kan reeds vanaf de kleuterleeftijd: door kinderen te leren in pestsituaties en situaties waarin ze door klasgenootjes ‘gedwongen’ worden iets te doen, zich weerbaar op te stellen en ‘nee’ te zeggen. In het basis- en secundair onderwijs dient men hierop verder te bouwen. Dit kan op allerlei manieren: de leerkracht kan in het begin van het schooljaar de leefregels gedeeltelijk samen met de leerlingen opstellen zodat de jongeren zichzelf leren grenzen stellen op basis van gefundeerde argumenten. Het is ook belangrijk dat het schoolpersoneel zelf het goede voorbeeld geeft door consequent te handelen en duidelijke grenzen te stellen. Een andere mogelijkheid is leerlingen in relatiedagen weerbaarheidstraining geven.

 

Tegelijkertijd dient het onderwijs de zelfkennis bij leerlingen te stimuleren, want het spreekt voor zich dat iemand zich pas grenzen kan stellen indien die persoon zichzelf voldoende kent en vice versa. Daarom is het belangrijk dat kleuters en leerlingen zowel binnen als buiten het lessenpakket regelmatig de mogelijkheid krijgen om keuzes te maken. Bovendien zouden kleuterleidsters en leerkrachten in het basis- en secundair onderwijs voldoende tijd moeten uittrekken om samen met de leerlingen hun sociale vaardigheden te evalueren.

 

Ook een goede communicatietraining is nodig als ondersteuning om te  leren grenzen stellen. De manier waarop iemand zijn grenzen stelt naar anderen toe, hoe hij/zij daarover communiceert, bepaalt immers de relatie tussen de spreker en luisteraar. Het toont of de spreker een open of gesloten houding aanneemt tegenover de luisteraar. Leerlingen inzicht geven in de manier waarop ze communiceren en wat de gevolgen daarvan zijn voor de luisteraar is een goede preventie tegen gezinsgeweld, alsook goede luister- en gesprekstechnieken (ik-boodschap, actief luisteren, respect hebben,…) te ontwikkelen.

Tekort aan cijfergegevens

Onderzoek dat het vóórkomen van partnergeweld in België meet, is erg schaars. De meest recente gegevens dateren van 1998 (Rapport van Bruynooghe R., Noelanders S. en Opdebeeck S. Geweld ondervinden, gebruiken en voorkomen ten behoeve van de minister van Tewerkstelling en Arbeid en Gelijke-kansenbeleid mevrouw M. Smet). Zo’n grootschalige bevraging, bij meer dan 1 000 mannen en vrouwen, dient meer te gebeuren.

Zonder concrete cijfers van de hedendaagse situatie is het immers moeilijk de ernst van de problematiek precies af te bakenen en blijft analyse van de problematiek onvolledig.

 

Ook voor een systematische registratie van alle meldingen die bij de politie binnenkomen, ijvert VIVA-SVV. In het kader van het Nationaal Actieplan Partnergeweld wil de federale overheid in samenwerking met de gemeenschappen en gewesten werk maken van deze registratie van gewelddaden en de follow-up ervan. VIVA-SVV is blij met deze doelstelling en hoopt ze op een zo kort mogelijke termijn gerealiseerd te zien.

 

Geen sensibilisering zonder blijvende uitbreiding van de residentiële opvang voor slachtoffers/daders/kinderen als getuigen van huiselijk geweld

Zowel door het middenveld als door de overheid worden er regelmatig sensibiliseringsacties gevoerd. Voornamelijk de acties naar slachtoffers zijn weinig zinvol zonder uitbreiding van de residentiële opvang die op dit ogenblik overvol zit. Vanuit het ‘werkveld’ klinkt een luide roep naar meer middelen voor uitbreiding: zowel vanuit de vrouwenopvangcentra als de vertrouwenscentra voor kindermishandeling.

Naar een Nationaal Actieplan Huiselijk geweld

Kindermishandeling, partnergeweld en ouder(en)mis(be)handeling kunnen om verschillende redenen niet losgekoppeld worden; bijvoorbeeld wat betreft het onderzoek naar patronen in het gedrag van slachtoffers en daders (slachtofferschap kan uitmonden in daderschap) en de aanpak ervan. Voor de drie vormen van huiselijk geweld is bovendien afstemming tussen de hulpverleningssector, justitie en politie van primordiaal belang.

 

VIVA-SVV vraagt daarom een Nationaal Actieplan Huiselijk geweld dat de samenwerking tussen de verschillende sectoren voor alle vormen van huiselijk geweld coördineert en rekening houdt met de regionale eigenheid van elke provincie.

 

Dit actieplan dient ook in voldoende budget te voorzien. Voor een duurzame realisatie van de doelstellingen (zoals bv. continuïteit in het opleidingsaanbod voor professionelen) zijn voldoende structurele middelen essentieel.


 

Mishandeling van oudere personen blijft taboe

Interview met MOREAU, Anne

Coördinatrice van het netwerk CAPAM (Hulpcentrum voor bejaarde personen die misbehandeld worden) en Libr’âgé, dat E.M.P.AGE (Charleroi), URGEDES (Sambreville) en CAPAM (Luik, Waals-Brabant en Luxemburg) verenigt in de strijd tegen de mishandeling van oudere personen.

 

In onze huidige maatschappij komt mishandeling van vrouwen en kinderen voor, maar mishandeling van ouderen wordt minder erkend. De mishandeling van een oudere persoon zijn die handelingen die een oudere persoon aanzienlijke schade berokkenen op fysiek, psychologisch, burgerlijk, sociaal of financieel vlak. Dit misbruik kan al dan niet opzettelijk zijn. Ze kunnen het resultaat zijn van handelingen, maar ook van verzuim. Mishandeling van ouderen is nog altijd taboe. Tijdens het gesprek met Anne Moreau, coördinatrice van het netwerk Libr’âgé, staan we stil bij deze vormen van geweld waarmee 6% van de ouderen te maken krijgt.

 

 

Hoe functioneert het netwerk Libr’âgé?

 

Het netwerk Libr’âgé biedt in de eerste plaats een telefonische permanentie. Wij hebben een gratis telefoonnummer[247] ingevoerd. De beller kan, indien gewenst, anoniem blijven. Afhankelijk van de ontvangen oproep en het verzoek van de persoon wordt een geschikte begeleiding overwogen. Een ander belangrijk onderdeel van ons werk heeft betrekking op de preventie van de mishandeling van oudere personen. Dit doen we door het organiseren van info- en opleidingssessies voor het betrokken publiek zoals professionele begeleiders in de thuishulpsector en in de instellingen, studenten en burgers.

 

 

Waarom een gratis en anoniem telefoonnummer?

 

Een oudere persoon die thuis of in een rusthuis verblijft, kan om verschillende redenen bang zijn om over zijn of haar situatie te praten: angst voor wraakacties, om verlaten te worden, om in een rusthuis te worden geplaatst, of omgekeerd, om uit het rusthuis te worden gezet waar de persoon zich thuis voelt. Sommige ouderen zijn zich er ook niet van bewust dat ze mishandeld worden of zien de ernst van hun situatie niet in. Soms voelen ze zich zelfs schuldig voor het feit dat ze afhankelijk zijn van iemand. Al deze elementen maken dat de persoon in kwestie aarzelt om over de mishandeling te spreken. Om deze verschillende redenen hebben wij een telefoonnummer ingevoerd waarnaar, indien gewenst, anoniem kan worden gebeld. De persoon kan vanuit om het even welk telefoontoestel bellen en door de anonimiteitsgarantie, kan de beller vrijuit praten, zonder angst voor wraak of gevolgen. Voor sommige mensen is het gemakkelijker om te telefoneren dan om zich te verplaatsen voor een persoonlijk gesprek met een professionele begeleider.

 

 

Hoe worden de telefonische verzoeken beheerd?

 

Afhankelijk van de situatie en het verzoek moeten wij soms samenwerken met eerstelijnsdiensten zoals thuishulpdiensten, ziekenfondsen, OCMW’s, juridische diensten,… omdat we weten dat bijvoorbeeld de aanwezigheid van een thuisverpleegster of gezinshulp sommige spanningen wegens overbelasting van de mantelzorger kan afzwakken.

 

Wij hebben verschillende interventieniveaus ingelast om aan de verwachtingen te kunnen voldoen. Eerst en vooral wordt er actief geluisterd: er is een telefonische permanentie, want sommige mensen willen gewoon praten en hebben enkel nood aan een luisterend oor. Wij hebben echter ook een informatietaak. Zo geven wij informatie over hun rechten of verwijzen wij de mensen door naar diensten die beter geschikt zijn om hun vraag te behandelen. Soms nemen wij ook, met de toestemming van de senior, contact op met de omgeving, zowel met familieleden als met professionele begeleiders. Als het om een conflictsituatie gaat met bijvoorbeeld een naaste kunnen we een meer algemene begeleiding voorstellen die niet alleen gericht is op de oudere persoon. We zorgen dan voor coördinatie tussen de verschillende professionele diensten die de oudere persoon omringen en/of de overige familieleden om samen naar oplossingen te zoeken met de oudere persoon en de persoon die als dader wordt beschouwd. Afhankelijk van hoe de situatie kunnen ook bezoeken aan het rusthuis, thuis en ziekenhuis worden georganiseerd.

 

Al deze acties gebeuren met eerbied voor het ritme van de oudere persoon en zijn/haar keuzes en beslissingen. De hulp die wij bieden, hangt in de eerste plaats af van de oudere, zijn/haar graad van zelfredzaamheid, zijn/haar verzoek en het soort mishandeling.

 

 

Mishandeling van ouderen, zowel thuis als in het rusthuis, is een realiteit. Hoe kunnen we deze mishandeling omschrijven?

 

Er bestaat geen universele en door iedereen aanvaarde definitie van mishandeling van oudere personen. De mishandeling hangt immers af van het culturele milieu waarin zij plaatsvindt: gedrag wat voor één persoon mishandeling is, is niet noodzakelijk mishandeling in de ogen van iemand anders. Iemand kan zowel via een handeling als door niet optreden mishandeld worden. Anders gezegd, iemand slaan is mishandeling, maar ook het niet helpen van een hulpbehoevende persoon bijvoorbeeld door het niet helpen met eten en drinken, het niet vervangen van een urinoir, een verband,… Daarnaast is er ook het, al dan niet opzettelijke, karakter van de mishandeling: er zijn mensen die echt de intentie hebben om iemand schade te berokkenen, maar personen, zowel uit de professionele als familiale milieu, kunnen senioren mishandelen zonder dat ze deze intentie hebben. In het kader van de preventiemissie kan Libr’âge de aandacht van de verzorger vestigen op handelingen of gedragingen die onbedoeld als mishandelend kunnen overkomen voor de oudere personen. Dankzij deze bewustwording kunnen handelingen worden bijgestuurd.

 

 

Van welk soort geweld zijn oudere personen het vaakst slachtoffer?

 

Hoewel fysiek geweld het meest gekend is, komt deze vorm van geweld zeker niet het meest voor. Oudere mensen worden vaker geconfronteerd met psychologisch en financieel geweld, dat meestal stiekem gepleegd wordt door een familielid. Wij krijgen ook klachten binnen van mishandeling door het misbruik van rechten. Dit is het nemen van beslissingen in de plaats van de oudere persoon, keuzes opleggen, maar ook gedwongen plaatsing in een rusthuis. Medisch geweld, het te veel of te weinig geven van medicatie, komt ook voor. Tot slot is mishandeling soms te wijten aan verwaarlozing, zowel door professionele begeleiders als door mantelzorgers. Het gaat om dingen die fout lopen bij de dagelijkse hulpverlening, zoals een persoon die niet in staat is voor zichzelf te zorgen aan zijn lot overlaten, iemand voeding en verzorging ontnemen,…

 

 

Wat wordt bedoeld met psychologisch geweld?

 

Psychologisch geweld omvat alles wat te maken heeft met een gebrek aan eerbied voor de oudere persoon: chantage, vernedering, infantilisatie van de oudere persoon, ongepaste aanspreking, ongerechtvaardigde dwang, roepen tegen de oudere persoon. Dit psychologisch geweld gaat ook vaak gepaard met financiële mishandeling, wat de situatie delicaat en dubbelzinnig maakt.

 

Sinds enkele maanden begeleiden wij bijvoorbeeld een oudere dame die drie kinderen heeft. Haar zoon is al jaren overleden en ze heeft al lang geen contact meer met één van haar dochters. De andere dochter die in contact gebleven is, doet dit blijkbaar alleen om financiële redenen. De dochter bezoekt haar moeder om haar geld af te troggelen door haar bankkaart te nemen. De oudere dame wil het contact met haar dochter, en vooral met de kleinkinderen, graag behouden. Wij helpen haar om grenzen ten opzichte van het financiële misbruik. Wij hebben als taak psychologische ondersteuning te bieden in deze situatie.

 

 

Komt mishandeling ook voor in rusthuizen?

 

Ja natuurlijk, het merendeel van de gevallen die wij behandelen, spelen zich thuis af. Mishandeling van ouderen in een rusthuis hebben niet altijd te maken met de verblijfplaats, maar kunnen ook verband houden met de familiale context. Soms worden wij inderdaad op de hoogte gebracht van gevallen waarbij het rusthuis of een personeelslid van het rusthuis wordt beschuldigd, zonder daarbij de instelling in zijn geheel in vraag te stellen.

 

 

Geweld tegen oudere personen kan het resultaat zijn van een opeenstapeling van agressie. Hoe komt zo een cyclus tot stand?

 

Geweld kan het resultaat zijn van opeengestapelde agressie, maar dat is niet noodzakelijk altijd zo. Dit komt voor bij naaste mantelzorgers die zich ‘opofferen’ voor het afhankelijke familielid en dit combineren met hun werk- en gezinsleven. Zij krijgen hier niet altijd erkenning van de senior of van de omgeving voor. In zo een geval verandert de relatie en kan er af en toe agressie optreden. Onze rol bestaat er dan in om die mantelzorger te ondersteunen door bijvoorbeeld voor te stellen een beroep te doen op thuishulpdiensten. Dankzij dergelijke hulp kan de mantelzorger even op adem komen doordat zijn/haar taak verlicht wordt en kan de mantelzorger relaties herstellen die onder druk kwamen door de relatie hulpverlener-hulpbehoevende. We moeten wel benadrukken dat de hulpverlener niet noodzakelijk de indruk heeft dat hij/zij de oudere persoon schade berokkent, soms is hij/zij de situatie gewoon niet meer te baas en kan deze situatie op dat moment uit de hand lopen.

 

 Bovendien verloopt de communicatie in sommige gezinnen altijd op een gewelddadige manier. Vroeger intrafamiliaal geweld kan in dit kader belangrijk zijn. Als kinderen tijdens hun kindertijd werden mishandeld, krijgt de mishandeling van de ouderen een andere dimensie, niet altijd één van wraak, maar de gezinsleden blijven zich gedragen op de manier die ze zich eigen hebben gemaakt: agressieve communicatie.

 

 

Wat draagt bij tot het geweld ten opzichte van een oudere persoon?

 

Er bestaat geen rechtstreekse oorzaak voor de mishandeling van oudere personen, zoals er evenmin een profiel is van de mishandelde persoon of van de dader. We spreken eerder van risicofactoren: in sommige omstandigheden is een oudere persoon vatbaarder voor mishandeling of kan iemand meer geneigd zijn een oudere persoon te mishandelen. Afhankelijkheid, of deze fysiek of psychisch is, is de belangrijkste risicofactor. De naaste omgeving kan immers vaak moeilijk omgaan met het verlies van zelfredzaamheid bij een familielid. Bij dementie kunnen mantelzorgers de zorg soms niet meer aan omdat de hulpbehoevende persoon hen niet meer herkent of niet langer beantwoordt aan het beeld dat zij altijd hadden van deze persoon. Ook vereenzaming is een risicofactor: een oudere zonder sociaal netwerk loopt meer risico om mishandeld te worden, misschien doordat hij/zij niemand heeft die hem/haar hulp kan aanbieden of door de dienstverlening van een professionele begeleider in het oog kan worden gehouden. Voorts kan het samenleven in een beperkte ruimte zorgen voor een zekere spanning, net als leven in lokalen die niet aangepast zijn aan de behoeften van de oudere persoon. Soms zijn deuren niet breed genoeg voor een rolstoel. De helper moet de persoon dus iedere keer dragen om naar een andere kamer te gaan en hem in een andere zetel te plaatsen. In dergelijke omstandigheden is er natuurlijk een groter risico dat het personeel bruusker is of dat de oudere persoon verwaarloosd wordt, wegens vermoeidheid of wegens de toename van de moeilijkheden.

 

 

Welke toekomst gaat de strijd tegen de mishandeling van ouderen tegemoet?

 

Op het niveau van de overheidsinstanties wordt overwogen om acties van het netwerk Libr’âge op te nemen in een decreet, waardoor onze acties op langere termijn een duurzaam karakter kunnen krijgen. Dankzij deze grotere stabiliteit zouden we vooral grootschaligere preventieacties kunnen voeren. Dit zou bovendien voor ons het bewijs zijn van bewustwording en een teken van erkenning van deze problematiek op politiek niveau. Zoals reeds bleek in het kader van de Staten-generaal van het Gezin is het essentieel om op dit vlak een betere coördinatie te hebben tussen de verschillende beleidsniveaus, in België is dit niet eenvoudig. Er is de federale overheid en er zijn de gewesten, de gemeenschappen en de provincies. Mishandeling tegenover ouderen is een persoonsgebonden aangelegenheid die dus behoort tot de bevoegdheden van de gewesten, maar wij beseffen dat ook de federale overheid initiatieven moet nemen. Het is van essentieel belang dat deze niveaus elkaar vaker ontmoeten om te weten wat er op het federale, gewest en gemeenschapsniveau bestaat, zodat acties en initiatieven kunnen worden gecoördineerd en versterkt eerder dan opnieuw te creëren wat al bestaat.

 

 

Volgens het netwerk CAPAM-Libr’âgé gaat de strijd tegen de mishandeling van ouderen gepaard met de uitbouw van een maatschappij waar ‘ouderen toegelaten’ zijn, wat bedoelt u daarmee?

 

Ook al denk ik dat er dingen evolueren, toch blijft de mishandeling van ouderen deels te wijten aan het minderwaardige beeld dat de maatschappij heeft van de senior. Als je niet meer deel uitmaakt van de actieve kern, neem je een minder belangrijke plaats in en dat voelen de ouderen. Bovendien doen ouderen ons soms denken aan onze eigen angsten: de angst om zelf ouder te worden, angst voor de dood, angst om afhankelijk te worden,… Een maatschappij waar ‘ouderen toegelaten’ zijn, kan deze beelden omkeren: zelfs al zijn ouderen niet meer actief in de algemeen gangbare zin, toch hebben zij hun plaats in de maatschappij op te eisen en hebben zij hun maatschappelijk nut te delen, ondanks hun verlies aan zelfredzaamheid.

 

 

Hoe kunnen we komen tot zo een maatschappij waar ‘ouderen toegelaten’ zijn?

 

Dit kan via intergenerationele acties die de ouderen opnieuw een plaats geven bij de intergenerationele kennisoverdracht. In sommige scholen helpen oudere personen kinderen met studeren. Als ouderen een andere plaats krijgen dan de plaats die zij nu hebben, zou er misschien meer eerbied en minder mishandeling zijn.

 

Vanuit preventief oogpunt dragen binnen Libr’âge de info- en opleidingssessies bij tot de opbouw van deze maatschappij, en dit op verzoek van diensten of scholen, meer bepaald in het kader van de opleiding van gezinshelpsters, artsen,… ,. Ons doel is natuurlijk vermijden dat deze personen ‘mishandelend’ optreden tijdens hun toekomstige contacten met oudere personen, maar ook dat zij mishandeling kunnen opsporen en de slachtoffers hulp kunnen bieden. Tijdens deze ontmoetingen zeggen heel wat personen ons dat zij zich er niet van bewust waren dat mishandeling van ouderen voorkwam. Onze opleidingssessies trekken de discussie open en doorbreken het taboe. De mensen durven meer praten over mishandeling. Als er over gesproken wordt, kunnen andere ouderen in dezelfde situatie beseffen dat zij niet alleen zijn. Er is ook een rol weggelegd voor de media en de sociale beleidsmakers.

 

Caroline Simaÿs


 

Zou men armoe lijden om een mondje meer?

VAN DEN BOSCH, Karel

Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck, Universiteit Antwerpen

 

Aan het onderwerp ‘gezin en armoede’ in al zijn aspecten zou men vele boeken kunnen wijden. In deze bijdrage wil ik stilstaan bij de relatie tussen kinderaantal en armoede (in België). Allereerst bekijk ik hoe deze relatie nu in feite ligt en hoe deze over de tijd heen geëvolueerd is. Daarna behandel ik drie belangrijke factoren die deze relatie vormgeven: de kinderbijslagen, de indirecte kosten van kinderen (de concurrentie tussen zorg en betaald werk) en de sociaal-economische verdeling van het kinderaantal. Ik wijs daarbij op een blinde vlek in het armoedeonderzoek, die er toe leidt dat verborgen armoede binnen gezinnen met volwassen kinderen niet gezien wordt. Ten slotte ga ik kort in op de situatie van éénoudergezinnen.

“Zou men armoe lijden om een mondje meer?”

Wat suggereert deze bekende regel uit een traditioneel liedje over de relatie tussen gezin en armoede? De meest letterlijke lezing is dat een groter aantal kinderen niet noodzakelijk een stijgend risico op armoede inhoudt. Deze lezing wordt door de empirie in grote mate bevestigd. Volgens de opeenvolgende onderzoeken van het Centrum voor Sociaal Beleid tussen 1985 en 1997 was het percentage in armoede bij koppels met drie of meer kinderen steeds lager dan het algemene armoederisico onder de bevolking als geheel en bedroeg het slechts ongeveer de helft van het overeenkomende percentage bij koppels met één of twee kinderen[248]. Hiermee wijkt België af van de meeste OESO-landen, waar de armoede bij gezinnen met relatief veel kinderen veelal hoger dan gemiddeld ligt.

 

Misschien zouden wij moeten schrijven: week België af. Volgens de meest recente armoedecijfers afkomstig van de SILC (Survey of Income Living Conditions), uitgevoerd door de Federale Dienst voor Statistiek[249], ligt de armoede onder koppels met drie kinderen juist hoger dan het algemene gemiddelde en bedraagt deze het dubbele van die onder koppels met minder kinderen[250]. We moeten nog afwachten of deze nieuwe cijfers bevestigd worden door volgende golven van SILC. Op dit moment zijn de redenen voor dit grote verschil tussen de SILC en de opeenvolgende onderzoeken van het CSB niet duidelijk. Het is moeilijk om sociaal-economische of beleidsmatige ontwikkelingen aan te wijzen die verantwoordelijk zouden kunnen zijn voor zulk een drastische omslag in de relatie tussen armoede en aantal kinderen.

 

Hoe dan ook deze situatie heeft niet altijd gegolden. In 1976 verschilde het armoederisico onder de Vlaamse bevolking niet systematisch naargelang het aantal kinderen[251]. Nog verder teruggaand naar de tijd waarin bovenstaande versregel werd geschreven, zou de daarin gestelde retorische vraag eerder met “ja” moeten worden beantwoord. Op basis van zijn empirisch onderzoek in het Engelse York ontwikkelde Seebohm-Rowntree in het begin van de vorige eeuw een levenscyclus-model van de armoede[252]. Volgens dit model betekende de komst van kinderen voor veel mensen uit de arbeidersklasse een afdaling in de armoede. De lonen waren vaak onvoldoende om vele monden te vullen. Zeker een groot kinderaantal was sterk geassocieerd met armoede. Er was echter ook een positieve keerzijde: wanneer de kinderen ouder werden en gingen werken, brachten zij meer inkomsten in het gezin binnen dan hun levensonderhoud kostte. Volgens Seebohm-Rowntree was de periode tussen het moment dat kinderen de school verlieten en het moment dat zij trouwden en een eigen gezin stichtten, voor veel mensen uit de arbeidersklasse de tijd waarin zij de hoogste levensstandaard genoten.

Belang van de kinderbijslagen

Waarom is kinderrijkdom geen oorzaak meer van armoede (of was dat in ieder geval zo in het laatste kwart van de 20ste eeuw)? De meest voor de hand liggende reden, en zeker ook één van de voornaamste, is de opkomst van de welvaartsstaat en in het bijzonder van het stelsel van de kinderbijslagen. Het Belgische stelsel wordt gekenmerkt door universaliteit (hoewel deze niet volledig is) en door een sterke rangprogressiviteit: de bedragen voor het derde, vierde en volgende kinderen liggen aanzienlijk hoger dan die voor het eerste en het tweede kind. Hoewel over de kosten van kinderen veel te twisten valt (en ook daadwerkelijk getwist is), komen de kinderbijslagen voor de derde en volgende kinderen zeker in de buurt van de minimale kosten van kinderen, dat wil zeggen, de kosten van kinderen bij een levensstandaard rond de armoedegrens. In 2004 is de kinderbijslag voor kinderen van derde en volgende rang voor werknemers, de leeftijdsbijslag in aanmerking genomen, inderdaad praktisch gelijk aan het bedrag waarmee de officiële EU-armoedegrens verhoogd moet worden voor ieder bijkomend kind in een gezin.

 

Daar de kinderbijslagen over een langere periode gezien alleen aangepast zijn aan de stijging van de consumptieprijzen, en niet aan de gestegen welvaart, kunnen we aannemen dat in de jaren 1970  en 1980 de kinderbijslagen voor kinderen van hogere rang de minimale kosten van deze kinderen duidelijk overtroffen. Dit wordt bevestigd door een studie naar de doelmatigheid van kinderbijslagen bij het voorkomen van armoede in 1992: van de gezinnen met drie kinderen is 23 % niet arm alleen dankzij de kinderbijslagen en bij de gezinnen met vier kinderen is dit zelfs 30 %. Bij de gezinnen met één of twee kinderen spelen de kinderbijslagen daarentegen slechts een ondergeschikte rol in de strijd tegen de armoede[253].

 

Behalve door de kinderbijslagen wordt het armoederisico van gezinnen met kinderen ook door een groot aantal andere, misschien minder zichtbare factoren beïnvloed. Dit blijkt al uit het feit dat het armoedepercentage van gezinnen met veel kinderen in de loop van het laatste kwart van de vorige eeuw absoluut en relatief (ten opzichte van andere gezinstypes) gedaald is, terwijl in dezelfde periode de kinderbijslagen weliswaar in koopkracht enigszins zijn verbeterd, maar in verhouding tot de gemiddelde welvaart sterk zijn achteruitgegaan[254].

Indirecte kosten van kinderen en armoede

Een belangrijke factor zijn ongetwijfeld de indirecte kosten van kinderen. De directe kosten zijn de uitgaven van ouders aan goederen en diensten ten behoeve van hun kinderen, inclusief de eventuele hogere kosten van zaken die niet specifiek voor kinderen zijn, bijvoorbeeld een duurdere monovolume ten opzichte van een goedkope kleinere auto. De indirecte kosten bestaan uit het loonverlies dat ontstaat doordat één van de ouders (meestal de moeder) of beide ouders vanwege de zorg voor kinderen stoppen met werken, minder gaan werken, of een minder veeleisende en minder betaalde baan aannemen. De indirecte kosten zijn wellicht minder zichtbaar dan de directe kosten, maar kunnen de laatste in omvang ver overtreffen, vooral ook omdat zij niet beperkt hoeven te zijn tot de periode van kinderzorg, maar zich ook nadien kunnen uiten in een vlakkere carrière en een lager pensioen. Vergeleken met vroeger zijn de indirecte kosten wellicht niet gestegen, maar worden zij door het veralgemeende tweeverdienerschap wel acuter gevoeld. Zeker is hun impact sociaal-economisch selectiever geworden, omdat vooral laaggeschoolde vrouwen stoppen met werken[255].

 

In de empirie (praktijk) veruitwendigen de indirecte kosten zich in de populariteit van deeltijds werken onder moeders en ook in de terugtrekking van moeders uit de arbeidsmarkt. Desalniettemin zien we, zoals boven aangegeven, gedurende het laatste kwart van de vorige eeuw geen stijging van de armoede onder gezinnen met kinderen en zeker niet onder gezinnen met veel kinderen. Hiervoor zijn verschillende redenen. Allereerst worden deze kosten voor een deel gemilderd via collectieve voorzieningen die moeders (en vaders) in staat stellen te blijven werken, zoals gesubsidieerde kinderkribbes met beperkte ouderbijdrage voor lagere inkomens, kleuteronderwijs dat toegankelijk is op jonge leeftijd en ruime beschikbaarheid van voor- en naschoolse opvang. Het ruimere familiale netwerk speelt hier ook een belangrijke rol, met name de grootouders, die in Vlaanderen nog altijd voor een groot deel van de kinderopvang instaan. Het relatief brede gamma aan betaalbare kinderopvang draagt ertoe bij dat de tewerkstelling onder Belgische vrouwen met kinderen hoger is dan in de meeste continentale welvaartsstaten. Daarnaast worden de indirecte kosten voor een deel gecompenseerd door betaald ouderschapsverlof en ook door oneigenlijk gebruik van werkloosheidsuitkeringen[256].

 

Een zeer belangrijke reden ten slotte voor de lage armoede onder gezinnen met kinderen is de beperkte loondispersie in België. Vergeleken met veel andere landen is in België de afstand tussen de lage en de hoge lonen nog vrij gering en werken er relatief weinig mensen voor lage lonen. Zelfs waar alleen de vader – of de moeder – werkt, verdient deze bijna altijd voldoende om het gezin boven de armoedelijn te houden.

Wie krijgt er kinderen?

Een andere belangrijke factor bij de verklaring van armoede bij gezinnen met kinderen, naast de kinderbijslagen en de indirecte kosten, is de sociaal-economische verdeling van kinderlast en –vreugde, oftewel: wie krijgt er kinderen en hoeveel? In het verleden was de beheersing van het kinderaantal moeilijk en onzeker en was een hoog kinderaantal inderdaad een risico (zoals een lange levensduur dat nu nog is). Met het veralgemeende gebruik van gemakkelijk te gebruiken en betrouwbare voorbehoedsmiddelen kunnen we er vanuit gaan dat voor de grote meerderheid van de koppels het gerealiseerde aantal kinderen de kinderwens niet overtreft. Daarmee is de sociaal-economische verdeling van de kinderrijkdom ook veranderd. Vroeger volgde deze een zogenaamde U-curve: zowel de armen als de rijken hadden veel kinderen (de rijken omdat zij zich dit konden veroorloven, de armen om andere redenen), terwijl de middenklasse het aantal kinderen beperkte. Nu is de linkse helft van deze curve weggevallen. Gezinnen met veel kinderen komen vooral onder welgestelden voor, waar ofwel de man zoveel verdient dat de vrouw thuis kan blijven, ofwel de inkomsten van de vrouw voldoende hoog zijn om de kinderopvang te bekostigen – en daarna genoeg over te houden om werken interessant te maken. (Volgens sommigen moeten we hier ook personen tewerkgesteld in het onderwijs bijrekenen, die vanwege hun lange vakanties en gunstige werktijden beter in staat zouden zijn om werk en kinderzorg te combineren.) De gezinnen met lage inkomens zouden echter minder kinderen krijgen dan gezinnen in dezelfde relatieve positie vijftig of zeventig jaar geleden. Men zou kunnen zeggen dat, vergeleken met vroeger, de minder gesitueerden de kinderrijkdom hebben verruild tegen een bovenminimaal niveau van materiële welstand. (Of deze keuze hun algemeen levensgeluk vergroot is een boeiende, maar moeilijk te beantwoorden vraag. De schrijver van het liedje zou deze alvast beantwoorden met “nee”. De regel die voorafgaat aan de hierboven geciteerde regel luidt immers: “Zou het geluk verminderen waar de last vergroot?”)

Verschuiving in de balans tussen kosten en baten van kinderen

De vermindering van het aantal kinderen bij minder welgestelde gezinnen hangt wellicht ook samen met een andere evolutie, waarin, in termen van de materiële levensstandaard, de verhouding tussen kosten en opbrengsten van kinderen in ongunstige zin is verschoven. In het begin van de vorige eeuw bestonden de kosten van kinderen voornamelijk uit voeding en kleding. Vanaf vrij vroege leeftijd konden zij al gaan werken en aldus bijdragen aan het gezinsbudget. We kunnen aannemen dat zij een groot deel, zo niet alles, van hun loon afdroegen aan hun ouders. Totdat de kinderen trouwden en een eigen huishouden opzetten, zal hun aanwezigheid de levensstandaard van het ouderlijk huishouden sterk hebben verhoogd.

 

Dit alles geldt nu niet meer. Kinderen moeten langer studeren, wat voor de ouders hogere kosten gedurende een langere periode met zich meebrengt. Hoewel de leeftijd van een eerste huwelijk, na een lange periode waarin deze trendmatig daalde, de laatste jaren weer is gestegen, lijkt het redelijk om aan te nemen dat kinderen hun ouderlijk huis eerder verlaten dan zeg honderd jaar geleden het geval was. En ten slotte is het wellicht eerder de uitzondering dan de regel dat inwonende werkende kinderen hun loon, of een groot deel daarvan, aan hun ouders afdragen. Het is zelfs de vraag of zij in alle gevallen (voldoende) kostgeld betalen om de kosten van voeding  en inwoning te dekken. Al deze ontwikkelingen hebben ervoor gezorgd dat de kosten van kinderen zijn gestegen, terwijl de opbrengsten zijn gedaald.

Een blinde vlek in het armoedeonderzoek: verborgen armoede?

Bovenstaande alinea wijst overigens op een belangrijke blinde vlek in het armoedeonderzoek. Uitgangspunt van alle onderzoek naar inkomensarmoede is dat alle leden van een huishouden in gelijke mate meedelen met de welvaart van dat huishouden. Onderzoekers zijn zich ervan bewust dat dit niet in alle gevallen met de werkelijkheid strookt. Meer kwalitatieve studies hebben aan het licht gebracht dat sommige gehuwde vrouwen, met name als zij laaggeschoold zijn en niet werken, niet altijd dezelfde levensstandaard genieten als hun echtgenoot[257]. In de grootschalige inkomensenquêtes met gestandaardiseerde vragenlijst, waarop alle armoedecijfers gebaseerd zijn, is het echter zeer moeilijk om eventuele ongelijke verdeling van welvaart binnen huishoudens te ontdekken.

 

Dit is wellicht met name problematisch voor huishoudens waar jongvolwassenen die werken, of althans de school verlaten hebben, nog bij hun ouders inwonen. Deze categorie van gezinnen is in de statistieken vaak verstopt in categorieën als ‘overige gezinstypes’, maar vormt een substantieel deel van de bevolking, die omvangrijker is dan bijvoorbeeld de groep der éénoudergezinnen. Naargelang de verhouding tussen de inkomens van de ouders en de kinderen zal waarschijnlijk de levensstandaard van de eersten hoger zijn dan van de laatsten, of vice versa. Ook waar de inkomens erg ongelijk zijn, bijvoorbeeld een werkende zoon die inwoont bij zijn alleenstaande moeder met een werkloosheidsuitkering, is het lang niet zeker dat de jongere voldoende afdraagt om de welvaartsverhoudingen recht te trekken. We zouden hier dan van verborgen armoede bij de ouder of ouders kunnen spreken. Ook omgekeerd, wanneer jongvolwassenen geen eigen huishouden kunnen opzetten en bij hun ouders blijven wonen door gebrek aan inkomen, zouden we dit als verborgen armoede kunnen aanmerken.

De situatie van éénoudergezinnen

We kunnen deze beschouwing niet afsluiten zonder de situatie van de éénoudergezinnen te vermelden. Hun hoge risico op armoede is via talloze rapporten en artikels nu welbekend. De oorzaak hiervan is uiteraard vooral dat één ouder (bijna altijd een moeder) de rollen van verzorger en van kostwinner moet combineren, hetgeen vaak een onmogelijke combinatie blijkt te zijn. De niet-tewerkstelling onder alleenstaande moeders is dan ook groot, hoewel de meerderheid betaald werk heeft. Een andere oorzaak was vroeger belangrijker dan nu: de zwakke arbeidsmarktpositie van vrouwen. Voorheen waren vrouwen vaak laaggeschoold, en was het voor hen, na een lange periode van thuis werken, niet altijd eenvoudig om de weg naar de arbeidsmarkt terug te vinden wanneer zij alleen kwamen te staan. Tegenwoordig zijn zij nu gemiddeld even hoog geschoold als mannen en blijven zij tijdens het huwelijk meestal actief op de arbeidsmarkt. Deze sterkere positie van vrouwen is wellicht één van de redenen dat de armoede onder éénoudergezinnen tussen 1985 en 1997 lijkt te zijn gedaald[258]. Een andere reden voor de – in vergelijking met veel andere landen – nog beperkte armoedegraad onder éénoudergezinnen is dat zij binnen de sociale zekerheid en de bijstand in zekere zin positief gediscrimineerd worden ten opzichte van koppels met kinderen. Alleenstaanden met kinderen krijgen immers een uitkering voor mensen met personen ten laste, en daarenboven nog kinderbijslag. Een koppel met één kind in de werkloosheid of de bijstand krijgt echter dezelfde uitkering als een alleenstaande met één kind, hoewel het eerste gezin een volwassene méér te onderhouden heeft.


 

Menselijke waardigheid, arme gezinnen en huisvesting

Armoede is meer dan een kwestie van geld, het is een dagelijkse obsessie[259]

 

PERDAENS, Annette

Socioloog, co-auteur van het Brusselse armoederapport

Administratief directrice van het Observatorium voor Gezondheid en Welzijn, Brussel-Hoofdstad

 

Inleiding

Armoede wordt doorgaans gedefinieerd als het gebrek of tekort aan middelen die een persoon, gezin of maatschappelijke groep nodig heeft om op een behoorlijke of toereikende manier deel te nemen aan het maatschappelijk leven in een bepaald tijdperk en een bepaalde maatschappij. Het is een complex en multidimensioneel, relatief, gradueel en structureel fenomeen[260]. Het heeft betrekking op alle aspecten van het leven als burger: werk, gezondheid, huisvesting, onderwijs, opleiding, cultuur,… en brengt ernstige schade toe aan de waardigheid en de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle mensen[261].

 

Artikel 23 van de Grondwet stelt dat iedereen het recht heeft een menswaardig leven te leiden. Ook al doet de overheid mooie beloften door economische, sociale en culturele rechten te waarborgen (recht op werk, sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid, sociale, medische en juridische bijstand, culturele en sociale ontplooiing), toch acht ze het geen directe verplichting om deze rechten voor iedereen concreet te verwezenlijken. Krachtens het Internationaal Verdrag inzake Sociale, Economische en Culturele rechten (IVSECR), verbinden de staten zich er nochtans toe met volledige gebruikmaking van de hun ter beschikking staande hulpbronnen en met alle passende middelen steeds nader tot een algehele verwezenlijking van de erkende rechten te komen[262].

Niettemin stellen we vast dat de overheid inspanningen levert om de levensomstandigheden van mensen die in armoede leven te verbeteren. De federale staat, de gewesten en de gemeenschappen nemen maatregelen en werken nationale actieplannen voor maatschappelijke insluiting uit[263] (NAPincl) die bij de EU worden ingediend. Het Brussels Hoofdstedelijk gewest nam in 1991 een ordonnantie aan ter opstelling van een jaarverslag over de armoede in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest[264]. Na bespreking van het verslag met de veldwerkers, formuleert het Parlement aanbevelingen voor de verschillende regeringen. Het Brusselse huisvestingsbeleid getuigt van wilskracht, maar jammer genoeg maakt de concrete uitvoering ervan de ambities niet waar.

De sociaal-economische realiteit van de Brusselse gezinnen

De sociaal-economische realiteit van de Brusselse gezinnen is erg uitgesproken in de stedelijke omgeving. Alle indicaties wijzen op een armoedeconcentratie in de centraal gelegen gemeenten en de gemeenten langs het kanaal. Een meer welgestelde bevolking leeft in de randgemeenten, die een groot aantal sociale woningen tellen, wat wijst op sociale ongelijkheden.

 

De Brusselse huisvesting bestaat voornamelijk uit oude en verloederde gebouwen. Wonen in Brussel is duur in vergelijking tot het gemiddelde inkomen van de inwoners. Volgens de sociale barometer[265] zijn 57,4% van de Brusselse woningen huurwoningen. Op 31 december 2003 waren er 38 870 sociale woningen, hetzij 7,9% van de Brusselse woningen. In november 2005 waren 23 140 gezinnen ingeschreven op de wachtlijst voor een sociale woning, wat neerkomt op 59,5% van het aanbod aan sociale woningen. We nemen algemeen aan dat ongeveer 50% van de Brusselse gezinnen beantwoordt aan de inkomensvoorwaarden om een sociale woning toegewezen te krijgen. Om het aantal sociale woningen te verhogen, zijn er andere ‘socialisatie’-initiatieven in de sector van de privé-huisvesting, meer bepaald de sociale woningbureaus. In ieder geval weegt de huisvesting zwaar door op het gezinsbudget van de armere gezinnen.

De invloed van het begrotingsbeleid op het leven van de armste gezinnen

De economische rechten willen een bestaansminimum waarborgen. Daarom waarborgt de staat, ongeacht de inkomstenbron, een minimuminkomen, via het gewaarborgd minimumloon bij een beroepsactiviteit of via de toekenning van sociale uitkeringen of een leefloon. Ook hier is het de bedoeling iedereen de mogelijkheid te geven een menswaardig leven te leiden[266].

 

Vroeger leefden de gezinnen traditioneel van één inkomen. Hoewel de meeste gezinnen momenteel van twee inkomens leven, wordt het traditionele model nog altijd gebruikt als basis voor de sociale bijstand aan gezinnen die geen (of slechts gedeeltelijke) beroepsinkomsten of vervangingsinkomen hebben. In tegenstelling tot de sociale bijstand, is de sociale zekerheid een verzekeringsstelsel: bij risico’s kent de sociale zekerheid tegemoetkomingen toe aan iedereen die een bijdrage heeft betaald, ongeacht de familiale situatie. In 1980 voerde de overheid, met het oog op begrotingsbesparingen, echter de categorie van ‘samenwonende’ in bij de sociale zekerheid, naar het voorbeeld van de sociale bijstand: voortaan houdt de sociale zekerheid rekening met het inkomen van de andere gezinsleden voor de toekenning van een vervangingsinkomen, waarmee ze afstapt van de verzekeringslogica.

De gevolgen voor de keuze van de huisvesting

Door deze categorie van samenwonende in te voeren, trekt de staat het inkomensniveau van de gezinnen in het algemeen naar beneden. Dit heeft zware gevolgen en drijft de arme gezinnen naar verschillende oplossingen om naar een administratief voordeligere categorie over te gaan[267]. Door de materiële problemen zetten de gezinnen een punt achter hun leven als koppel, met als gevolg dat nu twee tegemoetkomingen worden toegekend, de ene voor een gezinshoofd (doorgaans de moeder die de kinderen ten laste neemt) en de andere voor een alleenstaande persoon (doorgaans de vader zonder kinderen)[268]. Deze strategie van sociale fraude heeft belangrijke gevolgen voor de situatie en het welzijn van de gezinnen. Er zijn hierbij twee mogelijkheden: ofwel geeft de vader een fictieve verblijfplaats op en blijft hij in de gezinswoning leven, ofwel verlaat hij de gezinswoning. De fictieve woonplaats is mogelijk via de huur van een nepwoning (een bed in een kelder bijvoorbeeld) of via een postbus (waarvan de huurprijs naar zeggen in Brussel momenteel meer dan 120 euro per maand bedraagt). De vader wordt ‘illegaal’ in zijn eigen gezin, hij verbergt zich voor de buren uit angst om verklikt te worden. Bij huwelijksconflicten verergert de situatie, want hij heeft geen enkel officieel recht op de gezinswoning. Wanneer de vaderfiguur het gezin verlaat, verliezen de kinderen een identiteitsreferentie[269]. Bovendien komt de gezinssolidariteit in het gedrang omdat het gezinshoofd iemand in moeilijkheden (ouder, volwassen kind, vriend) niet meer kan opvangen, omdat hij of zij anders in de categorie van samenwonende belandt. Sommige gezinnen verzetten zich echter tegen deze breuksituaties en proberen zich uit de slag te trekken met het weinige dat ze krijgen.

Een waardige woning? Tussen politieke intentie en de ervaringen van arme mensen

In de Brusselse huisvestingscode[270] wordt het begrip ‘waardige woning’ gekoppeld aan minimumvereisten op het gebied van veiligheid, netheid en voorzieningen. Het adjectief ‘waardig’ wijst op de kwaliteit van de woning in verhouding tot een algemenere sociale norm, eerder dan tot de levensstandaard van het individu. Niet het sociaal-economisch of cultureel niveau van de persoon en zijn gezin, maar wel wat sociaal aanvaard wordt in een gegeven maatschappij geldt dus als referentie. Er is dus geen reden dat de kwaliteit van de woning anders (lees minder goed) moet zijn voor een arme persoon dan voor een rijke persoon. Het begrip waardigheid mag niet worden herleid tot het begrip netheid. Waardigheid heeft meer te maken met comfort en waardigheid (in Frankrijk spreekt men van ‘waardige woningen’), terwijl netheid zich beperkt tot de impact in termen van veiligheid en gezondheid. Een vuile woning is altijd een onwaardige woning, maar een onwaardige woning is niet noodzakelijk vuil.

 

In de praktijk stellen we vast dat gezinnen in erg moeilijke omstandigheden leven. De menselijke waardigheid heeft zowel voor de overheid, als in de werkelijkheid verschillende betekenissen. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest hebben gezinnen met een bescheiden inkomen geen daadwerkelijk recht op een woning. De huurprijs is een lelijke streep door hun budget en het beperkt aantal kwaliteitswoningen op de markt maakt dat zij op zoek gaan naar de goedkoopste woningen, die soms niet beantwoorden aan de normen van waardigheid. Bovendien bevinden de kandidaat-huurders zich in een ondergeschikte positie om hun recht op een woning te doen gelden. De meest kwetsbare personen worden gediscrimineerd en uitgebuit door de eigenaars (illegale huurwaarborgen, discriminatie wegens het financieel en sociaal statuut, de huidskleur, de seksuele geaardheid, bedrieglijke huurcontracten, buitengerechtelijke uitzettingen ‘manu militari’ die volkomen illegaal zijn, huisjesmelkers,…).

Uit de getuigenissen blijkt dat gezinnen in overbevolkte woningen leven, zonder basiscomfort, met een minimum aan sanitaire voorzieningen, parasieten, schimmels, vochtigheidsproblemen, geluidsoverlast, gevaarlijke of onbestaande verwarmingsinstallaties, gebrekkige verluchting, te weinig licht, overdreven elektriciteitskosten, een gebrek aan groene ruimten en ontspanningsmogelijkheden in de buurt.

 

De mensen kunnen naar het gerecht stappen om hun rechten te doen gelden. De toegang tot verdedigingsmiddelen is echter niet voor iedereen evident. Huurders zijn vaak bang om naar het vredegerecht te stappen: de procedure is duur en het resultaat onzeker.

Gevolgen van de buitensporige woningprijzen

Het ontbrekende recht op een gezonde woning brengt het recht op gezondheid in het gedrang, dit zowel rechtstreeks (toxische hinder, koude, vocht, allergieën) als onrechtstreeks wegens een grotere vatbaarheid voor ziekte door het op elkaar gepropt zitten, stress, het gebrek aan eigenwaarde en vereenzaming. Bovendien kan de woning ook een belemmering vormen voor de toegang tot medische zorgen, wanneer de deur uit schaamte of angst dicht blijft voor gezondheidswerkers of wanneer het onmogelijk is om in de woning verzorgingen correct uit te voeren. Voorts is een verloederde woning doorgaans gelegen in een verloederde buurt. De infrastructuur (groene ruimten, openbare ruimten) die het gebrek aan ruimte binnenshuis zouden moeten compenseren, laten vaak te wensen over in de arme Brusselse wijken.

 

De Brusselse armoedeverslagen[271] brengen aan het licht dat de kwaliteit en de ligging van de woning ook een invloed kunnen hebben op het sociale leven. Zo komt het voor dat gezinnen uit schaamte hun ellende verborgen houden: als je arm bent, neem je minder en minder deel aan het sociale leven: alles is te duur, dus je blijft thuis. De overheersende gevoelens zijn schaamte, angst, angst om ziek te worden, gevoel van verwerping, destabilisatie en verlies van zelfvertrouwen, angst om geen goede ouders te zijn.

 

Uiteindelijk leidt armoede tot slaapstoornissen, depressie, teruggetrokkenheid, sociale vereenzaming, relatieproblemen, huwelijks- en gezinsproblemen en zelfs scheidingen, uitsluiting, marginaliteit. Opgroeien in een arm milieu is ook moeilijk: deze kinderen nemen niet deel aan ontspanningsactiviteiten zoals film, circus, sportactiviteiten,…, uit geldgebrek. Uit getuigenissen weten we dat sommige kinderen zelfs niet meer regelmatig naar school gaan omdat ze beschaamd zijn dat ze de schoolkosten niet kunnen betalen en bang zijn om voor de ogen van de andere kinderen gestraft te worden. Deze voortdurende ellende zorgt onvermijdelijk voor spanningen binnen het gezin. Sommige jongeren vluchten weg uit het gezin wegens de onhoudbare sfeer. Anderen stoppen met studeren om de gezinsellende te ontvluchten in de hoop het er beter vanaf te brengen als ze alleen zijn.

 

Ieder jaar worden duizenden gezinnen bedreigd met uitzettingen, die door de burgemeester worden uitgesproken wanneer de woning vuil, onbewoonbaar of onveilig is of door de vrederechter wanneer de contractuele verplichtingen, zoals de betaling van de huur, niet worden nageleefd.

Als huurders uit de woning worden gezet, moet de overheid het gezin theoretisch gezien een nieuw onderkomen geven. Dit gebeurt zelden in de praktijk: er is een gebrek aan betaalbare woningen. Uit het veldwerk leren we dat uitzettingen altijd traumatiserend zijn, vooral voor de kinderen, ook al werden maatregelen genomen om de uitzettingen ‘menselijker’ te maken[272]. De persoonlijke meubels en goederen van de uitgezette huurders worden bewaard in een opslagplaats van de gemeente – die niet altijd geschikt is en waarvan het beheer afhakelijk is van gemeente tot gemeente – tot een oplossing is gevonden. De gezinnen staan op straat en moeten op zoek naar een noodoplossing. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zitten de opvangtehuizen overvol door het gebrek aan nette en betaalbare woningen. De gezinnen zijn niet opgewassen tegen deze problemen en stevenen af op een scheiding om chaotische oplossingen te vinden. Hetzelfde geldt voor de overgangswoningen: deze tijdelijke oplossing wordt definitief, waardoor dit geen optie meer is voor andere gezinnen.

 

Financiële problemen en vereenzaming zouden arme mensen ertoe kunnen brengen een woning te delen. De meest ontredderde mensen die op straat leven, hebben niet alleen moeite om een geschikte woning te vinden, maar als het eindelijk zover is, krijgen ze ook te maken met vereenzaming. Daarom houden de meesten onder hen het niet uit in een privé-woning. Zij hebben baat bij de initiatieven van gemeenschappelijke begeleide huisvesting, maar ook daar duiken problemen op in verband met de categorie van de medebewoners en de mogelijke vermindering van de inkomsten.

Conclusies en voorstellen

Menselijke waardigheid hangt samen met de capaciteit om een zelfstandig leven te leiden, in waardige omstandigheden te leven en een volwaardig burger te zijn. De waardigheid van arme gezinnen wordt echter voortdurend aangetast. Zij moeten zich aanpassen aan de afhankelijkheidslogica en aan de categorieën waarin de maatschappij hen onderbrengt. Zij moeten ‘verantwoordelijke armen’ zijn, terwijl ze om te overleven ‘trucjes en foefjes’ moeten gebruiken zoals sociale fraude, delinquentie, zwartwerk. Deze werkwijze verbant hen onherroepelijk naar een leven aan de rand van de maatschappij.

 

Met de huidige tegemoetkomingen en sociale uitkeringen is het niet mogelijk een waardig leven te leiden. Het bestaansminimum wordt trouwens aangevuld met tal van sociale tegemoetkomingen van het OCMW. Enerzijds is het  noodzakelijk om het bedrag van het bestaansminimum op te trekken, net als de lage lonen (via de belastingen) om werkloosheidsvallen te vermijden.

 

Om anderzijds ongelijkheden, discriminatie en afhankelijkheid te voorkomen, is het van essentieel belang om de categorie van samenwonende af te schaffen, te meer omdat deze categorie gezinnen aan het wankelen brengt en leidt tot aanzienlijke identiteitsproblemen bij jongeren. Bovendien verhindert deze categorie een progressieve re-integratie via formules van gemeenschappelijke huisvesting.

 

Tot slot is er dringend nood aan meer kwaliteitsvolle en betaalbare woningen om de levensomstandigheden van de armste gezinnen te verbeteren.


 

Gezin en armoede

DE WITTE, Jozef

Directeur van het Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding

 

DE BOE, Françoise

Adjunct-coördinatrice van het Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting

 

De volgende tekst is ontleend aan de werkzaamheden van het Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting. Dit Steunpunt kreeg van de federale staat, de gewesten en de gemeenschap de opdracht overleg te organiseren met de partijen die een rol spelen bij de armoedebestrijding – met bijzondere aandacht voor de participatie van mensen die zelf in armoede leven – en aanbevelingen te formuleren voor de beleidsmakers[273]. Het Steunpunt brengt verslag uit van de resultaten van dit opzet in een tweejaarlijks verslag[274].

De impact van armoede op het gezin

Om als gezin te kunnen bestaan[275], moeten een aantal voorwaarden vervuld zijn, waaronder een inkomen dat het mogelijk maakt waardig te leven, plannen te maken en een behoorlijk onderkomen te hebben.

 

Voor heel wat gezinnen onderaan de maatschappelijke ladder is het een dagelijkse realiteit om steeds keuzes te moeten maken tussen uitgaven die allemaal even belangrijk zijn, met andere woorden uitgaven die verbonden zijn aan de uitoefening van fundamentele rechten – gezondheidszorg, school, huur, energierekening,… Drie kenmerken van het inkomen spelen een beslissende rol bij het openen of ontbreken van perspectieven: het bedrag van het inkomen, de regelmaat ervan en de autonomie die het verschaft. In de huidige maatschappij zijn deze elementen nog nauw verbonden aan de geleverde arbeid ook al is arbeid geen waterdichte dam tegen armoede.

 

In 2004 leefde 13,2% kinderen in een gezin zonder loonarbeid. In 2000 bedroeg dit percentage 10,8%[276]. De regelmaat van een inkomen is essentieel om er van te kunnen leven en niet alleen om er mee te overleven. Nochtans ontstonden de laatste tien jaar heel wat banen die dit niet garandeerden.

 

De zelfstandigheid die men verwerft door het inkomen, een essentieel gegeven om projecten te kunnen verwezenlijken, lijdt momenteel onder de vermenigvuldiging van selectieve maatregelen in heel wat domeinen. Kwetsbare personen komen vaak in aanmerking voor uiteenlopende bijstand: geld, voedselpakketten, stookoliecheque, medische kaart, kortingskaart voor culturele evenementen, studiebeurs, gratis juridische bijstand,…

 

De huisvestingssituatie is geen geheim: er zijn te weinig betaalbare degelijke woningen. 5,7% van de bevolking leeft in een huurwoning van een overheidsinstantie, terwijl het Europese gemiddelde 17% bedraagt[277]. De meeste personen met een laag inkomen zijn dus aangewezen op de privé-huurmarkt waar de prijs-kwaliteitsverhouding uit evenwicht is. De prijsstijgingen zijn het hoogst bij woningen uit een lagere categorie. Schulden verbonden aan de woning, achterstallige huur, gas-, elektriciteitsrekeningen, komen steeds vaker voor. Vooral kroostrijke gezinnen vinden heel moeilijk een voldoende grote woning.

 

Maar niet alleen materiële factoren maken dat een gezin kan bestaan. Ook de manier waarop het gezin wordt bekeken, speelt een cruciale rol. Antropoloog Claude Levi-Strauss schoof de ‘sociale goedkeuring’ naar voor als één van de constanten in de gezinnen die hij bestudeerde op geografisch veruiteenliggende plaatsen[278]. De blik van de maatschappij is bepalend voor de gezinsvorming: alleen gezinnen die beantwoorden aan dit criterium van sociale goedkeuring zouden recht hebben op bescherming van het gezinsleven. Het recht weerspiegelt en vormt immers de waarden van de maatschappij. De maatschappelijke integratie van het gezin is op haar beurt geconditioneerd door de rechten die het gezin geniet en doen gelden. Zo zou het ondenkbaar geweest zijn om gezinnen bestaande uit twee personen van hetzelfde geslacht op te nemen in de oorspronkelijke tekst van de wetgeving betreffende de kinderbijslag.

 

Het is dus van belang even stil te staan bij de manier waarop arme ouders en hun kinderen worden bekeken. De verschillende manieren waarop arme gezinnen werden behandeld in de loop van de geschiedenis getuigen van maatschappelijke afkeuring. In de 18de en 19de eeuw waren er heel wat arme gezinnen die in pure ellende leefden. Arme gezinnen werden als gevaarlijk beschouwd voor de kinderen die erin opgroeiden. Deze negatieve voorstelling leidde tot de onteigening van het volksgezin, dat werd beschouwd als een haard van zonde en ellende. De kinderen zelf werden enerzijds gezien als behoeftig, zij hebben nood aan bescherming, maar anderzijds gevaarlijk geacht voor de maatschappij: ze kregen dus hulp, maar via arbeid die veel weg had van uitbuiting. Hun scholing kreeg weinig aandacht. De 20ste eeuw werd de eeuw van de internationale teksten betreffende de bescherming van de rechten van de mens waaronder het recht om een gezin te stichten en het recht op bescherming van het gezinsleven[279].

 

Deze vooruitgang wordt echter niet automatisch weerspiegeld in de praktijk. Ook vandaag nog roepen arme gezinnen een negatief beeld op dat zij ervaren als een gebrek aan respect, wat de vele moeilijkheden waarmee zij dagelijks kampen nog groter maken .

 

Armoede vormt een bedreiging voor de gezinnen wegens de levensomstandigheden en het negatieve beeld van de maatschappij, maar ook omdat armoede een rechtstreekse en onrechtstreekse oorzaak is van de plaatsing van kinderen. Geen woning of een slechte woning, ouders met gezondheidsproblemen, scheidingen, schoolproblemen bij de kinderen (spijbelen, moeite om mee te kunnen,…), het zijn stuk voor stuk in de arme milieus aanleidingen voor plaatsingen. Tien jaar geleden stelde de sector van de jeugdbijstand zich ernstige vragen bij dit verband tussen armoede en de plaatsing van kinderen dat sterk naar voor kwam in het algemeen armoederapport[280]. Vandaag de dag wordt dit verband niet meer in twijfel getrokken zoals toen. Binnenkort zal een onderzoek worden opgestart om dit verband objectiever te vatten[281].

De rol van het gezin in de strijd tegen de armoede

Het gezin is een plaats waar zowel  ongelijkheden ontstaan als  armoede wordt bestreden.

 

Slechte levensomstandigheden zijn niet bevorderlijk voor de ontplooiing van de kinderen. Daarover is iedereen het eens. Kinderen uit een arm milieu haken vaker af op school, zijn in minder goede gezondheid,… Statistieken bevestigen deze empirische vaststelling. Zo werd een statistisch verband gelegd tussen de sociaal-economische achtergrond van kinderen en hun schoolprestaties. Het beroepsstatuut en het opleidingsniveau van de ouders zijn bepalende factoren voor de schoolresultaten[282]. Wat moeten we uit deze feiten en cijfers afleiden? Is het in het belang van het kind om uit zijn milieu te worden gehaald? De positieve gevolgen van een dergelijke maatregel, met het oog op de toekomst van het kind, zijn niet bewezen. Het zou de moeite waard zijn om onderzoek te verrichten waarbij dezelfde personen, in dit geval geplaatste kinderen, over de hele lijn worden gevolgd.

 

De stem van gezinnen die in armoede leven, laat steeds meer van zich horen en wordt zelfs ingeroepen en gesteund door de overheid. Het algemeen verslag over de armoede bijvoorbeeld en de tweejaarlijkse verslagen van het Steunpunt geven niet alleen informatie vanuit het oogpunt van derden, maar ook vanuit het oogpunt van de voornaamste betrokkenen. De armen bouwen beetje bij beetje zelf hun imago op en bijgevolg ook de maatschappelijke blik op hen. Gezinnen worden niet meer louter gezien als een belemmering voor de toekomst van hun kinderen, maar ook als een plek waar tegen armoede wordt gestreden.

 

Het behoud van de sociale cohesie is één van de drijfveren van arme ouders en vormt een essentiële hefboom van het beleid tegen de armoede. Het belang van de gezinsbanden miskennen, compromitteert daarentegen de doeltreffendheid van ieder initiatief aangezien het de doelgroep niet kan meekrijgen.

 

Verschillende wetswijzigingen getuigen van deze grotere erkenning van de moeilijkheden die arme mensen ondervinden en de inspanningen die zij leveren om hun ouderlijke verantwoordelijkheid op te nemen. De afschaffing van de wet betreffende de verlatenverklaring en de vooruitgang die werd geboekt met het oog op het behoud van de kinderbijslag voor ouders van geplaatste kinderen zijn hier voorbeelden van. Daarenboven komen mensen meer en meer onder druk te staan. Het aantal aangiften neemt toe en dus ook het aantal gezinnen dat  zich aanmeldt bij de sociale diensten, niet op eigen verzoek, maar wel omdat ze daartoe gepusht of zelfs gedwongen werden door een buur, de school, de politie, een arts,…

 

In de Franse Gemeenschap dragen verschillende wetten hiertoe bij, bijvoorbeeld het decreet over mishandeling en het decreet over de opdrachten van de school. Heel wat maatschappelijke actoren zijn erg voorzichtig geworden: zij zijn bang risico’s te nemen en zorgen er preventief voor dat hun verantwoordelijkheid niet op de helling wordt gezet. Terwijl tien jaar geleden de verdeling van de begrotingsmiddelen en de manier waarop de plaatsen werden gesubsidieerd als voornaamste obstakels golden voor de vermindering van het aantal plaatsen, lijkt de oorzaak nu te liggen bij het feit dat men geen risico meer wil nemen met de gezinnen. Het personeel in de jeugdbijstand haalt een ander probleem aan: zij beschikken over erg weinig om niet te zeggen geen middelen om de componenten van de bestaansonzekerheid aan te pakken. Deze onzekerheid is gevaarlijk door alle gevolgen die zij meebrengt, waardoor de consulent geneigd is het kind te plaatsen in een milieu met betere levensomstandigheden omdat de bemiddelaar de natuurlijke omgeving van het kind niet kan veranderen.

De twee facetten van het recht op bescherming van het gezinsleven

De overheid moet enerzijds gepaste maatregelen nemen zodat alle voorwaarden verenigd zijn om als gezin te kunnen bestaan. Anderzijds mag zij zich niet mengen met het gezin, de persoonlijke levenssfeer.

 

Een inkomen waarborgen zodat levensprojecten kunnen worden verwezenlijkt, de kwaliteit van de banen en een meer sociale economie bevorderen, de sociaal-economische ongelijkheden op gezondheidsvlak bestrijden, een duurzaam huisvestingsbeleid voeren, zijn te volgen richtlijnen voor de mensen in het veld[283]. Mensen die in armoede leven hameren erop dat het onmogelijk is een recht te garanderen zonder de andere rechten te garanderen, want de fundamentele rechten zijn ondeelbaar. Ook veldwerkers worden geconfronteerd met de link tussen de verschillende beleidslijnen: ze hebben vaak het gevoel dat zij werken om op lokaal vlak oplossingen te zoeken voor structurele leemtes in het beleid, om de armoede te bestrijden die elders wordt gecreëerd. De plicht van de overheid om maatregelen te nemen, houdt ook in dat moet worden toegezien op de samenhang van het gevoerde beleid.

 

Een tegemoetkoming voor de opvoeding van de kinderen zal nooit een ontoereikend inkomen, een onbewoonbare woning, een hondenbaan of werkloosheid goedmaken. Een tegemoetkoming die rekening houdt met de verzuchtingen van ouders en kinderen kan wel de gezinskern beschermen. De gezinskern vormt de basisstructuur voor de ontwikkeling van de persoonlijkheid en de sociale integratie[284]. Deze tegemoetkoming kan verschillende vormen aannemen. De rol van de overheid beperkt zich dus niet tot regelgeving. De overheid heeft ook de taak initiatieven te steunen die ontstaan in de onmiddellijke omgeving van de gezinnen en beter aanslaan dan acties van buitenaf omdat ze afgestemd zijn op hun situatie. Sommige veldwerkers aarzelen niet om te spreken van een noodzakelijke ‘deprofessionalisering’ van de bijstand, met de nadruk op het feit dat mensen uit de omgeving bereid zijn verantwoordelijkheden op te nemen. Het opvangbeleid beschouwen als gezinsondersteuning en niet louter als bevordering van de werkgelegenheid is een andere vorm van bescherming van de gezinsstructuur. De eigenlijke mogelijkheden voor kinderopvang variëren momenteel sterk naar gelang van het sociaal statuut. De beschikbare plaatsen in de opvangstructuren, die ontoereikend zijn in verhouding tot de vraag, gaan eerst naar werkende ouders. Voor de talloze andere situaties waarin ouders hun kind willen laten opvangen is er geen oplossing, te meer omdat het sociaal netwerk van arme gezinnen fragiel is.

 

De overheid mag zich niet moeien met de persoonlijke levenssfeer. Dit tweede facet van het recht op de bescherming van het gezinsleven ligt bijzonder gevoelig bij de arme gezinnen. Arme gezinnen krijgen immers vaak te maken met vervangingsrechten die per definitie een verificatie vergen van de toegangsvoorwaarden, bijvoorbeeld de controle door het OCMW voor de toekenning van het leefloon of maatschappelijke dienstverlening, wat doorgaans wordt ervaren als binnendringen in het privé-leven. De sociale werkers zijn ook erg betrokken bij dit aspect van de sociale bescherming. Zij zeggen vaak moeite te ondervinden om een evenwicht te vinden tussen een bijstandsideaal en de realiteit van de controle.

 

***

 

Gezin en armoede: er is een nauw onderling verband tussen beide termen. Armoede maakt gezinnen kwetsbaar, soms gaat de armoede zover dat ze de bestaanszekerheid van gezinnen in het gedrang brengt en de toekomstperspectieven van de kinderen aan banden legt. De aanwezigheid van kinderen zet de ouders ertoe aan strijd te leveren ondanks het gebrek aan zekerheden, meer bepaald op het gebied van werk, inkomen, huisvesting. Deze zekerheden zijn nodig om hun professionele, familiale en maatschappelijke verplichtingen na te komen. Om gezinnen voor wie bestaanszekerheid een dagelijkse uitdaging is, sterker te maken en de ouders te ondersteunen bij de uitoefening van hun verantwoordelijkheden moeten we van armoedebestrijding een prioriteit maken.


 

De panoramische blik van de Staten-generaal van het Gezin

De deelnemers van de werkgroepen in de debatrondes van de twee cycli van de Staten-generaal van het Gezin (SGG) hebben niet stilgezeten. Het resultaat na vele vergaderingen zijn aanbevelingen die het leven van gezinnen aangenamer zouden kunnen maken. Deze adviezen houden rekening met de vier transversale eigenschappen van de SGG: neutraliteit ten aanzien van de keuzes van de burger met betrekking tot de levenswijze en gezinsvorm, bijzondere aandacht voor de plaats en de belangen van het kind, gelijkheid tussen man en vrouw en solidariteit ten aanzien van de meest kwetsbaren. De aanbevelingen zoeken het evenwicht tussen een beleid gericht op het gezin en een individugerichte aanpak.

 

Enkel die adviezen waarover een consensus bereikt werd en nog niet werden omgezet in concrete acties werden opgenomen. Ze kunnen niet beschouwd worden als een politiek gegeven omdat het enkel een samenvatting is van de meningen, eisen en bekommernissen van het middenveld die door hun vertegenwoordigers werden geuit in de werkgroepen van de SGG. Op de portaalsite van het Gezin (www.degezinnen.be) kunnen alle aanbevelingen teruggevonden worden, alsook de verslagen en deelnemerslijsten van de vergaderingen. We bespreken de adviezen aan de hand van de structuur van het boek.

© Pierre Kroll, 2004

 

Het gezin en arbeid

De voorgestelde aanbevelingen moeten het mogelijk maken om gezins- en beroepsleven beter te combineren. Hierbij wordt niet enkel aandacht besteed aan gezinnen met kinderen, maar ook aan personen die de zorg van een derde op zich nemen. Er worden adviezen gegeven om gezinnen met een persoon met een handicap in hun midden op te vangen. Meestal veroorzaak het nieuws dat de baby een functiebeperking heeft een crisis in het gezin. De familiale organisatie moet herdacht worden en ook het professionele leven moet soms wijzigingen ondergaan. Ook aan de zelfstandigen is gedacht.

Ouderschapssteun

Steun aan ouders verlenen is een project van lange adem en vereist een aanhoudende geest van dialoog en overleg. Het ouderschap evolueert immers doorheen de tijd. De voorgestelde aanbevelingen van deze werkgroep hebben daarom eerder een duurzaam karakter dan dat ze onmiddellijk realiseerbaar zijn.

 

·         Begeleidings- en preventiemaatregelen verkiezen boven helende maatregelen.
De beschikbare middelen besteden aan preventie van kritieke situaties en de uitbouw van maatregelen voor de begeleiding van gezinnen en jongeren in moeilijkheden.

 

Verlofregelingen

De combinatie van het gezins- en beroepsleven loopt niet altijd van een leien dakje. De bestaande regelingen hebben hun nut al bewezen, maar toch is er nood aan een betere structuur van de bestaande verlofregelingen en begeleiding van ouders of mantelzorgers die terug naar de arbeidsmarkt willen keren.

 

·         Invoering van een verwantschapverzekering met het oog op een algemener stelsel van ‘naastenzorg’.

-         Een garantie invoeren om alle verloven die verband houden met verwantschap op te nemen.

-         De toegangs- en financieringsvoorwaarden van het volledige verlofstelsel harmoniseren.

-         Een onderscheid maken tussen verlof omwille van loopbaanoriëntering of verlof omwille van zorg.

 

·         Ouderschapsverlof, het verlof voor palliatieve verzorging en het verlof wegens ziekte of hospitalisatie van een naast familielid op dezelfde manier vergoeden.

 

·         Een stelsel van speciale verloven uitwerken voor gezinnen met een persoon die sterke afhankelijkheid vertoont.

-         Speciale vormen, in tijd en in vergoeding, van de verloven in de ouderverzekering.

-         Vergoeding zodat het behoud van inkomen voor gezinnen gewaarborgd is.

-         Uitbouw van een toereikend dienstenaanbod.

 

·         De terugkeer naar de arbeidsmarkt van ouders die hun professionele loopbaan onderbraken (moeilijkheden die vooral ‘herintredende vrouwen’ ondervinden) vergemakkelijken, rekening houdend met basiscompetenties en opleidingsniveaus van de ouders.
Voorbeelden:  als werkzoekende herinschrijven(hierdoor komen zij in aanmerking voor begeleidingsmaatregelen (opleidingen,…)), bekwaamheden die zij buiten het arbeidsveld verwierven valoriseren(kwalificatie),  levenslang leren en de overstap naar uitzendarbeid vergemakkelijken.

 

·         Mantelzorgers helpen om zich te re-integreren op de arbeidsmarkt en hun sociale rechten te vrijwaren.

-         - De mantelzorger moet opnieuw professioneel aan de slag kunnen als zijn ‘opdracht’ erop zit.

-         - De mantelzorger moet zijn recht kunnen uitoefenen op specifieke (bestaande of nog te creëren) verloven, rekening houdend met de jaren en de ervaring tijdens zijn hulpopdracht zowel in het werk als voor zijn pensioen.

-         - Gendergelijkheid promoten in de functie van mantelzorger.

 

… specifiek met betrekking tot het ouderschap

·         De periode van bescherming tegen een ontslag als gevolg van het moederschap (tot één maand na het einde van de rustperiode) moet met negen maanden worden verlengd naargelang van verschillende omstandigheden.

 

·         De beschermingsvergoeding verhogenin geval van een ontslag, dat volgt op een postnatale rustperiode.
De huidige vergoeding dekt wellicht niet alle morele schade veroorzaakt door een onwettig ontslag en ze geeft een werkneemster niet de mogelijkheid om haar rechten voor de gerechten te doen gelden.

 

·         Het verplicht prenataal verlof verliezen in geval van een vroegtijdige bevalling. De niet-opgenomen dagen  moeten bij het postnatale verlof kunnen worden bijgevoegd.

 

·         Het postnataal verlof moet beginnen op de dag van de bevalling zelfs wanneer de werkneemster die geen prenataal verlof heeft genomen, bevalt op de avond van een uitbetaalde werkdag.

 

·         De beschermingsperiode tegen een ontslag na het nemen van vaderschapsverlof moet vastgelegd worden op minstens drie maanden.

 

·         De voorwaarden om ouderschapsverlof op te nemen moeten worden versoepeld.
Men moet ouderschapsverlof kunnen nemen tot het kind 18 jaar is, de vergoeding van dit verlof moet worden verhoogd en de duur verlengd.

 

Kinderopvang

Voor veel ouders is gepaste kinderopvang vinden een uitdaging. Hoewel de kinderopvang in België kwalitatief goed is en zeer uitgebreid in vergelijking met andere landen, zijn er nog een aantal punten waar aan kan worden gewerkt. Met sommige van de voorgestelde maatregelen moet rekening gehouden worden met de bevoegheid van de gewesten en de gemeenschappen.

 

·         Het belastingvrije inkomen verhogen voor kinderen onder de drie jaar.
De ondernomen inspanningen voortzetten en de maatregel ook via het belastingkrediet toepassen.

 

·         Het aftrekbare bedrag verhogen voor opvangkosten, met optrekking van het maximumbedrag van 11,20 tot 15 euro.

 

·         De fiscale aftrekbaarheid aanpassen of uitbreiden van de kosten voor kinderopvang voor gezinnen in een sociaal-economisch kwetsbare situatie, meer bepaald via het stelsel van het belastingkrediet (werklozen die een opleiding volgen of solliciteren, éénoudergezinnen).

 

·         Collectieve diensten uitbouwen, naast individuele maatregelen.
De collectieve diensten versterken door maatregelen van de verschillende beleidsniveaus op elkaar af te stemmen.

 

·         Federale maatregelen stimuleren om crèches op te richten in samenwerking met de werkgevers.

-         De opvangcapaciteit uitbreiden met de medewerking van bedrijven. Bedrijven aanmoedigen door fiscale maatregelen toe te kennen.

-         Het maximumbedrag optrekken voor de aftrek van de opvangkosten voor kinderen tussen 0 en 3 jaar.

 

·         Overheidsdiensten moeten het voorbeeld geven.
Quotum aan opvangplaatsen financieren door grote overheidsdiensten, afhankelijk van het aantal ambtenaren die er werkzaam zijn.

 

·         Verhoogde aftrekbaarheid van opvangkosten voor kinderen met een handicap.
De gespecialiseerde instellingen die instaan voor de opvang van kinderen met een handicap moeten worden opgenomen in de lijst voor de belastingvrijstelling. De referentieleeftijd voor kinderen met een handicap zou moeten worden opgetrokken tot 15 jaar en eventueel tot 21 jaar als de kinderen onderwijs blijven volgen.

 

·         Ruimte waarborgen voor overleg over en coördinatie van het beleid inzake kinderopvang.
Dit bestaat al in de vorm van de interministeriële conferentie kind en jeugd/ rechten van het kind (IMC). Deze IMC moet zijn bevoegdheden kunnen verruimen met het begrip ‘kind en gezin’ en moet meer bepaald tot doel hebben de samenhang te bevorderen tussen het beleid inzake werkgelegenheid, fiscaliteit, openbare dienstverlening, infrastructuur, gelijkheid tussen man en vrouw, combinatie van beroeps- en gezinsleven,… Via een federale staatssecretaris voor het Gezin kan de samenhang gewaarborgd worden en het overlegproces in goede banen geleid worden. Deze IMC heeft de opdracht een ‘gemeenschappelijke basis’ te definiëren tussen de verschillende beleidslijnen op federaal, gewestelijk en gemeenschapsniveau en toe te zien op een degelijke coördinatie naargelang van de vooropgestelde doelstellingen, waaronder de kwaliteit en toegankelijkheid van de opvang waarborgen ongeacht de financieringswijze, de basisopleidingen en de voortgezette opleidingen in deze sector stimuleren en verbeteren, de verscheidenheid binnen de opvang bevorderen en ondersteunen op basis van duidelijke criteria en de integratie van kinderen met specifieke noden in de klassieke structuren ondersteunen via de financiering van geïndividualiseerde dienstverlening.

 

·         Een verlaagde BTW-tarief van 6% toepassen op de infrastructuur voor kinderopvang.
Particulieren die een gebouw van meer dan vijf jaar oud renoveren genieten een verlaagd BTW-tarief van 6%, terwijl dit voor de gewesten en gemeenschappen, die instaan voor de financiering van de opvanginfrastructuren,  21% bedraagt.

 

·         De federale staat moet financiële middelen voorzien inzien zij nieuwe richtlijnen oplegt aan de gewesten en gemeenschappen zodat de doelstellingen kunnen worden bereikt.

 

Gezinnen met een kind met een handicap

·         Het uitgangspunt is dat een gezin dat een kind met een ernstige ziekte of zware handicap heeft door het systeem van collectieve solidariteit niet zal afglijden in armoede op het gebied van inkomsten. De ouders moeten daarenboven de garantie krijgen dat ze de noodzakelijke tijd kunnen doorbrengen met het kind.

 

·         De ouders van een ernstig ziek of hulp moeten kunnen beschikken over informatie over de toegang tot zorgverlening, tot hun rechten, buurtdiensten, de nodige psychologische ondersteuning, begeleiding bij sociale en financiële problemen en een specifieke tegemoetkoming op basis van de geraamde kostprijs van de tenlastenneming met mogelijkheid tot een voorschot.

 

·         Er moet een interministerieel overleg georganiseerd worden over de maatregelen ten voordele van deze gezinnen.
Er moet permanent overleg gepleegd worden tussen de verschillende beleidsniveaus (federale overheid, gemeenschappen en gewesten) waarbij rekening gehouden wordt met de bevoegdheden en reeds geleverde inspanningen. Dit overleg moet als resultaat hebben gezamenlijke en complementaire maatregelen uit te werken. De aandacht moet gaan naar:

-         de psycho-sociale begeleiding bij het vernemen van de ziekte, tijdens en na de hospitalisatie

-         de oprichting van informatiestructuren

-         het betrekken van de ouders en de patiënt bij de tenlastenneming

-         de uitbouw van alternatieven voor de klassieke hospitalisatie

-         meer rekening houden met de pijn

-         de middelen om de aanwezigheid van de ouders te waarborgen (financiering, alternatieven voor verlof op langere termijn,…)

-         ondersteuning van broers en/of zussen

-         de uitbouw en financiering van plaatsen om op adem te komen

-         het statuut van de mantelzorger

-         de follow-up van de uitwerking en bijwerking van de maatregelen

 

Integratie op de arbeidsmarkt van personen met een handicap

De overgang tussen een periode zonder werk en werk verloopt niet altijd vlot. Personen met een handicap ervaren een werkloosheidsval door de uitkering die ze ontvangen wanneer ze niet werken.

 

·         Strijd tegen de werkloosheidsval voor personen die een inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) ontvangen.
Voor personen met een handicap is het noodzakelijk om de overgang naar een job eenvoudiger te maken. Als deze persoon niet meer werkt, moet hij/zij snel weer aanspraak kunnen maken op de IVT.

De zelfstandigen

Zelfstandigen hebben een specifieke beroepssituatie, hierdoor zijn voor deze categorie andere maatregelen nodig om het gezins- en beroepsleven beter te combineren.

 

·         Via dienstencheques of vervangers de maatregelen uitbreiden ten gunste van gezinnen die meer tijd aan hun gezin willen wijden.

-         uitbreiding van het dienstenchequesysteem in het kader van ouderschapsverlof, om te beginnen tot het kind drie jaar is

-         mogelijkheid om dienstencheques te combineren met de indienstneming van een ‘vervangingsondernemer’[285]

 

·         Zwangere zelfstandigen beschermen tegen gevaren op het werk.
Aangezien er voor vrouwelijke zelfstandige ondernemers geen enkele specifieke maatregel bestaat om hen bij zwangerschap te beschermen tegen gevaren op het werk, moet een wettelijk kader worden bepaald zodat een zwangere zelfstandige haar werk kan staken en vergoed wordt tijdens haar zwangerschap.

 

Het gezin en de overheid

Ook in het kluwen van sociale, fiscale en juridische wetgeving kunnen verbeteringen worden aangebracht. Hierbij moet rekening gehouden worden met de levensmoeilijkheden van sommige gezinnen. Het recht op fysieke integriteit moet beschermd worden. Dit houdt een bescherming van de zwakkere bevolkingsgroepen (ouderen, kinderen, uitgebuite personen,…) in door hun kwetsbaarheid te beperken, specifieke beschermingsmaatregelen te nemen en geweldplegers te vervolgen.

De sociale zekerheid

Kinderbijslag en de eventuele hervorming ervan maakten de hoofdmoot uit van de gevoerde debatten binnen het thema van de sociale zekerheid. De aanbevelingen situeren zich voornamelijk op dit domein.

 

·         Kinderbijslag moet evolueren naar een recht van het kind.

 

·         De minimumkosten van kinderen beter dekken door de overheid.

 

·         De kinderbijslag voor kinderen met een beperking verhogen.
Het vernieuwde stelsel zo snel mogelijk uitbreiden tot alle betrokken kinderen zonder beperking tot bijzondere leeftijdscategorieën.

 

·         Een leeftijdsbijslag toekennen aan een enig kind van een zelfstandige, mits hiervoor budgettaire ‘marges’ zijn en de zelfstandigen vragende partij zijn.

 

·         De verdeling van de kinderbijslag herzien in geval van scheiding met co-ouderschap.

Fiscaliteit

Het fiscale kader rond gezinsbeleid is complex. Binnen de fiscaliteit worden uiteenlopende situaties en bijzondere levensomstandigheden behandeld waarbij steeds aandacht besteed moet worden aan zowel het individu als de collectiviteit van het gezin.

 

·         De discriminaties wegwerken ten opzichte van gezinnen met een laag inkomen.
Gezinnen met een ontoereikend inkomen, komen niet in aanmerking voor voordelen waar ze wel van konden genieten indien hun inkomen hoog genoeg lag. Er moeten maatregelen komen zodat deze gezinnen wel van deze voordelen kunnen profiteren. Hieraan komt het belastingskrediet gedeeltelijk tegemoet.

 

·         Het belastingskrediet optrekken.

 

·         Het principe invoeren van verplichte belastingaangifte voor iedereen.

 

·         Het begrip ‘zware handicap’ verruimen in de fiscaliteit zoals in de kinderbijslag gebeurd is.

 

Personen ten laste

Het aantal personen ten laste heeft een invloed op de uiteindelijke berekening van de personenbelasting. In dit domein bestaan nog een aantal discriminaties waarover de werkgroep ‘Fiscaliteit’ zich over gebogen heeft.

 

·         Belastingsuitgave (verlaging van de belasting voor de burgers) of directe subsidie?
De doelstellingen voor gezinsondersteuning kunnen op beide manieren bereikt worden, maar er moet gekozen worden voor het goedkoopste en doeltreffendste instrument voor een bepaalde doelstelling.

 

·         Discriminatie tussen éénoudergezinnen en gescheiden gezinnen met kinderen ten laste met betrekking tot voorheffing van de belastingvrije sommen wegwerken.

 

·         De belastingsvrije sommen gelijkschakelen voor gehuwde/wettelijk samenwonende en ongehuwde koppels met betrekking tot de bedrijfsvoorheffing.

 

·         De bedrijfsvoorheffing afschaffen op de sociale uitkeringen (ziekte- en invaliditeitsuitkeringen, uitkeringen voor moeder- en vaderschapsverlof, voltijdse en deeltijdse loopbaanonderbrekingen, zorgverlof).

 

·         De plafonds optrekken voor de netto-bestaansmiddelen van een kind ten laste.

 

·         Het fiscale voordeel tussen de ouders verdelen.
Een (echt)scheiding mag geen aanleiding geven tot een belastingvoordeel noch tot een belastingnadeel. Er moet naar een verdelingsmodel worden gezocht voor de belastingvoordelen die voor een gelijke behandeling van de ouders zorgt.

Recht

Om aanbevelingen te doen in het rechtsdomein moet rekening gehouden worden met de verschillende rechtsgebieden in België. De geformuleerde aanbevelingen kunnen dus niet zonder meer omgezet worden in wetgeving, maar moeten eerst deel uitmaken van een interministeriële conferentie. Dit geldt vooral voor de thema’s rond jeugdbescherming en het op elkaar afstemmen van juridische instanties met de actoren uit de sociale en gezondheidssector.

 

·         Samenwerking tussen de diensten die afhangen van verschillende beleidsniveaus wanneer een kind samen met de moeder in de gevangenis verblijft gedurende en na het verblijf in de gevangenis van het kind.

 

·         De wettelijkheid van de interne reglementen van centra voor hechtenis van minderjarigen waarborgen.

 

·         Uitoefenen van het recht op persoonlijk contact tussen grootouders en kleinkinderen.

 

·         De versnippering van de bevoegdheden van de vrederechter, de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en de jeugdrechter tegengaan.
Hiervoor zijn drie opties:

-         Oprichting van een familierechtbank afdeling van de rechtbank van eerste aanleg

-         Uitbreiding van de bevoegdheden van de vrederechtbank (alle betwistingen met betrekking tot de verhouding tussen de echtgenoten en met betrekking tot de kinderen)

-         Oprichting familierechtbank, maar voorafgaande verplichte verzoening voor de vrederechter

 

Echtscheiding

Scheiden is een pijnlijk proces, maar een kind kiest niet voor deze pijn. Over dit thema werden adviezen gegeven om het kind te beschermen in geval deze geconfronteerd wordt met een gezinsbreuk en hoe vechtscheidingen vermeden kunnen worden.

 

·         Een schuldloze echtscheiding invoeren of  voorwaarden echtscheiding met wederzijdse toestemming versoepelen.

 

·         Het recht moet gezinsbreuken begeleiden.

 

·         Eerbied opbrengen voor de plaats van het kind in geval van een gezinsbreuk.

 

·         Het onderhoudsgeld berekenen op basis van sociaal-economische noden.

-         mogelijkheid tot reïntegratie op de arbeidsmarkt voor de echtgenoot die tijdens het huwelijk zijn of haar loopbaan volledig had onderbroken

-         ziekte

-         de tenlasteneming van de kinderen

-         de keuzes die het koppel maakte tijdens het samenleven

-         de leeftijd van de partijen.

 

·         De berekening van het onderhoudsgeld objectiveren via een geactualiseerde schaal.
Welk model ook wordt gebruikt, het mag geen ‘verplicht’ instrument worden, maar men zou ervoor moeten zorgen dat de rechter deze analyseschaal kan toepassen wanneer hij/zij vaststelt dat er geen akkoord is tussen de ouders.

 

·         Promotie maken voor  een objectief referentiemodel  ter berekening van het onderhoudsgeld.
Voor de maatschappelijke aanvaardbaarheid is het noodzakelijk om dit instrument zoveel mogelijk bekend te maken en ter beschikking te stellen aan de betrokken personen en diensten.

 

·         Bemiddeling aanbieden vanuit een multidisciplinair perspectief.

 

·         Voorafgaande verplichting om informatie in te winnen over bemiddeling.

 

·         Bewustmaken  voor bemiddeling.
Promotie op alle plaatsen waar aan preventie wordt gedaan en in de diensten die personen in een conflictsituatie opvangen.

 

·         Praat- en luistergroepen optichten voor kinderen van gescheiden ouders, opleidingen organiseren voor gezinnen die een scheiding voor of achter zich hebben en voorzien in gezinsbemiddeling vanuit de Dienst voor Alimentatievorderingen.

 

Ouderschap

Het ouderschap is geëvolueerd door de jaren heen. Het is niet meer uitzonderlijk dat een kind bij één van de biologische ouders leeft en de nieuwe partner. Deze partner staat ook in voor de opvoeding van het kind, maar in welke mate hebben zij ouderlijke verantwoordelijkheid en gezag over het kind? Deze vraag stelt zich niet alleen bij nieuwsamengestelde gezinnen, maar ook voor pleeggezinnen. Daarnaast werden er ook aanbevelingen gedaan over het beheer van het vermogen van minderjarigen.

 

·         Pleeggezinnen duidelijk maatschappelijk laten erkennen door het statuut te herbekijken.
Voorrang die wordt verleend aan het pleeggezin ten opzichte van de ouder(s) die in gebreke blij(ft)ven wanneer een aantal praktische maatregelen moeten worden genomen met betrekking tot het kind (schoolafspraken, gezondheidszorg), onder toezicht van de rechter plaatsen. Aan pleeggezinnen moeten ook een ruimere maatschappelijke en fiscale bescherming geboden krijgen.

 

·         Het ouderlijke gezag verdelen of overdragen.
Dubbelzinnige situaties of boycots wegens een duidelijk gebrek aan belangstelling van de ouders, wegens een conflict tussen de ouders of wegens beslissingen die de belangen van het kind schaden, worden vermeden in geval van plaatsing van een kind.

 

·         De veiligheid van het kind waarborgen door ‘wilde’ plaatsingen te verbieden.
Plaatsingen verbieden die buiten het gezinskader gebeuren door verenigingen die hiervoor geen erkenning genieten of zonder controle door een jeugdmagistraat.

 

·         Alternatieve maatregelen voor plaatsing in een instelling of pleeggezin – het opvangpalet uitbreiden.

 

·         Onbeschikbaarheid van het vermogen van minderjarigen uitbreiden.
Het betreft het vermogen dat aan de minderjarige wordt overgemaakt via (een) verzekeringscontract(en) en tot het vermogen dat via een schenking aan de minderjarige wordt overgemaakt, voor zover de schenker zijn wil uitdrukkelijk duidelijk heeft gemaakt. Concreet worden de categorieën van goederen die vrij kunnen worden beheerd door de ouders op deze manier sterk beperkt en aanzienlijkere bezittingen worden aan een controlemaatregel onderworpen.

 

·         Voorzien in de opstelling van een dossier in verband met het vermogen van de minderjarige wanneer deze erft of een schenking krijgt.
Volledige inventaris van het vermogen van de minderjarige die in de loop van de tijd wordt aangevuld met de verzoeken betreffende dit vermogen die achteraf bij de vrederechter worden ingediend. Dit maakt het gemakkelijker om controle uit te oefenen op het vermogen van de minderjarige.

 

·         Toeziende ouder/voogd aangesteld door de vrederechter of ouders (door middel van een testament/verklaring) in bijzondere gevallen (band tussen kind en overlevende ouder wordt verbroken of wanneer de vooroverleden ouder een handelszaak had die op naam van de minderjarige moest worden voortgezet en deze handel zekere bevoegdheden en/of een beschikbaarheid vergt waarover de overlevende ouder niet beschikt).

 

Het gezin en de samenleving

De samenleving bestaat uit vele aspecten, maar specifiek binnen de vergaderingen van de SGG werd aandacht besteed om het intergenerationele karakter van de samenleving te verbeteren, geweld in al haar vormen en armoede te bestrijden.

Intergenerationaliteit in de maatschappij

De intergenerationele dimensie in de samenleving beperkt zich niet tot de hulp aan en het gezelschap houden van ouderen. Het is eerder een dynamische visie met betrekking tot de relaties tussen verschillende generaties. Het gaat om verticale solidariteit die in beide richtingen gaat en de samenleving ziet als het geheel van verschillende levensfasen.

 

·         De intergenerationele dimensie is een maatschappelijk project.
Het moet een permanente leidraad vormen in alle beleidslijnen van de overheid en rekening houden met alle levensfasen en dimensies.

 

·         Aandacht voor ruimtelijke ordening.
De stedenbouw en de ruimtelijke ordening moet worden herzien met het oog op een betere verdeling van de openbare ruimtes ten voordele van alle generaties, een sociale leeftijdsmix bewerkstellingen en een betere toegankelijkheid voor personen met een beperkte mobiliteit of personen met een mentale of zintuiglijke handicap, die als eerste te lijden hebben onder het gebrek aan toegankelijkheid van de openbare ruimten.

 

Een plaats voor elke generatie in een samenleving met ‘multi-leeftijden’

Het begrip ‘sociaal nut’ of het vermogen van ouderen om een actieve rol te blijven spelen na hun loopbaan is belangrijk.

 

·         Tijdens de loopbaan moet er al nagedacht worden over wat mensen na hun loopbaan willen doen.

 

·         Het debat over de sociale functies die ingevuld kunnen worden door ouderen moet gevoerd worden, maar niet zoals in het Amerikaans model waar ouderen, omwille van professionele redenen, verplicht zijn professioneel actief te blijven.

 

·         Aandacht schenken voor de diversiteit aan sociale groepen binnen de samenleving.
Bijzondere aandacht moet gaan naar sommige sociale groepen zoals allochtonen, holebi’s en personen met een handicap, om te voorkomen dat ze met de leeftijd kwetsbaar worden, geïsoleerd raken, over het hoofd worden gezien of het slachtoffer worden van discriminatie. We stellen vast dat de structuren voor ouderen vaak geen rekening houden met deze bijzondere situaties of met culturele verschillen.

 

·         Een ‘observatorium voor de vergrijzing’ oprichten.
Een soort koepelstructuur waar men de verschillende problemen en hun evolutie kan analyseren en een repertorium van de verschillende innoverende initiatieven kan opstellen dat als een interface kan werken om projecten te ontwikkelen, die een werkelijke  deelname van de ouderen aan het maatschappelijk leven stimuleren en hun een leven in waardigheid waarborgen.

 

·         Een interministeriële conferentie omtrent het ouderenbeleid uitwerken.

 

Combinatie van de private en de publieke sfeer rond een oudere persoon

Natuurlijke en collectieve solidariteit zijn niet elkaars tegenpolen, maar vullen elkaar eerder aan en interageren. De mantelzorger maakt deel uit van een algemeen coördinatiesysteem en de zorgdiensten kunnen niet optimaal functioneren zonder de zorg van een referentiepersoon in de familie. De aanbevelingen van de SGG houden dit in hun achterhoofd. Zowel voor de thuiszorg van oudere personen als voor zij die opgenomen zijn in een ziekenhuis of verblijven in een rusthuis spreekt men over de combinatie van de private en de publieke sfeer.

 

·         Financiële toegang tot verschillende diensten in de vorm van een ‘persoonlijk assistentiebudget’ (PAB).
Aangezien de functie van ‘care’, zorg voor en begeleiding van een hulpbehoevende naaste aan belang wint, moet de uitbreiding worden overwogen tot de hele bevolking van een uniform vergoedingssysteem - vergoeding toegekend aan de hulpbehoevende persoon - om een beroep te kunnen doen op de nodige diensten of bijkomende hulp die niet van de mantelzorger komt.

 

·         Voor een gegeven grondgebied een kaart uitwerken die de diensten voor thuishulp, de instellingen, de ziekenhuizen, de OCMW’s bevatten zodat lacunes snel kunnen worden opgemerkt en naar een oplossing, afgestemd op het grondgebied, kan worden gezocht.

 

… Thuiszorg van oudere personen

·         Hulpmiddelen ontwikkelen en beter financieren waardoor de oudere persoon langer thuis kan blijven: dagopvang, videobewaking, aanpassing van de woning, thuishulp.

 

·         Het gamma aan ‘tussen’diensten (tussen thuis en een andere plaats om te wonen) diversifiëren.
Een gestructureerd aanbod van hulpdiensten definiëren en uitbouwen zoals dagcentra, diensten voor thuishulp, rustcentra, ‘gezinsonthaal’, rekening houdend met de bestaande decreten (Vlaams decreet over thuiszorg).

 

·         Uitbreiding van de proefprojecten die door het RIZIV gefinancierd worden in Wallonië met betrekking tot de nachtopvang (rustcentra).

 

… Rusthuizen

·         Intergenerationeel wonen promoten (Abby Fields, kangoeroewoningen in Vlaanderen, intergenerationele residentiële eenheid in Hannut, samenwoning van studenten en eenzame oudere personen in Barcelona).
Uitbouw via fiscale instrumenten, sociale leningen of investeringssubsidies.

 

·         Een positief beeld ophangen van het rusthuis en zorgen voor rusthuizen in de directe nabijheid van alternatieve of overgangsstructuren.

 

·         De participatie van ouderen aan de visie en de definiëring van de instellingen aanmoedigen en ondersteunen.

 

… Verbetering van het continuüm tussen thuis en het rusthuis

·         Personen de vrije keuze laten met betrekking tot hun woonplaats.

 

·         Mantelzorger betrekken bij belangrijke beslissingen indien de hulpbehoevende persoon deze niet meer zelf kan nemen.
De mantelzorger erkennen als spilfiguur bij de verzorging en de hulp die aan de persoon in kwestie wordt geboden, met eventueel de nodige psychologische en sociale ondersteuning. Door de mantelzorger op te nemen in een overlegsysteem dat de verschillende partijen samenbrengt, kan hij/zij zijn/haar behoeften en verwachtingen duidelijker kenbaar maken. Tegelijkertijd wordt hij/zij als een optredende partij beschouwd.

 

… De nazorg na een ziekenhuisverblijf overdenken

·         Beter nadenken over de uitbouw en financiering van de overgang van een ziekenhuis naar een ander onderkomen dan de eigen woonplaats. Vóór het ontslag uit het ziekenhuis moeten alle partijen (ziekenhuissector en sector ‘na het ziekenhuis’) rond de tafel gaan zitten om samen te werken, na te gaan wat er gebeurd is, welke verzorging de patiënt kreeg en in de toekomst moet krijgen. In dit opzicht zouden de geïntegreerde diensten voor thuishulp en thuiszorg moeten worden uitgebreid en beter gefinancierd.

 

·         Het verlaten van het ziekenhuis zou kunnen gebeuren via een opvangstructuur (rusthuis) in het kader van een kort verblijf, als overgang naar een terugkeer naar huis als dit een optie is.

 

·         Versterking en uitbouw van de structuren die een sas vormen (een denkruimte, een dienst binnen de ziekenhuismuren), om te bepalen wat er na het ontslag uit het ziekenhuis zal gebeuren, zodat de persoon in kwestie niet onder druk wordt gezet.

 

·         Het centraal plaatsen van de betrokken persoon bij het beslissingsproces en deze een actieve rol te laten spelen bij de beslissing. Naar dit model bestaan er in Frankrijk diensten voor nazorg en geriatrische revalidatie. De uitbouw van ziekenhuisdiensten aan huis komt eveneens tegemoet aan deze bekommernis.

Geweld

Deze werkgroep heeft gekozen voor een globale benadering van de verschillende vormen van geweld om oplossingen aan te reiken die vooral gericht zijn op het voorkomen van en het tegengaan van het verspreiden van geweld.

 

·         Geweld kent vele gezichten, wat een transversale visie vergt.
Naast het globaal veiligheidsplan onder leiding van de minister van Justitie en het nationaal actieplan tegen partnergeweld onder leiding van de minister van Gelijke Kansen moeten andere instrumenten worden ingezet om de maatregelen te plannen en de resultaten ervan te evalueren. Aan de basis van al deze instrumenten moeten evenwel eenzelfde visie en eenzelfde aanpak liggen van wat we willen bereiken. Dit vergt netwerking, met een verticale (tussen beleidsniveaus en tussen sectoren) en horizontale (tussen actoren op het terrein) dimensie, door de partijen op het terrein, wat op zijn beurt een stevige ondersteuning en toereikende financiering van de overheid vergt.

 

·         Geweld moet in de context waarin zij ontstaat, geanalyseerd worden.
Geweld kan zowel in een familiale context als binnen een relatie ontstaan, maar ook binnen genderrelaties of veroorzaakt worden door stereotypes die in de maatschappij bestaan (sociale en culturele identiteit van mannen en vrouwen).

 

·         Geweld oplossen via co-interventie van dader en slachtoffer.
Programma’s uitbouwen die gericht zijn op geweldplegers om agressieproblemen binnen een relatie aan te pakken.

 

Intrafamiliaal geweld

·         Verder kijken dan partnergeweld om de totale omvang van intrafamiliaal geweld in te schatten, geweld tegenover kinderen en oudere ouders.
Gecoördineerde instrumenten uitwerken tegen deze specifieke vormen van geweld.

 

·         Het nationaal actieplan toepassen voor de rechten van het kind in al haar dimensies.

 

·         De plaats en de rol van iedere ouder vrijwaren zodat geweld gebaseerd op het ontkennen en in twijfel trekken van het gedrag van de ouder in een gezin verwijnt.

 

·         In een geweldloos kader opvoeden zodat het kind een geweldloze cultuur kan worden bijgebracht.
Noodzaak om het Belgisch recht in overeenstemming te brengen met de internationale verplichtingen van België (aanbevelingen van de Raad van Europa) door het verbod op ieder vorm van geweld in het kader van de opvoeding in het burgerlijk wetboek in te voeren.

 

·         De instrumenten toegankelijk maken om zaken in vertrouwen te vertellen.
Uitwerken van een dicht netwerk van telefoonlijnen met op  zijn minst provinciale verbindingen en een uniek nummer bestaande uit vier cijfers.

 

·         Het begrip ‘goede behandeling’ promoten.
De personeelsleden, werkzaam in opvangstructuren voor oudere en kwetsbare personen, over referentiemateriaal laten beschikken om hun gedrag te kunnen aanpassen aan de mate van kwetsbaarheid van de opgevangen persoon en op die manier voorkomen dat deze persoon slecht wordt behandeld.

 

Institutioneel geweld

De sociale context is op zich geweldadig. Of het nu gaat om huisvesting, schulden, toegang tot rechten, diensten, cultuur of gezondheidszorg,… we stellen vast dat een aanzienlijk deel van de bevolking te kampen heeft met uiterst wrede sociaal-economische spanningen, die de menselijke waardigheid en de fundamentele rechten werkelijk kunnen aantasten. Bovendien hebben deze spanningen (of het gebrek aan overheidscontrole op sommigen economische krachten) een impact op het volledige gezin. Heel wat kinderen hebben er dus onder te lijden.

 

·         De overheid,  haar verschillende deelgebieden en de diensten die ervan afhangen, moeten deze verschillende spanningen betrekken in de strijd tegen alle vormen van geweld.

 

·         De fundamentele rechten van gezinnen in een onregelmatige situatie moeten worden gerespecteerd.
Gezinnen mogen niet vastgehouden worden in gesloten centra met het oog op een verwijdering, noch dat hun situatie onredelijk lang wordt gerekt.

 

·         De overheid moet een vertrouwensband opbouwen tijdens de opvang van personen in de administratieve diensten (opvang van kandidaat-vluchtelingen, gemeentelijke loketten,…).
De opleiding van de ambtenaren moet aangepast zijn aan het doel: personen opvangen met respect voor hun menselijke waardigheid of rekening houden met de kwetsbaarheid van personen bij het aanbieden van diensten en voorzieningen.

 

·         De kwetsbaarheid van sommige personen ten opzichte van geweld onderzoeken.
De financiën, huisvesting en relaties moeten worden onderzocht zodat er maatregelen kunnen worden genomen.

 

Cultureel geweld

·         Gedwongen huwelijken tegengaan.
Werk maken van preventie- en informatieboodschappen, zowel op school als in andere levensdomeinen, die gericht zijn tot alle betrokken partijen (jongens, meisjes, ouders, gemeenschap) omdat vrouwen binnen het huwelijk in een positie van onderwerping komen, wat hen kwetsbaarder maakt voor partnergeweld.

 

·         Vertrouwen schenken aan slachtoffers door duidelijke en toegankelijke maatregelen voor te stellen om vrouwelijke nieuwkomers te beschermen tegen dwang vanuit hun omgeving (schoonfamilie, echtgenoot).
Aan hen moeten dezelfde rechten toegekend worden als aan de slachtoffers van mensenhandel en crisisopvang waarborgen zodat ze geen vrees hebben om uitgewezen te worden (bij vrouwen die hier illegaal verblijven) of gescheiden te worden van hun kinderen.

 

·         De strijd tegen genitale verminking opdrijven.

-         Het wettelijke arsenaal om de daders of medeplichtigen van seksuele verminkingen te bestraffen verbeteren om rekening te houden met alle gevallen.

-         Doelgerichte informatie, opgesteld in overleg met de organisaties op het veld, sturen naar ziekenhuizen en opvangcentra voor vluchtelingen om het stilzwijgen rond genitale verminking te vermijden.

-         Bij aankomst op het Belgisch grondgebied moet aan risicogevallen begeleiding geboden worden teneinde de fysieke integriteit van de meisjes te eerbiedigen.

 

·         De overheid moet een beleid voeren gericht op de opvang, begeleiding en dialoog van kwetsbare personen.
Rechtstreeks via de plaatselijke instanties en organen of door de toegang te vergemakkelijken tot structurele mechanismen van maatschappelijke integratie (alfabetisering, netwerken voor uitwisseling van kennis,…).

 

Geweld in de media

Institutioneel gezien is het niet gemakkelijk om op een gecoördineerde manier op te treden tegen media- en reclameboodschappen. Toch kunnen strafmaatregelen worden overwogen op federaal niveau, vergezeld van maatregelen die de gemeenschappen nemen op hun bevoegdheidsdomein.

 

·         Werk maken van mediaopvoeding (media in al zijn vormen) en de consumptie moet een gemeenschappelijk doel zijn van alle overheden.
Op termijn is het wellicht belangrijk om op Europees vlak gemeenschappelijke principes te bepalen, aangezien de richtlijn ‘grenzeloze televisie’ de uitzending oplegt van zenders uit de andere lidstaten. In dit opzicht, zou België een krachtdadige houding moeten aannemen in het kader van de hervatting van de besprekingen rond deze richtlijn.

 

·         Media- en consumptie-opvoeding, in al haar vormen, aanbieden.

 

·         De gemeenschappen en de federale staat moeten een samenwerkingsakkoord sluiten om hun inspanningen te bundelen om de uitzending van tv-programma’s met een gewelddadig karakter in de loop van de dag en de vooravond te beperken of zelfs te verbieden.

 

·         De gemeenschappen en de federale staat moeten een samenwerkingsakkoord sluiten om hun inspanningen te bundelen om de verspreiding via affiches of tv van reclameboodschappen voor kinderen te beperken of zelfs te verbieden.

 

·         De uitzending van programma’s met geweld op sommige uren moet worden bestraft.
Deze strafbaarheid zou moeten worden uitgebreid naar iedereen die de uitzending van deze programma’s vergemakkelijkt of het mogelijk maakt ze op Belgisch grondgebied te ontvangen. De niet-naleving van de verbintenissen aangegaan door de tv-zenders moet eveneens worden bestraft door de controle-instanties.

 

·         De staat moet, in al zijn samenstellende delen, een deontologische code aannemen betreffende de campagnes en boodschappen die de staat uitzendt, om iedere onnodig gewelddadige, kwetsende of discriminerende boodschap uit te sluiten.

 

Armoede bij gezinnen: éénoudergezinnen en ‘duo-éénoudergezinnen’

Eénoudergezinnen zijn gezinnen waarbij één van beide ouders zich uitsluitend (overlijden, radicale verlating… ) of zo goed als uitsluitend (meer dan 90% van de tijd en exclusief ouderlijk gezag) bekommert om de opvoeding van de kinderen. Het opduiken van nieuwsamengestelde gezinnen in de vorm van ‘duo-éénoudergezinnen’ - bestaande uit het gezin van de ‘hoofd’-ouder en zijn kind(eren) enerzijds en het gezin van de ‘bij-ouder’ met dezelfde kinderen anderzijds - brengt nieuwe moeilijkheden mee rond de gezamenlijke toepassing van het ouderlijk gezag en door de onvermijdelijke toename van de globale uitgaven na een (echt)scheiding. Dergelijke gezinnen kunnen in een kwetsbare situatie belanden: financiële moeilijkheden, relationele problemen, problemen in verband met huisvesting,…

 

·         Maatregelen nemen voor de specifieke problemen waar deze gezinnen mee te maken krijgen.
Deze gezinnen moeten beter bekend zijn, zodat maatregelen voor begeleiding en, indien nodig, voor tenlasteneming, kunnen worden ingevoerd.

 

·         Gezinnen in moeilijkheden steunen via een betere onderlinge afstemming van de diensten en de beleidsniveaus.
Uiteenlopende diensten (op sociaal-sanitair vlak en op het vlak maatschappelijke integratie) dragen aanzienlijk bij tot de ondersteuning van gezinnen in moeilijkheden. Toch is er duidelijk een gebrek aan middelen die specifiek bedoeld zijn voor overleg en netwerking. Deze middelen kunnen niet onttrokken worden aan de middelen voor individuele tenlasteneming en moeten dus door alle beleidsniveaus worden goedgekeurd. In dit opzicht moet de rol van de OCMW’s en van de plaatselijke overheid als coördinator van plaatselijke initiatieven sterk worden opgedreven. De OCMW’s lijden echter onder een imago, dat mensen niet aanzet om er een beroep op te doen. Er wordt voorgesteld om een voorbeeld te nemen aan de centra in Quebec, waar de sociale mix van de personen die op deze centra een beroep doen veel gevarieerder is dan in België.

 

Algemene aanbevelingen vanuit de Staten-generaal van het Gezin

In alle werkgroepen van de Staten-generaal van het Gezin werden twee centrale aanbevelingen geponeerd:

 

·         Alle beschikbare informatie centraliseren en voor iedereen toegankelijk maken.
Hierbij lijkt het plaatselijke niveau het meest geschikt. Er moet een bijzondere inspanning geleverd worden zodat kwetsbare gezinnen begeleiding krijgen bij de stappen die ze ondernemen.

 

·         Een observatorium oprichten om  de impact van het beleid op het gezinswelzijn te observeren.
Deze instelling moet een soepele structuur hebben die de informatie van verschillende bronnen samenvoegt en de impact van het beleid op het gezinswelzijn meet.


 

Inzoomen op het gezinsbeleid

In tegenstelling tot de andere vier delen, laten we nu eerst de deskundigen, mensen uit de academische, politieke wereld of het middenveld, aan het woord. Zij drukken hun persoonlijke mening, visie of standpunt uit in hun tussenkomst.

 

Prof. Van Bavel bespreekt of het stimuleren van het aantal geboortes een antwoord kan bieden op de problematiek die veroorzaakt wordt door een vergrijzende bevolking en de toekomstige inkrimping van de bevolking in sommige Europese landen.

 

Elke generatie kan zijn nut bewijzen in de samenleving. Solidariteit is hierbij het sleutelwoord. Anne Jaumotte van de Ligue des Familles gaat dieper in op de mogelijke engagementen van een gezin om de maatschappij meer ‘intergenerationeel’ te maken.

 

Frédérique Fastre, Instituut voor de gelijkheid van mannen en vrouwen, haalt aan de intergenerationele zorg naar de ouders toe nog steeds vaak op de schouders van de vrouw terecht komt wat gevolgen heeft voor hun beroepsloopbaan. Toch wordt van hen verwacht dat ze evenwaardig op de arbeidsmarkt participeren als mannen.

 

Prof. Van Parijs vraagt zich af wat een rechtvaardig gezinsbeleid eigenlijk inhoudt op basis van het al dan niet toekennen van kinderbijslag aan gezinnen met kinderen. Hierbij balanceert hij tussen een collectieve benadering of een meer individugerichte aanpak van het financiële gezinsbeleid.

 

De toekomst van het Vlaams en Belgisch gezinsbeleid wordt aangekaart door Fred Deven, Kenniscentrum Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Hij gaat in op de uitgangspunten die dit beleid moet hebben.

 

Maryse Huet, experte van de Europese Commissie verbonden aan de Algemene Directie Werk, Sociale Zaken en Gelijke Kansen, besteedt aandacht aan het gevoerde gezinsbeleid in diverse landen in Europa en de initiatieven die de Europese Commissie hieromtrent neemt.


 

Gezinsbeleid als bevolkingspolitiek: terug van weggeweest?

VAN BAVEL, Jan

Interface Demography, Vrije Universiteit Brussel (VUB)

 

In mei 2006, in zijn jaarlijkse toespraak over de toekomst van zijn land, pleitte de Russische president Vladimir Poetin voor een forse verhoging van de kinderbijslag om op die manier iets te doen aan de dramatische daling van het geboortecijfer. Poetins argumenten voor een hoger geboortecijfer klinken bekend in de oren: zonder een verhoging van het geboortecijfer zullen er minder arbeidskrachten zijn en zal Rusland het met een kleiner leger moeten stellen.

 

Nationalistische argumenten motiveren al van oudsher de politieke zorg om het nationale kindertal. Ze doen sterk denken aan de 19de-eeuwse politieke commotie rond het geboortecijfer in Frankrijk na 1870, toen dat land in de oorlog tegen Pruisen een smadelijke nederlaag had geleden. Velen wezen in die dagen met een beschuldigende vinger naar de lage geboortecijfers. Volgens sommigen dreigde niets minder dan het totale wegkwijnen van Frankrijk.

 

Zo ver is het gelukkig niet gekomen en hoewel de demografische evolutie in Rusland tegenwoordig inderdaad om allerlei redenen zorgwekkend is, loopt de argumentatie van Poetin mank. We weten ondertussen al lang dat Pruisen zijn overwinning aan Frankrijk niet aan een hoger bevolkingscijfer, maar wel aan een superieure militaire organisatie te danken had. En we weten ook al lang dat er geen verband is tussen de hoogte van de kinderbijslag en het aantal kinderen dat mensen krijgen. Geen enkele staat heeft trouwens de budgettaire mogelijkheden om een kostendekkende kinderbijslag te voorzien.

 

Toch is de toespraak van Poetin geen alleenstaand feit. Ook in de EU is er momenteel een opmerkelijke heropleving van pro-natalistische pleidooien. Zo pleitte de Europese Commissie[286] onlangs in een Groenboek ondubbelzinnig voor een beleid gericht op het opkrikken van het kindertal. Zonder bevolkingsgroei is er geen economische groei mogelijk, zo luidde één van de argumenten. In het najaar van 2005 maakte de Franse premier Dominique de Villepin een aantal maatregelen bekend om het krijgen van een derde kind aan te moedigen, ondanks het feit dat Frankrijk nu al één van de Europese koplopers is op het gebied van de gemiddelde gezinsgrootte. Duitsland zit aan de lage kant van dat spectrum en de jongste jaren groeide daar dan ook de politieke bezorgdheid over het geboortecijfer: ondanks het feit dat Duitsland in Europa een relatief hoge kinderbijslag uitkeert, bleef het aantal geboorten er almaar verder dalen. Duitse politici zochten koortsachtig naar middelen om jonge Duitsers aan te zetten om meer kinderen te krijgen en begin 2006 nam de regering een aantal gezinsvriendelijke maatregelen met dat doel voor ogen. In Engeland vormde de stemming van de ‘Work and Families Bill’ in 2005 de aanleiding voor een discussie over de vraag of die wet nu al dan niet verdoken de bedoeling had om het geboortecijfer op te krikken. Buiten Europa heeft Australië alle schroom voor een expliciet bevolkingsbeleid laten varen en een forse babybonus ingesteld per kind. De Australische minister van Financiën riep zijn landgenoten op om drie kinderen te hebben: “one for mum, one for dad, and one for the country”.

Gezinsbeleid uit de oude doos

Het mag duidelijk zijn: het natalistische bevolkingsbeleid is terug van weggeweest, of op zijn minst de discussie over het al dan niet wenselijk zijn van zo’n beleid. Wellicht wordt het debat even intens als in de jaren 1960 en 1970. Eerst, in de jaren waarin de babyboom nog volop bezig was, overheersten de stemmen die pleiten voor een indijking van de bevolkingsgroei, zowel in het noorden als in het zuiden. Zo stelde Paul Ehrlich in zijn bestseller uit 1968, The Population Bomb, maatregelen voor als een negatieve kinderbijslag, een belasting op kinderen en een hogere taxatie van kinderwagens. Toen het vanaf de vroege jaren 1970 duidelijk werd dat die babyboom voorbij was, kregen de omgekeerde stemmen de bovenhand. In ons land pleitte de Gezinsbond toen al voor gezinspolitieke maatregelen om de ongewenste loop van sommige demografische curven om te buigen[287].

 

De jongste jaren bleef het in België, in vergelijking met onze buurlanden, redelijk stil. Blijkbaar heerst er onder onze politici en hun raadgevers nog een consensus dat er geen nood is aan meer geboorten of dat de politiek zich niet met zulke private aangelegenheden moet inlaten. Internationaal vergelijkend onderzoek concludeerde inderdaad dat de Belgische overheid zich weinig zorgen maakt over de vruchtbaarheid en de groei van de bevolking en geen expliciet bevolkingsbeleid voert[288]. Ik verwacht dat dit zal veranderen en dat de kwestie demografie de komende jaren een veel prominentere plaats op de politieke agenda zal innemen dan nu het geval is.

 

Zoals in het verleden zal de discussie over het bevolkingsbeleid in grote mate onder de noemer van het gezinsbeleid gevoerd worden, ook al hebben de achterliggende motieven betrekking op de overheidsfinanciën, de sociale zekerheid, de economie en de arbeidsmarkt. Gezinnen zijn nu eenmaal de plaats waar vele beleidsdomeinen in de praktijk van alledag samenkomen en aan den lijve gevoeld worden. De politiek en de economie wentelen trouwens heel wat problemen af op de gezinnen. Als bijvoorbeeld de economische concurrentie dicteert dat de bedrijven flexibel inzetbare ploegenarbeid nodig hebben en als de politiek daarom meer flexibiliteit gaat stimuleren, dan worden de gezinnen geacht daar een mouw aan te passen. Maatregelen om de combinatie van zorg voor kinderen met dergelijke flexibele werktijden wat minder onmogelijk te maken, bijvoorbeeld door ook de kinderopvang flexibeler te maken, vallen dan onder de noemer van ‘het gezinsbeleid’.

 

Er zijn twee redenen waarom de demografische kwestie de komende jaren waarschijnlijk een belangrijkere plaats gaat krijgen op de politieke agenda. Ten eerste zal de vergrijzing zich de komende jaren in steeds sterkere mate doen voelen op de arbeidsmarkt, in de sociale zekerheid en in de overheidsfinanciën. Ten tweede zal in steeds meer Europese landen het aantal sterfgevallen het aantal geboortes gaan overtreffen en zal de bevolking dus enkel nog door immigratie kunnen groeien.

Meer sterfgevallen dan geboorten: een schrikbeeld?

Om met het tweede te beginnen: voor het eerst sinds mensenheugenis zijn de Europese landen behept met een negatief groeimomentum. De plaats ontbreekt om uit te leggen wat dat precies inhoudt maar in elk geval impliceert het dat het aantal geboorten in de toekomst verder zal dalen, zelfs als het gemiddelde aantal kinderen per vrouw  zou toenemen. Dat is het gevolg van het feit dat het aantal geboorten de voorbije decennia zodanig gedaald is dat er de komende jaren almaar minder vrouwen op vruchtbare leeftijd zullen zijn. Zelfs als die vrouwen weer heel wat meer kinderen zouden krijgen dan hun voorgangers, bijvoorbeeld gemiddeld 2,1 kinderen per vrouw, dan nog zullen er in totaal minder geboorten zijn. Het enige wat daar wat aan kan veranderen, is de toevoeging van vrouwen op vruchtbare leeftijd door migratie. Ondertussen zal het aantal sterfgevallen gaan stijgen en stilaan het aantal geboorten overtreffen.

 

Conclusie: voor de toekomst valt een negatief natuurlijk groeisaldo te verwachten. In een aantal Europese landen is dat iets voor de nabije toekomst of is dat nu al het geval, zoals in Duitsland en in de meeste landen van het voormalige Oostblok. In België zal het allicht nog een tijdje duren voor het zover komt. Het zal minder lang duren als de vruchtbaarheid verder daalt en langer als de vruchtbaarheid zou stijgen. En het is afhankelijk van het aantal migranten dat ons land binnenkomt: meer migranten op vruchtbare leeftijd betekenen een groter potentieel om kinderen voort te brengen.

 

Negatieve natuurlijke groeicijfers (meer sterfgevallen dan geboorten) hebben in het verleden altijd voor politieke beroering gezorgd. Frankrijk heeft op dat vlak bijvoorbeeld al een lange traditie. Zowel in de 19de als in de 20ste eeuw vreesden invloedrijke Franse politici expliciet voor de teloorgang van de nationale identiteit wanneer men van migranten afhankelijk zou worden om de bevolking op peil te houden. Er was en is duidelijk een voorkeur voor inheemse groei, getuige bijvoorbeeld het feit dat de Franse politici tegenwoordig vinden dat er voldoende bevolkings­groei is, maar dat er te weinig geboorten en te veel immigraties zijn[289].

 

De Waalse en Vlaamse politici lijken zich vooralsnog weinig zorgen te maken over een krimpende bevolking. Ten eerste is dat begrijpelijk, want de Belgische bevolking groeit nog aanzienlijk, vooral door migratie, maar ook door – voorlopig nog – een geboorteoverschot. In 2004 kende onze bevolking zelfs de grootste groei in vijftien jaar. Ten tweede hoeft men zich over een eventuele krimp van de bevolking op zich ook geen zorgen te maken, want men kan moeilijk beweren dat er in België te weinig mensen zouden zijn. Eerder integendeel. Op zich zou een vermindering van het aantal mensen in ons land misschien zelfs helpen om bepaalde problemen op te lossen. Het punt is echter dat die daling van de bevolkingsomvang gepaard gaat met een forse vergrijzing van de bevolking. En die zal onherroepelijk wél voor politieke uitdagingen zorgen.

De opa- en omaboom

De bevolking van België is al een eeuw aan het verouderen, maar vanaf nu gaat het in versneld tempo. De voorbije jaren waren het de weinig omvangrijke generaties geboren tijdens en tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog die de pensioengerechtigde leeftijd bereikten. Vooral vanaf 2010 worden dat stilaan de omvangrijke generaties van de naoorlogse babyboom. De demografische cijfers achter die grijze golf staan in vele publicaties beschreven dus ik ga die hier niet herhalen. Kort gezegd: het aandeel 65-plussers in de bevolking gaat fors stijgen terwijl de omvang van de bevolking op arbeidsleeftijd krimpt. Zelfs als de vervroegde uittrede uit de arbeidsmarkt (onder meer in de vorm van prepensionering) aanzienlijk wordt teruggedrongen, dan nog zal het groeiende aantal ouderen in verhouding tot de bevolking op arbeidsleeftijd de financiering van de gezondheidszorg en van de pensioenen onder druk zetten – onder druk zetten is niet hetzelfde als onmogelijk maken.

Zijn meer geboorten mogelijk?

De vraag is of een gezinsbeleid gericht op meer geboorten in deze omstandigheden mogelijk en wenselijk is. Wat de eerste vraag betreft, of een gezinsbeleid effectief tot meer geboorten kan leiden, heb ik drie opmerkingen. Ten eerste is het duidelijk dat landen waar er minder praktische bezwaren staan tussen droom en daad inzake kinderwens, dat mensen daar gemiddeld meer kinderen krijgen. In sommige landen zijn die praktische bezwaren beperkter dan in andere, soms is dat dankzij het gevoerde beleid, soms ook niet. Hoe dan ook liggen hier kansen voor reële beleidsinvloed.

 

Ten tweede moet een beleid uitgaan van de voorkeuren bij de bevolking en die voorkeuren zijn moeilijker vatbaar voor beleidsinvloed. Nu is het zo dat de voorbije jaren telkens weer bleek dat heel veel mensen méér kinderen zouden willen dan ze daadwerkelijk kregen, maar er zijn tekenen dat ook de gewenste gezinsgrootte aan het zakken is tot onder het vervangingsniveau. Tot nu toe lag de ideale gezinsgrootte zowat overal in Europa tussen de twee en de drie kinderen. In enkele Duitstalige Europese landen is de ideale gezinsgrootte nu echter gezakt tot nog maar één of twee kinderen. Een mogelijke verklaring is dat de generaties die nu aan gezinsvorming beginnen, zelf vaker als enig kind of met slechts één broer of zus zijn opgegroeid. Een gezin met één of twee kinderen is voor hen misschien vanzelfsprekend en mogelijk vertaalt zich dat in hun eigen toekomstbeeld. Het valt af te wachten of die verklaring klopt en of de vaststelling voor Duitstalige regio’s algemener gaat worden. Maar als dat inderdaad het geval zou zijn, dan is er weinig kans dat de overheid in staat zou zijn om mensen er toe aan te zetten om méér kinderen te krijgen dan nu het geval is.

 

Mijn belangrijkste opmerking bij de mogelijkheden voor een natalistisch beleid is de volgende. De krimp van de beroepsbevolking die er vanaf 2010 aankomt, zal de roep om een verhoging van de werkzaamheidsgraad van de bevolking op arbeidsleeftijd alleen maar doen toenemen. Hun arbeid is immers meer dan ooit nodig om de sociale voorzieningen voor een groeiende groep van zorgafhankelijke ouderen te bekostigen. Mannen én vrouwen in de fleur van hun leven zullen dus aangezet worden om meer en harder te werken, om nog productiever te zijn dan ze nu al zijn. Het is maar de vraag of dat te verzoenen valt met de roep om meer kinderen: de dagelijkse puzzel van gezins- en beroepsarbeid is nu al zo moeilijk, laat staan wanneer op het werk een nóg grotere inzet verwacht wordt.

 

We weten dat staten die er in slagen om de puzzel gezin/beroep te vergemakkelijken momenteel ook de landen zijn met de hoogste vruchtbaarheid. De laagste vruchtbaarheid wordt momenteel genoteerd in landen waar het minste vrouwen uit werken gaan en vice versa. Die vaststelling is op zijn minst een aanmoediging om het beleid bij voorrang te richten op het vergemakkelijken van de combinatie van kinderen met beroepsarbeid. We moeten daar de komende jaren op blijven hameren. Wat zo’n beleid moet inhouden? In de eerste plaats is flexibele en kwaliteitsvolle kinderopvang van belang. Flexibel én kwaliteitsvol, dat wil zeggen dat het niet zo mag zijn dat kinderen in het holst van de nacht uit hun bed worden geplukt en in een crèche gedropt. Het betekent integendeel dat de economie meer rekening moet houden met de gezinsrealiteit van werknemers. Het is duidelijk dat dit niet exclusief de verantwoordelijkheid is van het gezinsbeleid. Het is minstens evenzeer een zaak voor de ministers van Arbeid en Economie. Ook de private bedrijfswereld heeft hier een grote verantwoordelijkheid. Als de bedrijven er niet in slagen om een gezinsvriendelijk klimaat te creëren voor hun werknemers, dan zagen ze de tak af waarop ze steunen. Wie anders gaat voor proper gewassen, goed gevoede en uitgeslapen werknemers zorgen?

 

© Pierre Kroll, 2004

 

Zijn meer geboorten wenselijk?

Gesteld dat het mogelijk zou zijn om met beleidsmaatregelen mensen in België aan te zetten om meer kinderen te krijgen, is een tweede vraag aan de orde. Zou dat eigenlijk wel wenselijk zijn, dat mensen meer kinderen zouden krijgen dan nu? Hier is het belangrijk een onderscheid te maken tussen de korte en de lange termijn. Op korte termijn zijn méér geboorten de komende jaren allesbehalve een oplossing voor de uitdagingen van de vergrijzing. Integendeel: meer geboorten betekent meer kinderen om voor te zorgen. Het aantal kinderen plus ouderen ten opzichte van het aantal mensen op arbeidsleeftijd zou daardoor alleen maar toenemen. Door het dalende aantal geboorten voorziet de Federale Studiecommissie voor de Vergrijzing dat in de toekomst lichtjes bespaard kan worden op kosten voor onderwijs en opvoeding (in verhouding tot het Nationale Inkomen). Een verhoging van het aantal geboorten zou wat dat betreft een streep door de rekening zijn en de overheidsfinanciën alleen maar meer belasten. Uit extrapolaties blijkt dat een hoger geboortecijfer pas vanaf ongeveer 2030 een merkbare positieve impact zou hebben op de demografische afhankelijkheids­verhoudingen. Men mag trouwens niet vergeten dat de grijze golf die er vanaf 2010 aankomt juist het gevolg is van de stijgende geboortecijfers na de Tweede Wereldoorlog. Als die babyboom er toen niet geweest was, dan zat nu ook die grijze golf er niet aan te komen.

 

In de nabije toekomst vormt een verhoging van het geboortecijfer dus zeker geen oplossing voor de uitdagingen van de vergrijzing. Op korte termijn zal die oplossing moeten komen van een aanpassing van de maatschappij aan de verouderende bevolkingsstructuur.

 

Op langere termijn echter zou een verhoging van de gemiddelde gezinsgrootte, bijvoorbeeld tot ongeveer het niveau om in de vervanging van de generaties te voorzien, allesbehalve een slechte zaak zijn. In combinatie met een hoge levensverwachting impliceert een vruchtbaarheid die langdurig onder het vervangingsniveau ligt een leeftijdsstructuur als een omgekeerde piramide: dikker aan de top dan aan de basis. Dit zet een zeer grote druk op de solidariteit tussen de generaties, tenzij men ervan uitgaat dat 80-plussers in de toekomst wel voor zichzelf zullen kunnen zorgen. Dergelijke bevolking zou trouwens steeds meer immigratie nodig hebben om de krimp af te remmen; veel meer immigratie dan we in de 20ste eeuw hebben gekend.

 

Vruchtbaarheid onder het vervangingsniveau betekent dat er op termijn almaar minder geboorten zullen zijn en dus twintig jaar later ook almaar minder mensen om de economie te doen draaien. En die moet draaien, niet omdat de economie een heilige koe is, maar omdat het welzijn van iedereen afhankelijk is van een goed draaiende economie. Zoals bekend moet de Europese economie het steeds meer hebben van innovatie veeleer dan van massaproductie. In dat verband wordt soms beweerd dat een jonge bevolking meer innovatieve capaciteiten zou hebben dan een oude bevolking: nieuwe, creatieve ideeën zouden vooral van jongeren komen. Of dit een factor is die in de toekomst onze economische groei zal gaan belemmeren, weet niemand met zekerheid, maar de kans is reëel.

 

Geen enkele samenleving heeft ooit ervaring gehad met een zo hoog percentage ouderen als wat Europa de komende decennia zal meemaken. Misschien gaat levenslang leren in de toekomst belangrijker worden dan nu het geval is, ook voor 60-plussers en zal het innovatieve potentieel van senioren pas dan goed en wel tot uiting komen. Wellicht zal dat vragen dat we onze investeringen in onderwijs en ontwikkeling helemaal anders zullen organiseren dan nu het geval is, meer bepaald dat die investeringen zich minder dan nu concentreren op de jongeren alleen.

Conclusie

Een pro-natalistisch beleid zal zeker niet helpen om de uitdagingen van de vergrijzing de komende twee, drie decennia aan te pakken. Daartoe is veeleer de sanering van de overheidsfinanciën nodig, het wegwerken van de overheidsschulden, het onder controle houden van de kosten van de gezondheidszorg en het verhogen van de werkzaamheidsgraad van de bevolking op arbeidsleeftijd. Er zijn echter andere redenen waarom de politiek zich het lage geboortecijfer ter harte moet nemen. Bij het huidige vruchtbaarheidsniveau zal het aantal geboorten almaar verder krimpen en het aandeel van de ouderen in de bevolking almaar verder groeien.

 

Vandaag zouden mensen graag meer kinderen krijgen dan ze in feite doen, maar praktische bezwaren staan in de weg. Zowel vanuit demografisch oogpunt als met het oog op het welzijn van de mensen ligt daar alvast een belangrijke taak voor het gezinsbeleid. Een belangrijke doelstelling moet zijn om de combinatie tussen gezin en beroep te vergemakkelijken: dit is wenselijk zowel voor de gezinnen zelf, als voor de werkzaamheidsgraad van de bevolking. Dat betekent dat dit aspect van het gezinsbeleid samen met de ministers van arbeid en economie gevoerd zal moeten worden.


 

Een plaats voor iedere generatie

JAUMOTTE, Anne

Adviseur dienst onderzoek, studie en opleiding, Ligue des Familles

 

Een lange rustige levensloop?

We leven steeds langer en blijven langer gezond. Families waarin vier tot zelfs vijf generaties in leven zijn, zijn niet nieuw! Iedereen wordt een stuk ouder en de periode na het pensioen wordt ervaren als een bijkomende levensfase met verschillende activiteiten. De demografische evolutie heeft ook heel wat verrassingen in petto: de 60-plussers zijn steeds talrijker in onze westerse maatschappij en ook de 80-plussers zullen in de toekomst alleen maar toenemen. Recente voorspellingen bevestigen dat in het jaar 2000 geboren meisjes één kans op twee hebben om honderd jaar oud te worden. Deze beloftevolle vooruitzichten openen nieuwe wegen op ons levenspad. Deze extra tijd moet dan wel een betekenisvolle en gelukkige tijd zijn.

 

De vergrijzing van de bevolking is niet de enige opvallende verandering in onze westerse maatschappij, maar haalt wel het dagelijkse leven van de gezinnen overhoop, gezinnen die op hun beurt belangrijke en grote veranderingen ondergaan: het leven dat ons te wachten staat met zijn werkonzekerheid, emancipatie, persoonlijke ontplooiing, individuele zoektocht, materiële eisen,… maakt de affectieve banden broos en duwt de sociale uitsluiting de hoogte in. Er zijn steeds meer éénpersoonsgezinnen en bijna vier op tien gezinnen met kinderen zijn éénoudergezinnen. Er zijn ook heel wat nieuwsamengestelde gezinnen. Ouders van hetzelfde geslacht doen niet zonder problemen hun intrede in het gezinslandschap. De leeftijd waarop vrouwen kinderen krijgen loopt op tot ongeveer 28 jaar en de vruchtbaarheidsgraad schommelt rond 1,65 kinderen per vrouw. Het leven lijkt wel een bouwwerk dat aan ‘renovatie’ toe is, een bouwwerf waarop de gezinnen moeizaam hun plaats vinden en hun rechten kunnen doen gelden. De uitdagingen van morgen spelen nu al een rol in de zoektocht naar nieuwe samenlevingsvormen. Het middenveld en de politieke wereld hebben er alle baat bij deze nieuwe vormen continu uit te bouwen en te evalueren.

 

In deze snel geschetste context moet het overheidsbeleid voor het gezin volledig tegemoet komen aan de nieuwe solidariteitseisen tussen de generaties en aan de specifieke behoeften van iedere generatie. Familiale en collectieve solidariteit zijn niet onderling vervangbaar. Integendeel, ze moeten elkaar voortdurend wederzijds versterken. De ene solidariteitsvorm kan immers geen vruchten afwerpen zonder de hulp van de andere.

Vooruitgaan samen met de gezinnen

De Ligue des Familles treedt al meer dan 85 jaar op voor de gezinnen. Onze beweging die de familiale belangen behartigt, zag haar missies in de loop der jaren en naargelang de uitdagingen uitbreiden en specifieker worden (denken we maar aan de invoering van de kinderbijslag, studiebeurzen, hypothecaire leningen voor het gezin, de dienst voor alimentatievordering,…). De gezinnen die wij begeleiden zijn veranderd en evolueren nog steeds. Leven als koppel, dromen van vele gezamenlijke projecten, kinderen krijgen en opvoeden, zich integreren in de maatschappij en voldoende inkomsten verwerven voor een degelijk leven wordt een steeds ingewikkelder waagstuk, een parcours vol hindernissen die voor meer en meer ouders onvoldoende afgebakend en beveiligd zijn. Doorheen dit verslag werden al heel wat zaken die dagelijkse realiteit zijn, aangekaart, maar de Ligue des Familles wil een aantal aanbevelingen toch nog even extra belichten, zaken die betrekking hebben op inter- en intragenerationele ervaringen met de bedoeling het welzijn van alle gezinnen te verbeteren om beter samen te leven. Solidariteit heeft op ieder van ons betrekking en we kunnen niet talrijk genoeg zijn om ons te engageren.

 

De engagementen van het gezin

Hoe kunnen gezinnen aan buurtsolidariteit doen? Door familieleden, voorouders, nageslacht te steunen? Door betrokken te blijven bij de activiteiten die moeten worden verricht en/of die hen na aan het hart liggen? Deze gezinnen moeten over de middelen beschikken om de afstand te dichten door te bouwen aan een beter samenleven. Een betere tijdsafstemming is een essentieel ingrediënt dat van de beleidsmakers krachtdadige acties vergt. Zo zou een beter evenwicht tussen de verschillende engagementen van de burgers (werknemer, ouder, mantelzorger,…) echte beschikbaarheid mogelijk kunnen maken (een naaste begeleiden en ondersteunen bij ziekte, hulpbehoevendheid, ouderdom). Deze beschikbaarheid is onmisbaar voor intergenerationele uitwisselingen waaruit iedereen ooit voordeel haalt. Hoe kunnen we een intergenerationele maatschappij dynamisch maken als een aanzienlijk deel van de jongeren geen toegang heeft tot de arbeidsmarkt? Zonder werk, zonder inkomen, met weinig toekomstperspectieven hebben jongeren op arbeidsleeftijd geen echt uitzicht op een levensproject buiten hun familie.

 

We kunnen deze situatie niet langer tolereren. Het is onze plicht jongeren een duwtje in de rug te geven zodat zij zelfstandig kunnen zijn en een plaats vinden op de arbeidsmarkt naast de anderen. Als er niets verandert, hoe kunnen we dan van hen verlangen dat zij meer aandacht besteden aan de ouderen die in vraag gesteld worden als werknemers te veel kosten aan de gezondheidszorg en de pensioenfondsen? Op een respectvolle manier samenleven kan het bindmiddel worden om de sociale cohesie zowel op familiaal als op maatschappelijk vlak te versterken. Iedere generatie moet een plaats krijgen, er mogen geen verliezende of opgeofferde generaties zijn. In een dergelijke maatschappij moet iedereen de middelen krijgen om in zijn eigen behoeften te kunnen voorzien en een waardig leven te leiden. Wanneer zullen we met ons allen minder gaan werken om beter te leven? Laten we daar eens ernstig over nadenken! Daarvoor zullen we samen nieuwe organisatievormen moeten uitdenken om te vermijden dat generaties elkaar de rug toekeren, een afwachtende houding aannemen of onverschillig worden.

 

Alleen als wij daartoe beslissen, zal het gezin een baken van solidariteit blijven

Solidariteitsacties waarbij verschillende generaties betrokken zijn, zullen alleen tot het persoonlijk welzijn bijdragen als deze mensen als dusdanig worden erkend en een kader vinden om zich te uiten in de maatschappij, die ruimer is dan het gezin en/of de plaatselijke buurtgemeenschap. Momenteel hebben gezinnen het moeilijker om het overgrote deel van hun inherente solidariteit op te nemen.

 

Een echt totaalbeleid moet hen steunen in hun streven naar aanwezigheid, hulp- en zorgverlening aan hun naasten of het nu gaat om een geboorte, specifieke en veeleisende begeleiding van een gehandicapt, ziek of bejaard familielid. Dezelfde vragen duiken steeds weer op. Een echt geëngageerd beleid zou alle gezinnen rechten moeten verlenen en werkelijk voelbaar moeten zijn in de praktijk, waardoor zoveel mogelijk gezinsleden zich kunnen inzetten daar waar hun engagement nodig lijkt. Mantelzorgers, professionele hulpverleners, verenigingen en (weliswaar nog te weinig) beleidsmakers trekken aan de alarmbel en wijzen op professionele en familiale situaties die uit de hand lopen wegens een gebrek aan hulpmiddelen en voldoende en aangepaste zorgverlening.

Politieke prioriteiten stellen! Mantelzorgers begeleiden

Hoe gaan mantelzorgers (meestal vrouwen) de dubbele gezinssolidariteit blijven waarmaken? De sandwichgeneratie kan niet alle oplossingen vinden voor de ondersteuning van de jonge generaties (kinderen en kleinkinderen) enerzijds en tegelijkertijd instaan voor de begeleiding van oudere, hulpbehoevende familieleden anderzijds. Door de hogere levensverwachting duurt ook de bereidwillige inzet voor de begeleiding van de ouderen langer. We mogen ook de gezinnen die dagelijks kampen met een handicap, ziekte of hulpbehoevendheid zeker niet uit het oog verliezen. Ook voor hen duurt de veeleisende ondersteuning langer. Personen met een handicap overleven hun ouders, het gebrek aan aangepaste opvangplaatsen boezemt angst in. Wie zal de zorg voor hun kind overnemen als zij er niet meer zijn? Ook mantelzorgers worden ouder, houden wij daar rekening mee? De assistentierol van het gezin blijft voornamelijk doorwegen op de schouders van de mantelzorgers (vaak jonge senioren). Hoe kan het anders als de jongere generaties gelijktijdig de al even belangrijke en veeleisende rol van ouders, opvoeders en werknemers combineren? Het is niet gemakkelijk om in deze omstandigheden ook nog als mantelzorger te fungeren, waardoor gezinnen vaak met een schuldgevoel de ondersteuning van hulpbehoevende familieleden uit handen geven, met soms onherstelbare familiale conflicten tot gevolg. Banden onderhouden vergt vertrouwen en tijd. Er moet snel werk worden gemaakt van een instrument ter ondersteuning van de solidariteit tussen alle generaties, rekening houdende met hun eigen behoeften, anders dreigt deze solidariteit te verwateren of zelfs zeldzaam te worden. Is dit wat de meesten onder ons wensen?

 

Mantelzorgers willen ondersteuning zodat hun aanwezigheid zo doeltreffend mogelijk is. De opwaardering van beroepen in de sector van de thuishulp, de dienstverlening aan personen, de verschillende opvangmogelijkheden voor kleine kinderen en alle opvangmogelijkheden in het algemeen blijven een topprioriteit. Deze diensten moeten duurzaam zijn en de sociale nadelen wegwerken waaronder de mantelzorgers momenteel vaak lijden (financieel inboeten, de loopbaan laten varen, niet meer voldoende beschikbaar zijn voor andere gezinsleden, sociale vereenzaming, burn-out en zelfs ziekte,…). Een doeltreffend instrument heeft betrekking op de ondersteuning van zowel de kinderen als  de (groot)ouders, echtgenoot, partner, broers en zussen en andere familiale banden. Het komt erop aan innoverende oplossingen te bedenken om de mantelzorgers te ondersteunen als antwoord op de situaties waarmee gezinnen te maken krijgen. Een reorganisatie van de professionele loopbaan en niet alleen van het loopbaaneinde kan nieuwe mogelijkheden scheppen voor mantelzorgers die een hulpbehoevende naaste willen helpen, ongeacht de leeftijd.

Tegemoetkomen aan de specifieke behoeften van oudere personen

 

De vergrijzing is niet uniform, ze kent vele vormen

Enerzijds vormen oudere personen heterogene groepen met verschillende behoeften. Wat hebben een jonge gepensioneerde en een negentigjarige gemeen? Nochtans vallen ze allebei in de categorie van de ouderen! We moeten onze visie op de groepen van ouderen absoluut bijschaven. Anderzijds kijken we enthousiast uit naar onze oude dag als we vertrouwen hebben en gerust zijn in de toekomst. Voor heel wat oude personen is dit helaas niet het geval. De pensioenen moeten gekoppeld zijn aan de welvaart als we de verarming van de ouderen een halt willen toeroepen. Ieders bestaansmiddelen moeten toereikend zijn.

 

De gezinnen informeren

Herhaaldelijk informatie doorspelen over de mogelijkheden maakt mensen ruimdenkender en bereidt de mentaliteit voor op nieuwe praktijken om op een aangename manier ouder te worden in een andere thuis dan de gebruikelijke levensomgeving wanneer de eigen woning niet meer veilig of comfortabel genoeg is. Institutionele, associatieve, ‘alternatieve’ levensprojecten voor het gebruikelijke rusthuis,… bedoeld voor oudere personen (maar niet alleen voor hen) moeten kenbaar worden gemaakt en uitgebreid omdat ze beantwoorden aan de specifieke behoeften van de ouderen die ook veranderd zijn. Solidariteit kan uitgaan naar de ouderen, naar de mindervaliden of naar de allerkleinsten. Levensstructuren openen hun deuren voor de buurtbewoners en scheppen gelegenheden voor ontmoetingen en uitwisselingen voor de bewoners en voor de buurt via de vele dagdagelijkse activiteiten. De gezinnen vervullen een rol bij deze instellingsprojecten die heel erkentelijk zijn voor hun bijdrage om de ouderen in goede gezondheid te houden.

 

Ook de intragenerationele solidariteit moet worden aangemoedigd: samenwoning van broers en zussen, groeperingen van vrienden,… zodat mensen op hun oude dag niet alleen bij hun kinderen of in instellingen terecht kunnen voor ondersteuning. Het is tijd om plaats te maken voor deze ‘spontane’, verantwoordelijke en innoverende groeperingsinitiatieven. Gegroepeerde, gemeenschappelijke woningen, maar ook kleine leefeenheden, noodopvang, nacht- en weekendopvang, rustformules,… vormen een waaier aan mogelijkheden die kenbaar moeten worden gemaakt bij de gezinnen en snel moeten worden uitgebreid. Deze diensten maken deel uit van een systeem dat gezinnen ontlast en ondersteunt door te streven naar het welzijn van de kwetsbare personen, maar ook van hun begeleiders.

Het moment is aangebroken om samen actie te ondernemen

Wij behoren allemaal tot een gezin, een wijk, een groep,… en krijgen dus allemaal te maken met intergenerationaliteit. We komen echter tijd en beschikbaarheid te kort om ons in te zetten voor een kind, partner, ouder, gezonde, zieke, personen met een handicap, omringde of eenzame naaste,… als we zouden willen.

 

Het debat over al deze aangehaalde kwesties duurt voort, maar moet leiden naar duidelijke politieke beslissingen. De reglementering moet een bijkomende garantie bieden op een gastvrije wereld voor mannen, vrouwen, kinderen, adolescenten, jong en oud met eerbied voor alle generaties. Iedere generatie heeft een plaats. De vertegenwoordigers van onze gezinsbeweging hadden dan ook oren naar het voorstel van staatssecretaris Mandaïla om een gezinsobservatorium op te richten waarbij iedere bepaling die betrekking heeft op het gezin het voorwerp zal uitmaken van besprekingen met de overheid en de partijen die betrokken zijn bij de toepassing van die bepaling. Een waardevol instrument voor de gezinnen waar wij alvast achter staan.


 

Verdediging van een gezinsbeleid dat gendergelijkheid wil waarborgen in onze vergrijzende maatschappij

FASTRE, Frédérique

Attaché, Instituut voor de gelijkheid van mannen en vrouwen

 

GOFFINET, Françoise

Attaché, Instituut voor de gelijkheid van mannen en vrouwen

 

Zoals algemeen geweten wordt onze maatschappij gekenmerkt door een voortdurende stijging van de levensverwachting, waardoor de beroepsbevolking er proportioneel gevoelig op achteruit gaat in verhouding tot het aantal gepensioneerden en door een aanhoudend laag geboortecijfer dat ertoe leidt dat de generaties niet vervangen worden en het gewenste kinderaantal overigens niet weerspiegelt.

 

De sociaal-economische context en de voornaamste uitdagingen waarvoor zowel België als de andere Europese lidstaten mee geconfronteerd worden, zijn samengevat in het Groenboek ‘Demografische veranderingen: naar een nieuwe solidariteit tussen de generaties’ dat in maart 2005 door de Europese commissie werd uitgewerkt[290].

 

Bij de uitgestippelde oplossingen wordt vaak aangedrongen op het belang van een sterkere individualisering van de sociale rechten, op meer participatie van vrouwelijke arbeidskrachten op de arbeidsmarkt, op een aangepaste tenlasteneming van kinderen en ouderen. Dit alles zou tot stand moeten komen via een globale aanpak verbonden aan alle levenscycli van individuen.

 

De eerbied voor de gelijkheid van mannen en vrouwen staat alleszins centraal in de problematiek rond de demografische vergrijzing. Zonder optreden van de staat en van alle betrokken partijen zouden vrouwen taken blijven opstapelen, doorgaans zonder verdeling, om de opvoeding van de kinderen in goede banen te leiden, actief deel te nemen aan de arbeidsmarkt en te zorgen voor oudere ouderers of familieleden met een handicap [291] terwijl mannen zich hoofdzakelijk aan hun professionele loopbaan wijden. Het is dus belangrijk om in te gaan tegen deze culturele tendensen met ongelijke automatismen.

 

Gendergelijkheid garanderen betekent ook verandering brengen in het feit dat mannelijke werknemers bij de komst van een kind doorgaans een loonsverhoging vragen om te kunnen voorzien in de behoeften van het uitgebreide gezin, terwijl de werkneemster veeleer om soepelere of zelfs minder werkuren vragen om voor het kind te zorgen. Deze gedragingen kunnen naargelang het geslacht verschillende gevolgen hebben voor de financiële zelfstandigheid, de promotiekansen, het pensioen,…

 

Om een einde te maken aan de vele stereotypen die een grote rem zijn voor de verwezenlijking van gendergelijkheid, moet de hele maatschappij dus bewust worden gemaakt van de bestaande genderongelijkheden.

 

Om de mentaliteit te veranderen, is het bijvoorbeeld nodig mensen aan het denken te zetten over existentiële vragen, zoals: “Beste heren, om welke eigenschap zou u op het einde van uw leven willen herinnerd worden: als een goede collega, als succesvol manager en/of efficiënt werknemer… of, in de eerste plaats omdat u het belangrijk vond een aanwezige en betrokken echtgenoot en vader te zijn?” Dergelijke vragen kunnen mannen ertoe aanzetten om vrouwen meer toegang te geven tot functies met verantwoordelijkheden en zich zelf meer in te zetten voor de opvoeding van hun kinderen of de uitbouw van hun familiale contacten.

 

Door gevestigde opvattingen om te gooien en de mentaliteit te doen evolueren, zou men ook de werkgevers kunnen doen erkennen dat een huisman of –vrouw zeker ook vaardigheden heeft kunnen ontwikkelen zoals organisatie, budgetbeheer, veelzijdigheid, empathie en management, die bij iedere betaalde baan van nut kunnen zijn.

 

Naast deze bewustmakingsopdracht veronderstelt een gezinsbeleid dat borg wil staan voor gendergelijkheid ook het nemen van concrete maatregelen die enerzijds de participatie, het behoud en de terugkeer van vrouwen op de arbeidsmarkt stimuleren en vergemakkelijken en anderzijds de volwaardige participatie van mannen op het gebied van de huishoudelijke en familiale verantwoordelijkheden waarborgen [292].

 

Om deze doelstellingen te bereiken, wordt aanbevolen specifieke maatregelen te nemen met als doel:

 

·         zorgen voor de beschikbaarheid, kwaliteit, verscheidenheid en toegankelijkheid van opvangstructuren voor kinderen en aangepaste opvangdiensten voor hulpbehoevende volwassenen, rekening houdende met de grote verscheidenheid aan behoeften en situaties, zoals crèches, kinderdagverblijven, onthaalmoeders voor gezonde en zieke kinderen, tijdens de week én in het weekend om ouders te helpen die op zaterdag en/of zondag werken, maar ook thuisopvang en de aanmoediging van de oprichting van crèches in bedrijven

 

·         streven naar de integratie van buitenschoolse activiteiten (muziekschool, sport- en taalactiviteiten) binnen de schoolmuren of ten minste vervoer organiseren zodat de leerlingen zich na schooltijd naar deze buitenschoolse activiteiten kunnen gaan zonder optreden van de ouders, in plaats van in de opvang of ‘studie’ te blijven

 

·         een andere indeling van de schoolverloven en schooluren die meer rekening houdt met de professionele verplichtingen van de ouders zonder daarbij het belang van de kinderen uit het oog te verliezen en zorgen voor een betere spreiding van de werklast over beide schoolsemesters en een andere verdeling van de verloven door de grote vakantie in te perken

 

·         meer flexibele werktijdregelingen zodat arbeid, gezin en privé-leven beter op elkaar kunnen worden afgestemd, rekening houdende met de uiteenlopende gezinssituaties van de werknemers (éénoudergezinnen, gescheiden ouders,…). Een werknemer of werkneemster die bijvoorbeeld aan co-ouderschap doet, zou er baat bij hebben mocht het werkrooster kunnen worden aangepast aan de persoonlijke situatie, zodat hij/zij zich vroeger kan vrijmaken wanneer hij/zij de kinderen heeft en langer dan voltijds kan werken in de weken waarin hij/zij de kinderen niet heeft

 

·         het nemen van verlof wegens ouderlijke of familiale redenen redenen op gelijke wijze aanmoedigen voor mannen en vrouwen, wat een betere verlofvergoeding vergt om het verlof aantrekkelijker te maken voor de mannelijke kandidaten

 

Wedden dat het nieuwe wetsontwerp dat op 5 mei 2006 door de federale regering werd aangenomen en dat het principe van ‘gender mainstreaming’ wil invoeren in alle beleidslijnen een lang verhoopte grote vooruitgang kan betekenen. Deze tekst beoogt immers een waaier aan doeltreffende instrumenten en maatregelen (opstelling van een verslag over de impact van nieuwe wetsvoorstellen, uitwerking van naar geslacht opgesplitste statistieken, oprichting van een gestructureerd netwerk van adviseurs in gender mainstreaming in alle federale overheidsdiensten, bepaling van strategische doelstellingen) om de impact in te schatten van iedere nieuwe maatregel die wordt overwogen, ongeacht het betrokken domein, op de respectievelijke situatie van mannen en vrouwen zodat de invoering of versterking van eventuele ongelijkheden wordt vermeden. Het Instituut voor de gelijkheid van mannen en vrouwen zal de opdracht krijgen dit integratieproces van de genderdimensie op federaal niveau te begeleiden en te ondersteunen. Het instituut zal ook het netwerk bestaande uit de verschillende adviseurs in goede banen leiden.

 

Dit essentiële initiatief kan dienen als precedent voor iedere gewettigde eis om een algemeen proces van ‘family mainstreaming’ op te nemen in alle beleidslijnen zodat systematisch en terecht rekening wordt gehouden met het belang van de gezinnen.

 

We mogen hoe dan ook niet uit het oog verliezen dat het bepalen van een doeltreffend en samenhangend gezinsbeleid de verzoening en afstemming vergt van verschillende - soms zelfs uiteenlopende – cruciale doelstellingen zoals het streven naar gendergelijkheid, het belang van het kind, meer jongeren, ouderen en vrouwen op de arbeidsmarkt, de financiering van een stelsel voor sociale bescherming en natuurlijk ook de instemming en de steun van de publieke opinie.


 

Wat houdt een rechtvaardig gezinsbeleid in?

VAN PARIJS, Philippe

Faculteit economische, sociale en politieke wetenschappen,
Université catholique de Louvain (UCL)

Directeur van Chaire Hoover d'éthique économique et sociale

 

Het gezinsbeleid haalt op drie niveaus problemen rond gelijkheid aan: tussen gezinnen met en zonder kinderen, tussen mannen en vrouwen die de gezinnen vormen en tussen kinderen die erin opgroeien. Ik zal het in deze bijdrage hebben over het eerste niveau met enkele korte verwijzingen naar de twee andere niveaus.

 

Voor gezinnen met kinderen is een federaal kinderbijslagstelsel nodig dat sterker, universeler en minder gedifferentieerd is dan vandaag. We mogen ons echter niet uitsluitend toespitsen op ondersteuning via het gezinsinkomen. Ruimtelijke ordening bijvoorbeeld, is even belangrijk.

Is het rechtvaardig om de keuze om kinderen te hebben te subsidiëren?

In deze tijd is het hebben van kinderen, meer dan ooit in de geschiedenis van de mensheid, een keuze: de keuze om kinderen te hebben, al dan niet met behulp van begeleide voortplantingstechnieken, de keuze om geen kinderen te hebben via sterilisatie, contraceptie en abortus, de keuze om een groter risico te nemen om nooit kinderen te hebben door de bevruchting uit te stellen tot na de vruchtbare periode, de keuze om kinderen te hebben via adoptie, wat voortaan ook een optie is voor homoseksuele koppels. Waarom moet de gemeenschap deze keuze om kinderen te hebben financieel ondersteunen? Is het rechtvaardig dat burgers die geen kinderen hebben, meebetalen voor de keuze van de anderen? Vragen we aan mensen die geen tuin of huisdier willen om financieel bij te dragen tot de keuze van mensen die wel een tuin of huisdier hebben? Is een dergelijke subsidie niet nog absurder in het geval van kinderen, aangezien de wereld toch al overbevolkt is? Neen, dit is noch absurd, noch onrechtvaardig, maar hoe gaan we dat bewijzen. Is het niet evident dat wij behoefte hebben om kinderen op de wereld te zetten zodat er morgen werknemers zijn die ons pensioen kunnen betalen? Ons pensioenstelsel is, net als de rest van onze sociale zekerheid, een intelligent systeem waarbij het risico om langer te leven dan de leeftijd waarop men niet meer verondersteld is te werken solidair wordt gedragen. In plaats van ervoor te zorgen dat ieder van ons voldoende kinderen op de wereld zet die later voor ons kunnen en willen zorgen, hebben we ons opgelegd samen een fonds te spijzen dat ons allen zal dekken.

 

Soit. Hebben mannen en vrouwen die geen kinderen wensen dan niet genoeg gedaan door hun bijdrage te betalen voor de verplichte pensioensverzekering? Is het niet onrechtvaardig het voorwendsel van de pensioenen te gebruiken om hen bovendien te doen bijdragen tot het onderhoud van de kinderen van anderen? Dat zou inhouden dat we vergeten dat ons pensioenstelsel hoofdzakelijk een zogezegd verdelingssysteem is, waarbij de bijdragen van vandaag worden besteed aan de pensioenen van vandaag. Dit systeem heeft dus nood aan werknemers die ook morgen nog bijdragen zullen storten om de pensioenen van morgen te betalen. Dat zou ook inhouden dat we vergeten dat ons pensioenstelsel, dat weliswaar een zogenaamd kapitalisatiesysteem is, waarbij de bijdragen van vandaag naar een fonds gaan waarvan het rendement gebruikt wordt om de pensioenen van morgen te betalen, nood heeft aan een nieuwe generatie werknemers en burgers: dit fonds zou morgen waardeloos zijn als het materiële kapitaal ervan niet gepaard gaat met een doeltreffend menselijk kapitaal in de gedaante van de werknemers en burgers van morgen. Deze werknemers en burgers van morgen zijn de kinderen van vandaag. We moeten ze op de wereld zetten, opvoeden, begeleiden, bijsturen, helpen, een luisterend oor bieden, liefhebben zodat ze in de toekomst efficiënte en bekwame burgers worden zonder wie ons pensioen aan een zijden draadje zou hangen.

 

Is er echter geen voor de hand liggend alternatief? Vormen pensioenfondsen waarmee in het buitenland wordt geïnvesteerd en buitenlandse werknemers die naar ons land worden gehaald geen aantrekkelijk alternatief voor de plaatselijke voortbrenging van de werknemers van morgen? Er zijn wellicht verschillende redenen die het elders investeren dan in eigen land en het wagenwijd openzetten van onze deuren voor immigranten rechtvaardigen. Dit zijn echter geen goede redenen. In immigratie een oplossing zien voor het pensioenprobleem geeft niet alleen blijk van enigszins schandelijk cynisme ten opzichte van de dynamische jonge immigranten die we naar hier halen opdat ze voor onze ouderen betalen in plaats van voor hun ouderen te zorgen. Het getuigt ook van een schandelijke naïviteit door niet te beseffen dat de maatschappelijke en economische integratie van een massale migrantenstroom aanzienlijke kosten meebrengt die over verschillende generaties gespreid zijn en dat de migranten zelf ook oud zijn geworden na dit vaak lastige immigratieparcours en dat hun vruchtbaarheid zich zal hebben aangepast (behalve wanneer we ze in conservatieve getto’s proppen), wat ons gewoon terug bij het uitgangspunt brengt. Zelfs al denken we de andere geneugten verbonden aan kinderen weg, hoe saai zouden onze feesten wel niet zijn, hoe droevig zouden onze parken er niet bij liggen zonder kinderen die ze opfleuren, een krachtige ondersteuning van de gezinnen die voor kinderen kiezen valt volledig te rechtvaardigen in een context als de onze waarin het geboortecijfer te laag is om een demografische achteruitgang te verhinderen. Het gaat zelfs om dringende steun om te vermijden dat we in een fatale vicieuze cirkel terechtkomen: naarmate de levensverwachting stijgt en het geboortecijfer daalt, zullen de pensioenen (en de gezondheidszorg) van de ouderen zwaarder wegen op de schouders van de koppels op beroepsleeftijd, die steeds minder financiële ruimte hebben om aan kinderen durven te beginnen en die later het gewicht van hun eigen pensioenen zullen moeten dragen.

Welke financiële steun voor de gezinnen?

Welke vorm moet deze gezinssteun aannemen? Zonder twijfel: universele kinderbijslag. In België staan we daar niet ver af. Er moeten echter nog inspanningen worden geleverd. Laten we de wirwar aan kinderbijslagfondsen omvormen tot een eenvoudig en uniek systeem door aan alle kinderen uit alle Belgische gezinnen die aan de belastingen onderworpen zijn dezelfde rechten toe te kennen, los van het beroepsstatuut van hun ouders. Dit zal een aantal gecoördineerde aanpassingen vergen, te beginnen bij de gelijkschakeling van de bijdrage aan het stelsel van de zelfstandigen. Het meest voor de hand liggende is de overschakeling van een financiering op basis van sociale bijdragen naar een financiering via de personenbelasting of via een algemene sociale bijdrage. Is dit ook geen ideale gelegenheid om het stelsel van de gezinsuitkeringen grondig te moderniseren, misschien door de bijslag om te zetten naar belastingkredieten of door het toe te spitsen op de armste gezinnen of de kroostrijke gezinnen, of door de bijslag te defederaliseren? [293]

 

1.      Neen, het zou geen goed idee zijn de kinderbijslag om te vormen tot een terugbetaalbaar belastingkrediet (of negatieve belastingen). Dit zou de facto neerkomen op een slechte herverdeling van de vrouwen naar de mannen toe, ten nadele van de financiële zekerheid van de meest kwetsbare leden van het huishouden. Het zou veel beter zijn mocht de bijslag op een regelmatige, zekere en onafhankelijke manier op de rekening van de moeder terechtkomen, in plaats van de vorm aan te nemen van een verhoging van het nettobedrag van het loon/de lonen van het huishouden. Het zou dus integendeel veel beter zijn de huidige belastingverminderingen voor personen ten laste te schrappen, die zijn overigens alleen interessant voor de belastingplichtigen van wie het belastbaar inkomen een bepaald bedrag overschrijdt dat varieert naargelang van de gezinssamenstelling en deze verminderingen om te zetten in kinderbijslag die rechtstreeks wordt gestort op de rekening van iedere moeder.

 

2.      Neen, het is evenmin wenselijk de gezinsuitkeringen meer toe te spitsen op de meest kwetsbare gezinnen. Dit zou een kortzichtige maatregel zijn die de facto zou neerkomen op een zwaardere belasting van het beroepsinkomen van de moeders in vergelijking tot alle andere belastingplichtigen, wat dus zou bijdragen tot een werkloosheidsval. Waarom? Het bedrag van de kinderbijslag verlagen naarmate het gezinsinkomen toeneemt, is zo goed als tegen vrouwen (en, hoewel in mindere mate, tegen mannen) die hun beroepsactiviteiten hebben onderbroken of verminderd om voor hun kinderen te zorgen, zeggen: “als jullie terug aan het werk gaan of opnieuw overschakelen van deeltijds naar voltijds werken, zal jullie inkomen niet alleen worden belast aan de marginale aanslagvoet die geldt voor iedere belastingplichtige met hetzelfde inkomen. Bovendien zal voor iedere euro die u verdient een deel van de kinderbijslag worden ingehouden.” In plaats van de kinderbijslag te bepalen op grond van het gezinsinkomen, zou het universeel karakter van de kinderbijslag moeten worden versterkt, door gebruik te maken van de (hierboven voorgestelde) omzetting van de belastingverminderingen (waar werklozen nauwelijks of geen voordeel uit halen) om de optrekking van de bijslag voor werklozen af te schaffen. Kinderbijslag toekennen aan alle gezinnen in plaats van alleen aan de arme gezinnen wil niet zeggen dat het inkomen van de rijkere gezinnen wordt verhoogd. Het komt erop aan om, ten voordele van alle gezinnen, het inkomen van deze rijke gezinnen op een intelligente manier te effenen op grond van de evolutie van hun behoeften. Dit betekent ook dat de solidariteit onder alle welgestelde gezinnen wordt gevrijwaard ten voordele van de gezinnen die meer kinderen ten laste hebben. Het gaat er vooral om de financiële zekerheid van iedereen te versterken door werkloosheidsvallen voor moeders te vermijden.

 

3.      Neen, het zou evenmin wenselijk zijn de kinderbijslag nog meer te laten afhangen van andere variabelen zoals de rang en leeftijd van de kinderen. Het grote onderscheid bij de kinderbijslag en de belastingverlagingen op grond van de rang van het kind en dus de grootte van het huishouden, valt niet meer te rechtvaardigen met beweegredenen in de strijd tegen de armoede. Het is evenmin wenselijk om, via de bevoorrechting van (erg) kroostrijke gezinnen, bij te dragen tot een polarisatie tussen de gezinnen die zich specialiseren in het op de wereld zetten van kinderen en de gezinnen die de Amerikanen DINK’s noemen (double income no kids), die uit de boot vallen. Het komt er eerder op aan in de eerste plaats jonge koppels met een lager of onstabiel inkomen aan te moedigen niet te lang te wachten om een gezin te stichten. Vervolgens is het belangrijk het bijslagbedrag voor het eerste kind op te trekken tot het niveau van de andere kinderen. Een dergelijke optrekking zou natuurlijk tot gevolg hebben dat oudere koppels hun inkomen zien toenemen op het moment dat zij nog slechts één kind ten laste hebben. Dit gevolg kan echter afgezwakt of zelfs gecounterd worden als we tegelijkertijd een einde maken aan de koppeling van de bijslag aan de leeftijd. Om de demografische uitdaging zo doeltreffend mogelijk aan te gaan, zou het inkomen van jonge koppels met één en vervolgens meerdere kinderen moeten toenemen en stabiliseren. Het beoogde resultaat is niet alleen dat de koppels gemiddeld meer kinderen zullen willen, maar ook dat zij er op een biologisch moment zullen aan beginnen, wat maakt dat ze makkelijker kinderen zullen kunnen krijgen.

 

4.      En tenslotte neen, het is niet wenselijk om van de kinderbijslag een gewest- of gemeenschapsbevoegdheid te maken. Het is uitgesloten de kinderbijslag te communautariseren omdat hierdoor in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een stelsel zou ontstaan dat ruikt naar apartheid, aangezien het bijslagbedrag waarop een kind recht heeft zou kunnen verschillen naar gelang de ‘etnische’ groep waartoe het behoort (of waarin het kind wordt ondergebracht door de plaats waar hij of zij school loopt). Bij een regionalisering hebben we niet dit principiële bezwaar. Een regionalisering is echter niet minder onaanvaardbaar. De rampzalige gevolgen voor de gezinnen zouden immers niet lang op zich laten wachten. De fiscale en maatschappelijke concurrentie tussen onze zo nauw verbonden gewesten zou de gezinsuitkeringen naar beneden drukken, ten nadele van alle gezinnen. Brussel bijvoorbeeld, waar het geboortecijfer momenteel het hoogst is, zou ertoe worden aangezet de bijslag te verlagen om de gezinnen die het gewest handen vol geld kosten naar de Vlaamse en Waalse rand proberen te krijgen. Om dit te vermijden zullen de andere gewesten op dezelfde manier reageren. Als we deze absurde, dramatische evolutie willen voorkomen, moeten we van de kinderbijslag een onwrikbare federale sokkel maken die geen of zo goed als geen onderscheid maakt in termen van beroepsstatuut, inkomen, rang of leeftijd en gefinancierd wordt door de federale personenbelastingen of een algemene sociale bijdrage op federaal niveau. De gewesten zouden dan aan deze sokkel eigen accenten kunnen toevoegen via aanvullingen die beter beantwoorden aan de uitdagingen van hun respectievelijke demografische situatie en hun prioriteiten afhankelijk van de waarden en belangen van hun bevolking. Ieder gewest zou dan vrij zijn om met zijn eigen middelen geboortepremies of bijkomende kinderbijslag uit te reiken voor kroostrijke gezinnen, alleenstaande moeders, werkloze ouders, tweelingen, de oudste kinderen, geadopteerde kinderen. Als dergelijke maatregelen inwerken op de stevige, transparante en universele sokkel van de federale kinderbijslag, dan bestaat er geen enkel gevaar dat deze aanvullingen voor verwarring of concurrentie zullen zorgen waaronder de gezinnen ernstig te lijden zouden hebben.

 

5.      De financiële ondersteuning van gezinnen beperkt zich bij ons niet tot de kinderbijslag en de belastingvermindering voor personen ten laste. De ondersteuning bestaat ook uit ouderschapsverlof en loopbaanonderbreking, als deze ondersteuning uitgaat naar ouders van minderjarige kinderen. De betrokken bedragen zijn natuurlijk niet zo groot als de kinderbijslag, maar ze zijn niet verwaarloosbaar. Deze maatregelen zorgen echter voor een ander probleem op het gebied van gelijkheid. De meeste personen die voor deze maatregelen kiezen zijn vrouwen. Hierdoor gaat men vrezen dat vrouwen economisch kwetsbaarder zijn en zal men terughoudender worden om vrouwen aan te nemen voor een baan die een sterk en continu engagement vergt. Dit zorgt op zijn beurt weer voor de verstarring van de verdeling van de huishoudelijke taken in het nadeel van de vrouwen (zij zullen het grootste deel van de huishoudelijke taken voor hun rekening moeten nemen, ook nadat ze hun voltijdse baan weer hebben opgenomen). Dit verdelingsmodel zal vervolgens aan de kinderen die in deze context opgroeien, worden doorgegeven. Hoe kunnen we deze schijnbare spanning tussen enerzijds de gelijkheid tussen gezinnen en anderzijds de gelijkheid tussen mannen en vrouwen verlichten? Zelfs zonder biologische, culturele determinanten lijkt dit niet eenvoudig. Aangezien vrouwen gemiddeld twee tot drie jaar jonger zijn dan hun partner, verdienen ze gemiddeld minder en is het dus voor het gezin voordeliger dat zij hun loopbaan onderbreken of deeltijds gaan werken. Enkele jaren geleden stelde ik samen met mijn collega Pascale Vielle de zogenaamde ‘viriliteitspremie’ voor: wanneer de vader in plaats van de moeder zijn loopbaan onderbreekt of deeltijds gaat werken om voor de kinderen te zorgen, wordt de bijslag verdubbeld, de meerkosten worden gedekt door een kleine extra belasting op het inkomen van de mannen alleen.[294] Ten tweede moet de ouderschapsuitkering worden geïntegreerd in een bescheiden, universele uitkering waarvoor alle volwassen in aanmerking komen en die natuurlijk tegemoetkomt aan heel wat andere doelstellingen.[295] Bij een algemene uitkering voor loopbaanonderbreking zou de bijkomende nettokostprijs voornamelijk betrekking hebben op personen die deeltijds werken en het belangrijkste nettoresultaat dat voor ons hier telt, is dat een universele uitkering een soepelere overstap zou mogelijk maken tussen werk, opleiding en gezinsactiviteiten – het soort soepelheid die onze gezinnen en onze economie vandaag de dag nodig heeft.

Naast de financiële ondersteuning

De ondersteuning van het gezinsinkomen staat centraal. Echter ook andere zaken zijn belangrijk om het vertrouwen, het verlangen en de durf van koppels aan te wakkeren om een gezin te stichten: voldoende en betaalbare kinderopvangmogelijkheden in de buurt, gratis kleuter- en lager onderwijs van goede kwaliteit voor alle kinderen uit de buurt, die te voet of per fiets naar school kunnen. Een gezinsbeleid draait immers niet alleen om kinderbijslag, kinderdagverblijven en scholen. Het gaat ook om ruimtelijke ordening, stadsvernieuwing, openbaar vervoer, kindvriendelijke verkeersregels. Het gaat om residentiële straten waar ruimte is voor kinderen om in alle veiligheid te spelen, in plaats van een sluipweg waar wagens voorbijrazen. Het gaat om buurten waar mensen redenen hebben om elkaar aan te spreken omdat de kinderen buiten spelen of waar de kinderen kunnen buiten spelen omdat de ouders met elkaar praten. Het gaat om buurten waar iemands kinderen de kinderen zijn van iedereen. Buurten als deze zijn voor de ouders die er wonen een pak kindergeld waard.[296]

 

Is het politiek mogelijk om deze verschillende wegen te bewandelen? Het zal ongetwijfeld enige politiek-administratieve handigheid vergen om te evolueren naar een eenvoudiger en transparanter kinderbijslagstelsel dat minder onderscheid maakt. We kunnen erin slagen zonder dat de kinderbijslag met de tijd naar beneden gaat – alleen de kinderbijslag voor sommige kinderen zal niet stijgen zoals ze volgens de huidige regels zou gestegen zijn – zodat het met een vast budget mogelijk is om geleidelijk aan de bijslag voor het eerste kind op te trekken.

 

Zou er politieke bereidheid zijn om meer te doen voor de gezinnen in een context waarbij de verwachting is dat we te maken krijgen met een steeds ouder wordend kiezerspubliek? Dat het zich meer zal bekommeren om pensioenen en gezondheidszorg dan om kinderbijslag en schooltijd? Misschien niet als we een universeel stemrecht invoeren waarbij ieder kind zijn stem kan laten gelden via zijn ouders.[297] Misschien moet het zover niet komen. Een oudere kiezer kan immers evengoed een familielid zijn van een moeder die graag voor het te laat is aan een eerste kind wil beginnen of een grootmoeder van een leerling die graag te voet in alle veiligheid naar een goede school wil gaan of de buur van kinderen voor wie hij niet bang meer is en van wie hij de voornaam kent.


 

Welke toekomst voor welk soort gezinsbeleid?

DEVEN, Fred

Wetenschappelijk directeur Kenniscentrum WVG - Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

 

Heeft gezinsbeleid in Vlaanderen en België nog toekomst? Uiteraard heeft gezinsbeleid een toekomst. Gezinsbeleid is een deel van de toekomst. Een doordacht gezinsbeleid helpt die toekomst zelfs maken.

De vraag is voor welk soort gezinsbeleid in de Belgische context? Een eenduidig antwoord valt daarop mijns inziens moeilijk te geven omdat die context zelf aan wisselingen onderhevig is en wellicht eind 2007 al randvoorwaarden zal bieden die sterk verschillen van de huidige.

 

Mijn reflectie inzake een toekomstig gezinsbeleid steunt op de volgende uitgangspunten.

Gezinsbeleid

 

zet zich uiteen en verhoudt zich tot de ontwikkeling van een bepaald type van welvaartsstaat én tot de investering in toekomst (van kinderen). Dit soort ‘tool kit’ kan complementair worden aangewend, maar kan ook conflictueus worden ingezet tussen diverse overheden.

 

situeert zich bij voorkeur in een vergelijkend perspectief en dus een internationale context. De EU tot referentiekader nemen ligt voor de hand, waarbij voor een ‘benchmarking’ de Belgische situatie zich het best laat vergelijken met enkele EU-lidstaten met een vergelijkbaar BBP.

 

expliciteert ook best haar doelstellingen. Waar is het ons in essentie en prioritair om te doen? Er is uiteraard (politieke) moed en inzicht nodig om helder te zeggen waar je voor staat en wat je precies beoogt.

 

houdt rekening met verschillende perspectieven, van een toenemend aantal actoren en doet dit binnen een levensloopperspectief.

 

Bij deze uitgangspunten maak ik een aantal kanttekeningen.

 

Sub 1.

Binnen de meeste typologieën van welvaartsstaten wordt België gangbaar ingedeeld bij de landen van het ‘conservatief regime’ met een gemiddeld niveau van ondersteuning van gezinnen (veelal afhankelijk van het tewerkstellingsstatuut van de ouder/s) en een eerder ‘traditionele’ kijk op de taakverdeling binnen de partnerrelatie en het huishouden. Op basis van een aantal indicatoren blijkt België dan vaak niet echt te passen in de algemene opdeling en behoort het - vooral op basis van de verschillende sociale werkelijkheid in de gemeenschappen - veelal tot een gemengd type.

Ook met een vrij strikte definitie blijft gezinsbeleid een beleidsdomein dat verschillende beleidsniveaus omvat: van het supranationale (internationale organisaties zoals de EU of de OESO) tot het lokaal gemeentelijk niveau. De vaststelling dat in België (alsnog) preventie (bv. opvoedingsondersteuning) en voorzieningen (o.a. kinderopvang) tot de bevoegdheid van de gemeenschappen behoren (bv. bijstand aan personen) maakt gezinsbeleid, zeker als het ‘horizontaal’ of ‘inclusief’ wil zijn, tot een octopus dat zijn tentakels uitstrekt over véél beleidsdomeinen.

Getuige het recente opbod in België over de wijze waarop nieuwe plaatsen voor de opvang van jonge kinderen kunnen worden geschapen. Of de forse impact van een beslissing op één beleidsniveau (bv. federaal: maatregel inzake fiscale aftrekbaarheid van buitenschoolse opvang) op een ander beleidsniveau (gemeentelijk: administratieve overlast voor o.a. de speelpleinwerking).

 

Sub 2.

De aandacht voor de internationale context en het toenemende belang van intergouvernementele organisaties (zoals de OESO, de Raad van Europa, of de EU), drukt zich ook uit via het ‘gewicht’ van het vertoog dat ze ontwikkelen rond kernthema’s die rechtstreeks relevant zijn voor het uittekenen van een gezinsbeleid binnen een lidstaat. Zie bijvoorbeeld het dubbele vertoog binnen de OESO inzake ‘Early Childhood Education’ (Mahon, 2006), het vertoog van de EU inzake gender (Stratigaki, 2004) of kinderopvang[298]. Die verhalen kleuren in toenemende mate via Peer Reviews (of benchmarking) de analyses die deze internationale organisaties door experts laten maken of hun daaruit afgeleide ‘aanbevelingen’ aan de lidstaten .

 

Sub 3.

Werken in (onvermijdelijke) coalitieregeringen lijkt weliswaar niet bevorderlijk om eenduidige toelichting te krijgen over het wat en waarom van beleidsmaatregelen. Gangbare doelstellingen in de Belgische context waren (en zijn) natalistisch (het bevorderen van het aantal geboorten), het beschermen en ondersteunen van de (huwelijkse) partnerrelatie, de armoedebestrijding en het welzijn van kinderen. In Vlaanderen waren op het einde van de 20ste eeuw de loskoppeling van gezinsbeleid en demografisch beleid, de integratie van gezinsbeleid in een algemeen welzijnsbeleid én het méér samen sporen van gezinsbeleid en emancipatiebeleid de meest opvallende kenmerken.

De doelstellingen van gezinsbeleid expliciteren bleek nooit echt het sterkste punt in België en Vlaanderen (bv. Cattoir & Jacobs, 1998[299]). Toch wordt dit noodzakelijker in het licht van de toenemende vraag naar impactanalyse. De wens binnen de tweede Staten-generaal van het Gezin om ook een federaal observatorium op te richten om de impact van het beleid op het gezinswelzijn te meten versterkt enkel de noodzaak om eerst duidelijk te maken waar het om gaat en waar het op staat. In dat opzicht hebben Angelsaksische landen meer praktijk en een veel uitdrukkelijker beleid.

 

Sub 4.

Gezinsbeleid blijft vooral geassocieerd met ‘de overheid’. Nog te dikwijls worden de politieke overheden als dé centrale actor beschouwd en veel stellingnamen stralen nog de idee uit dat ‘de politiek’ het reilen en zeilen van gezinnen bepaalt. Dumon[300] signaleert juist de opkomst van nieuwe actoren in het gezinsbeleid als een markante ontwikkeling in het laatste decennium van de 20ste eeuw. Met name de sociale partners, de professionele zorgverleners en de marktsector die tijdens de jaren 1990 in een toenemende mate mede het gezinsbeleid bepalen.

Gezinsbeleid blijft ook overwegend geassocieerd met (jonge) ouders en de eerste levensjaren van kinderen. Het is echter wenselijk om gezinsbeleid te denken en toe te passen doorheen de levensloop van mensen. Het belang van zorg en zorgarrangementen is daarbij mogelijk de rode draad doorheen het levensverhaal.

 

Op basis van wat voorafgaat, volgen beknopt suggesties voor enkele doelstellingen waar ‘gezinsbeleid’ zich in de toekomst prioritair op kan richten. Ik beperk me tot de hiernavolgende prioriteiten:

 

   De kinderarmoede, als focus van de meer algemene precaire levensomstandigheden van een helaas groeiend aantal gezinnen

 

Kinderarmoede blijft een spijtige maatschappelijke realiteit én een flagrant onrecht in westerse landen met een meer dan behoorlijk BBP. Hier is enige gedrevenheid overigens wel op zijn plaats. Neem bijvoorbeeld de situatie in het Verenigd Koninkrijk op het eind van de jaren 1990 waar de regering Blair bij haar aantreden een beschamende situatie aantrof voor een land met zo’n hoog BBP. Een centrale en bevlogen doelstelling was dan ook “the eradication of child poverty by the year 2020” Die is ondertussen ten node bijgesteld, maar ze gaf wel aanleiding tot ingrijpende ontwikkelingen binnen een welvaartstaat van het liberale type inzake de opvang en de opvoeding van jonge kinderen (o.a. het omvangrijke Sure Start programma). De Belgische context kijkt gelukkig niet aan tegen ongeveer één kind op vier dat onder de armoedegrens leeft, maar elk procent kinderarmoede blijft beschamend én maatschappelijk kortzichtig. Elk procent kinderarmoede laat zich tien jaar later en verder dubbel en dik betalen met steun en toelagen én met een ondergebruik van menselijk kapitaal.

In dit verband is de recente onderzoeksanalyse om alle uitgaven voor minderjarigen in het Vlaams gewest samen te brengen zeer informatief en verdienstelijk[301]. Die systematische inventaris van de publieke investeringen in kinderen leert bv. dat jaarlijks minimum ca. 9600€ per minderjarige wordt besteed (7% van het BRP), vooral via het onderwijs en de kinderbijslagen. Dit soort overzichten informeert ons beter over het gevoerde gezinsbeleid en bevordert hopelijk de efficiëntie en de effectiviteit van de bestedingen over de bevoegdheidsniveaus heen.

Ook de studie die het RKW/ONAFTS bestelde bij het Centrum voor Sociaal Beleid[302] blijft een belangrijke documentatiebron. Dat team kadert - niet verbazend - gezinsbeleid in de belangrijkste ontwikkelingen van het sociaal beleid. Stating the obvious, tal van sociaal-economische maatregelen hebben (potentiële) gevolgen voor het welzijn van gezinnen of minstens voor bepaalde leden van die gezinnen.

 

   Een samenhangend pakket van regelgeving en voorzieningen die vrouwen én mannen helpen om hun tijd billijker te verdelen tussen betaald werk, zorgtaken, sociale participatie en permanente vorming. Dit impliceert ook een volgehouden aandacht voor ‘gender’ in het gezinsbeleid, o.a. via een kritische lectuur van de mogelijk verschillende implicaties voor vrouwen en mannen wanneer er sprake is van ‘ouders’.

 

De spreekwoordelijke ‘combinatie van gezin en arbeid’ mist consistentie, vooral door een tekort aan afstemming tussen de verschillende beleidsniveaus en tussen diverse actoren. Vanuit een levensloopbenadering wordt de visie-ontwikkeling niet beperkt tot de periode van de jonge kinderen (hooguit tot 6 à 10 jaar), maar minstens vanuit een middellange termijn beschouwd. Het blijft ook een helse opgave om de vaak conflicterende doelstellingen van de vele actoren die hierbij betrokken zijn met elkaar te verzoenen. Dus zijn er beleidskeuzes nodig  op het vlak van overheden, werkgevers, professionele groepen  en gezinnen op een aantal kwesties.

 

   De belangrijkste instrumenten waarmee gezinsbeleid gangbaar wordt gevoerd (de ‘tool kit’ van materiële bijdragen, voorzieningen en maatregelen) systematisch tegen het licht houden, opnieuw valideren en indien nodig grondig aanpassen.

 

Uiteraard wordt daarbij de triple C (comprehensive, consistent, continued) in acht genomen en wordt gestreefd om maatregelen en regelgeving zoveel mogelijk in een homogeen pakket van bevoegdheden op één beleidsniveau samen te brengen. Dat is echter een verhaal met een lange politieke staart.

Zo bijvoorbeeld het Belgische systeem van de kinderbijslagen dat ten gronde werd uitgetekend in de jaren 1950 en in de tweede helft van de vorige eeuw werd uitgebouwd, vooral in termen van méér: meer middelen (13de, 14de maand), meer kinderen (o.a. die van zelfstandigen) en vooral meer complexiteit.

 

   Substantieel investeren in een coherent en geïntegreerd pakket van voorzieningen voor (jonge) kinderen, in de kwaliteit en het verlonen van het personeel voor het welzijn van de kinderen nu en voor een betere menselijk potentieel (‘human capital’) in de toekomst.

 

België blijft via haar gemeenschappen een (zeer) sterke record houden inzake het bereik en de kwaliteit van het aanbod voor de 3 tot 6-jarigen. In de mate dat actoren inzake gezinsbeleid om puur economische redenen vroegtijdig investeren in (de ontwikkeling van) het intellectueel en sociaal kapitaal van kinderen, investeren ze inherent en tegen een véél lagere kost in het in stand houden en versterken van het welvaartsniveau van een samenleving.

Een universeel en kwalitatief hoogstaand aanbod in combinatie met gerichte programma’s voor specifieke doelgroepen blijkt op termijn de beste waarborgen te bieden voor een goede ontwikkeling van de meeste kinderen (zie OESO, 2006[303]). Een gedocumenteerd inzicht in de diverse kinderopvangvoorzieningen wordt het best aangevuld met een kritische analyse van de verschillende soorten verlofregelingen voor ouders (bv. Moss & Deven, 2006[304]). Maar ook hier laten beleidsmakers best de illusie van de ‘magic bullets’ achterwege (o.a. Brooks-Funn[305]).

 

De duiding van de ontwikkelingen in Vlaanderen (België) vereist vergelijking met (een belangrijk instrument binnen sociaal onderzoek) en verwijzingen naar relevant buitenlands werk. Die zijn er steeds uitdrukkelijker (bv. Gauthier, 2005[306]; Hantrais, 2004[307], Kauffmann et al, 2002[308]). Het blijft ook gangbaar bij voorrang te verwijzen naar ontwikkelingen in de buurlanden zoals Frankrijk waar gezinsbeleid zowel voor politici als onderzoekers een expliciet beleidsdomein blijft (bv. Letablier, 2003[309]) of Duitsland waar een zeer betekenisvolle beleidsomslag plaatsvond (bv. Rürup, 2004[310]). En zelfs in Nederland is gezinsbeleid terug van weggeweest (bv. Knijn & Hooghiemstra, 2004[311]), nadat gedurende jaren het woord op zich al bij veel van onze Noorderburen de geur van spruitjes opriep. Ondertussen is de vraag niet langer of gezinsbeleid op de politieke agendag komt te staan, maar hoe dat best gebeurt (o.a. welke doelstellingen, welke maatregelen zijn effectief, wie moet vooral worden bereikt?)


 

De evolutie van het gezinsbeleid in Europa

 

HUET, Maryse

Experte van de Europese Commissie
 (Algemene Directie Werk en Sociale Zaken van de Europese Commissie)

 

 

 

Verscheidenheid in nationaal beleid

 

In het domein van het gezinsbeleid wordt, zoals alle materies die te maken hebben met sociale bescherming in Europa, gebruik gemaakt van het subsidiariteitsprincipe. De lidstaten behouden dus hun vrijheid om de middelen en doelen van hun gezinsbeleid te bepalen.

 

Belangrijke variabelen in het gezinsbeleid zijn de gemaakte keuzes met betrekking tot solidariteit, meer bepaald deze tussen verschillende generaties, de visie die elk land ontwikkeld heeft over de relatie tussen de publieke en de private sfeer en het gezinsbeleid dat in de Europese landen wordt gevoerd. In het licht van de totale sociale uitgaven zijn de uitgaven voor uitkeringen voor het gezin en diensten voor kindopvang eerder gering in de zuiderse landen van Europa (4% in Italië, het gemiddelde is 8%). Dit bevoordeelt zo de solidariteit in het gezin. In noordelijke en continentale landen wordt er meer uitgegeven aan gezinsbeleid.

 

De types gezinsbeleid zijn eveneens verscheiden en veelzijdig. Zij hebben alleszins drie dingen gemeenschappelijk:

·         de ongelijkheden op het niveau van burgers met en burgers zonder kinderen verminderen door uitkeringen uit te betalen of gezinnen met kinderen fiscale voordelen toe te kennen

·         een universele toegang tot ouderschapsdiensten aanbieden, meer bepaald voor opleiding en opvang van jonge kinderen

·         het inrichten van werkvoorwaarden die een verbetering van de combinatie tussen beroeps- en gezinsleven moeten bewerkstelligen, zowel voor mannen als voor vrouwen.

 

De landen die een groot deel van hun gezinsbeleid richten op de combinatieproblematiek, zoals de noordelijke Europese landen, kennen een hoger geboortecijfer dan zij die meer aandacht besteden aan financiële steun, zoals bijvoorbeeld Duitsland. Dit land heeft zijn beleid echter sinds 2003 geheroriënteerd met een programma voor gezinnen gericht op een verbetering van de combinatie van gezins- en beroepsleven.

De initiatieven van de Europese Unie

De lidstaten nemen een eerste verantwoordelijkheid op in het gezinsdomein, de promotie van gelijkheid tussen mannen en vrouwen, sociale insluiting en vrij verkeer van personen binnen de  (EU). De bescherming van het kind, en recenter, de aanpassing aan de demografische veranderingen worden echter op Europees niveau begeleid en omvattender benaderd. Het combinatievraagstuk tussen beroeps- en gezinsleven staat centraal in de gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Het onderscheid in sociale rollen naar geslacht zorgt ervoor dat vrouwen denken dat het essentieel is om gezinsverantwoordelijkheden op te nemen boven hun beroepsactiviteit. Dit creëert een groot obstakel, vooral voor de toegang tot werk voor vrouwen, het levenslang leren, het behoud van werk, de ontwikkeling van de carrière en de toegang tot verantwoordelijke functies. De beperkingen verbonden aan deze dubbele rol van de vrouwen betekent een rem met betrekking tot de vrouwelijke arbeidsmarktparticipatie, draagt bij tot professionele ongelijkheden en vormen een hindernis voor de mobilisatie van het menselijk potentieel dat nodig is om de vergrijzende samenleving het hoofd te bieden en de sociale samenhang te bevorderen. Deze situatie heeft ook gevolgen voor het gezinsleven en het evenwicht in het leven van de gezinsleden en werkt gezinsprojecten van de Europeanen tegen. De actieprogramma’s van de Europese Commissie om de demografische moeilijkheden te ontwarren, bevatten belangrijke voorstellen in dit domein.

De actuele reglementaire voorzieningen en actieprogramma’s van de EU om de combinatie van het gezins- en beroepsleven te verbeteren, heeft betrekking op vele domeinen:

 

Familiale verloven

Een eerste directieve werd in 1992 aangenomen. Deze draaide rond het moederschapsverlof. Er moest minimum 14 weken verlof toegekend en betaald worden. Een tweede directieve in 1996, naar aanleiding van een akkoord tussen de sociale partners, voorziet in een ouderschapsverlof van minstens drie maanden met de mogelijkheid om afwezig te zijn op het werk wegens ‘dringende familiale redenen’.

 

Flexibiliteit van de arbeidsuren

Hierbij is de directieve van 1997 over deeltijdse werktijden en ook het akkoord van de sociale partners met betrekking tot telewerk van belang. Zij kennen rechten toe.

 

Kinderopvang

In het kader van de Lissabon-strategie zijn ambitieuze doelen vooropgesteld met betrekking tot kinderopvang. In 2010 moet minstens 33% van de kinderen jonger dan drie jaar en 90% van hen die ouder zijn dan drie jaar tot de schoolplichtige leeftijd opgevangen worden. De opvolging van maatregelen die door de lidstaten genomen moeten worden om dit objectief te bereiken, zijn onderwerp van een regelmatige opvolging in het kader van de Open Coördinatiemethode (OCM) verbonden aan de Lissabon-strategie.

 

Diensten aan hulpbehoevende personen

Het oprichten van de OCM in 2005, dat meer bepaald werkt aan gemeenschappelijke doelen, nationale actieplannen en een actieplan voorgesteld door de Commissie om de samenwerking te bevorderen van de diensten voor gezondheid en langdurige zorg zal bijdragen aan de ontwikkeling van maatregelen door de lidstaten.

 

Het is gepast om ook de financieringsmogelijkheden in het domein van de overeenstemming te vernoemen dankzij het Europees Sociaal Fonds, het programma ‘Equal’ en actieprogramma’s van de Commissie (bv. in 2005, oproep tot voorstellen over de rollen van mannen inzake familiale verantwoordelijkheden) om gelijke kansen tussen mannen en vrouwen te promoten.

Desondanks blijkt het beleid ontoereikend te zijn om tegemoet te komen aan de nieuwe uitdagingen op familiaal gebied.

Nieuwe uitdagingen voor het gezinsbeleid

Het ondersteunende beleid voor gezinnen moet voorbereid worden om tegemoet te komen aan de drie belangrijkste uitdagingen: de veroudering van de bevolking, armoede, dat in verband staat met de moeilijke aanpassing van bepaalde bevolkingsgroepen aan de globalisering, en de evolutie van de familiale structuren.

 

De veroudering van de bevolking

De veroudering van de bevolking, meer bepaald de stijging van het aantal oudere personen, is te danken aan de grote economische, sociale en medische vooruitgang die aan Europeanen de kans geven om, gerieflijk en veilig, langer te leven zoals dit nog nooit gebeurd is. Het is echter ook één van de belangrijkste uitdagingen van de EU voor de komende jaren. Het is een resultaat van vier demografische tendensen die met elkaar samenhangen: het lage vruchtbaarheidscijfer, de stijgende levensverwachting, de babyboomgeneratie die op pensioen gaat dat deels en tijdelijk gecompenseerd wordt door een stijgende immigratie. Toch kan de omvang en het ritme van deze evoluties sterk variëren naargelang het land, de regio,… waar verschillende antwoorden voor nodig zijn. In de volgende decennia zullen alle landen van de EU een belangrijke daling kennen van mensen op werkende leeftijd. Op economisch gebied blijft een beperkt deel actief en een steeds groter deel gepensioneerden zal druk uitoefenen op de publieke uitgaven en de verbetering van verschillende levensniveaus tegenwerken.

In maart 2005 heeft de Commissie een Groenboek in gebruik genomen getiteld ‘Demografische veranderingen: naar een nieuwe solidariteit tussen de generaties'. Met dit boek wil de Commissie op een directie manier demografische vragen, en de zwakke vruchtbaarheid in het bijzonder, aanpakken. Het Groenboek heeft na een uitgebreide consultatie ongeveer 240 vragen van de burgermaatschappij, meer bepaald de sociale partners en de publieke autoriteiten, aangesneden. Op basis van deze raadpleging en ook van interviews met experten heeft de Commissie in een bericht van 12 oktober 2006 over de aanpassing aan de demografische veranderingen een referentiekader voor acties voorgesteld aan de lidstaten.

Dit bericht besluit dat de veroudering van de bevolking een uitdaging is die ons weer tot bloei kan brengen indien we de kaart trekken van de beste voordelen die ons aangeboden worden door langer en in goede gezondheid te leven. Een globale strategie blijkt noodzakelijk om te beantwoorden aan de uitdagingen van de vergrijzing. Vijf sleuteloriëntaties zijn voorgesteld:

 

·         een Europa dat de demografische vernieuwing bevordert. Hiervoor is het noodzakelijk om de beste levensomstandigheden voor gezinnen te voorzien, meer bepaald door de combinatie van beroeps- en gezinsleven te verbeteren. Landen waar dit tot nu toe het beste lukt, kennen het hoogste vruchtbaarheidscijfer en ook de hoogste werkzaamheidgraad van vrouwen in de EU.

·         een Europa dat werken waardeert. De daling van de bevolking op werkende leeftijd kan de volgende decennia ruimschoots gecompenseerd worden door een stijgende werkzaamheidgraad van vrouwen en oudere werknemers. Dit creëert een ‘venster van mogelijkheden’ die de lidstaten zal toestaan om zich klaar te maken voor de komende daling van arbeidskrachten en stijgende perspectieven.

·         een productiever en concurrerend Europa. Vanaf het moment dat de bevolkingsgroep van mensen op arbeidsleeftijd begint te dalen en de vooruitgang op het gebied van werkzaamheidgraad moeilijker te realiseren is, zullen productiviteit en innovatie de enige oplossingen zijn om te groeien.

·         een Europa dat zich organiseert zodat migranten kunnen worden opgenomen en geïntegreerd worden. De EU ontvangt een groot aantal immigranten die ons toestaan een groot deel van de bevolkingsdaling van mensen op werkende leeftijd te compenseren. Deze immigratie moet beantwoorden aan de behoeften van de arbeidsmarkt en moeten met grotere inspanningen begeleid worden zodat migranten en hun nakomelingen kunnen integreren en een band kunnen houden met hun land van herkomst om zo voor iedereen een win-win situatie te krijgen .

·         een Europa met een levensvatbare publieke financiering. Deze is onontbeerlijk om de betalingscapaciteit van de lidstaten te garanderen in de toekomst (opleiding, onderzoek, infrastructuur) en om een bepaald niveau van geschikte sociale bescherming te behouden.

 

Deze acties moeten aangepast worden aan elk land, zijn eigenheid en zijn waarden. Zoals in talrijke domeinen komt de eerste deskundigheid toe aan de lidstaten met hun bijzonderheden en kan er in het gezinsbeleid niet zoiets bestaan als ‘één’ maat of model. De Commissie neemt zich voor om op dit domein de rol van ‘facilitator’ te spelen. Dit gebeurt aan de hand van twee acties: het demografische forum en het vooruitgangsrapport.

 

De verbetering van de overeenstemming tussen beroeps- en gezinsleven

Een betere overeenstemming tussen beroeps- en gezinsleven houdt in dat men op verschillende vlakken moet handelen afhankelijk van diegene die bijdragen aan het Groenboek en de overvloedige ervaringen van het beleid in de Europese lidstaten. Zij tonen ons de te volgen weg:

·         een onthaal en begeleiding van kinderen vanaf het eerste kind (buitenschoolse opvang, individuele behoeftes van adolescenten).

·         de ontwikkeling van diensten aan oudere hulpbehoevende personen, in lijn met de veroudering.

·         de verbetering van de kwaliteit van diensten aan het gezin op het gebied van diversificatie, beschikbaarheid, kwaliteit, geschoold personeel, dat hoofdzakelijk uit vrouwen bestaat.

·         een grotere flexibiliteit van de werkuren zodat rekening gehouden kan worden met de plichten en verlangens van het gezin.

·         het stimuleren van ondernemingen zodat zij maatregelen nemen ten voordele van het gezin. Sociale verantwoordelijk van bedrijven, bv. door het oprichten van labels of bedrijfscharters, kan op deze manier verkregen worden.

·         een globale tijdsregeling van het globale leven dat ontwikkeld wordt op lokaal niveau.

·         mogelijkheden en aanmoedigen voorzien voor mannen zodat zij hun gezinsverantwoordelijkheden tegenover hun gezin, kinderen of oudere ouders, en algemener in het huishoudelijke werk, gaan opnemen.

 

Dit vraagt om een sterk engagement van de sociale partners voor de onderhandelingen van Europese kaderakkoorden over de overeenstemming tussen het professioneel en gezinsleven. Een thema dat werd behouden in hun werkprogramma 2006-2008 en hun actiekader over de professionele gelijkheid, maar ook door de lidstaten. In oktober 2006 heeft de Europese Commissie daartoe een consultatie met de sociale partners gelanceerd in het kader van de voorstelling van een bericht over de aanpassingen aan de demografische veranderingen.

 

De verbetering van de levensomstandigheden van gezinnen

De verbetering van de levensomstandigheden van gezinnen steunt eerst en vooral op de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting. Dit blijft een groot gebrek van de EU en zijn lidstaten waarvan 15% onder de armoedegrens leeft. Sommige gezinstypes, in de eerste plaats éénoudergezinnen, maar ook kroostrijke gezinnen, kennen meer armoede dan anderen. Vooral de toekomst van arme kinderen en de integratie van immigranten zijn verontrustend. Op de Europese Raad van Lissabon, maart 2000, hebben de lidstaten een grote stap vooruit gezet door hun strijd tegen sociale uitsluiting en armoede als één van de hoofdelementen van de modernisering van het sociale model van Europa te beschouwen. Zij hebben ook beslist om hun beleid op dit domein te baseren op een open coördinatiemethode.

 

Het is ook belangrijk om de flexibiliteit van de arbeidsmarkt en de bescherming voor gezinnen in overeenstemming te brengen. Dit moet zeker gedaan worden voor de jongeren zodat de onzekerheden die gepaard gaan met de intrede op de arbeidsmarkt verminderen, en meer in het algemeen hun levensomstandigheden verbeteren. Het gaat om de strijd tegen de moeilijke toegang tot huisvesting, het vergemakkelijken van de toegang tot en het verhogen van de kwaliteit van kinderopvang en algemener, de gelijkheid tussen man en vrouw op de arbeidsmarkt verbeteren.

 

De complexiteit van de problemen en de noodzakelijke acties om te komen tot een samenwerking tussen de verschillende actoren impliceert een verbetering van de levensomstandigheden van de gezinnen (publieke diensten, sociale partners, lokale autoriteiten, ngo’s,…), zowel op het nationale als het lokale niveau. Het is deze weg die Frankrijk en Duitsland recent bewandelen.

 

Demografisch Forum en Vooruitgangsrapport

Eerst en vooral zal de Europese Commissie elke twee jaar een demografisch forum organiseren. Het eerste vond al plaats in 2006. Het gaat om een uitwisselingsplaats van ’good pratices’ tussen de actoren die te maken hebben met de vergrijzing van de bevolking, maar ook om de wetenschappelijke productie te stimuleren en verspreiden die de relatie tussen demografie, en haar impact, op de economie en de samenleving bestuderen.

 

De werkzaamheden van het Forum geniet de ondersteuning van een nieuwe groep gouvernementele deskundigen die een ruimer samenwerkingsperspectief bieden tussen de diensten die zich bezighouden met de familiale kwesties en de lidstaten.

 

Naast het Forum zal de vooruitgang besproken worden van de noodzakelijke hervormingen die nodig zijn om de vergrijzing aan te pakken in de lidstaten. De juiste plaats hiervoor is een vooruitgangsrapport dat de actieplannen van de lidstaten, opgemaakt in het kader van de Lissabon-strategie, als basis heeft.

 

Het komt erop aan om door deze twee acties de Europese burger gevoelig te maken voor de demografische uitdaging zodat hij/zij de veranderingen niet ondergaat, maar een actor is in het gebeuren en de toekomst vol vertrouwen tegemoet gaat. Het doel van onze actie is aan te tonen hoe wij dit vertrouwen kunnen versterken dankzij de Lissabon-strategie en de ondersteuning bieden aan Europeanen en hun gezinnen, een ondersteuning die beter aan hun behoeftes voldoet.


 

Besluit: het doorbladeren van het fotoalbum

Inleiding

In dit deel bekijken we nog één keer een aantal kwesties waar gezinnen mee te maken krijgen, maar dan op een afrondende wijze. Gezinsvormen zijn in alle diversiteit aanwezig in de Belgische samenleving. Het gezinsalbum bestaat al lang niet meer opeenvolgend uit huwelijksfoto’s en geboortefoto’s. Soms verschijnen er nieuwe gezichten in het album en verdwijnen anderen van het toneel, of soms lijken de foto’s in verkeerde volgorde in het boek gekleefd te zijn. Kortom, we hebben te maken met een familiale diversiteit in de samenleving die we kunnen bundelen in drie grote evoluties. Ten eerste is er de toename van het aantal types leefvormen zoals samenwoonrelaties en alleenstaande gezinnen. Een tweede element is de verbreekbaarheid van relaties, die onmiskenbaar gedemonstreerd wordt in het hoge aantal echtscheidingen. En tot slot is het verloop van de gezinsfasen een complex en veranderbaar gegeven geworden. Zowel de volgorde als de timing van belangrijke gebeurtenissen in het leven zijn veranderd ten opzichte van de jaren 1950 en 1960. Er zijn nu andere en vaak ook meer stadia die men doorloopt. Over het waarom van deze evoluties is veelvuldig geschreven. Het doel van dit boek was niet om terug te blikken op de ontwikkeling en oorzaken van de diversiteit. Het is trouwens erg moeilijk de vinger te leggen op een specifieke, éénduidige maatschappelijke oorzaak die deze veranderingen verklaart. Het samengaan van deze omwentelingen en de wederzijdse beïnvloeding hiertussen, hebben ons wel een andere visie gegeven op het denken over en het doen en laten van gezinnen. De opzet van dit boek is om het debat rond een nieuw gezinsbeleid weer te geven en verder aan te zwengelen door de diversiteit als vertrekpunt te nemen. Vanuit het gegeven dat we te maken hebben met een sterke verscheidenheid aan gezinsvormen en levensloopstadia, willen we met dit werk een aanzet geven tot een beleidsgericht antwoord op de diversiteit. Een beleid op maat, als het ware.

 

Binnen deze context organiseerde de Staatssecretariaat voor Gezinnen en Personen met een handicap een Staten-generaal van het gezin, waarop werkgroepen zich hebben gebogen over een reeks thema’s en problemen rond gezinnen en gezinsbeleid. Het boek sluit aan bij de debatten die werden gevoerd tussen academici, politieke beleidsmakers, organisaties in het veld en het grote publiek door een weerslag te geven van de stemmen, maar ook en vooral door bijkomende duiding te geven. Drie grote domeinen stonden centraal in de debatten van de werkgroepen, die we kort overlopen. Een eerste domein is de balans tussen gezin en arbeid. Met een toenemend aantal tweeverdienersgezinnen en alleenstaande ouders wordt de vraag naar een oplossing voor een evenwicht tussen beide alsmaar prangender. Een tweede domein is de relatie tussen het gezin en de overheid. Gezinnen nemen beslissingen binnen het kader dat de overheid aanbiedt, maar kunnen door hun beslissingen ook het beleid impulsen geven. Het is deze wisselwerking die op vlak van recht, fiscaliteit en sociale zekerheid aandacht verdient. Een laatste domein is de plaats van het gezin en meer bepaald de zorgfunctie van het gezin in de samenleving. Welke rol in zorgverlening kan toebedeeld worden aan het gezin of de overheid?

 

In dit deel bekijken we nog één keer een aantal kwesties waar gezinnen mee te maken krijgen, maar dan op een afrondende wijze. We kiezen er bewust voor om niet de thema’s van de werkgroepen te herhalen, maar wel om een aantal aandachtspunten te selecteren die daarin gesitueerd kunnen worden. De keuze om deze onderwerpen en doelgroepen te behandelen, heeft te maken met de centrale plaats die zij innemen in het debat rond gezinnen en het te voeren gezinsbeleid. Aan het einde van elke bespreking, formuleren we een vraag die het verdere debat rond het thema kan sturen.

Waar zijn de basisgegevens over gezinnen?

Om een aangepast gezinsbeleid te kunnen voeren, is het noodzakelijk om over accurate en up-to-date gegevens te beschikken. Hoewel er in België veel statistische bronnen zijn, wordt het meer en meer duidelijk dat ze niet allemaal aangepast zijn aan de hedendaagse maatschappelijke realiteit. Ondanks de inburgering van het feitelijk ongehuwd samenwonen is er in België bijvoorbeeld nog steeds geen officiële registratie van deze samenleefvorm. Het feitelijke gedrag van burgers kan niet altijd eenduidig teruggevonden worden in de officiële cijfergegevens. Het bekendste voorbeeld is dat van de éénpersoonshuishoudens waarachter in veel gevallen een samenwonend koppel schuilgaat. Hoewel de verscheidenheid in gezinstypes in de samenleving blijft toenemen, is het voor de overheid moeilijk om te reageren als ze geen weet heeft van de omvang van deze fenomenen. Het is van belang dat ze hierbij niet enkel oog heeft voor momentopnames, maar ook de dynamiek van de samenleving probeert te vatten (Latten, 2003).

 

Het onderzoek over gezinnen wordt ook niet altijd gecoördineerd waardoor gegevens misschien wel beschikbaar zijn, maar daarom niet altijd vindbaar. Op andere domeinen beschikken we gewoonweg over geen data of zijn ze verschrikkelijk verouderd. Voorbeelden hiervan zijn scheidingscijfers bij ongehuwd samenwonenden, cijfers over de verblijfsregeling van een kind na een echtscheiding, over de welvaartsverdeling binnen een gezin, over het aantal kinderen dat in aanraking komt met huiselijk geweld,…

 

Door het systematisch verzamelen van gegevens kunnen we voorspellingen doen over het verloop van de bevolking en de gezinnen. Op deze manier kan het gezinsbeleid aangepast worden aan de maatschappelijke ontwikkelingen en tendensen. Het aanpassen van het statistisch apparaat aan de veelheid van gezinsvormen is dan ook een eerste uitdaging voor de toekomst. Daarnaast is het ook noodzakelijk de gegevens over de Belgische gezinnen te integreren en op een toegankelijke manier aan te bieden.

 

Een belangrijke evolutie hierin is de ontsluiting van administratieve gegevens voor het wetenschappelijk en beleidsvoorbereidend onderzoek. Het wetenschapsbeleid op federaal en regionaal niveau in ons land maakt een langzame evolutie door naar het actief inzetten van ambtelijk materiaal in het plannen van beleid op allerhande domeinen, ook op dat van het gezinsbeleid. Dit alles gebeurt echter los van een grondige discussie over de relatie tussen privacy en onderzoek. Nog te vaak worden bronnen afgeschermd uit angst voor privacyproblemen. Niet dat deze problemen er niet zijn, maar voorbeelden uit Noorwegen en Zweden, waar een vertrouwensrelatie bestaat tussen de overheid en de academische wereld in het zorgzaam omspringen met grote en gekoppelde databestanden, tonen aan dat bescherming van de privacy en onderzoek wél hand in hand kunnen gaan. De opbouw van die relatie en het winnen van het vertrouwen van de publieke opinie van het nut van dit onderzoek is een onrechtstreekse uitdaging voor de toekomst omdat het de kennis over gezinnen en hun gedrag kan verrijken en op die manier het beleid kan aansturen.

 

Hoe moet het Belgisch statistisch apparaat gemoderniseerd worden om de feitelijke leefsituatie van de gezinnen beter in kaart te brengen en om onderzoek naar gezinnen en gezinsbeleid mogelijk te maken in een omgeving waar de bescherming van de privacy gegarandeerd wordt?

Waar zijn die ‘nieuwe’ denkbeelden over het gezin?

Anders kijken nieuwsamengestelde gezinnen

Er is een mentaliteitsverandering merkbaar in de erkenning van nieuwsamengestelde en atypische gezinnen. Waar België net na de Tweede Wereldoorlog nog veel ‘traditionele’ gezinnen met vele kinderen telde, zien we vandaag gezinnen in allerlei maten en vormen opduiken. Doorheen de tijd kan een gezin evolueren: van een ‘traditioneel’ gezin over een éénoudergezin naar een nieuwsamengesteld gezin waar soms veel, soms weinig kinderen in het huishouden aanwezig zijn. Tot 1970 was echtscheiding nog een taboe. Uit elkaar gaan werd met argusogen bekeken en niet zelden had deze beslissing invloed op het sociale of arbeidsleven. Ook samenwonen was tot twintig jaar geleden ‘not done’. Het is moeilijk in te beelden, maar zeker in het naoorlogse België heeft het, in vergelijking met de rest van noordelijk Europa, zeer lang geduurd voor ongehuwd samenwonen erkend werd als relatievorm. Erkend moet daarbij zowel wettelijk als sociologisch begrepen worden. Pas op het einde van de jaren 1990 werden de eerste wettelijke regelingen goedgekeurd om samenwonenden bijkomende bescherming te geven. In die periode werd immers duidelijk dat er minder getrouwd en meer samengewoond werd. Een trend die zich nog steeds doorzet. Ook naar holebi’s toe veranderde niet alleen de maatschappelijke acceptatie, maar ook de wettelijke. In eerste instantie kwam er het homohuwelijk, gevolgd door een adoptieregeling. Tot slot is ook het beeld van gezinnen grondig gewijzigd. Door de echtscheidingsevolutie in ons land, ingezet in de loop van de jaren 1970, zijn nieuwsamengestelde gezinnen geen vreemd en onbeduidend verschijnsel. De hertrouw bedraagt momenteel één derde van het aantal afgesloten huwelijken en het aantal gescheidenen dat opnieuw gaat samenwonen na hun relatiebreuk ligt nog veel hoger dan het aantal dat opnieuw voor het huwelijk kiest. Dat alles creëert een nieuwe omgeving met een veelheid aan gezinstypes. Ook hier speelt het beleid op in. Een voorbeeldje: sinds 1 november 2006 kan de toekenning van een Reductiekaart Grote Gezinnen ook aangevraagd worden door wettelijke of feitelijke nieuwsamengestelde gezinnen met drie of meer kinderen. Toch is duidelijk dat het getrouwde stel met kinderen nog vaak het centrale referentiekader blijft.

 

Zijn de maatregelen ten aanzien van nieuwe gezinsvormen in het beleid een tijdelijk experiment of betekent dit een trendbreuk in het omgaan met nieuwe gezinsvormen?

Andere beelden over mannelijkheid en vrouwelijkheid

Wanneer we het hadden over geweld in het gezin dan bleek dat dit thema sterk verbonden is met het culturele beeld dat over ‘de man’ en ‘de vrouw’ bestaat: “Een relatie is geen lange, stille stroom”. De verschillende invalshoeken, noden en wensen van beide partners bepalen de richting van een relatie. De manier waarop meningverschillen overwonnen worden, maakt het verschil tussen een conflictueuze en een geweldloze relatie. De democratische manier veronderstelt dat beide partners elkaar als hun gelijke beschouwen, met dezelfde rechten. Daarbij worden de noden, gevoelens, capaciteiten en verschillen van de andere erkend en gerespecteerd (Leroy, 2004). Onze samenleving heeft echter nog steeds hardnekkige patriarchale trekken. Aan mannen wordt nog steeds een grotere dominantie toegemeten dan aan vrouwen. Als scholen communicatietraining of lessen in zelfkennis zouden geven, is het cruciaal om daarbij de stereotype man/vrouw-beelden te doorprikken die vaak via de media worden doorgegeven (en dat reeds op jonge leeftijd). Onderzoek (Casman e.a., 2006; Michielsens e.a., 1999) naar deze stereotyperingen in de media stelt vast dat vrouwen die in de media voorkomen, zowel lichamelijk (slank) als mentaal (gevoelig) kwetsbaar zijn. Zij is meestal een moeder die haar kinderen opvoedt, wordt voornamelijk voorgesteld als een vrouw die gegeerd wordt (verleidelijk, slank, sexy gekleed) en voor wie het uiterlijk van uiterst belang is. Vrouwen combineren hun kwetsbaarheid met het moederschap en zijn eerder trots op hun verleidelijk uiterlijk dan op hun professionele of intellectuele bekwaamheden. Dit beeld over vrouwelijkheid wordt met een zekere passiviteit vereenzelvigd, terwijl het beeld over mannen geassocieerd wordt met actie. Mannen in de media worden meestal als rationeel, superieur en leidend uitgebeeld. De verhouding tussen beide geslachten, zoals deze op de televisie worden uitgebeeld, roept vragen op: mannen lijken vaker een superieure positie te hebben ten opzichte van vrouwen (Casman e.a., 2006).

 

Het zou echter niet fair zijn de media met alle zonden van de wereld te overladen. De beelden van de media worden immers niet in het luchtledige geproduceerd. Zij zijn eveneens kind van een samenleving waar beelden over mannen en vrouwen leven. Veel mediamakers zijn zich bewust geworden van de rol die hun beeldvorming heeft. Acties rond beeldvorming zoals de oude campagne “Zeg niet te gauw, er is geen vrouw” of de opvolger “Gevestigde Waarden” waarin aan journalisten databanken aangereikt worden met vrouwelijke specialisten (zodat niet enkel mannen geïnterviewd worden in de specialistenrol) maken duidelijk dat ook binnen de mediawereld iets, zij het langzaam, verandert.

 

Hoe kan de media en het onderwijs omgaan met de diversiteit aan gezinstypen en de voorstelling van man- en vrouwbeelden?

Waar zijn de ‘nieuwe’ mannen en vrouwen?

Eén opvallende vaststelling in dit boek is dat wanneer we kijken naar gezinnen en de problemen die zij kennen, we in de eerste plaats uitkomen bij de vrouw in het gezin. De problematiek van oudere personen, die steeds langer leven en hulp nodig hebben, draait vooral om vrouwen, want zij blijken het vaakst mantelzorg te verlenen. De zorg over de ouder wordende ouders valt voornamelijk in hun handen, net zoals de opvang van kleinkinderen die vooral door grootmoeders langs moeders zijde gebeurt (Casman & Jamin, 2006). Ook op het gebied van de combinatie van verschillende levenssferen zijn het de vrouwen die de grootste afweging moeten maken. Als een koppel beslist om kinderen te krijgen, wordt de keuze om (tijdelijk) te stoppen met werken meestal door de vrouw gemaakt. Aan haar wordt immers de rol van echtgenote en moeder toebedeeld. We zijn nog ver verwijderd van een algemene gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Zelfs nu vrouwen goed vertegenwoordigd zijn in het onderwijs, kiezen zij voor andere studies. Eens zij beginnen te werken, zullen haar professionele keuzes anders zijn dan zijn keuzes. Het is immers niet zo dat wanneer vrouwen op gelijke wijze aanwezig zouden zijn op de arbeidsmarkt, zij daarom ook dezelfde posities zouden bekleden als mannen. Vrouwen zijn minder beschikbaar en mobiel in vergelijking met mannen en werken vaker deeltijds (Gavray, 2003; Soens e.a., 2005). De totale scheiding van mannelijke en vrouwelijke rollen in het gezin, zoals dat bijna standaard was ten tijde van het mannelijke kostwinnersmodel, is verdwenen. De waardenverandering ten aanzien van wat mannelijk en vrouwelijk is, werd sinds de jaren 1960 danig door elkaar geschud. Professionele activiteit van vrouwen wordt aanvaard en maakt deel uit van de vrouwelijke identiteit. Toch blijven doorheen deze nieuwe evolutie de maatschappelijke beelden van mannelijkheid en vrouwelijkheid doorspelen. De substantiële verschillen tussen de rollen komen zowel in het huiselijke leven als op het werk naar voren (Lipovetsky, 1997).

Taakverdeling binnen het gezin

Het idee dat thuis, in het gezin zelf, de taken door beide partners kunnen opgenomen worden naargelang hun beschikbaarheid, vindt ingang. Taken die vroeger alleen aan vrouwen werden toebedeeld, worden vandaag ook door mannen gedaan. Dit gebeurt vooral in gezinnen waar de man hoger opgeleid is en de vrouw tevens actief is op de arbeidsmarkt. In België zien we een lichte stijging van vaders in een echtscheidingssituatie die de zorg over hun kind(eren) willen opnemen. Het aantal vaders aan het hoofd van een éénoudergezin stijgt ook, zij het zeer traag (FOD Economie, 2006c). Wat het opnemen van het vaderschapsverlof betreft, stijgt ook hier het aantal aanvragen. Tussen 2003 en 2004 bedroeg deze stijging 7%. Ook het aantal opgenomen dagen van dit verlof steeg met 7% in deze periode. Er zijn echter enkel cijfers beschikbaar vanaf dag vier[312] (X, 2006). Mannen komen dus steeds duidelijker in het vizier al botsen zij op heel andere problemen binnen het gezin: hij neemt nog steeds een klein aandeel van de taken in het gezin op zich, maar het is tevens zo dat zijn wens om voor de kinderen te zorgen een veel grotere impact heeft op zijn carrière omwille van vastgeroeste vooroordelen op de werkvloer. Deze veranderingen zijn ongetwijfeld belangrijk, maar of zij een echte democratisering van het huishouden veroorzaken, is nog maar de vraag (zie bv. Mortelmans e.a., 2003). De veranderingen gaan langzaam, uiterst langzaam. De nieuwe invulling van de rollen wordt stilaan duidelijk voor iedereen, maar hier is nog een lange weg te gaan.

 

Hoe kan het beleid mannen en vrouwen aanmoedigen een gelijkwaardige plaats in te nemen in het gezin waar in onderling overleg op gelijke voet de huishoudelijke verantwoordelijkheden verdeeld kunnen worden?

Tijdsverdeling tussen gezin en arbeid

Bij het bespreken van de maatregelen om gezin en arbeid te combineren werd duidelijk dat het beleid uitgebreid op deze problematiek inspeelt. De overheid moet gender-neutraal ageren, maar combinatie-maatregelen worden vaker en in grotere getale opgenomen door vrouwen. Of deze maatregelen moeten dienen om het geboortecijfer op te krikken laten we hier nu even in het midden. Buitenlandse voorbeelden tonen immers aan dat dergelijke maatregelen naar demografische resultaten geen garantie op succes biedt. De focus op vrouwen in het beleid heeft haar eindpunt nog niet bereikt en dat om twee redenen. Op de eerste plaats is het duidelijk dat combineren voor vrouwen in het algemeen nog steeds moeilijk is. Nog heel veel vrouwen keren niet terug naar de arbeidsmarkt na een onderbreking. Op de tweede plaats is het combineren van arbeid en gezin door middel van verlofregelingen niet altijd mogelijk in gezinnen die het financieel niet zo ruim hebben. Het opnemen van verloven wordt opvallend meer gedaan door hoger opgeleiden. Mogelijk ligt hier een andere visie ten aanzien van de plaats van arbeid aan ten grondslag maar even reëel zijn de financiële barrières. Wie de financiële middelen uit arbeid nodig heeft, kan het zich vaak niet permitteren om langdurig van de arbeidsmarkt te verdwijnen om de zorg voor de kinderen op te nemen. Daarnaast hebben hoger opgeleiden net door hun diploma ook meer troeven in handen om een terugkeer naar de arbeidsmarkt succesvol te laten verlopen.

Ook kunnen ze beter aan de noodzakelijke informatie komen om de verschillende verloven op te nemen.

 

Hoe kunnen de zwakkeren in de samenleving geholpen worden om gezinsarbeid en professionele arbeid gecombineerd krijgen binnen een krap financieel gezinsbudget?

Nieuwe geluiden op de arbeidsmarkt

De retoriek van ‘sociale verantwoordelijkheid’ van ondernemingen klinkt steeds luider binnen het bedrijfsleven. Volgens een enquête, gepubliceerd in 2005, antwoordden 84% Europese senior executives dat het concept ‘Sociale Verantwoordelijkheid van Bedrijven’ een ‘centraal’ en ‘belangrijk’ element is bij het nemen van beslissingen. Vijf jaar geleden bedroeg dit percentage slechts 46% (Business & Society Belgium, 2005). Om met respect voor mens en omgeving te kunnen ondernemen, moet men verschillende elementen in beschouwing nemen. Men moet zich niet beperken tot de indienstneming van een bepaald percentage vrouwelijke of allochtone werknemers, maar ook rekening houden met alle omgevingsfactoren. Niets belet bedrijven om te zorgen voor een betere combinatie van het beroeps- en gezinsleven. Een goede relatie tussen werk en gezin is ook nodig om een winstgevende onderneming te worden. “Als ouders er niet in slagen om een gewenst evenwicht te vinden tussen deze twee sferen, zullen zij hun werktijd verminderen. Dit zet een rem op de economische groei. Een vermindering in het geboortecijfer heeft ook gevolgen voor de toekomstige werkkrachten en de betaalbaarheid van de sociale bescherming(Bühler, 2004).

 

Is de volgende stap voor sociaal verantwoordelijke bedrijven om gezinsvriendelijker te worden?

Wie zijn de ‘nieuwe’ ouderen?

Personen ouder dan 65 jaar, de scharnierleeftijd waarop men (in theorie) op pensioen gaat, kunnen niet als één homogene groep worden beschouwd. Verschillende leeftijden worden geassocieerd met verschillende fases op het einde van het leven en andere functies in het gezin en in de samenleving. De vermindering of definitieve stopzetting van de beroepsactiviteit rond de pensioenleeftijd zorgt voor een grotere beschikbaarheid van grootouders om bijvoorbeeld de opvang van kleinkinderen te garanderen. De verlenging van de carrière die in het Generatiepact beschreven staat, zal niet zonder intergenerationele gevolgen zijn. In de jaren 1975-1980 vroeg men aan de ‘oudere’ werknemers om plaats te maken voor de nieuwe generatie jongeren die net uit de schoolbanken kwam en geconfronteerd werd met een hoge werkloosheidsgraad. De aankomende vergrijzing maakt een dwingende ommekeer in dit denken noodzakelijk: uitstappen als vijftiger zal de uitzondering (moeten) worden en de werkzaamheidsgraad van ouderen wordt opgetrokken.

Verlies van zelfstandigheid en de keuze van de woonplaats

Senioren wensen zo lang mogelijk thuis te blijven wonen. Verhuizen is soms noodzakelijk, vooral als men niet meer zelfstandig is. De overgang kan echter ook plots verlopen, als een donderslag bij heldere hemel, zonder mogelijkheid om terug te keren naar het eigen huis(houden). Ouderen komen steeds later (definitief) in een rusthuis terecht. Dagopvang in collectieve voorzieningen, zodat ouderen ´s avonds terug naar huis kunnen, zijn mogelijkheden om de overgang naar een nieuwe (gemeenschappelijke) manier van leven te vergemakkelijken en minder drastisch te maken, misschien zelfs minder angstig en gelukkiger.

 

Door de algemene verlate intrede in het rusthuis worden instellingen meer en meer gemedicaliseerd en dus duurder, waardoor ze soms zelfs onbetaalbaar worden voor een deel van de ouder wordende bevolking. Het rusthuis heeft hierdoor het imago van ‘sterfhuis’ gekregen, waar ze vanaf wil. Het aanmoedigen van de participatie aan (gemeenschappelijke) activiteiten, die de senior een sociaal netwerk laat behouden, een nieuwe rol toebedeelt en hem sociaal nuttig doet voelen, kan bijdragen aan een andere manier om naar opvangstructuren te kijken. Het is trouwens aangetoond dat deze personen in betere gezondheid ouder worden.

 

Hoe kan de overheid rusthuizen betaalbaar houden zodat ze niet verworden tot ‘sterfhuizen’ en een eigen plaats krijgen in een samenleving waar mensen actief en participatief ouder worden?

Mantelzorg

We hebben lang gedacht dat familiale en collectieve solidariteit afzonderlijk opereerden en zelfs dat de één de andere uitsloot. Niets is minder waar. De zorg over personen gebeurt door gebruik te maken van zowel publieke diensten als van familiale hulp. De collectieve solidariteit geeft ons de mogelijkheid een deel van de huishoudelijke taken uit te besteden. Dit wil echter niet zeggen dat de intrafamiliale zorg verdwijnt. Integendeel, voor het goed functioneren van de formele zorg is een intern aanspreekpunt nodig. Meer zelfs, de mantelzorger heeft niet altijd zin om alle zorg uit handen te geven, zelfs als deze zorg zwaar, intens emotioneel en soms uitputtend is. Het idee dat de familiale solidariteit uit onze Westerse moderne samenleving verdwijnt, is dus fout. Door de stijgende levensverwachting en de stijgende noden van oudere personen wordt steeds vaker een beroep gedaan op deze hulp. De nodige hulp verschilt naargelang de fase in de levenscyclus. Op basis van de cijfergegevens van PSBH, zien we geen grote verschillen in de geboden hulp tussen de situatie van 1993 en 2001. Men kan dus niet spreken over een verzwakking van de intergenerationele relaties binnen de familiekring (Nisen, 2004). Wel bieden de maatregelen uit het Generatiepact om ouderen langer actief te houden op de arbeidsmarkt mogelijk een bedreiging voor deze mantelzorgers. Als de groep mantelzorgers bij uitstek langer moet werken, leidt dit tot een verschuiving van tijdsbesteding en mogelijk ook tot een wijziging in het aanbod aan mantelzorg.

 

Hoe bieden we een antwoord op het dilemma van langer werken en zorgen voor familieleden in het licht van de vergrijzing van onze samenleving?

Allochtone ouderen, een nieuwe uitdaging

Een andere uitdaging is de interculturaliteit bij het ouder worden. Zoals nu voor jongeren een specifieke benadering wordt uitgewerkt, zal dit ook gebeuren voor ouderen. Politiek gezien, werden vergrijzing en migratie altijd beschouwd als aparte wereld. De ene had niets met de andere te maken en voor beide was er een apart beleidstraject. Vandaag wordt duidelijk dat dit niet meer mogelijk is omdat ook allochtonen deel uitmaken van de collectieve veroudering. De vergrijzing op zich verandert van aard en intensiteit (Loriaux, 2006). De samenleving is zowel multigenerationeel als multicultureel. Oudere allochtonen hebben een andere visie op hulp en zorg aan hun ouder wordende ouders. Het is in bepaalde gezinnen niet vanzelfsprekend om gebruik te maken van professionele hulp. De hulp- en zorgsector zelf heeft weinig ervaring met betrekking tot de benadering van allochtonen. Hoewel de vraag naar opvang in een rusthuis nog niet actueel is voor Turkse en Marokkaanse allochtonen zal zij dit over enkele jaren wel worden (Carbonnelle e.a., 2006).

 

Hoe gaan we om met een ouder wordende generatie allochtonen die een visie heeft op het ouder worden en de rol van het gezin en het rusthuis daarin?

Waar staat het gezinsbeleid?

We zien in Europa heel uiteenlopende demografische ontwikkelingen. Deze zijn gebaseerd op een verschillende politieke benadering. Het noorden van Europa heeft haar gezinsbeleid op een ‘interventionistische’ manier uitgebouwd waarbij een nieuw ideologisch model gehanteerd wordt. Gedurende de jaren 1980 hebben de sociale maatregelen in deze landen voorkomen dat het vruchtbaarheidscijfer een zware daling kende. Daarentegen hebben de economische crisis en de hoge werkloosheidsgraad sinds het begin van de jaren 1990 gezinnen ertoe gebracht te besparen en is de vruchtbaarheid gedaald. Waar op het einde van de jaren 1980 de vervanging van de bevolking gewaarborgd was, telt men vandaag amper 1,72 kinderen per Deense vrouw en 1,65 kinderen per Finse en Zweedse vrouw.

 

In het zuiden van Europa heerst de mentaliteit van de patriarchale familie van de jaren 1970 nog steeds. De vrouw (en moeder) blijft meestal thuis en de man (en vader) gaat buitenshuis werken. Onder invloed van verschillende factoren is de mentaliteit en zijn de materiële omstandigheden veranderd. Er wordt niet meer vreemd opgekeken als vrouwen gediplomeerd zijn en een professionele activiteit uitoefenen. Deze evolutie heeft een grote invloed op het vruchtbaarheidscijfer. In 2003 werden slechts 1,2 kinderen per vrouw geboren in Spanje, Griekenland en Portugal. In 2001 bengelden de zuiderse Europese landen aan de staart van de uitgaven met betrekking tot het gezin. Spanje, Italië en Portugal gaven slechts tussen 0,5% en 1,2% van hun BNP uit aan dit beleid, Griekenland besteedde 1,8% van zijn BNP. Landen zoals Finland, Denemarken, Duitsland of Luxemburg besteedden 3% tot 3,8% van hun BNP (Eurostat, 1996). De politiek van deze Europese landen heeft deze emancipatie van vrouwen niet gevolgd. Hoewel steeds meer vrouwen werken, zijn de maatregelen om een gezin en een carrière met elkaar te combineren ontoereikend (Le Bras, 2002).

 

Tijdens de vergaderingen van de Staten-generaal werd veelvuldig gedebatteerd over het model van ouderschapssteun dat in de Scandinavische landen toegepast wordt. Finland en Zweden voeren al sinds het einde van de jaren 1960 een beleid gericht op de gezinnen. De sociale en politieke doelstellingen van deze landen kaderen in een algemene sociale hulp die voor iedereen van toepassing is en levenslang geldt. Scandinavische landen onderscheiden zich door hulp aan te bieden aan ouders vanaf de geboorte van het kind tot dat deze een adolescent is. Zij voorzien in gesubsidieerde kinderopvang, een flexibel en gul ouderschapsverlof en werktijdvermindering voor ouders met jonge kinderen. Op deze manier kunnen ouders hun familiale en professionele verplichtingen zonder onderbreking combineren. Deze genereuze familiale politiek heeft zijn weerslag op de publieke sociale uitgaven. Deze liggen hoger dan de gemiddeldes van de Europese landen. In 2001 bedroegen de sociale uitgaven ten voordele van het gezin 3,8% van het BNP van Denemarken, 2,9% in Zweden en 2,3% in België. Het sociale en gezinsbeleid dat al sinds oudsher in Zweden gevoerd wordt, heeft onze visie weinig veranderd. Zweden kent het hoogste aandeel werkende vrouwen (75% in de leeftijdscategorie 20-65 jaar, vooral in de publieke sector) en telt ook het meeste verkozen vrouwen in het parlement, alsook in gemeenteraden. Bij de geboorte van een kind ontvangen Zweedse ouders in het totaal 450 dagen ouderschapsverlof, waarvan 60 dagen door de vader moeten opgenomen worden. Een gezinsbeleid dat gul is voor ouders met kinderen heeft dus gevolgen voor de gelijke kansen in het gezin (sociale gelijkheid en gelijkheid tussen de seksen). Het ouderschap maakt deel uit van een publieke zorg (Sullerot, 2001).

 

Maar ook het Scandinavische model moet de strijd aangaan met de globalisering en blijven groeien zodat de sociale zekerheid behouden blijft en het algemeen welzijn van de bevolking vergroot. Deze twee domeinen werden altijd als elkaars uitersten bekeken, maar kunnen dus ook hand in hand gaan. Zoals gezegd, werd dit model in de debatten regelmatig aangehaald als een inspiratiebron voor het Belgisch gezinsbeleid. Het kan echter niet zonder meer overgenomen worden in de Belgische samenleving. Er bestaan te veel verschillen op het gebied van fiscaliteit, werkorganisatie, verdeling van lonen en bevolkingsstructuur. In de Belgische institutionele context raakt het gezinsbeleid aan verschillende beleidscontexten. Soms houden ze rekening met elkaar, soms niet. Het is moeilijk om op die manier te komen tot een coherent gezinsbeleid. De federale regering is bevoegd voor de arbeidsorganisatie, werk, sociale zekerheid, fiscaliteit, gelijkheid man/vrouw, recht, sociale integratie, publieke gezondheid, personen met een handicap,… De regio’s staan in voor aangelegenheden met betrekking tot werk, huisvesting, sociale actie,… en de gemeenschappen zijn bevoegd voor kinderen, opvoeding, gezondheid, levenslang leren, preventie, jeugdhulp, cultuur, buitenschoolse opvang,… Het is geen sinecure om al deze bevoegdheden te stroomlijnen en al deze materies in een coherent kader te krijgen. Een kader dat bovendien naar de bevolking gecommuniceerd kan worden en waar de resultaten voor de gezinnen geen ongewenste perverse effecten resulteren.

 

Samengevat: het gezinsbeleid in België staat voor een dubbele uitdaging. Aan de ene kant is er een structurele versnippering van bevoegdheden waardoor een geïntegreerd gezinsbeleid moeilijk realiseerbaar is. Aan de andere kant is de levensloop van individuen en de samenstelling van de gezinnen zo divers geworden dat zelfs binnen één enkel bevoegdheidsdomein een geïntegreerd beleid voeren naar àlle gezinnen bijzonder complex is geworden. De uitdaging voor het gezinsbeleid is om elke burger, in elke fase van zijn/haar unieke levensloop, te beschermen.

 

Het gezinsbeleid moet aandacht hebben voor de solidariteit tussen de verschillende generaties en binnen generaties, waarbij rekening wordt gehouden met de maatschappelijke en demografische ontwikkelingen. Hierbij moet wel de vraag gesteld worden of àlle gezinnen op dezelfde manier moeten worden behandeld. Niet alle gezinnen hebben immers dezelfde noden. De eigenheid van een gezin moet bewaard blijven en erkend worden, maar deze diversiteit vraagt wel om een gedifferentieerd beleid.


 

Medewerkers aan dit boek

Riet Bulckens, sociologe van opleiding (K.U.Leuven), is als onderzoeksmedewerkster verbonden aan het Centrum voor Longitudinaal en Levensloop Onderzoek (CELLO) van de Universiteit Antwerpen. Zij verricht voornamelijk onderzoek in het domein van de gezinssociologie.

 

Paul Borghs is licentiaat in de rechten (Universitaire instelling Antwerpen, UIA), licentiaat in de toegepaste economische wetenschappen (Universitaire Faculteiten Sint-Ignatuis Antwerpen, Ufsia) en kandidaat in de politieke en sociale wetenschappen (Ufsia). Hij is medewerker van de cel politiek van de Holebifederatie.

 

Marie-Thérèse Casman is assistente, wetenschappelijk hoofdmedewerkster en onderzoekster verbonden aan het Instituut voor Humane en Sociale wetenschappen aan de Universiteit van Luik, ULg. Zij coördineert de Panelstudie Belgische Huishoudens (PSBH). Zij verricht voornamelijk onderzoek in de domeinen rond gezinnen, armoede en veroudering.

 

Yves Coemans is attaché op de studiedienst van de Gezinsbond. Hij volgt de sector gezinsinkomen op: gezinsfiscaliteit, sociale zekerheid en sociale bijstand, maar ook kosten van kinderen. Als handelsingenieur van opleiding jongleert hij graag met cijfers.

 

Luc Cortebeeck is voorzitter van het ACV en ondervoorzitter van het Wereldverbond van de Arbeid. Het ACV komt op voor de verdediging van de werknemersbelangen. Uiteraard is de relatie gezin en arbeid een belangrijk element in de visie van het ACV.

 

Françoise De Boe is adjunct-coördinatrice van het Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting binnen het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding.

 

Marie-Pierre Delcour is juriste en directrice van Infor-homes te Brussel, een pluralistische vereniging die zich bezig houdt met de promotie van de levenskwaliteit in instituten die oudere personen opvangen.

 

Donatienne Desmette is professor aan de Université catholique de Louvain-la-Neuve, UCL. Zij doceert sociale psychologie aan het FOPES (Open faculteit economische en sociale politiek) en coördineert het onderzoek van CERISIS (Interdisciplinair onderzoekscentrum over solidariteit en sociale innovaties) waar zij onderzoek verricht naar de invloed van sociale beeld van het ouder worden op de werkattitudes en de prestaties van ‘oudere’ werknemers.

 

Fred Deven is wetenschappelijk directeur van het Kenniscentrum Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin van de Vlaamse Gemeenschap. Gezinsvorming, ouderschap en de combinatie van arbeid en gezin zijn zijn onderzoeksspecialiteiten.

 

Jozef De Witte is sedert 1 mei 2004 directeur van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding, waar ook het Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting onder ressorteert, zij het met een speciaal statuut.

 

Eva Dirckx is stafmedewerker Gelijke kansen en diversiteit bij VIVA-SVV. Zij ontwikkelt er projecten omtrent gezinsgeweld en interculturaliteit en trekt mee aan de kar van de vrouwendagen en de Wittelintencampagne.

 

Frédérique Fastre is juriste en verantwoordelijk voor de opvolging van het Europese en internationale beleid rond de gelijkheid tussen mannen en vrouwen aan het Instituut voor de gelijkheid van mannen en vrouwen, een federale instelling rond dit thema.

 

Jacques Fierens is advocaat aan de balie van Brussel. Hij is buitengewoon hoogleraar aan de Universitaire Faculteit Notre-Dame de la Paix, FUNDP, te Namen en doceert ook cursussen aan de ULg. Zijn beroep, onderwijstaken en ondezoek concentreren zich rond het familierecht, het recht over sociale hulp en de filosofie van de rechten van de mens.

 

Mathieu Gaillard is als onderzoeksassistent verbonden aan CERISIS, UCL. Hij werkt aan een doctoraat rond de psychosociale processen die de professionele werkethos onbewust beïnvloeden van ‘oudere’ werknemers.

 

Claire Gavray is sociologe en onderzoekster aan de ULg. Zij onderzoekt reeds lange tijd levenslopen met bijzondere aandacht voor de overeenstemming tussen verschillende sferen (werk, familie), tussen objectieve en subjectieve aspecten waarbij gender centraal staat.

 

Françoise Goffinet is sociologe en deskundige op het domein van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Als attaché van het Instituut voor gelijkheid van mannen en vrouwen bestudeerde zij vanaf 1990 achtereenvolgens de dossiers rond werk, combinatie gezins- en beroepsleven en geweld tussen partners.

 

Cathy Herbrand is FWO-aspirante aan de Université Libre te Brussel, ULB en werkt binnen het domein sociologie aan een doctoraat rond holebi-ouderschap en het sociaal ouderschap. Zij is auteur van het CRISP-dossier ‘Holebi-adoptie’ (2006).

 

Maryse Huet werkt voor de Algemene Directie Werk en Sociale Zaken van de Europese Commissie. Zij heeft meegewerkt aan de redactie van vele uitgaven over de familiale politiek, waaronder het rapport Politiques actives du marché du travail (Seminarie Europese vrouwen en werk, Turijn, 1994, georganiseerd door het BIT, de Europese Commissie en het Italiaanse Ministerie van Werk. In 1994 heeft zij samen met F. Le Prince het rapport van de Europese Raad over de combinatie van professioneel en gezinsleven in het kader van een gelijkenkansenbeleid.

 

Jean Jacqmain is gewoon hoogleraar aan de Faculteit Rechtsgeleerdheid van de ULB en ondervoorzitter van de Raad Gelijke Kansen voor Mannen en Vrouwen.

 

Thérèse Jacobs is ZAP-lid van de Universiteit Antwerpen. Zij was 6 jaar algemeen directeur van het Centrum voor Bevolkings- en Gezinsstudie, CBGS. Ze heeft talrijke opdrachten uitgevoerd over beleidsthema’s die verband houden met mantelzorg, kinderopvang, vrijwilligerswerk en samenlevingsopbouw.

 

Anne Jaumotte is sociologe voor het studiecentrum van de Ligue des Familles, een beweging die instaat voor de permanente scholing van volwassenen. Zij behartigt de dossiers rond oudere personen en intergenerationele relaties vanuit de invalshoek van een stijgende levensverwachting en de gevolgen voor het dagelijks gezinsleven.

 

Bernard Jurion is gewoon hoogleraar aan de ULg waar hij de vakken algemene economie en overheidsfinanciën doceert. Hij is ook voorzitter van de afdeling ‘Fiscaliteit en parafiscaliteit’ van de Hoge Raad van Financiën. Zijn interessedomeinen zijn lokale overheidseconomie en de economische effecten van de belastingen.

 

Kathleen Ledoux is licentiate in de rechten, UCL, bezit een diploma van hogere studies (DES) in internationaal en Europees recht, UCL. Zij is juriste en coördineert opleidingen voor het sociaal verzekeringsfonds van het UCM.

 

Michel Loriaux is professor emeritus aan de UCL. Van opleiding sociaal-economist (ULg) heeft hij zich de laatste 20 jaar vooral gespecialiseerd in de vragen rond de veroudering van de bevolking en de samenleving. Hij heeft in 1986 het concept ‘vergrijzing’ geponeerd.

 

Jacques Marquet is socioloog en professor aan de UCL. Hij doceert er sociologie van de familie en sociologie van de seksualiteit aan het Instituut van Studies over de Familie en Seksualiteit (IEFS) en aan de Eenheid Antropologie en Sociologie (ANSO).


Koen Matthijs is gewoon hoogleraar aan het Centrum voor Sociologisch Onderzoek (K.U.Leuven). Hij is verantwoordelijk voor het onderzoeksdomein gezin en bevolking. Zijn onderwijs heeft betrekking op algemene sociologie, gezinssociologie en demografie.


Thérèse Meunier behaalde een Master in Administratie en Beheer van ondernemingen en is Auditeur-generaal van Financiën. Zij is momenteel financieel adviseur op de Permanente Vertegenwoordiging van België bij de NAVO. Zij is geïnteresseerd in de problematiek betreffende ‘gender en fiscaliteit’.

 

Anne Moreau is psychologe van opleiding en coördinatrice van CAPAM en het netwerk Libr’age.

 

Dimitri Mortelmans is docent aan de Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen van de Universiteit Antwerpen. Hij is tevens hoofd van het Centrum voor Longitudinaal en Levensloop Onderzoek (CELLO) en co-promotor van het steunpunt Werk en Sociale Economie (WSE). Zijn onderzoek situeert zich in de arbeids- en familiesociologie en behandelt thema’s als echtscheiding, combinatie gezin en arbeid en loopbaanonderzoek.

 

Marthe Nyssens is professor in het departement economie aan de UCL. Zij coördineert een onderzoeksgroep rond de thema’s sociale economie en sociale politiek binnen CERISIS.

 

Hedwige Peemans-Poullet heeft tijdens haar carrière, naast haar feministische engagementen, vele functies gehad. Zij was onder andere assistente aan de UCL en attachée van het Secretariaat van de Commissie van werk en vrouwen (FOD Werkgelegenheid).

 

Annette Perdaens is sociologe. Zij werkt al 32 jaar in de domeinen gezondheidszorg en welzijn. Zij is administratief directrice van het Observatorium voor Gezondheid en Welzijn in de hoofdstad. Zij is co-auteur van het rapport over armoede in de Brusselse regio.

 

Caroline Simaÿs is onderzoekster aan het Instituut voor Humane en Sociale wetenschappen van de ULg. Zij is vooral geïnteresseerd in arbeids- en gezinssociologie.

 

Frederik Swennen is professor aan de Universiteit Antwerpen en advocaat aan de balie van Brussel. Hij schreef of redigeerde ongeveer 100 publicaties over het (inter)nationale familierecht, gaf over dit onderwerp ook lezingen en werkte mee aan opleidingen.

 

Jan Van Bavel is socioloog en docent demografie en onderzoeksmethoden voor sociale wetenschappen aan de Vrije Universiteit Brussel, VUB. Zijn onderzoek concentreert zich op oorzaken en gevolgen van lage vruchtbaarheid in Europa.

 

Ankie Vandekerckhove is de eerste Kinderrechtencommissaris in Vlaanderen, door het Vlaams Parlement benoemd in 1998. Zij studeerde rechten en criminologie te Gent en was werkzaam bij het Centrum voor de Rechten van het Kind, Universiteit Gent, UGent. Zij was ook werkzaam als advocate aan de Gentse balie en heeft voor Kind en Gezin gewerkt.

 

Karel Van den Bosch is sinds 1986 werkzaam als onderzoeker op het Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck, CSB, van de Universiteit Antwerpen. Tevens doceert hij statistiek aan de Universiteit van Antwerpen en data-analyse aan de Katholieke Universiteit Brussel, KUBrussel.

 

Mieke Van Haegendoren is hoogleraar en vice-rector aan de Universiteit Hasselt, Hasselt. Zij is co-promotor van het Steunpunt Gelijke kansenbeleid, een consortium van de Universiteit Antwerpen en Hasselt.

 

Philippe Van Parijs doceert aan de UCL, waar hij sinds 1991 verantwoordelijk is voor de Hoover Leerstoel in economische en sociale ethiek. Hij is ook gasthoogleraar aan Harvard University sinds 2004, aan de K.U.Leuven sinds 2006 en aan de Ecole normale supérieure (Parijs) vanaf de lente van 2007. De Francquiprijs werd hem in 2001 toegekend.

 

Françoise Voisin is licentiaat in de rechten en juridisch adviseur voor het UCM. Een organisatie die de werkgeversbelangen verdedigt in de Nationale Raad voor Werk en in de Economische en Sociale Raad van het Waalse gewest.


 

Bibliografie

o        Aide à Domicile en Milieu Rural (2001), L’aide à domicile: un défi permanent. Brussel: Editions Luc Pire.

 

o        Andrian, J. (1994), Le déroulement de la carrière professionnelle des femmes à la cinquantaine, Gérontologie et société, 70, 119-138.

 

o        Assurance Advisory Services Luxembourg (2002) Etude d’évaluation de l’impact du Congé parental au Grand-Duché de Luxembourg: Présentation des résultats. Luxemburg: Assurance Advisory Services

 

o        Baluchon Alzheimer België (2006) Baluchon Alzheimer België: soutien aux familles. http://www.baluchon-alzheimer.be/.

 

o        Beghin, P. & Van De Woesteyne, I. (2003), Handboek personenbelasting 2003-2004. Antwerpen: Intersentia.

 

o        Belle, A. & Maubert, D. (2006), Pour poser les termes du débat. Divorce et Séparation, Divorce et précarité (5), 5-22.

 

o        Berghmans, G. (2006), Opinions et attitudes à l’égard de la politique sociale des pouvoirs publics en faveur du troisième âge pp. 289-322 in M. Loriaux & D. Remy (eds.), La retraite au quotidien. Modes de vie, représentations, espoirs et inquiétudes des personnes âgées.  Brussel: De Boeck & Larcier.

 

o        Bonsang, E., Casman, M.T. & Nibona, M. (2004), Potrait de l'enfance en Belgique. Analyse des données du question enfant du PSBH 1992-2002. Recherche commanditée par l'observatoire de l'Enfance de la jeunesse et de l'aide à la jeunesse. Liège: Faculté d'économie, de gestion et de sciences sociales. Service de Sociologie Panel Démographie familiale.

 

o        Boulanger, P.-M., Lambert, A., Deboosere, P., Lesthaeghe, R. & Surkyn, J. (1997), Algemene volks- en woningtelling op 1 maart 1991. Huishoudens en gezinnen, monografie nr.4. Brussel: Ministerie van Economische Zaken, NIS.

 

o        Breda, J., van Landeghem, C., Claessens, D. & Schoenmaekers, D. (2004), Het persoonlijk assistentiebudget 3 jaar later, Alert(5), 69-79.

 

o        Bühler, S. (2004), Bébés et employeurs - Comment réconcilier travail et vie de la famille. Nouvelle Zélande, Portugal, Suise, Volume 3. Ingekorte versie. Bern: OCDE, Office Fédéral des assurances sociales (OFAS) en Secrétariat d'Etat à l'économie.

 

o        Bulckens, R., Humpers, L., Petit, S., Mortelmans, D. & Casman, M.-T. (2005) Overzicht van de resultaten van de gezinsenquête juni 2005 aangevuld met de gegevens van het Gezinsdemografisch panel PSBH. Antwerpen: PSBH, Universiteit Antwerpen.

 

o        Business & Society Belgium (2005), Le baromètre de Business & Society Belgium dresse l'état des lieux de la responsabilité sociétale des entreprises, Magazine Business & Society Belgium(14), 3-11.

 

o        Cantillon, B. (1999a), De welvaartsstaat in de kering. Kapellen: Uitgeverij Pelckmans.

 

o        Cantillon, B. (1999b), Samenvatting en beleidsconclusies: het herstel van het evenwicht tussen arbeid, gezin en verzorginsstaat, pp. 241-281 in B. Cantillon (ed.), De welvaartsstaat in de kering.  Kapellen: Uitgeverij Pelckman.

 

o        Cantillon, B. (2005), Hoe sociaal en zeker is de sociale zekerheid nog? Reflecties over de toekomst van de sociale zekerheid in België, Belgisch Tijdschrift voor Sociale Zekerheid((4), 719-735.

 

o        Cantillon, B., Breda, J., Ghysels, J., Schoenmaekers, D., Debacker, M. & Wiercx, J. (2006) Proeve van een macrozorgbegroting voor minderjarigen. Antwerpen: CSB, Universiteit Antwerpen.

 

o        Cantillon, B., Passot, L., Van Mechelen, N. & Verbist, G. (2003) De gezinsdimensie in de Vlaamse fiscaliteit. Antwerpen: CSB, Universiteit Antwerpen.

 

o        Cantillon, B., Storms, B. & Verbist, G. (1996), De gezinsdimensie in de sociale zekerheid. Brussel: DWTC.

 

o        Cantillon, B., Storms, B., Verbist, G. & Van den Bosch, K. (1995) Wegen naar een grotere doelmatigheid van kinderbijslag en belastingaftrek voor kinderen ten laste. Antwerpen: CSB, Universiteit Antwerpen.

 

o        Cantillon, B. & Verbist, G. (1999) De sociale en fiscale herverdeling in België. Antwerpen: CSB, Universiteit Antwerpen.

 

o        Carbonnelle, S., Casman, M.T., Joly, D. & Moulin, M. (Eds.) (2006) Migrations et vieillissements. Brussel: Koning Boudewijnstichting.

 

o        Carlson, A., Maréchal, P. & Panier, C. (1998) Où vivre vieux? Quel éventail de cadres de vie pour quelles personnes vieillissantes? Brussel: Koning Boudewijnstichting.

 

o        Casman, M.-T. (2005), La question du choix de vie pour les personnes âgées. Repères sociologiques, L’observatoire(44), 34-39.

 

o        Casman, M.-T., Dizier, C., Jacquemain, M., Nibona, M. & Willems, I. (2006) Etude sur l’intégration par les jeunes des stéréotypes sexistes véhiculés par les médias. Universiteit Luik: Luik.

 

o        Casman, M.-T. & Jamin, C. (2006), Des liens avec des fils d’argent. L’importance des relations avec les grands-parents. Brussel: Editions Labor.

 

o        Casman, M.-T., Lenoir, V. & Bawin-Legros, B. (1998) Vieillir en maison de repos: Quiétude ou Inquiétudes? Brussel: Ministerie van Werk en Gelijke Kansen.

 

o        Casman, M.T. (2002), Les représentations sociales du vieillissement : une approche quantitative de la question. DEA Sociologie. Luik: Université de Liège.

 

o        Casman, M.T. (2006) Vivre Seule: Choix ou fatalité?, Colloque solitudes: comment recréer le tissu social? Luik.

 

o        Cattagni, A. (2006), Opinions et attitudes à propos de la vieillesse et du vieillissement des hommes et des société, pp. 321-362 in M. Loriaux & D. Remy (eds.), La retraite au quotidien. Modes de vie, représentations, espoirs et inquiétudes des personnes âgées.  Brussel: De Boeck & Larcier.

 

o        CERISIS (2004), Titre-service, que comprendre, que penser?, IRES-UCL(20), 1-4.

 

o        Ceulemans, C., Degeeter, D., Hermans, G. & Mortelmans, D. (2001) Behoeften aan opvang. Opvang van Behoeften. Een behoefteonderzoek naar buitenschoolse kinderopvang in de stad Antwerpen. Antwerpen: Politieke en Sociale Wetenschappen, Universiteit Antwerpen.

 

o        Coen, R. (2004), Pensioengids. Brussel: Socialistische mutualiteiten.

 

o        Coenen, M.T. (1993), Grève des femmes de la FN en 1966. Brussel: De Boeck Université.

 

o        Commaille, J., Strobel, P. & Villac, M. (2002), La politique de la famille. Parijs: La découverte.

 

o        Coppens, K. & Koelet, S. (2002), Participatie als hefboom. Publieke participatie en de verdeling van de huishoudelijke taken, pp. 175-190 in M. Elchardus & I. Glorieux (eds.), De symbolische samenleving. Een exploratie van de nieuwe sociale en culturele ruimtes.  Tielt: Lannoo.

 

o        Corijn, M. (2004), Ongehuwd en gehuwd samenwonen in België. Feiten en opvattingen vanuit een sociaal-demografisch perspectief. Brussel: CBGS werkdocumenten.

 

o        Corijn, M. (2005) Echtscheidingen in België: met of zonder kinderen. www.cbgs.be, Uit het onderzoek, 17/10/2005.

 

o        Corijn, M. (2006) Ongehuwd samenwonen in Vlaanderen anno 2003. www.cbgs.be, Uit het onderzoek, 31/03/2006.

 

o        D'olieslager, T. & De Boyser, K. (2005), Armoede en sociale uitsluiting becijferd, pp. 317-372 in J. Vranken, K. De Boyser & D. Dierckx (eds.), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2005.  Leuven: Acco.

 

o        De Decker, P. & Laureys, J. (2006), Polariseert de Belgische woningmarkt?, pp. 149-173 in J. Vranken, K. De Boyser & D. Dierckx (eds.), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2006.  Leuven: Acco.

 

o        de Groote, P. & Truwant, V. (2003), Demografie en samenleving. Leuven: Universitaire Pers.

 

o        Degavre, F. & Nyssens, M. (2005) Innovation sociale, ’care’ et genre, le cas des services de gardes malades en Wallonie, Journée Jean Dabin. Louvain-la-Neuve.

 

o        Deleeck, H. (1993) De toekomst van de sociale zekerheid: wenselijkheden en grenzen. Antwerpen: CSB, Universiteit Antwerpen.

 

o        Deleeck, H. (1994), Kinderbijslag en recht van het kind, Belgisch Tijdschrift voor Sociale Zekerheid(1), 133-138.

 

o        Deleeck, H. (2001), De architectuur van de welvaartsstaat opnieuw bekeken. Leuven: Acco.

 

o        Depaepe, M. (1998), De pedagogisering achterna. Leuven: Acco.

 

o        Deven, F. & Nuelant, T. (1999), Parental leave and career breaks in Belgium, pp. 141-154 in P. Moss & F. Deven (eds.), Parental Leave: progress or pitfall?  Brussel: CBGS.

 

o        Dewilde, C. (2006) Housing Movements following Divorce: A European Comparison (OASeS - Working Paper). Antwerpen: Universiteit Antwerpen - OASeS.

 

o        Docquier, F. (1995), La démographie wallonne : Histoire et perspective d’une population vieillissante, F. Joris (ed.), Wallonie. Atouts et références d’une région. Namen: Waalse regering.

 

o        Dortier, J.F. (Ed.) (2002) Familles. Permanences et métamorphoses. Auxerre: Sciences Humaines Editions, Diffusion Presses Universitaires de France.

 

o        Doublet, J. (1990), L'aide aux familles. Contribution de la sécurité sociale à la politique démographique. Genève: Bureau international du Travail.

 

o        Driessens, K. (2003), Armoede en hulpverlening. Omgaan met isolement en afhankelijkheid. Gent: Academia Press.

 

o        Du Pasquier, J.-N., de Roulet, A.-M., Usel, M. & Comba, F. (1995), Les chemins de l’aide. Enquête auprès des personnes dépendantes. Programme 'Philémon et Baucis, Genève 1992-1993'. Lausanne: Editions Réalités sociales.

 

o        Dulac, G. (1997), Les demandes d’aide des hommes. Montreal: Univerité McGill.

 

o        Duquet, N., Glorieux, I., Laurijssen, I. & Van Dorsselaer, Y. (2005), Van voor naar achter: waarom wordt de voorsprong van meisjes op school niet verzilverd op de arbeidsmarkt?, pp. 79-100 in J. Godemont, N. Steegmans, K. Goyvaerts, S. Lenaers & S. Spee (eds.), Het leven zoals het zou kunnen zijn: (on)gelijke kansen in de levensloop.  Antwerpen: Steunpunt Gelijke Kansenbeleid Universiteit Antwerpen/Universiteit Hasselt.

 

o        Dykstra, P.A. & Fokkema, T. (2000) Partner en kinderen: belemmerend of bevorderend voor beroepssucces? Beroepsmobiliteit van mannen en vrouwen met verschillende huwelijks- en ouderschapscarrières. http://www.mensenmaatschappij.nl/vol75/nr02/art04.

 

o        Elchardus, M. & Smits, W. (2005), De toekomst van het gezin. Brussel: Vakgroep Sociologie, Onderzoeksgroep TOR, Vrije Universiteit Brussel.

 

o        Eurostat (1996), ESSPros Manual 1996. Brussel: European Commission.

 

o        Eurostat (2006a) Bron Eurostat geleverd door ESDS International, (MIMAS) University of Manchester. http://www.europa.eu.int/comm/eurostat.

 

o        Eurostat (2006b), Key figures on Europe. Statistical Pocketbook 2006. Luxembourg: European Communities.

 

o        Federale Overheid (2006) Federale portaalsite. https://www.fgov.be.

 

o        Federatie Pleegzorg VZW (2006), Waar vinden we nog voldoende pleegezinnen? Registratierapport 2005. Leuven: Federatie Pleegzorg VZW.

 

o        Femmes Prévoyantes Socialistes (2006), Les enfants témoins de violence dans le couple. Brussel: Femmes Prévoyantes Socialistes.

 

o        Fierens, J. (1992), Droit et pauvreté: droits de l'homme, sécurité sociale, aide sociale. Brussel: Bruylant.

 

o        FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie (2006a) Bevolking. http://www.statbel.fgov.be/figures/population_nl.asp.

 

o        FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie (2006b) Enquête naar de arbeidskrachten. http://statbel.fgov.be/lfs/.

 

o        FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie (2006c) Huishoudens. http://www.statbel.fgov.be/figures/d24_nl.asp.

 

o        FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie (2006d) Werkgelegenheid en werkloosheid. http://www.statbel.fgov.be/figures/d31_nl.asp.

 

o        FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, (2004) EU-SILC 2004. http://statbel.fgov.be/figures/d322_nl.asp

 

o        FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, (2005) Persbericht: Resultaten van de enquête naar inkomens en levensomstandigheden van Belgische huishoudens. http://mineco.fgov.be/press_releases/press_releases_pdf/press_release_03062005_nl.pdf.

 

o        FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, (2006e) Huishoudbudgetonderzoek. http://statbel.fgov.be/figures/d322_nl.asp

 

o        FOD Financiën (2006) Belgische belastingsadministraties. http://www.fiscus.fgov.be/interfisc/home_nl.htm.

 

o        FOD Justitie (2006a), 18 juli 2006 - Wet tot het bevoorrechten van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake huisvesting van het kind. Brussel: Belgisch Staatsblad.

 

o        FOD Justitie (2006b) De bemiddeling. http://www.just.fgov.be/bemiddeling_mediation/nl/splash.html.

 

o        FOD Sociale Zekerheid - Directie-generaal Personen met een handicap (2006) Het gehandicaptenbeleid in België. Institutionele context. http://www.handicap.fgov.be.

 

o        FOD Sociale Zekerheid (2006a), Alles wat je altijd al wilde weten over de sociale zekerheid. Brussel: FOD Sociale Zekerheid.

 

o        FOD Sociale Zekerheid (2006b) Sociale Zekerheid. http://www.socialsecurity.be.

 

o        FOD Werkgelegenheid Arbeid en Sociaal Overleg (2006) FOD - Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. http://www.meta.fgov.be/index.htm.

 

o        Frinking, G. & Willemsen, T. (2002), Policy impact on gender relations, family and work, pp. 73-104 in T. Jacobs (ed.), The impact of policies on family formation and on division of labourCBGS: Brussel.

 

o        Gallus, N. (2006), Les aliments. Brussel: De Boeck & Larcier.

 

o        Gauthier, A. (1999), L'évolution des modèles familiaux. Luik: Universiteit Luik.

 

o        Gavray, C. (2003), Trajectoires Professionnelles Féminines : Flexibilités Et Enjeux De Genre (Diss. Doc.). Luik: Université de Liège, Faculté d’Economie, de Gestion et de Sciences sociales.

 

o        Gerlo, J. (2003), Handboek voor Familierecht. 1. Personen- en familierecht. Brugge: Die Keure.

 

o        Gezinsbond (2004) Van huwelijksquotiënt naar gezinsquotiënt: standpunt van de gezinsbond. Brussel: Gezinsbond.

 

o        Gilain, B. & Nyssens, M. (2001), Belgique: l’histoire d’un partenariat associatif-public, pp. 47-65 in J.-L. Laville & N. M (eds.), Les services sociaux. Entre associations, Etat et marché. L’aide aux personnes âgées.  Paris: La découverte et Syros.

 

o        Glorieux, I., Minnen, J. & Vandeweyer, J. (2005) De tijd staat niet stil. Veranderingen in de tijdsbesteding van Vlamingen tussen 1999 en 2004. Brussel: Vakgroep Sociologie, Onderzoeksgroep TOR, Vrije Universiteit Brussel.

 

o        Gorle, P. (2006) “Fiscus straft gezinnen met één kostwinner ” Het Laatste Nieuws 30/03/2006.

 

o        Graydon, S. (1997) Rapport de la table ronde sur l'image des jeunes femmes véhiculée dans les média. Vancouver: Secrétariat d'Etat à la Situation de la Femme.

 

o        Guèvremont, C. (2004) Peut-on prévenir l'imprévisible?, Les victimes d'actes: criminels: agir dans le respect de la personne, 4ième colloque de l'Association québécoise, Plaidoyer-Victimes. Montreal.

 

o        Guichard-Claudic, Y., Le Borgne-Uguen, F., Pennec, S. & Thomsin, L. (2001), L’expérience de la retraite au masculin et au féminin, Cahiers du Genre: Vieillir jeunes, actifs et disponibles?, 31, 81-104.

 

o        Guillaume, J.-F. (2004), Inzet en toeval van de a posteriori reconstructie van de levensloop, D. Mortelmans, M.T. Casman & R. Doutrelepont (eds.), Elf jaar uit het leven in België. Socio-economische analyses op het Gezinsdemografisch Panel PSBHGent: Academia Press.

 

o        Haicault, M. (1998), Les jeunes retraités, une génération intervalle dans le temps et dans l’espace urbain, Prévenir(35), 123-129.

 

o        Hank, K. & Kreyenfeld, M. (2003), A multilevel analysis of child care and women fertility decisions in Western Germany, Journal of Marriage and Family, 65(3), 584-596.

 

o        Hareven, T.K. (1995), Recent research on the History of the family, pp. 203-230 in M. Drake (ed.), Time, family and community. Perspectives on Family and Community HistoryOxford: Blackwell.

 

o        Hedebouw, G. & Sannen, L. (2002), Grootouders of andere familieleden en kinderopvang: betrokkenheid, motieven, evaluatie en toekomstige bereidheid. Leuven: HIVA.

 

o        Hertecant, G., Nuelant, T., Lobijn, A., De Prins, H. & Verstappen, L. (2004), De kern verkaveld. Gezinsbeleid in Vlaanderen, 1994-2004. Brussel: Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen, Vlaams Centrum voor het Welzijn van Kinderen en Gezinnen, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Administratie Gezin en Maatschappelijk Welzijn.

 

o        Heylen, L. & Mortelmans, D. (2007), Trends in sociale participatie en isolatie van ouderen, pp. te verschijnen in B. Cantillon, K. Van den Bosch & s. Lefebure (eds.), Ouderen in België 1975-2005Leuven: Acco.

 

o        Jamoulle, M., Geerkens, E., Kefer, F. & Bredael, S. (1997), Transformations du droit et des relations collectives de travail. Brussel: CRISP.

 

o        Jaspard, M. (2005), Les violences contre les femmes. Parijs: La découverte.

 

o        Jepsen, M., Meulders, D., Plasman, O. & Vanhuynegem, P. (1997), Individualisation of the social and fiscal rights and the equal opportunities between women and men. Brussel: DULBEA.

 

o        Justaert, M. (2006) “Steeds meer mensen sluiten samenlevingscontract af.” De Morgen 08/11/2006.

 

o        Kind en Gezin (2006), Kinderopvang. Jaarverslag 2005. Brussel: Kind en Gezin.

 

o        Kinderrechtencommissariaat (2005), Kinderen & scheiding. Kinderrechtencommissariaat. Dossier. Brussel: Kinderrechtencommissariaat.

 

o        Kinderrechtencommissariaat (2006a) Advies. Zorgouderschap? Meerdere ouderschapsstatuten voor één kind? Subcommissie Familierecht, Kamer van Volksvertegenwoordigers. Advies naar aanleiding van de hoorzitting van 8 maart 2006. http://www.kinderrechten.be/subsites/documenten/advies.asp.

 

o        Kinderrechtencommissariaat (2006b) Kinderrechtenverdrag. http://www.kinderrechten.be/subsites/documenten/default.asp.

 

o        Koning Boudewijnstichting (1995) Rapport général sur la Pauvreté. Brussel: Ministerie van sociale integratie.

 

o        Lambrecht, M. & Debuisson, M. (2005) Evolution démographique en Wallonie: mise en perspective temprelle et géographique, La Wallonie Face aux défis démographiques. Luik.

 

o        Lamote, A. (1995), Op weg naar een minimumkostendekkende kinderbijslagen. Beleidsprioriteiten van de B.G.J.G., pp. 11-28 in M.v.S. Voorzorg (ed.), Vijftig jaar sociale zekerheid. En daarna? Deel 3: Een zaak van het gezin.  Brussel: Bruylant.

 

o        Latten, J. (2003), Dynamiek in relaties en welvaart: over singleplateau, stellenberg, gezinsdal en eenouderravijn, Bevolking en Gezin (boekaflevering), 32(2), 35-56.

 

o        Le Bras, H. (2002), Fécondité en Europe. Le poids des modèles familiaux, pp. 87-95 in J.F. Dortier (ed.), Familles. Permanences et métamorphoses.  Auxerre: Editions Sciences Humaines, Diffusion Presses Universitaires de France.

 

o        Lenaers, S., Breda, J. & Van Haegendoren, M. (2005) Beleving van gelijke kansen in de levensloop. Een kwalitatieve analyse. Antwerpen: Steunpunt Gelijkekansenbeleid UA-LUC.

 

o        Leroy, L. (2004), Les violences subies par les femmes : l’affaire de tous, Revue trimestrielle des Droits de l’Homme(56), 21-33.

 

o        Lesthaege, R. & Verleye, G. (1992), De tweede demografische transitie: Conceptuele revolutie en recente evolutie, pp. 15-50 in N. van Nimwegen & J. de Jong – Gierveld (eds.), De Demografische uitdaging: Nederland in Europa op weg naar de 21ste eeuw.  Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.

 

o        Leysen, A. (1993), Beleidsbrief Gezinsbeleid - Verslag. Brussel: Commissie voor Welzijn en Gezondheid, Vlaamse raad.

 

o        Lienard, C. (2006) Les stéréotypes sexistes, outils de discrimination des femmes (analyse n°2). Brussel: Université des femmes ASBL.

 

o        Lipovetsky, G. (1997), La troisième femme. Parijs: Gallimard.

 

o        Lodewijckx, E. (2005), Kinderen en scheiding bij hun ouders in het Vlaamse Gewest. Een analyse op basis van Rijksregistergegevens. Brussel: CBGS.

 

o        Loriaux, M. (2006), Vieillesse et immigration: le regard d’un démographe éclectique pp. 11-22 in M. Moulin, M.T. Casman, S. Carbonnelle & D. Joly (eds.), Migrations et vieillissementsBrussel: Koning Boudewijnstichting.

 

o        Loriaux, M. & Remy, D. (2006), Genre, générations et classes: une synthèse transversale de l'enquête sur 'Les 50 ans et plus', pp. 379-412 in M. Loriaux & D. Remy (eds.), La retraite au quotidien. Modes de vie, représentations, espoirs et inquiétudes des personnes âgéesBrussel: De Boeck & Larcier.

 

o        Marquet, J. & Plaideau, C. (2004) Een transversale kijk op de Staten-Generaal van het Gezin. Brussel: Staten-generaal van het Gezin.

 

o        Martin, T. (2004), Droit à un logement décent: vaincre l'anémie constitutionnelle, Revue nouvelle(5), 15-20.

 

o        Masuy, A. (2006), Lorsque l’aide des proches ne suffit pas: l’entourage social des plus âgés influence-t-il leur usage de services d’aide à domicile? (Diss. Lic.). Louvain-La-Neuve: Université catholique de Louvain.

 

o        Michielsens, M., Mortelmans, D., Spee, S. & Billet, M. (Eds.) (1999) Bouw een vrouw. Sociale constructie van vrouwbeelden in de media. Gent: Academia Press.

 

o        Ministerie van Binnenlandse Zaken (1999), Omzendbrief: Wettelijke samenwoning, ingevoerd door de wet van 23 november 1998

 

o        Monnier, A. (2006), Démographie contemporaine de l’Europe. Evolutions, tendances, défis. Paris: Armand Colin, Coll. U, Sciences humaines.

 

o        Moreau, A. (2004), Des personnes âgées victimes de maltraitances, Le ligueur(39).

 

o        Mortelmans, D., Ottoy, W. & Verstreken, M. (2003), Een longitudinale kijk op de gender- verdeling van huishoudelijke taken, Tijdschrift voor sociologie, 24(2-3), 237-260.

 

o        Mortelmans, D., Snoeckx, L. & Raeymaeckers, P. (2007), Divorce in Belgium, te verschijnen in H.-J. Andress & D. Hummelsheim (eds.), Economic and social consequences of partnership dissolution. Comparative Perspectives.

 

o        Moulaert, T. (2005) La fin de carrière. Des politiques en débat. Dossier 1882. Brussel: CRISP.

 

o        Nederlandstalige vrouwenraad v.z.w. (1996), Inleiding: Vrouwen en gezinnen in de personenbelasting, pp. 7-31 in M. Van Haegendoren & H. Moestermans (eds.), Vrouwen, gezinnen en fiscaliteit.  Merendree: Sint-Joris.

 

o        Nederlandstalige vrouwenraad v.z.w. (2001) Standpunt Sociale zekerheid. Brussel: Nederlandstalige vrouwenraad v.z.w.

 

o        Nisen, L. (2004), Déterminants sociologiques des relations intergénérationnelles: étude sur deux vagues, R. Doutrelepont, D. Mortelmans & M.T. Casman (eds.), Onze ans de vie en Belgique. Analyses socio-économiques à partir du Panel Démographie FamilialeGent: Academia Press.

 

o        Office de la Naissance et de l'Enfance (2006) L'enfant handicapé. http://www.one.be/docs/DOSSIERS/handicap.htm.

 

o        Office de la Naissance et de l’Enfance (2006) Rapport Annuel 2005. http://www.one.be/pub/rap.htm.

 

o        Paquet, G. (2002) Quel avenir pour l’assurance autonomie? http://www.enmarche.be/Societe/Troisieme_age/Assurance_dependance.htm.

 

o        Pas, H. (2005), Kinderen en de actieve welvaartsmaatschappij. Arbeid, minimuminkomen, leefloon. Menswaardig bestaan. Maatschappelijke integratie. Brugge: Die Keure.

 

o        Philips, A. & Moss, P. (1989), Who cares for Europ's children? The Short Report of the European Childcare Network. Luxemburg: Office for Official Publications of the European Communities.

 

o        POD Maatschappelijke integratie (2005) Nationaal Actieplan inclusie. http://www.mi-is.be/NL/index.html.

 

o        PSBH (1992-2002) Panelstudie Belgische Huishoudens. http://www.ua.ac.be/cello.

 

o        Rassemblement Bruxellois pour le Droit à l'Habitat (2003), Le droit à un logement abordable (dossier trimestriel), (10).

 

o        Réguer, D. (2001), Recomposition d’une vie sociale, pp. 189-222 in M. Legrand (ed.), La retraite: une révolution silencieuse.  Toulouse: Erès, Pratiques du champs social.

 

o        Rindfuss, R.R. & Brewster, K.L. (1996), Childrearing and fertility, Population and Development Review, 22(2), 258-289.

 

o        Rizzi, E. (2006), Bénévolat et secondes carrières : volonté d'intégration des aînés dans la société, pp. 255-288 in M. Loriaux & D. Remy (eds.), La retraite au quotidien. Modes de vie, représentations, espoirs et inquiétudes des personnes âgéesBrussel: De Boeck & Larcier.

 

o        RKW (1995), De nieuwe noden van de gezinnen, pp. 29-66 in Ministerie van Sociale Voorzorg (ed.), Vijftig jaar sociale zekerheid… En daarna? Deel 3: Een zaak van het gezin.  Brussel: Bruylant.

 

o        RKW (2006a) De demografische veranderingen in de Europese Unie: de lage geboortecijfers als uitdaging. http://www.rkw.be/Nl/Documentation/Publication/Documents/focus1N.pdf.

 

o        RKW (2006b) De statistiek per kinderbijslagfonds. Brussel: Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers.

 

o        RSVZ (2005) Statistieken RSVZ - Kinderen en gezinnen. http://www.rsvz.be/nl/tools/statistics/children.htm.

 

o        RSZPPO (2005), Jaarverslag 2004. Brussel: RSZPPO.

 

o        RVA (2006) Jaarverslag 2005. Brussel: RVA.

 

o        Segalen, M. (2002), Les nouvelles familles, pp. 63-68 in J.F. Dortier (ed.), Familles. Permanences et métamorphoses.  Auxerre: Sciences Humaines Editions, Diffusion Presses Universitaires de France.

 

o        Senaeve, P. (2004), Compendium van het Personen- en Familierecht. Leuven: Acco.

 

o        Services SOS Enfants de l'ONE (2005), Les equipes de SOS Enfants. Brussel: ONE.

 

o        Services SOS Enfants de l'ONE (2006) L'action enfance maltraitée: rapport d'activité 2005. Brussel: ONE.

 

o        SIPS (2003) Féminin, masculin, c’est pas que de la grammaire! Des jeunes en parlent (derde editie). Luik: Centre de planning familial de l’Université de Liège.

 

o        Soens, N., De Vos, A., Buyens, D., Heylen, L., Kuppens, A., Ilse, V.P. & Mortelmans, D. (Eds.) (2005) Belgische loopbanen in kaart: traditioneel of transitioneel? Eindrapport van het onderzoek naar 'Het begrip loopbaan'. Gent: Academia Press.

 

o        Speltincx, E. & Jacobs, T. (1996), Kleuters en hun huishoudens in de kijker. Antwerpen: PSBH.

 

o        Sprimont, B. (2005), Questionnement sur le vécu psychologique de la dépendance au cours du vieillissement, L’observatoire(44), 29-33.

 

o        Staatssecretariaat voor Gezinnen en Personen met een handicap (2004), De Staten-Generaal van het Gezin in een notendop. Brussel: Luc Pire Editions.

 

o        Standaert, L. (2006) “"Gezinnen met één inkomen gediscrimineerd".” Het Belang van Limburg 31/03/2006.

 

o        Staten-generaal van het Gezin cyclus I (2004) De Gezinnen: Staten-generaal van het Gezin 2003-2004. Verslagen van de eerste cyclus van de Staten-generaal van het Gezin. http://www.degezinnen.be/.

 

o        Staten-generaal van het Gezin cyclus II (2006) De Gezinnen: Staten-generaal van het Gezin 2005-2006. Verslagen van de tweede cyclus van de Staten-generaal van het Gezin. http://www.degezinnen.be/.

 

o        Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting (2001) In dialoog, zes jaar na het Algemeen Verslag over de Armoede. Eerste tweejaarlijks verslag. http://www.armoedebestrijding.be/tweejaarlijksverslag.htm.

 

o        Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting (2005), Verslag 2005. Armoede uitbannen. Een bijdrage aan politiek debat en politieke actie. Brussel: Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racisme Bestrijding.

 

o        Steunpunt WAV (2006) Cijfers. http://www.steunpuntwav.be/steunpuntwav/view/nl/18767.

 

o        Storms, B. (1995) Het matteüs-effect in de kinderopvang. Antwerpen: Centrum voor sociaal beleid: Universiteit Antwerpen.

 

o        Sullerot, E. (2001), La politique familiale en Suède, Population et avenir(653), p.7.

 

o        Thibaut, J.P. & Rondal, J.A. (1996), Psychologie de l’enfant et de l’adolescent. Brussel: Editions Labor.

 

o        Université des femmes (2004), Violences envers Elles, Chronique féministe(91).

 

o        Vaes, B. (2005) “Le plan de contrôle des chômeurs dénoncé dans toutes ses dérives.” Le Soir 16/06/2005.

 

o        Valschaerts, M.-C. (2005), Impôts sur les revenus: La fiscalité familiale. Brussel: De Boeck & Larcier.

 

o        Van Aerschot, M. (2004), De combinatie van levenssferen doorheen de levensloop: Literatuurstudie. Antwerpen: Steunpunt Gelijkekansenbeleid.

 

o        Van Bael, M. & Vankriekinge, S. (2004) Mener sa vie professionnelle avec une personne de grande dépendance, est-ce un défi? Brussel: Association francophone d’Aide aux Handicapés mentaux.

 

o        Van den Bosch, K. (1997) Wat heeft een gezin nodig om rond te komen? Budgetnormen voor drie type-gezinnen. Antwerpen: Centrum voor Sociaal Beleid.

 

o        Van Dongen, W., Beck, M. & Vanhaute, E. (2001), Naar een nieuw basismodel voor de combinatie van gezins- en beroepsleven?, pp. 1-16 in W. Van Dongen, M. Beck & E. Vanhaute (eds.), Beroepsleven en gezinsleven. Het combinatiemodel als motor voor een actieve welvaartsstaat?  Leuven: Garant.

 

o        Van Haegendoren, M. (1995), Individuele en afgeleide rechten in de sociale zekerheid, pp. 95-108 in Ministerie van Sociale Voorzorg (ed.), Vijftig jaar sociale zekerheid… En daarna? Deel 3: Een zaak van het gezin.  Brussel: Bruylant.

 

o        Van Haegendoren, M. (1996), Voorwoord, pp. 5-6 in M. Van Haegendoren & H. Moestermans (eds.), Vrouwen, gezinnen en fiscaliteit.  Merendree: Sint-Joris.

 

o        Van Holen, G. (2006) “Dienstencheques voor kinderopvang in aantocht.” De Morgen 21/11/2006.

 

o        Van Hove, T. & Matthijs, K. (2002) Recent developments in the socio-demographic evolution of divorce and remarriage, Divorce in cross-national perspective: a european research network. Florence (Italië): European University Institute.

 

o        Vandenberk, A., Opdebeek, S. & Lammertyn, F. (1998) Geweld en onveiligheidsgevoelens bij ouderen: prevalentie en gevolgen. Leuven: K.U.Leuven.

 

o        Vandenbroeck, M. (2004), In verzekerde bewaring. Honderdvijftig jaar kinderen, ouders en kinderopvang. Amsterdam: Uitgeverij SWP.

 

o        Vanpée, K., Sannen, L. & Hedebouw, G. (2000), Kinderopvang in Vlaanderen. Gebruik, keuze van de opvangvorm en evaluatie door de ouders. Leuven: HIVA.

 

o        Vie féminine (2001) Assurance autonomie: la solidarité pour plus d’égalité. http://viefeminine.noip.org/default.asp?id=22&ACT=5&content=116&mnu=22.

 

o        Vie féminine (2005), Ta pension? En béton! Brussel: Guide Vie féminine.

 

o        Vlaams Parlement (2006), Handelingen plenaire vergadering. Brussel: Vlaams Parlement.

 

o        Witte, E., Craeybeckx, J. & Meynen, A. (1997), Politieke geschiedenis van België van 1830 tot heden. Brussel: VUBPress.

 

o        X (2004) Verklaring van Sanya: Wereldverklaring over een integraal gezinsbeleid, World Family Summit for a Global Family Policy. China.

 

o        X (2006) Schriftelijke vraag 3-5620 van Vankrunkelsven Patrik (VLD) d.d. 30 juni 2006. http://www.senate.be/www/?MIval=/Vragen/SchVrTekstAntwoord&LEG=3&NR=5620&EVENTID=50413810&LANG=nl.

 

o        Ylieff, M. (2006) La solitude chez la personne âgée: croyances, réalités et causes, Colloque solitudes: comment recréer le tissu social? Luik.

 



[1] PSBH is een longitudinale bevraging (11 bevragingsgolven, 1992-2002) die een uitgebreid en diepgaand zicht levert op het leven van de Belgische bevolking en haar evolutie doorheen de tijd. Tijdens deze 11 jaren hebben 3000 gezinnen en meer dan 5000 individuen deelgenomen aan deze bevragingen (voor meer informatie, zie: http://www.ua.ac.be/cello).

[2] We bedoelen hiermee de ruime band van verwantschap. Dit zijn alle personen met wie we een afstammings- of huwelijksband hebben: broers en zussen, ouders en kinderen, ooms en tantes, neven en nichten, grootouders, schoonbroers en –zussen, ... en hun echtgenoten en kinderen.

[3] De leeftijdspiramide is een grafische voorstelling van de bevolking per geslacht en per leeftijd die vroeger de vorm van een piramide had.

[4] Tijdens de eerste ontwikkelingsfase van het industrieel kapitalisme in België (1800 – 1870) werden vrouwen en kinderen massaal ingeschakeld voor laaggeschoolde jobs, zij werden uitgebuit en hadden geen rechten. In 1860 vertegenwoordigden de vrouwen 35% van de laaggeschoolde arbeidskrachten: het loon van een arbeidster bedroeg gemiddeld slechts de helft van het loon van een volwassen mannelijke arbeider (Coenen, 1993).

[5] Ouderschapssteun is elke vorm van rechtstreekse of onrechtstreekse hulp of tegemoetkomingen van de overheid, die gezinnen de mogelijkheid bieden hun kinderen op te voeden en in hun educatieve, affectieve, culturele, sociale, gezondheids- en schoolbehoeften te voorzien en ouders helpen en ondersteunen om de moeilijkheden die ze tijdens de opvoeding van hun kinderen op hun weg vinden, te overwinnen in het belang van de kinderen.

[6] Huishoudens worden opgedeeld naar privé- of publieke aard. Collectieve of publieke huishoudens zijn religieuze gemeenschappen, rusthuizen, weeshuizen, studenten- of arbeidershomes, ziekenhuizen en gevangenissen. Alle andere huishoudens zijn privé. Privé-huishoudens kunnen dus personen bevatten die onderling geen enkele afstammingsband hebben (FOD Economie, 2006c).

[7] Gezinskernen in België (1970-2005) volgens het aantal kinderen in percentage (FOD Economie, 2006a).

[8] Het gaat om personen, mannen en vrouwen, die nog vrijgezel zijn in de leeftijdscategorie van 45 tot 49 jaar.

[9] Het gaat om geboortes die niet plaatsvonden in het kader van een huwelijksverbintenis, de moeder heeft niet de burgerlijke stand van gehuwde (FOD Economie, 2006a).

[10]De steeds grotere aanwezigheid van (jonge) vrouwen op de arbeidsmarkt zou deze gevolgen kunnen afzwakken.

[11]Privé-huishoudens in België 2005 in percentage. Het gaat op 1 januari 2005 om 4439652 huishoudens (FOD Economie, 2006c).

[12] In 1991 werden 657502 alleenstaande vrouwen geteld, dit is 16,6% van de bevolking, in vergelijking met 786672 (17,7%) in 2004 (FOD Economie, 2006c).

[13]Tevredenheid met betrekking tot het hoofdberoep, de financiële situatie, de huisvesting, de beschikbare vrijetijd en het sociaal leven rekening houdende met de familiale situatie van de gezinnen (bevraagd in 2002, volwassen Belgen ouder dan 16,  n=4747, α>0,001).

[14]Persoon die verklaart zware hinder te ondervinden in zijn dagelijks leven wegens een fysiek of mentaal probleem

[15]Persoon die verklaart in zekere mate hinder te ondervinden in zijn dagelijks leven wegens een fysiek of mentaal probleem.

[16] Zie voor een benadering van de systematische analyse bijvoorbeeld Mirin, E. (1990), Introduction à la pensée complexe. Parijs: ESF Editeurs.

[17] Het vruchtbaarheidscijfer is de som van het aantal geboortes in een jaar per 1000 vrouwen op vruchtbare leeftijd (bv. tussen 15 en 45) rekening houdende met de vruchtbaarheidsquotiënten die op die verschillende leeftijden bij de totale vrouwelijke bevolking werden vastgesteld. Het gaat om de geboortes gedurende één jaar, ongeacht de leeftijd, en niet om een welbepaalde generatie. We kunnen ook een vruchtbaarheidscijfer berekenen voor iedere generatie. Deze zogenaamd longitudinale meting is wellicht nauwkeuriger, maar moeilijker te verwezenlijken en enkel mogelijk voor de generaties die het grootste deel van hun vruchtbare leven al achter zich hebben.

[18] 2,1 in de huidige westerse maatschappij

[19] De Europese Commissie, OECD,…

[20] Nationaal Instituut voor Demografische Studies in Frankrijk

21 Zie bijvoorbeeld Minc, A. (1987), La machine égalitaire. Parijs: Grasset et Fasquelle.

22 Loriaux, M. (2005), Questions de méthode et méthodes en question, Réflexions sur les conditions de la recherche dans les sciences de la population et sur leurs apports à la compréhension de l’évolution des sociétés humaines. Louvain-la-Neuve: Presses Universitaires de Louvain, p. 21.

23 Le Bras, H. (2002), Fécondité en Europe: le poids des modèles familiaux, in Sciences Humaines, speciaal n° 14, sept-okt. 1996, overgenomen in J.F. Dortier (red.), Familles. Permanence et métamorphoses. Auxerre: Sciences Humaines Editions, p. 87-95.

[24] Le Bras, H. (2002) Fécondité en Europe, o.c., p. 92.

[25] Le Bras, H. (2002), o.c.

[26]Europese Commissie (2005), Demografische veranderingen: naar een nieuwe solidariteit tussen de generaties. Brussel: Groenboek.

[27] Chesnais, J. (1987), La croissance démographique, frein… ou moteur du développement, in S. Brunel (red.), Tiers Mondes. Controverses et réalités. Parijs: Economica, p. 119-142.

[28] Roussel, L. (2002), L’évolution des familles: une interprétation systémique, in Sciences Humaines, n° 9, augustus-sept. 1991 (tekst herzien en verbeterd door de auteur, juni 2002) opgenomen in J.F. Dortier (red.), Familles. Renaissance et métamorphoses. Auxerre: Sciences Humaines Editions, p. 77-86; Zie ook van dezelfde auteur La famille incertaine. Parijs: Odile Bourguignon, 1989 en L’Enfance oubliée. Parijs: Odile Jacob, 2001.

[29] De statistieken op de website van de Algemene Directie Statistiek verschillen soms van de statistieken in de publicaties van het Nationaal Instituut voor Statistiek. Voor 1990 bijvoorbeeld, vermeldt de publicatie Demografische statistieken, huwelijken en echtscheidingen in 1997, ministerie van Economische Zaken, NIS, nr. 2, 1998, 64 554 uitgesproken huwelijken, dit is een verschil van 104 in vergelijking met het bovenvermelde cijfer.

[30] Thery, I. (1996), Le démariage, justice et vie privée. Parijs: Odile Jacob.

[31] Marquet J. (Red.), 2005, L’évolution contemporaine de la parentalité. Brussel: PSF/ Gent: Academia Press.

[32] Arend-Chevron C. (2003), “La loi du 13 février 2003 ouvrant le mariage à des personnes de même sexe”, Courrier Hebdomadaire du Crisp, 2002/35; Borghs P. (2003), “De emancipatie van de holebi’s”, UVV Info november-december, 20-26; Borghs P. (2004), “Holebi’s in België (1985-2004): krachtlijnen van een emancipatiestrijd”, in S. Spee, I. Lodewyckx, A. Motmans en M. Van Haegendoren (ed.), Wachten op gelijke kansen. Jaarboek 2, Antwerpen, Garant, 93-116; Herbrand, C. (2006), “L’adoption par les couples de même sexe”, Courier Hebdomadaire du Crisp, n°1991-1912; Paternotte, D. (2004), “Quinze ans de débats sur la reconnaissance légale des couples de même sexe”, Courrier Hebdomadaire du Crisp n° 1860-1861 en Sägesser, C. (2005), “La loi anti-discrimination”, Courrier Hebdomadaire du Crisp n°1906.

[33] Vr. en Antw. Kamer 2003-2004, 5 april 2004, 4162 (Vr. nr. 177 Verherstraeten), Zie ook Pintens W. en Declerck, C. “Statistieken over wettelijke samenwoning en opengesteld huwelijk”, Rechtskundig Weekblad 2003-2004, 1556-1559.

[34] FOD Economie – Algemene directie statistiek en economische informatie, “Aantal huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht in 2003 en 2004”, www.statbel.fgov.be.

[35] De ZZZip-enquête (uitgevoerd door de vakgroep sociologie van de UGent) liep van oktober 2004 tot januari 2005.  Er namen 2 931 holebi’s aan deel.

[36] PSBH, “Vindt u dat men de volgende dingen moet openstellen voor homoseksuele en lesbische koppels?”, www.steunpuntgelijkekansesn.be.

[37] Herbots, K. “Meisjes zijn op alle vlakken stukken toleranter dan jongens”, De Morgen 27/01/2004, 7.

[38] De Laet, A. “Meisjes denken positiever over holebi’s”, De Standaard 21/03/2003, 5 en H. Renard, “Vlamingen zijn moederskindjes”, Knack 22/06/2005, 38.

[39] Debusschere, B. “Helft Vlaamse mannen gekant tegen homohuwelijk”, De Morgen 17/02/2003, 1.

[40] Serneels, K. “In bed met de Belg”, De Morgen 11/05/2005, 23.

[41] “Vlaming wil geen buur die afwijkt”, De Standaard 17/06/2006, 2.

[42] BBD, “Campagnes amper succesvol”, De Standaard 9/10/2004, 8.

[43] Coffe, H. “Stemt het extreem-rechtse electoraat ideologisch?”, Samenleving en Politiek maart 2005, 94.

[44] “Adoptierecht voor holebi’s: vrouwen voor, mannen tegen”, www.hln.be (4/01/2006).

[45] Bijvoorbeeld Advies van de Raad van State bij het ontwerp van wet tot openstelling van het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht en tot wijziging van een aantal bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, Parl. St. Kamer 2001-2002, nr. 1692/1, 19.

[46] Van Grunderbeeck, D. (2003), Beginselen van personen- en familierecht, Antwerpen, Intersentia, 238.

[47] Heyvaert, A. (2000), Het personen- en gezinsrecht ont(k)leed, Gent, Mys & Breesch, 146.

[48] ibid., 251.

[49] ibid., 143.

[50] Heyvaert, A. (2005), “De evolutie naar de seks(e)neutraliteit van het gezinsrecht”, Nieuw Juridisch Weekblad, 1190-1202.

[51]Referenties in Borghs, P. (2004), “Homoseksualiteit en ouderschap. Situatie in het buitenland en toekomstperspectief”, Nieuw Juridisch Weekblad, 329-331 en Borghs, P. (2004) “Kinderen in holebi-gezinnen: maatschappelijke en juridische positie”, Tijdschrift voor Jeugdrecht en Kinderrechten, 2, 86-87.

[52] Popenoe, D. (1993), A New Familism: Renewing Families, the Responsive Community. Current, 15, 36; Popenoe, D. (1994), The Family Condition of America: Cultural Change and Public Policy. In: Aaron, H., Tann, T. & Taylor, T., Values and Public Policy. Washington, Brooking Institute.

[53] Harvey, D. (1989), The Condition of Postmodernity, Oxford/Cambridge, Blackwell; Lewis, J. (2001), The End of Marriage? Northampton, Cheltenham; Lüscher, K. (1998), Postmodern Societies - Postmodern Families? In Matthijs, K. & Van den Troost, A. (red.) The Family. Contemporary Perspectives and Challenges (pp. 181-194), Leuven, Leuven University Press.

[54] Geciteerd door Lantz, H.; Schultz, M. & O’Hara, M. (1977), The Changing American Family From the Pre-Industrial to the Industrial Period: A Final Report. American Sociologcal Review, 42.

[55] Laing, R.  (1970), The Politics of the Family and Other Essays. London, Tavistock.

[56] Matthijs, K. (1994), Statistische gids van België. Tielt, Lannoo.

[57]Matthijs, K. (1986), Hertrouw in België. Sociaal-demografisch profiel, Leuven, Sociologisch Onderzoeksinstituut, ssd/24.

[58] Booth, A., & Edwards, J. (1992), Starting over: Why remarriages are more unstable. Journal of Family Issues, 13, 179-194.

[59]  Forder, C. & Verbeke, A. (2005), Gehuwd of niet: maakt het iets uit?. Antwerpen-Groningen, Intersentia.

[60] Corijn, M. & Matthijs, K. (2005), Gehuwd en ongehuwd samenwonen in België. Een sociaal-demografisch perspectief. In: C. Forder & A. Verbeke (eds.), Gehuwd of niet: maakt het iets uit? Antwerpen, Intersentia.

[61]Van Hove, T. & Matthijs, K. (2003), Houdingen omtrent huwelijk en echtscheiding bij eerstekandidatuursstudenten. Academiejaar 2002-2003. Leuven, Departement Sociologie, Onderzoeksverslag van de afdeling Gezin, Bevolking en Gezondheidszorg, Centrum voor Gezins- en Bevolkingsonderzoek, GB/2003-26.

[62]McEnroe, J. (1991), Split-shift Parenting, American Demographics, 13(2), 50-52.

[63]Griswald, R. (1997), Generative Fathering: A Historical Perspective. In A. Hawkins & D. Dollahite (Eds.), Generative Fathering: Beyond Deficit Perspectives. Sage, Thousand Oaks, pp. 71-85.

[64]Gillis, J. (1996), Making the Family: The Invention of Family Time(s) and the Reinvention of Family History. Journal of Family History, 21(1), 4-21; Shorter, E. (1995), The Making of the Modern Family. New York, Basic Books.

[65]Van Hove ,T. & Matthijs, K. (2003), o.c.

[66]Gillis, J. (1996), l.c.

[67] Badinter, E. (1980), De mythe van de moederliefde. Amsterdam, Rainbow.

[68] Gillis, J. (1996), l.c.; Shorter, E. (1995), o.c.

[69] Matthijs, K. (2003), Demographic and Sociological Indicators of Privatisation of Marriage in the 19th Century in Flanders. European Journal of Population, 19(4), 375-412; Matthijs, K. (2006), Changing Patterns of Familial Sociability: Family Members as Witnesses to (Re)Marriage in Nineteenth-Century Flanders. Journal of Family History, 31(2), 115-143.

[70] Gillis, J. (1996), l.c.

[71] Cott, N. (1977), The Bonds of Womenhood: Woman’s Sphere in New England, 1780-1832. New Haven, Yale University Press; Davidoff, L. & Hall, C. (1987), Family Fortunes: Men and Women of the English Middle Class 1780-1850. Chicago: The University of Chicago Press; Kerber, L. (1988), Separate Spheres, Female Worlds, Women’s Place: The Rhetoric of Women’s History. Journal of American History, 75, 9-39.

[72] Matthijs, K. (2001), De mateloze negentiende eeuw. Bevolking, huwelijk, gezin en sociale verandering. Leuven, Universitaire Pers; Matthijs, K. (2002), Mimetic Appetite for Marriage in Nineteenth-Century Flanders: Gender Disadvantage as an Incentive for Social Change. Journal of Family History, 27 (2), 101-127.

[73] X. (1993), The Harper Book of Quotations. New York, HarperCollins. p. 155.

[74] Gillis, J. (1985), For Better, for Worse: British Marriages, 1600 to the Present. New York, Oxford University Press.

[75] Houbre, G. (2006), Histoire des mères et filles. Paris, Editions de La Martinière.

[76]Roberts, R. (1994), Women and the Domestic Economy, 1890-1970: the Oral Evidence. In: M. Drake, Time, Family and Community. Perspectives on Family and Community History (pp. 129-146), Oxford, Blackwell.

[77] Gillis, J. (1996), l.c.

[78] Oeso (2002), Social Expenditure Database.

[79]Giddens, A. (1989), Sociology. Cambridge, Polity. p.384.

[80]Thornton, A. (2001), The Developmental Paradigm. Reading History Sideways and Family Change. Demography, 28(4), 449-465; Thornton, A. (2005), Reading History Sideways: The Fallacy and Enduring Impact of the Developmental Paradigm on Family Life. Chicago, University of Chicago Press, Population and Development Series.

[81]In de week van 1 februari 2005 werd geteld hoeveel kinderen gebruik maakten van de formele opvangvoorzieningen in de diensten die door K&G gecontroleerd worden.

[82] Er is evenwel sprake van een lichte overschatting van deze cijfers omdat K&G niet weet welke plaatsen van buitenschoolse opvang enkel voor -3-jarigen gereserveerd zijn

[83] Zie ook de discussie hieromtrent in ‘Een panoramische blik op gezinnen en de overheid’ – Fiscaliteit.

[84] De werkgelegenheidsgraad is het deel van het potentiële werkaanbod dat daadwerkelijk is ingevuld.

[85] Deze stelsels van vervroegd pensioen zijn vergelijkbaar met het brugpensioen maar dan zonder vervangingsverplichting of leeftijdsgrens, vandaar de verwijzing naar deze drank die de kleur van whisky heeft maar geen whisky is. De uitstapregeling is duidelijk minder duur voor de werkgever. De ontslagen werknemer krijgt het statuut van oudere werkloze en ontvangt bovenop zijn werkloosheidsuitkering een extralegale ontslagvergoeding of een tijdelijke tegemoetkoming tot hij de pensioenleeftijd bereikt (Moulaert, 2005, p.10).

[86] Het halftijds brugpensioen en het tijdskrediet blijven randverschijnselen (respectievelijk 0,1% en 1,2% van de 50- tot 64-jarigen). In 2000 was 17,5% van de 50- tot 64- jarigen bovendien in geen enkel stelsel ondergebracht. Het ging daarbij hoofdzakelijk om thuisgebleven vrouwen.

[87]‘Brugpremie’ om oudere werklozen opnieuw aan het werk te krijgen, behoud van de uitkering die de werkgever betaalt bovenop het werkloosheidsgeld bij werkhervatting en recht op outplacement voor ontslagen werknemers vanaf 45 jaar (Moulaert, 2005, p.25-26).

[88] Verlaging van de werkgeversbijdragen om 58-plussers aan het werk te houden en verlaging van de loonskosten voor de indienstneming van oudere werklozen (Moulaert, 2005, p.26).

[89] Jobcoaching is een methode om kwetsbare personen aan werk te helpen. Het gaat om individuele en intensieve begeleiding van werkzoekenden bij hun zoektocht naar werk, alsook tijdens en na de indienstneming.

[90] Het risico op armoede na de pensioensleeftijd is groot. Het bedraagt 20,8% voor een koppel waarvan één van beide partners ouder is dan 65 en 11,4% voor twee volwassenen die beiden jonger dan 65 zijn en 8,6% voor een huishouden met twee kinderen ten laste (Bonsang e.a., 2004).

[91] Gegevens die gelden voor Franstalig België (Loriaux & Remy, 2006).

[92]De personen met een handicap zijn ongeveer als volgt verdeeld: 60% mentale retardatie, 10% ernstige persoonlijkheidsstoornissen, 4% lichamelijke handicaps, 2% gehospitaliseerde kinderen en adolescenten, 1% visuele handicaps, 2% auditieve handicaps en 21% instrumentele stoornissen (Thibaut & Rondal, 1996, p.247).

[93] Vlaanderen telt 900 persoonlijke assistenten, Wallonië telt er 7.

[94] De inkomensvervangende tegemoetkoming wordt toegekend aan de persoon met een handicap van wie is vastgesteld dat zijn lichamelijke of psychische toestand zijn verdienvermogen heeft verminderd tot een derde of minder van wat een gezonde persoon door het uitoefenen van een beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen. Bij de berekening van de tegemoetkoming wordt rekening gehouden met de inkomsten van de persoon met een handicap, alsook van de persoon met wie de persoon met een handicap een huishouden vormt. Bepaalde vrijstellingen worden evenwel toegepast op die inkomsten.

[95] Voor beroepsinkomsten tussen 0 en 4000 euro.

[96] Voor beroepsinkomsten tussen 4000 en 6000 euro.

[97] Voor een simulatie, zie persmededeling van 1 januari 2006, ‘De werkgelegenheidsgraad van personen met een handicap optrekken’, Staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een Handicap.

[98] Deze programma’s hebben vooral betrekking op de opwaardering van de vaardigheden die werkzoekenden ontwikkelden in de persoonlijke levenssfeer zoals tijdsbeheer, stressmanagement,…

[99] Zie ook de discussie hierover in ‘Een panoramische blik op gezinnen en de overheid’ – De sociale zekerheid.

[100] Citaat van O'CONNOR, G. (2002), Alec Guinness The Unknown, Londres, Sidgwick & Jackson, blz. 398.

[101] Te raadplegen op de site: www.conseildelegalite.be. Zie ook het advies nr. 87 van 1 oktober 2004, over de verdeling van de gezinslasten en de vergoede arbeid binnen het gezin en in de maatschappij

[102] Een illustratie voor het vervolg van deze bijdrage: de in de huidige reglementeringen voor het statutair personeel van de overheidsdiensten in te voeren symmetrische wijzigingen werden maar in het voorjaar van 2006 aan vakbondsoverleg onderworpen.

[103] In samenwerking met het instituut voor de gelijkheid van mannen en vrouwen, update de raad van gelijke kansen voor mannen en vrouwen zijn infobrochure over deeltijds werken.

[104] Deze regel omzetten in onze wetgeving is een van de delicaatste aspecten van de uitvoering van richtlijn 2002/73/EG, die al negen maanden vertraging heeft opgelopen. Dit gezegd zijnde, heeft het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen zelf veel moeite om terzake een gedragslijn aan te nemen: vergelijk maar McKenna, C-191/03 van 8 september 2005 (Chr. D.S. 2006, t.183, obs. J. Jacqmain en Sarkatzis Herrero C-294/04 van 16 februari 2006 (ibid., 2006, p. 366, obs. J.Jacqmain)

[105] We weten dat de federale regering op voorstel van de minister van Gelijke Kansen eind maart 2006 een programma van initiatieven heeft aangenomen om deze hardnekkige ongelijkheid te bestrijden. Het instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen zal moeten instaan voor een aanzienlijk deel van de toepassing ervan.

[106] Om een overdaad aan referenties te vermijden, verwijzen wij naar onze rechtspraakkronieken in J.T.D.E. (1995, p. 30; 1998, p. 49; 2000, p. 201; 2004, p. 1; 2005, p. 289).

[107] Voor cijfergegevens zie ‘Gezinnen en arbeid’ – De formele opvang.

[108] OECD (2003), Vieillissement et politiques de l’emploi: Belgique. Parijs: OECD.

[109] Persdienst van de eerste minister (2005), Het generatiepact.  Brussel.

[110] Henkens, K., Tazelaar, F. (1997), “Explaining retirement decisions of civil servants in the Netherlands: Intentions, behaviour and the discrepancy between the two”, Research on Aging, vol. 19, p. 139-173.

[111] Barnes-Farrell, J. (2003), Beyond health and wealth: Attitudinal and other influences on the retirement decision-making, in Adams, G., Beehr, T. (red.), Retirement: Reasons, processes, and results. New York: Springer.

[112] Hayward, M., Grady, W., Hardy, M., Sommers, D. (1989), “Occupational influences on retirement, disability, and death”, Demography, vol. 26, pp. 393-409.

[113] Raymo, J., Sweeney, M. (2006), “Work-family conflict and retirement preferences”, Journal of Gerontology: Social Sciences, vol. 61B, pp. 161-16; Szinocacz,  M., Deviney, S., Davey, A. (2001), “Influence of family obligations and relationships on retirement: Variations by gender, race, and marital status”, Journal of Gerontology: Social Sciences, vol. 56B, p. 20-27.

[114] Pienta, A., Hayward, M. (2002), “Who expects to continue working after age 62? The retirement plans of couples”, Journal of Gerontology: Social Sciences, vol. 57B, p. 199-208; Talaga, J., Beehr, T. (1995), “Are there gender differences in predicting retirement decisions?”, Journal of Applied Psychology, vol. 80, p. 16-28.

[115] Talaga, J., Beehr, T. (1995).

[116] Talaga, J., Beehr, T. (1995).

[117] Henkens, K., (1999), “Retirement intentions and spousal support: A multi-actor approach”, Journal of Gerontology: Social Sciences, vol. 54B, p. 63-73; Pienta, A., Hayward, M. (2002).

[118] Pienta, A., Hayward, M. (2002).

[119] Henkens, K. (1999).

[120] Raymo, J., Sweeney, M. (2006).

[121] Deze studie is gefinancierd door het Waals gewest, de minister van Economie en Werk, het Institut wallon de l’évaluation, de la prospective et de la statistique (IWEPS), de Franse gemeenschap, de minister van Hoger Onderwijs, Wetenschappelijk Onderzoek en Internationale Betrekkingen en het Europees sociaal fonds (Phasing out van doelstelling 1).

[122] Voor een analyse van de andere variabelen zie Gaillard, M., Desmette, D., Les attitudes professionnelles des travailleurs âgés, in Herman, G. (dir.), “Stigmatisations aux abord du travail: une analyse psychosociale (voorlopige titel)”. Brussel: DeBoeck, te verschijnen.

[123] Desmette, D., Gaillard, M., Lienard, G. (2005). Lorsque l’âge devient stigmate: le rôle de l’identité de travailleur âgé” dans l’intention de prépension. in Battistelli, A., Depolo M., Fraccaroli F., (red.), La qualité de la vie au travail dans les années 2000”, CLUEB, Bologne, p. 828-836; Gaillard, M., Desmette, D. te verschijnen.

[124] Gaillard, M., Desmette, D., te verschijnen.

[125] Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen.

[126] Opvangstructuren die dag en nacht open zijn.

[127] Enkel de pensioenverzekering voor mijnwerkers werd verplicht.

[128] Enkel werknemers hadden recht op kinderbijslag, vanaf 1937 gold dit recht, maar beperkter, ook voor zelfstandigen.

[129] Zelfstandigen kregen deze verplichting in 1956 opgelegd.

[130] Zie ook ‘Een panoramische blik op gezinnen en arbeid’ - Verloven verbonden aan het ouderschap.

[131] Te vinden op het einde van dit deel, voor ‘Inzoomen op gezinnen en de overheid’.

[132] Zodra de begroting het toelaat, kunnen ook kinderen geboren voor 1 januari 1996 gebruik maken van de nieuwe beoordelingscriteria.

[133] De naam is afgeleid van het bijbelcitaat Mt, 13, 12: “Want wie heeft zal nog meer krijgen, en het zal overvloedig zijn; maar wie niets heeft, zal zelfs het laatste worden ontnomen.”

[134] In artikel 2 van het verdrag van de rechten van het kind staat dat de staten elk kind dat onder hun rechtsbevoegdheid valt zonder discriminatie van welke aard ook moeten behandelen. Hiertoe moeten ze passende maatregelen nemen (Kinderrechtencommissariaat, 2006b).

[135] Zie ook ‘Een panoramische blik op gezinnen en de overheid’ – (Burgerlijk) Recht.

[136] Zie ook ‘Een panoramische blik op gezinnen en arbeid’ - Fiscale aftrekbaarheid en fiscale maatregelen.

[137] Om te bepalen of een kind ‘fiscaal gehandicapt’ is, gelden er andere voorwaarden dan in de sociale zekerheid (kinderbijslag). Komen in aanmerking: kinderen die tot 66% of meer getroffen zijn door lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid ofwel zij die een verdienvermogen van een derde of minder, ofwel zij die een verminderde zelfredzaamheid hebben van ten minste 9 punten, ofwel zij die RIZIV-invalide zijn, ofwel zij die ten minste 66% blijvend lichamelijk of geestelijk gehandicapt of arbeidsongeschikt zijn verklaard (FOD Financiën, 2006).

[138] Bijvoorbeeld een proportionele verlaging van de belastingen, aanpassing van het vrijgesteld basisgedeelte, de verdubbeling van het belastingskrediet samen met een phasing out van het HQ, de verhoging van de belastingsvrije som voor personen ten laste en de vervanging van het barema voor forfaitaire beroepskosten door een forfaitair bedrag.

[139] Hierbij ging het  om feitelijke scheidingen, echtscheidingen, overlijden van één van de ouders of om een koppel dat feitelijk samenwoonde en waarbij één van de partners het huis verliet.

[140]            Meer info in de publicatie “Mijn kind, duur kind?!”, 2005, 56 pagina’s. Te verkrijgen bij de studiedienst van de Gezinsbond: 02/507.88.77 of studiedienst@gezinsbond.be.

[141]            Dekkingsgraad kinderbijslag en fiscale voordeel kind ten laste samen was op 1 januari 2007 voor een gezin: 32,36 % (één kind), 46,48 % ( twee kinderen) en 64,82 % (drie kinderen).

[142]            Op 1 januari 2007 bedraagt dat geïndexeerde basisgezinsinkomen 1 819,59 euro, op basis van het gewone indexcijfer van 120,85 (december 2006 / basisjaar 1996).

[143]            CBGS-enquête ‘Bevolking en Beleid in Vlaanderen’, 2003.

[144]            Zie VRIND 2004-2005, Vlaamse Regionale Indicatoren, Hoofdstuk 1.3 Demografische context, pagina 52.

[145]            Interface Demography, Vrije Universiteit Brussel.

[146]            FOD Economie, Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, Dienst Demografie.

[147]           De maximale fiscale tegemoetkoming voor kinderen ten laste bedraagt 2 490,65 euro en wordt bereikt bij een gemeentebelasting van 9 % vanaf het 8ste kind (alleenstaanden) en vanaf het 9de kind (gehuwden).

[148]            Bedragen geldig vanaf 1 oktober 2006 (laatste overschrijding van de spilindex).

De regering besliste om vanaf 1 april 2007 de basiskinderbijslag van het eerste kind van zelfstandigen te verhogen van 39,97 tot 60 euro.

[150] Het recht van het kind om zijn mening te kennen te geven en het recht op het feit dat met deze mening rekening moet worden gehouden in elke aangelegenheid of procedure die het kind betreft.

[151] Dit is nu ingesteld door een federale wet inzake bemiddeling.

[152] In 1995 werd een wet goedgekeurd die het gezagsco-ouderschap in werking stelde.

[153] De eerste wetsvoorstellen werden achtereenvolgens ingediend door de Volksunie (VU-ID), de Vlaamse christen-democraten (CD&V) en de groene partijen Agalev-Ecolo tussen januari 2001 en augustus 2002.

[154] Wetsvoorstel tot aanvulling van het Burgerlijk Wetboek met bepalingen met betrekking tot zorgouderschap, parlementair stuk nr. 50 1604, 23 februari 2002.

[155] Wetsvoorstellen ingediend door CD&V, NV-A en CDH. Ecolo dient een tekst in tot wijziging van de afstamming.

[156] Samenvatting van de Staten-generaal van het Gezin (1e cyclus) www.lesfamilles.be/2005/doc/textes/synthese, 2005.

[157] Amendementen ingediend door de Franstalige liberalen (MR) en de christen-democraten (CD&V en CDH).

[158] Nochtans heeft het recht op adoptie voor koppels van hetzelfde geslacht het afstammingssysteem grondig gewijzigd door het verschil in geslacht niet meer te zien als voorwaarde voor de afstamming.

[159]Koninklijke wet van 21 februari 2002, artikel 7 van het Frans Burgerlijk Wetboek

[160] Art. 16 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948; art. 10 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake economische, sociale en culturele rechten en art. 16 van het Herziene Europees Sociaal Handvest van 3 mei 1996.

[161] Art. 23 van het Internationaal verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: BUPO); art. 12 van het Europese Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de universele vrijheden (hierna: EVRM) en art. 9 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000.

[162] Art. 23 BUPO, art. 8 EVRM en art. I-9 Europese Grondwet.

[163] Lagroutte, S. en Arnason, A.T. (1999), ‘Article 16’, in Alfredsson, G. en Eide, A. (red.). The Universal Declaration of Human Rights. A common standard of achievement. Den Haag, Martinus Nijhoff, 339.

[164] Hof Mensenrechten, arrest-Mazurek t. Frankrijk van 1 februari 2000, § 52 [ http://cmiskp.echr.coe.int/]

[165] Swennen, F. (2004), Het huwelijk afschaffen?, Inaugurele rede in het personen-, gezins- en familierecht aan de Universiteit Antwerpen, 17 december 2003, Antwerpen, Intersentia, p. 23-24, nr. 15.

[166] Brouwers, J. (2005), Bezonken rood, Atlas (hardcover).

[167] Wet van 11 mei 2003, B.S. 28 mei 2003.

[168] Bv. Cliquet, R. (1998), ‘Sociobiologie van het gezin’, Recht der Werkelijkheid 1997, I, 25-58; Cliquet R. en Avramov, D., ‘The future of the family: A sociobiological approach’, in K. Matthijs (ed.), The family, Leuven University Press, 159-180.

[169] Zie algemeen Willekens, H. (1997), ‘Het gezinsrecht in de sociale wetenschappen’, Recht der Werkelijkheid. I, 1-24.

[170] Fukuyama, F. (2004), De nieuwe mens, Pandora-Olympus (paperback).

[171] Wet van 31 maart 1987 houdende wijziging van een aantal bepalingen met betrekking tot de afstamming, B.S. 27 mei 1987.

[172] Hof Mensenrechten, Marckx T. België van 13 juni 1979 [http://cmiskp.echr.coe.int/].

[173] Wet van 2 juli 2006 tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan, Parl. St. Kamer 2005-06, nr. 51-597/038 (tekst aangenomen in plenaire vergadering en aan de Koning ter bekrachtiging voorgelegd), [www.senate.be].

[174] Arbitragehof, arrest nr. 41/97 van 14 juli 1997 en arrest nr. 12/98 van 11 februari 1998 [www.arbitrage.be].

[175] Wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie, B.S. 16 mei 2003, in werking getreden op 1 september 2005.

[176] Dat sinds 2006 ook van gelijk geslacht mag zijn. Wet van 18 mei 2006 tot wijziging van een aantal bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, teneinde de adoptie door personen van hetzelfde geslacht mogelijk te maken, B.S. 20 juni 2006. Hierop kom ik nog terug.

[177] Wet van 2 juli tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan, Parl. St. Kamer 2005-06, nr. 51-597/038 (tekst aangepast) [www.senate.be].

[178] Wet van 13 april 1995 betreffende de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag , B.S. 24 mei 1995.

[179] Wet van 18 juli 2006 tot het bevoorrechten van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake de huisvesting van het kind, B.S. 4 september 2006.

[180] Murat, P. (2002), ‘Couple, filiation, parenté’, in Des Concubinages. Parijs: Litec, 52-71.

[181] Artikel 318 § 4 Burgerlijk Wetboek.

[182] Wetsontwerp betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo’s en de gameten, Parl. St. Senaat 2005-06, nr. 3-1440/10, [www.senate.be].

[183]Advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, Parl. St. Senaat 2005-06, nr. 3-417/3, [www.senate.be].

[184] Wet van 18 mei 2006 tot wijziging van een aantal bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, teneinde de adoptie door personen van hetzelfde geslacht mogelijk te maken, B.S. 20 juni 2006.

[185] Hoewel die biologische grondslag in de algemene regels over de afstamming ook werd versterkt in 2006, cf. Wet van 2 juli 2006 tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan, Parl. St. Kamer 2005-06, nr. 51-597/038.

[186] Art. 50 Wetboek Successierechten (hierna verkort: W. Succ.), zoals van toepassing in Vlaanderen.

[187] Arbitragehof, arrest nr. 134/2003 van 8 oktober 2003 [www.arbitrage].

[188] Advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, Parl. St. Kamer 2004-2005, nr. 51-393/002 [www.dekamer.be].

[189] Cass. 1 februari 1989, J.T. 1989, 354 en Pas.1989, I, 582 en Cass. 15 februari 1990, J.T. 1990, 216.

[190] Cass. 1 februari 1989, J.T. 1989, 354 en Pas.1989, I, 582 en Cass. 15 februari 1990, J.T. 1990, 216.

[191] Art. 410 Strafwet, in het bijzonder lid 2.

[192] Art. 48 W. Succ., zoals van toepassing in Vlaanderen.

[193] Schrama, W. (2005), De niet-huwelijkse samenleving in het Nederlandse en Duitse recht. Amsterdam: Kluwer; Verbeke, A. en Forder, C. (red.), Gehuwd of niet: maakt het iets uit? Antwerpen: Intersentia.

[194] Casman, H. (2004), “Wettelijke samenwoning. Hoe gaat dat nu verder”, NjW, p. 182-193.

[195] Swennen, F. o.c., p. 5-16, nrs. 5-11.

[196] Wet 13 februari 2003 tot openstelling van het huwelijk voor personen van gelijk geslacht, B.S. 28 februari 2003.

[197] Verbeke, A. (2005), “Homohuwelijksvermogensrecht?”, in Liber amicorum Paul Delnoy, Brussel, Larcierp. 513-531.

[198] Arbitragehof, arrest nr. 159/2004 van 20 oktober 2004 [www.arbitrage.be]

[199] Wetsontwerp tot hervorming van de echtscheiding, Parl. St. Kamer 2005-06, nr. 51-2354/1 [www.dekamer.be]: “Het huwelijk wordt niet meer beschouwd als een star en onontbindbaar instituut, maar als een sui generis pact”

[200] Zie Van Overbergh, C. (1900), Rapport général sur les travaux de la Commission royale de bienfaisance, in La réforme de la bienfaisance en Belgique. Brussel: A. Lesigne; Grell, P. (1976), L'organisation de l'assistance publique. Brussel: éd. Contradictions.

[201] Over het contract, zie natuurlijk in de eerste plaats Contrat social. Over werken: "Travailler est donc un devoir indispensable à l'homme social. Riche ou pauvre, puissant ou faible, tout citoyen oisif est un fripon." (Emile ou de l'éducation, uitgegeven door Launay, M. (1996), Parijs: Garnier-Flammarion, p. 253.)

[202] Artikel 60, § 3, 98, § 2 en 100bis van de wet van 8 juli 1976 en het koninklijk besluit van 9 mei 1984 in uitvoering van artikel 100bis, § 1er, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. De invordering is alleen verplicht bij de echtgenoot en de voorouders of nakomelingen in de eerste graad. Het is niet logisch dat de ex-echtgenoot, als die onderhoudsplichtig is, niet wordt vermeld.

[203] Artikel 203, 205 tot 211, 213, 221, 301, 306 tot 307bis, 336, 353-14 en 356-1 van het Burgerlijk Wetboek.

[204] Arrest nr. 43/98 van 22 april 1998.

[205] Arrest nr. 80/99 van 30 juni 1999.

[206] Arrest nr. 106/2003 van 22 juli 2003 en arrest nr. 129/2003 van 1 oktober 2003.

[207] Voor deze kwestie, zie Fierens, J. "175 ans de paresse des pauvres", Journal des tribunaux, 2005, n° 6196 van 21 oktober 2005, p. 645-646.

[208] Dit is vaak het geval bij ouders uit een Zuid-Amerikaanse staat (waar de nationaliteit wordt toegekend op basis van de geboorteplaats) die in België een kind krijgen. In zo’n geval geldt in België artikel 10 van de 28 juni 1984 betreffende sommige aspecten van de toestand van vreemdelingen en houdende invoering van invoering van het wetboek van de Belgische nationaliteit. De Dienst Vreemdelingenzaken heeft zelfs een bijzondere afdeling opgericht, onder de romantische naam ‘Scheppers van Belgische kinderen’.

[209] AH nr. 66/2006 van 3 mei 2006, § B.10.

[210] Arendt, H. (1982), Les origines du totalitarisme. L’impérialisme, Franse vertaling door Martine Leiris [coll. Points politique, n° 125]. Parijs: Fayard, p. 271 ev.

[211] Artikel 10, 13, 14 e.v. van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie

[212] "Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever om de kinderlast al dan niet in aanmerking te nemen bij het bepalen van het leefloonbedrag, maar hij vermag daarbij niet, zonder de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te miskennen, de kinderlast in aanmerking te nemen wanneer het om alleenstaande rechthebbenden gaat en de kinderlast niet in aanmerking te nemen wanneer het om samenwonende rechthebbenden gaat."(§ B.17.5. van het arrest).

[213] De huidige tekst werd vóór het arrest van het Arbitragehof nr 123/2006 van 28 juli 2006 geschreven, die onder anderen het woord "uitsluitend" in artikel 14, § 1, 3° van de wet vernietigd.

[214] Deze basisbedragen zijn geïndexeerd. Sinds 1 augustus 2005 gaat het respectievelijk om 5004,83 €/jaar of 417,07 €/maand, om 7507,25 €/jaar of 625,60 €/maand en om 10009,67 €/jaar of 834,14 €/maand. Alle analysten zijn van mening dat deze inkomsten niet volstaan om in 2006 in België een fatsoenlijk leven te kunnen leiden, maar dat is een ander verhaal…

[215] Zie artikel 14 van de wet van 26 mei 2002.

[216] Artikel 16 van de wet van 26 mei 2002 en art. 34 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie.

[217] Artikel 26 van de wet van 26 mei 2002 en art. 42 e.v. van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie.

[218] Het gezondheidsbeleid en dus de paramedische hulp aan huis worden nog steeds vooral op federaal niveau geregeld.

[219] Telefonisch alarmsysteem waardoor de persoon die een zender draagt, in contact kan treden met een centrale die vraagt wat het probleem is en dienovereenkomstig handelt (Masuy, 2006).

[220] Verantwoordelijke van ADMR (Aides à Domicile en Milieu rural).

[221] Federale Overheidsdienst (het vroegere Ministerie).

[222] Sociale Maribel: Vermindering van de patronale bijdragen voor de niet-commerciële sector in het kader van de wedertewerkstelling, gefinancierd door een sectorieel fonds 'Maribelfonds'.

[223] Gesubsidieerde contractuelen.

[224] Aides à la promotion de l’emploi

[225] Derde arbeidscircuit.

[226] Programme de Transition professionnelle.

[227] Zie ook ‘Een panoramische blik op gezinnen en arbeid’ – Andere verlofregelingen met betrekking tot het gezin.

[228] Door het schrijnende gebrek aan personeel in de rusthuizen kan het gebeuren dat het wassen van de voormiddag tot de middag duurt. De ouderen blijven dan in bed zonder te kunnen opstaan totdat de hulpverpleegster voorbijkomt.

[229] Men spreekt over heringerichte woonst (Frankrijk, Nederland, Duitsland), over evolutief wonen (Verenigd Koninkrijk), over kangoeroe-wonen (Nederland, Italië, Denemarken), over gezinsopvangde (Quebec, Engeland, Frankrijk), over coöperatief wonen (Quebec, Denemarken, Zweden), over geïntegreerd wonen (Nederland), over intergenerationel gemeenschappen (Frankrijk, Finland),… (Carlson e.a., 1998).

[230] Onder de klachten voor echtelijk geweld die bij de politie neergelegd zijn, zijn 88% van de slachtoffers vrouwen (Guèvremont, 2004).

[231] SOS-Enfants is afhankelijk van het Office de la Naissance et de l’Enfance (ONE), de Franstalige tegenhanger van Kind en Gezin.

[232] De vrouwen hebben bijvoorbeeld meer dan de mannen te kampen zowel met geweld binnen het gezin als met armoede en bestaansonzekerheid.

[233] Zie ook ‘Een panoramische blik op gezinnen en de overheid’ – Fiscaliteit.

[234] Dit geldt ook voor de vrijstelling voor een kind ten laste.

[235] Referentieperiode: 1 juni 1997 tot 31 mei 1998.

[236] Sinds 2000 kent de woningmarkt echter scherpe prijsstijgingen.

[237]Deze paragraaf is gebaseerd op (Bonsang e.a., 2004; Bulckens e.a., 2005).

[238] Als alle observaties van klein naar groot geranschikt worden, gaat het om de waarde van de observatie in het midden. 50% van de observaties zijn dus groter en 50% kleiner.

[239] Indeling van de gezinnen volgens twee armoedecriteria naar leeftijd en gezinstoestand (in %), Belgische volwassenen van 16 jaar en ouder, n=4747, α>0,001.

[240] De informele hulp die aan zorgbehoevende personen verleend wordt, wordt voor 80% door (schoon)dochters gedaan (Vie féminine, 2001).

[241] Bibliografie: Jacobs, T. (2003), Paying for informal care: a contradictio in terminis. European societies, 5, pp. 397-417; Jacobs, T. & Lodewijckx, E. (red.) (2004), Zicht op zorg. Studie van de mantelzorg in Vlaanderen in 2003. CBGS-werkdocument 11, Brussel; Jacobs, T., Lodewijckx, E.; Craeynest, K., De Koker, B. & Vanbrabant, A. (2005), Mesurer l’aide informelle: synthèse des pratiques européennes et nouvelle proposition. Retraite et société, 46, octobre, pp. 60-87; Jacobs T. & Lodewijckx, E. (red.) (2006), Grenzen aan mantelzorg. Sociaaldemografische hypothesen over de toekomst van de zorg. CBGS-Publicaties, Garant, Apeldoorn en Antwerpen (in druk). Craeynest K. & De Koker, B. (2006), Informatienoden van mantelzorgers, een exploratief beschrijvend onderzoek. Tijdschrift voor Welzijnswerk, jg 30, nr 275: 41-57.

[242] In een Cantou wordt er een gemeenschappelijke woonomgeving geschapen waar mensen met verminderde zelfstandigheid een leefsituatie kunnen vinden waar de communicatie, de onderlinge hulp en de relaties bevorderd worden door eenieders deelname aan de bezigheden uit het dagelijkse leven. Het concept wil de bewoners een gemeenschappelijke zelfstandigheid bieden binnen een beschermd kader om zo het hoofd te bieden aan de individuele zelfstandigheidsbeperkingen. Van de familie wordt een actieve deelname verwacht om samen met het personeel de bewoners te stimuleren om de aanwezige mogelijkheden maximaal te benutten. http://www.cantous.be/pr01.htm, Belgische Cantousvereniging.

[243] "Abbeyfield is tegelijk een vereniging van huisbewoners en vrijwilligers, die ouderen, alleenstaande maar zelfredzame mensen helpt om een verrijkend levenskader te delen ", vzw Abbeyfield Belgium http://www.abbeyfield.be/jsp/home.jsp?Language=nl&createCookie=yes&paraKey=1

[244] Partnergeweld wordt op Europees en Internationaal vlak erkend als gendergeweld. Zie Nationaal actieplan partnergeweld, p. 3 op http://www.christiandupont.be.

[245] Branger, J-G. (16 september 2004). Report Committee on Equal Opportunities for Women and Men. Campaign to combat domestic violence against women in Europe. Doc 10273. Op: www.assembly.coe.int

[246] Deze intervisies kaderen in een onderzoek dat VIVA-SVV voert in opdracht van Minister Dupont. VIVA-SVV maakt een inventaris op van vormingen over partnergeweld die in Vlaanderen worden gegeven aan professionele hulpverleners in de sociale sector.

[247] Enkel in Wallonië, in Vlaanderen gaat het om een 078-nummer.

[248] Cantillon, B. e.a. (1999), Sociale Indicatoren, 1976-1997, CSB-Berichten, Universiteit Antwerpen.

[249] FOD Economie, K.M.O, Middenstand en Energie – Algemene Directie Statistiek en Economische informatie.

[250] EU-SILC 2004, Overview and Results, Federal Public Service Economy, SMES, Self-Employed and Energy.

[251] Deleeck, H. e.a. (1980), De sociale zekerheid tussen droom en daad, Deventer-Antwerpen: Van Loghum Slaterus.

[252] Seebohm-Rowntree, B. (2000), Poverty A Study of Town Life. Bristol: The Policy Press. (Originally published 1901).

[253] Cantillon, B. e.a. (1995), Wegen naar een grotere doelmatigheid van kinderbijslag en belastingaftrek voor kinderen ten laste, CSB-Berichten, Universiteit Antwerpen.

[254] Cantillon, B. en Goedemé, T. (2006), De Kinderbijslag in het Werknemersstelsel: Een Terugblik in de Toekomst. Reflecties bij 75 jaar Kinderbijslag, Belgisch Tijdschrift voor Sociale Zekerheid, pp. 7-34.

[255] Cantillon, B. e.a. (2000), Emancipatie in twee snelheden: over hoog- en laaggeschoolde vrouwen in 13 OESO-landen, CSB-Berichten, Universiteit Antwerpen.

[256] De Lathouwer, L., Bogaerts, K. en Van den Bosch, K. (2003), Schorsing artikel 80 gewikt en gewogen: een evaluatie vanuit herintrede, behoefte en verzekeringsperspectief, CSB-Berichten, Universiteit Antwerpen.

[257] Pahl, J. (1989), Money and Marriage. London: Macmillan.

[258] Cantillon, B. e.a. (1999), Sociale Indicatoren, 1976-1997, CSB-Berichten, Universiteit Antwerpen.

[259] Recht op vzw in samenwerking met Binnen zonder bellen vzw, De Anjer vzw, Mensen met een hart en W. in Vaart iedereen wel bij de actieve welvaartstaat? Hasselt, 2000.

[260] De Keersmaekers M.L. (1993), Staat van de armoede in het BHG. Deel I: Op zoek naar de sociale indicatoren in Brussel. Brussel.

[261] Belgische Staat. Wet van 27 januari 1999 houdende goedkeuring van het samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten betreffende de bestendiging van het armoedebeleid, ondertekend te Brussel, op 5 mei 1998, Brussel, Belgisch Staatsblad, 1999.

[262] België ondertekende het IVESCR op 10 december 1968 en bekrachtigde het verdrag op 21 april 1983, de datum waarop op het tevens in werking trad.

[263] Zie website van de FOD Maatschappelijke Integratie

[264] Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. Ordonnantie van 20 juli 2006 betreffende het opstellen van het armoederapport van het BHG, tot wijziging van de ordonnanties van 8 juni 2004 en 11 juli 1991.

[265] Observatorium voor gezondheid en welzijn, sociale barometer, www.observatbru.be, Brussel, 2005.

[266] Belgische staat. Wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, Belgisch Staatsblad, 1976.

[267] Schiettecatte F. (2000), La catégorie des cohabitants en sécurité sociale: Bilan de 20 années d’application. Brussel: Ligue des droits de l’homme.

[268] Op 1 augustus 2005: een volwassene met kinderen + een samenwonende = 1 251 €/maand. Een volwassene met kinderen + een alleenstaande (die elders woont) = 1 429 €/maand.

[269] Jamoulle P. (2005), Des hommes sur le fil. La construction de l’identité masculine en milieux précaires, Paris, La Découverte, coll. Alternatives sociales.

[270] Brussels Hoofdstedelijk Gewest, ordonnantie van 17 juli 2003 houdende de Brusselse huisvestingscode, Brussel, Belgisch Staatsblad, 2003.

[271] Perdaens A. en Roesems T. (2002), 8e armoedeverslag van het BHG, Brussel, Observatorium voor gezondheid en welzijn en Roesems T. en Perdaens A. (2004) 9e armoedeverslag van het BHG, Brussel, Observatorium voor Gezondheid en Welzijn.

[272] Belgische staat. Wet van 30 november 1998 tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de rechtspleging inzake huur van goederen en van de wet van 30 december 1975, Belgisch Staatsblad, 1999: deze wet voorziet in de voorafgaandelijke informering van het OCMW bij iedere uitzetting.

[273] Samenwerkingsakkoord tussen de federale staat, de gewesten en de gemeenschappen betreffende de bestendigheid van het armoedebeleid, B.S. van 16 december 1998 en van 10 juli 1999.

[274] Het derde verslag van het Steunpunt verscheen in december 2005, met als titel: Armoede uitbannen - een bijdrage aan politiek debat en politieke actie. Het verslag kan worden gedownload op de website www.armoedebestrijding.be.

[275] Wij beperken ons hier tot het kerngezin, ouders-kinderen. Het kerngezin wijst op tweeoudergezinnen en éénoudergezinnen, oorspronkelijke gezinnen en nieuwsamengestelde gezinnen, gezinnen waarbij de ouders gehuwd zijn en waarbij de ouders samenwonen, ouders van verschillend geslacht en van hetzelfde geslacht.

[276] Bron: LFS – NIS (NAP Werkgelegenheid 2004) zoals opgenomen in NAPincl 2005-2006, indicatoren, p. 66. Dit cijfer houdt geen rekening met de kinderen die niet voorkomen in de gebruikte gegevensbank, meer bepaald de kinderen van gezinnen zonder papieren. Voor meer info, zie de rubriek ‘Feiten en cijfers’ op de website www.armoedebestrijding.be.

[277] NAPincl 2005-2006, Indicatoren, p.72.

[278] Héritier-Augé F. (1993), Famille, Les sociétés humaines et la famille: l'encyclopédie universelle, Parijs

[279] Het recht om een gezin te stichten en het recht op bescherming van het gezinsleven zijn verankerd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele rechten, het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, het Europees Sociaal Handvest, het Europees Handvest inzake de Fundamentele Sociale Rechten en de Belgische Grondwet.

[280] ATD Vierde Wereld België en de Vereniging van Belgische Steden en Gemeenten (afdeling OCMW), Koning Boudewijn Stichting (1994), Algemeen verslag over de armoede.

[281] Op verzoek van het Steunpunt tegen armoedebestrijding, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting financiert het wetenschapsbeleid onderzoek hiernaar.

[282] PISA 2003 ( internationaal vergelijkend onderzoek naar de verworven kennis van leerlingen waaraan 32 landen deelnamen, gecoördineerd door de OECD. Dit onderzoek meet de kennis en vaardigheden van 15-jarige jongeren. Deze enquête wordt om de drie jaar herhaald.

[283] Concrete voorstellen in deze verschillende domeinen zijn opgenomen in het verslag Armoede uitbannen: een bijdrage aan politiek debat en politieke actie.

[284] Zie het verslag: Armoede verbannen. Een bijdrage aan politiek debat en politieke acties, oriëntatie V (www.armoedebestrijding.be).

[285] Indien het kind ziek is of een functiebeperking heeft, moeten beide maatregelen kunnen worden gecombineerd.

[286] European Commission (2005), Confronting Demografic Change: A New Solidarity Between the Generations. Luxembourg: Office for Official Publications of the European Communities.

[287] Dumon, W. (1998), Bevolkingspolitiek en gezinspolitiek. In: Koen Matthijs (red.), Het gezin. Feiten vragen toekomst. Een keuze uit het werk van Wilfried Dumon. Leuven: Universitaire Pers Leuven, pp.53-59. (oorspronkelijk gepubliceerd in 1977).

[288] UN (2004), National Population Policies 2003. New York: United Nations.

[289] Van Dalen, H. (2004), Vergrijzing, krimp en de stille opmars van bevolkingspolitiek, Demos, 20 (September),p. 57-61.

[290] Commissie over het Groenboek ‘Demografische veranderingen: naar een nieuwe solidariteit tussen de generaties’, COM (2005), p. 94.

[291] Terwijl kinderen ter wereld brengen nochtans de enige taak is die valt onder hun onvermijdelijke verantwoordelijkheid.

[292] Zie Pascale Vielle, La sécurité sociale et le coût indirect des responsabilités familiales, 2001, Bruylant.

[293] Het hieronder geschetste standpunt over de toekomst van de kinderbijslag wordt uiteengezet in B. Cantillon & P. Van Parijs, « Kinderbijslagen: de communautaire obsessie voorbij », De Standaard 17 januari 1996, en P. Van Parijs, Solidariteit voor de 21ste eeuw, Leuven: Garant, 1997, kap.8.  [P. Van Parijs, « Moderniser les allocations familiales », La Revue nouvelle 11, november 1995, 61-65, en in B. Cantillon & P. Van Parijs, « Allocations familiales: Par delà l'obsession communautaire », Le Soir 19 januari 1996. ]

[294] P. Vielle & P. Van Parijs, « La Prime de virilité », Le Soir 1 december 2001.

[295] Zie Y. Vanderborght & P. Van Parijs, L’Allocation universelle, Parijs: La Découverte, 2005.

[296] Zie het bewonderenswaardige initiatief ‘Kinderstad’ van Italiaans psycholoog Francesco Tonucci: http://www.lacittadeibambini.org/

[297] Dit idee dat in de jaren ’30 in Frankrijk voor het eerst furore maakte, wint nu om voor de hand liggende demografische redenen aan belang in Duitsland en Italië. Zie P. Van Parijs, ‘The Disfranchisement of the Elderly, and Other Attempts to Secure Intergenerational Justice’, Philosophy and Public Affairs 27 (4), 292-333 ; L. Campiglio, Prima le donne e i bambini. Chi rappresenta i minorenni? Bologna: Il Mulino, 2005.

[298] Mahon, R. (2006), The OECD and the Work / Family reconciliation agenda: competing frames. In: Lewis, J. (ed.). Children in context: changing families and welfare states. Elgar (forthcoming);
Stratigaki, M. (2004), The cooptation of gender concepts in EU policies: the case of ‘Reconciliation of Work and Family’ Social Politics, vol.11: 30-56.

[299] Cattoir, P. & Jacobs, D. (1998) Het gezinsbeleid in België: welke instrumenten voor welke doelstellingen? Belgisch T. Voor Sociale Zekerheid 5-31.

[300] Dumon, W. (2004), Veranderend gezinsbeleid in België. 1994-2004 (pp. 161-172) in: Verstappen, L. (eindred.). De kern verkaveld. Gezinsbeleid in Vlaanderen, 1994-2004. Brussel, vzw Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen.

[301] Schoenmaekers, D., Breda, J., Ghysels, J., Cantillon, B., Debacker, M. & Wiercx, J. (2006), De overheidsuitgaven voor Vlaamse kinderen becijferd. Antwerpen, CSB Berichten (maart).

[302] Anon (2004), Gezinsbeleid, een literatuurstudie (www.rkw-onafts.be).

[303] OECD (2006). Starting Strong II. Early Childhood Education and Care. Paris, OECD.

[304] P. Moss & F. Deven (2006). Leave Policies and Research: a cross-national overview (pp.255-285). In: L. Haas & S.K. Wisendale (eds.), Families and Social Policy: national and international perspectives. Binghamton, NY, The Haworth Press, Inc.

[305] Brooks-Funn, J. (2003), Do you believe in Magic? What we can expect from early childhood intervention programs. Social Policy Report vol. 17 (1): 3-14.

[306] Gauthier, A. (2005), Trends in policies for family-friendly societies (pp. 95-110). In: Macura M. et al. (eds.). The new demographic regime. Population challenges and policy responses. New York: United Nations.

[307] Hantrais, L. (2004), Family policy matters. Responding to family changes in Europe. Bristol: Policy Press.

[308] Kaufmann (2002), Politics and Policies towards the family in Europe: a framework and an inquiry into their differences and convergences (pp 419-490), In: Kaufmann et al. (eds.), Family Life and Family Policies in Europe (vol.2), Oxford Univ. Press. Strohmeier (2002), Family policy – How does it work (pp321-362), In: Kaufmann et al. (eds.), Family Life and Family Policies in Europe (vol.2), Oxford Univ. Press.

[309] Letablier M-Th. (2003), Opinions, attitudes et aspirations des familles vis-à-vis de la politique familiale en France. Paris, Centre d’Etudes de l’Emploi (= Rapport de Recherches No.09).

[310] Rürup, B. (2004), Nachhaltige Familienpolitik ist Wachstumpolitik (pp. 32-40), in:R. Schmidt & L. Mohn (Hrsg.), Familie bringt Gewinn. Innovation durch Balance von Familie und Arbeitswelt. Gütersloh: Verslag Bertelsmann.

[311] Knijn T. & E. Hooghiemstra (2004), Emancipatie en Gezin over de Grens. Naar een vruchtbaar, productie en zorgzaam emancipatie- en gezinsbeleid. Den Haag: Nederlandse Gezinsraad (Essay).

[312] Het ouderschapsverlof bestaat sinds 1 juli 2002. Het ouderschapsverlof wordt vanaf de vierde dag uitbetaald door de verzekeringsinstellingen. De eerste drie dagen worden door de werkgever uitbetaald en worden niet geregistreerd (X, 2006).